NO. 9. DE VROUW, DIE EEN BOSCHGEEST NABOOTSTE. (A.)

Eens op een dag ging een Arowak op de jacht en nam zijn vrouw meê [35].

Toen hij haar op een morgen in de banab* achterliet, waarschuwde hij

haar, alvorens te vertrekken, dat, wanneer een Jawahoe voorbij kwam en

deze als een vogel begon te fluiten, zij nalaten moest, te probeeren

het geluid na te bootsen, want dat anders haar beide voeten

onmiddellijk in een scherpen steen zouden veranderen. Toen zij zich

echter daar zoo eenzaam begon te voelen, dacht zij, toen zij een vogel

hoorde fluiten: „Wacht, ik zal hem roepen.” Maar nauwelijks had zij het

geluid nagebootst, of de Jawahoe—want de vogel was een Boschgeest—werd

razend en veranderde oogenblikkelijk elk harer voeten in een puntigen

steen. Ook haar hart veranderde hij in steen [36]. Hierdoor kwam het,

dat de vrouw woest en hard werd jegens haar man, en dat zij hem, toen

hij ’s avonds van de jacht terugkeerde, onmiddellijk wilde dooden.

Maar toen de man begreep wat er gebeurd was, zette hij het op een

loopen en rende hij zoo gauw hij kon om een kreek te bereiken, waarin

hij onderdook en haar overzwom. Toen hij aan den anderen oever weêr

boven kwam, rustte hij wat uit.

De vrouw was haar man achterna gerend, en toen zij bij de kreek kwam en

haar man niet zag, dacht zij: „hij zal zich zeker verborgen hebben

tusschen de biezen of in de modder”. Met haar puntige steenen begon zij

overal om zich heen te trippelen, uiting gevend aan haar

kwaadaardigheid, en zij riep daarbij: „ruwe klant, wacht, ik zal je wel

pakken. Ik weet wel wat ik met je zal doen.”

Zij wist echter niet, dat haar man dit alles hoorde, en haar steeds

glimlachend aanzag. Zij bleef echter, al maar vloekende, voortstampen,

totdat zij met een harer steenen voeten in een alligator stak, dien ze

daarna naar den oever sleepte. Hier ging zij nog maar voort met steken,

daar zij vast geloofde, dat het haar man was, dien zij zoo toetakelde.

Toen zij over haar werk voldaan was, keerde zij naar haar banab terug.

Haar man echter liep naar zijn hut en toen hij daar aankwam, vroegen

zijn schoonbroeders hem waar hun zuster was gebleven. Hij vertelde hun

het gebeurde, maar de beide mannen wilden er eerst niets van gelooven,

en toen zij dreigden, hem te zullen dooden, zei hij: „kom meê, dan zal

ik de plaats aanwijzen, waar het gebeurd is”.

Zoo gezegd zoo gedaan, en toen zij bij het tijdelijk verblijf in het

bosch waren aangekomen, was de vrouw nergens te vinden. Haar man

bootste nu Jawahoe’s gefluit na—nu de Geest niet in de nabijheid was en

te ver was om het te kunnen hooren, kon er geen kwaad gebeuren—en

onmiddellijk kwam zij met haar steenen voeten woedend aanloopen, gereed

om niet alleen haar man, maar ook haar broêrs te vernietigen. Maar deze

waren gewaarschuwd, en voordat zij nog iets kon doen, joegen zij haar

een pijl door het lichaam.

Toen de broêrs hun zuster dood zagen liggen, erkenden zij dat hij

waarheid had gesproken.

NO. 10. DE GEEST VAN EEN SCHIMMELPLANT* REDT EEN INDIAANSCH MEISJE.

(C.)

Twee meisjes bleven volgens haar eigen verkiezing alleen in een hut

achter, terwijl de ouders een drinkpartij bijwoonden. De ouders hadden

er bij de dochters op aangedrongen, dat zij mede zouden gaan, doch deze

hadden er geen lust in. Tegen zonsondergang daalde nu een Joroka van

een nabijstaanden kankantrie: hij had pijl en boog, waarmeê hij een

papegaai schoot. Hij bracht den vogel aan de beide meisjes en verzocht

haar het dier te koken, en niet wetende, dat de bezoeker een Boschgeest

was, voldeden zij maar al te gretig aan zijn verzoek. Toen zij

gezamenlijk den vogel hadden verorberd, verdween hij met een zwaai in

zijn hangmat, die hij had opgehangen. Joroka vroeg het jongste meisje,

hem gezelschap te komen houden, maar deze, er niet toe geneigd, zond

haar oudere zuster in haar plaats.

Het duurde eenigen tijd, toen de jongste een vreemd geluid en daarbij

huilen hoorde, dat uit de hangmat van den bezoeker kwam. Het geluid

werd steeds erger, en nadat zij het vuur wat opgerakeld had, vermande

zij zich en ging naar de hangmat toe, waaruit zij tot haar grooten

schrik bloed zag druppelen. En nog heviger schrok zij, toen zij haar

zuster dood in de hangmat zag liggen. De bezoeker zelf was verdwenen,

maar aan bepaalde kenteekenen begreep zij, tot welken stam de bezoeker

behoorde. Om aan een dergelijk lot te ontkomen, haastte zij zich nu

naar buiten en liep zij naar het met maïs beplante veld, dat haar

eigendom was en dat door de schimmel geheel was aangetast en verrot

was; in dit veld verborg zij zich. Ten einde zich nog beter te

beveiligen, waarschuwde zij den Geest der schimmelplant, hem op het

hart drukkend, dat, wanneer Joroka haar hier mocht vinden en haar mocht

pakken, zij hem aan geen koren meer zou helpen. [37]

In den vroegen ochtend verscheen Joroka en vroeg aan den Geest van de

schimmel, of hij ook een meisje had gezien, maar deze gaf geen

antwoord, daar hij druk bezig was de maïs te eten (d.w.z. aan te

tasten). Joroka ging toen aan het zoeken, overal tusschen door

kruipend, maar toen hij haar met het aanbreken van den dag nog niet had

gevonden, moest hij wel naar zijn verblijf in den kankantrie

terugkeeren.

Het arme meisje had den geheelen nacht tusschen de maïs rondgekropen,

en eerst toen de zon hoog aan den hemel stond, durfde zij er uit op te

rijzen. Zij zocht nu haastig het pad op, dat naar hare hut leidde en

ontmoette er hare verwanten, die juist van de drinkpartij terugkeerden.

Zoodra zij hen zag, begon ze te huilen en te schreeuwen. „Wat is er

voor naars?” vroeg haar moeder. „De Komaka*-Joroka heeft mijn arme

zuster gedood”, antwoordde zij. „Zie je nu wel”, klaagde de moeder,

„jelui had met ons meê moeten gaan, inplaats van alleen achter te

blijven”.

Zoodra nu allen in de hut waren teruggekeerd, vonden zij van het

lichaam der gedoode zuster niets meer over en zij haastten zich nu met

de pepers, die zij bijeen konden rapen, de manden te vullen, om er mede

naar de Komaka-boom te gaan, dien de dochter spoedig als het verblijf

van Joroka had aangewezen.

Een groot vuur werd nu om den boom aangelegd, en daarin peper

gestrooid. Een groote Joroka-familie moest wel in dien Komaka huizen,

want toen de prikkelende rook in den boom omhoog steeg, kwamen talrijke

kleine baboens* naar beneden, met welke het vuur korte metten maakte.

Nog meer pepers werden nu in het vuur geworpen, en talrijke baboens en

veel grootere daalden naar beneden en ondergingen hetzelfde lot.

De ouders wierpen nu de rest van de pepers in het vuur, en daar kwam

Joroka zelf, die de oudste dochter had gedood, naar beneden, en,

terwijl de vader hem toeriep: „ik dood je, om mij te wreken op den dood

mijner dochter”, brachten zij hem met hun allen om. Het lichaam van

Joroka werd nu geopend, en zij vonden er vrouwenvleesch in.

Van dien tijd af heeft de jongste dochter altijd hare ouders

gehoorzaamd.

Mythen en sagen uit West-Indië · 第 23 / 174 题