Een man ging er eens op uit, om landkrabben* te vangen, en wachtte tot
er regen kwam, omdat deze dieren dan hunne holen verlaten, om zich in
de swampen te begeven. Toen de regen loskwam, nam hij, om te
verhinderen, dat zijn haar nat zou worden, een kalebas en drukte deze
zóó vast op zijn hoofd, dat er maar weinig haar onder uit kwam. Juist
verscheen er een konokokoeja* en toen deze den man met zóó’n kaal hoofd
zag, kon hij niet laten, hem toe te roepen: „Wat een mooi, glad hoofd
heb je! Wat heb je gedaan, om er zoo uit te zien?” De man vertelde hem,
dat hij zoo juist een snee om zijn hoofd had gemaakt, en het vel met
haar en al er af had getrokken. [34] Hij vroeg den Geest nu, of hij het
bij hem ook even wilde doen.
De Boschgeest was hoogst verrukt, stond het toe, en zei zelfs er
evenmin iets tegen te hebben, zijn hoofd met pepers* te laten
bestrooien, opdat de bloederige huid spoediger zou genezen. Maar toen
de man dit gedaan had, begon hij van pijn zóó hevig te kermen, dat de
jager bang werd en zich, zoo gauw hij kon, uit de voeten maakte.
Lang na dit voorval, zeker verscheidene jaren, toen de jager weêr eens
in het bosch was en juist voorbij de plek kwam, waar hij den Boschgeest
zoo had toegetakeld, verscheen dezelfde konokokoeja, dien hij herkende
aan de pepers, die op zijn hoofd tot heele struiken waren opgegroeid.
De Boschgeest had den jager ook herkend, en naar hem toekomende, riep
hij uit: „Jij bent de man, die mijn hoofdhuid met haar en al er af
heeft genomen. Ik zal je nu doodmaken”. Maar de jager antwoordde: „Je
vergist je; ik was het niet. Degeen, die het deed, is al lang dood. Ga
met me meê en ik zal je bij zijn gebeente brengen”. De man bracht toen
den Boschgeest naar een plek, waar een hoop hertebeenderen lagen.
De Boschgeest nam ze een voor een op, en toen hij ze in zijn waiyarri*
had gedaan, zei de man: „Kom, laten we nu gaan dansen, dan zullen zijn
beenderen rammelen.” Terwijl zij samen dansten, zong de Boschgeest:
„Jij was het, die mijn hoofd zoo toegetakeld heeft. Jij was het, die
mij gestraft heeft. Hoe vind je het nu, dat je beenderen muziek maken?”
Na eenigen tijd zei de jager: „Deze plaats is niet goed om te dansen.
Laten we een mooien, platten steen opzoeken; daar zal het beter op
gaan.” Na eenig zoeken vonden ze zoo’n steen. „Buig je hoofd wat meer
voorover”, zei de man, „je houding is niet goed”. De Boschgeest deed
het, maar zijn gezel vond het nog niet laag genoeg, en toen hij het
hoofd van den Boschgeest na lang aandringen eindelijk vlak bij den
steen had gekregen, sloeg de jager het met één slag op den steen te
pletter. Zóó hard was de slag aangekomen, dat zijn schedelbeenderen
overal in het rond vlogen.
En wat gebeurde er? Uit elk stuk kwam een Wokoraiyoe (nachtzwaluw*) te
voorschijn.
Daarvan komt het nu, dat de Indianen altijd zoo bang zijn voor deze
vogels, want zij waarschuwen altijd voor gevaren. Moeielijkheden van
allerlei aard volgen altijd, zeggen zij, wanneer deze vogels zich laten
hooren.