NO. 11. EEN JAGOEAR, DIE IN EEN VROUW VERANDERDE. (A.)

Er was eens een man, die uitmuntte in het jagen van boschvarkens.

Hoewel zijn vrienden in het bemachtigen van ander wild misschien

bekwamer waren dan hij, vond hij in het bemeesteren van piengos* zijns

gelijken niet. Het gelukte hem altijd 5 of 6 van deze dieren te dooden,

terwijl de jagoear, die steeds piengo-troepen achtervolgt, er nooit

meer dan een of twee in één keer te pakken kon krijgen. De jagoear kon

niet nalaten, van het benijdenswaardige succes goede nota te nemen, en

bij de eerste de beste gelegenheid, dat onze vriend in het bosch

verscheen, veranderde hij zich in een vrouw.

Deze vroeg toen den gelukkigen jager, hoe hij het toch wel aanlegde,

zooveel boschvarkens te schieten; maar alles wat hij vertellen kon,

was, dat hij er zich van jongs af aan in geoefend had. Zij antwoordde,

dat zij vurig wenschte, zijn vrouw te mogen zijn; maar hij, wetende,

waar zij vandaan was gekomen, was niet erg begeerig een beslist

antwoord te geven. Zij, van haar kant, hield aan en beduidde hem, dat

wanneer zij samen leefden en samen op jacht gingen, altijd meer dieren

zouden bemachtigen, dan wanneer zij er alleen op uitgingen. Eindelijk

stemde hij toe.

Lang, heel lang leefden zij gelukkig; want zij was een goede huisvrouw

en behalve dat zij uitstekend kon koken en barbakotten*, bleek zij ook

goed te kunnen jagen. Eens op een dag vroeg zij aan haar man, of hij

geen vader of moeder meer had; en toen zij hoorde, dat beiden nog in

leven waren, gaf ze hem haar wensch te kennen, hun een bezoek te

brengen; „want”, zei ze, „als je zoo lang wegblijft, zullen ze denken,

dat je dood bent”. En toen de man antwoordde: „Goed, ik wil graag gaan”

verzocht ze hem te mogen vergezellen en hem den weg te mogen wijzen,

echter op voorwaarde, dat hij nooit aan zijn verwanten zou vertellen,

wie zij was. Voor zij gingen vertrekken, drong zij er op aan, eerst nog

voor een paar dagen op jacht te mogen gaan, om een voorraad

varkensvleesch te kunnen meênemen. Alzoo deden zij, en toen zij aan de

hut der ouders kwamen, werden zij door hen met vreugde ontvangen.

De eerste vraag, die de oude vrouw aan haar zoon deed, was natuurlijk:

„Waar heb je die mooie vrouw van daan gehaald?” „Ik heb haar in het

bosch gevonden, toen ik op jacht was”, antwoordde hij.

Tijdens het verblijf van het paar in de ouderlijke hut ging het paar

iederen dag op jacht, en steeds keerde het met zooveel doode varkens

terug, dat verwanten en vrienden achterdochtig werden, en zich begonnen

af te vragen, van welke afkomst de mooie vrouw toch wel zou zijn.

Telkens probeerden zij dit te weten te komen, maar de man verraadde het

geheim niet.

Zijn moeder echter, die niet ophield met vragen, werd op het laatst zóó

ongerust, dat hij ten slotte alles eerlijk opbiechtte, haar

uitdrukkelijk op het hart drukkend, aan niemand iets te vertellen,

want, als zij het toch deed, zou zijn vrouw hem onmiddellijk verlaten.

Van dit oogenblik af begonnen echter de onaangenaamheden. Eens op een

dag maakte het volk een goeden voorraad kassiri*, met de bedoeling, de

oude vrouw dronken te maken, en toen zij in den loop van den avond

reeds aardig beneveld was, vroegen de menschen: „Wie is toch de vrouw

van je zoon?” Maar zij hield haar mond. Het volk ging echter voort haar

drank te voeren, totdat zij ten slotte, niet meer wetende wat zij zei,

het geheim verklapte, en zei: „Mijn mooie schoondochter is eigenlijk

een Jagoear”.

Maar nauwelijks had de jonge vrouw de woorden van haar schoonmoeder

gehoord, of zij werd zóó beschaamd, dat zij brommend het bosch in

vluchtte. Het was de laatste keer, dat men haar gezien heeft.

De zoon verweet zijn moeder haar woordbreuk, maar deze verontschuldigde

zich door te zeggen: „ik kon het heusch niet helpen; men heeft mij

immers dronken gemaakt”.

Van dat oogenblik kwam de arme man nooit meer in het bosch zonder eerst

om zijn vrouw te roepen. Maar nooit kreeg hij antwoord.

Mythen en sagen uit West-Indië · 第 24 / 174 题