Er was eens een man, die uitmuntte in het jagen van boschvarkens.
Hoewel zijn vrienden in het bemachtigen van ander wild misschien
bekwamer waren dan hij, vond hij in het bemeesteren van piengos* zijns
gelijken niet. Het gelukte hem altijd 5 of 6 van deze dieren te dooden,
terwijl de jagoear, die steeds piengo-troepen achtervolgt, er nooit
meer dan een of twee in één keer te pakken kon krijgen. De jagoear kon
niet nalaten, van het benijdenswaardige succes goede nota te nemen, en
bij de eerste de beste gelegenheid, dat onze vriend in het bosch
verscheen, veranderde hij zich in een vrouw.
Deze vroeg toen den gelukkigen jager, hoe hij het toch wel aanlegde,
zooveel boschvarkens te schieten; maar alles wat hij vertellen kon,
was, dat hij er zich van jongs af aan in geoefend had. Zij antwoordde,
dat zij vurig wenschte, zijn vrouw te mogen zijn; maar hij, wetende,
waar zij vandaan was gekomen, was niet erg begeerig een beslist
antwoord te geven. Zij, van haar kant, hield aan en beduidde hem, dat
wanneer zij samen leefden en samen op jacht gingen, altijd meer dieren
zouden bemachtigen, dan wanneer zij er alleen op uitgingen. Eindelijk
stemde hij toe.
Lang, heel lang leefden zij gelukkig; want zij was een goede huisvrouw
en behalve dat zij uitstekend kon koken en barbakotten*, bleek zij ook
goed te kunnen jagen. Eens op een dag vroeg zij aan haar man, of hij
geen vader of moeder meer had; en toen zij hoorde, dat beiden nog in
leven waren, gaf ze hem haar wensch te kennen, hun een bezoek te
brengen; „want”, zei ze, „als je zoo lang wegblijft, zullen ze denken,
dat je dood bent”. En toen de man antwoordde: „Goed, ik wil graag gaan”
verzocht ze hem te mogen vergezellen en hem den weg te mogen wijzen,
echter op voorwaarde, dat hij nooit aan zijn verwanten zou vertellen,
wie zij was. Voor zij gingen vertrekken, drong zij er op aan, eerst nog
voor een paar dagen op jacht te mogen gaan, om een voorraad
varkensvleesch te kunnen meênemen. Alzoo deden zij, en toen zij aan de
hut der ouders kwamen, werden zij door hen met vreugde ontvangen.
De eerste vraag, die de oude vrouw aan haar zoon deed, was natuurlijk:
„Waar heb je die mooie vrouw van daan gehaald?” „Ik heb haar in het
bosch gevonden, toen ik op jacht was”, antwoordde hij.
Tijdens het verblijf van het paar in de ouderlijke hut ging het paar
iederen dag op jacht, en steeds keerde het met zooveel doode varkens
terug, dat verwanten en vrienden achterdochtig werden, en zich begonnen
af te vragen, van welke afkomst de mooie vrouw toch wel zou zijn.
Telkens probeerden zij dit te weten te komen, maar de man verraadde het
geheim niet.
Zijn moeder echter, die niet ophield met vragen, werd op het laatst zóó
ongerust, dat hij ten slotte alles eerlijk opbiechtte, haar
uitdrukkelijk op het hart drukkend, aan niemand iets te vertellen,
want, als zij het toch deed, zou zijn vrouw hem onmiddellijk verlaten.
Van dit oogenblik af begonnen echter de onaangenaamheden. Eens op een
dag maakte het volk een goeden voorraad kassiri*, met de bedoeling, de
oude vrouw dronken te maken, en toen zij in den loop van den avond
reeds aardig beneveld was, vroegen de menschen: „Wie is toch de vrouw
van je zoon?” Maar zij hield haar mond. Het volk ging echter voort haar
drank te voeren, totdat zij ten slotte, niet meer wetende wat zij zei,
het geheim verklapte, en zei: „Mijn mooie schoondochter is eigenlijk
een Jagoear”.
Maar nauwelijks had de jonge vrouw de woorden van haar schoonmoeder
gehoord, of zij werd zóó beschaamd, dat zij brommend het bosch in
vluchtte. Het was de laatste keer, dat men haar gezien heeft.
De zoon verweet zijn moeder haar woordbreuk, maar deze verontschuldigde
zich door te zeggen: „ik kon het heusch niet helpen; men heeft mij
immers dronken gemaakt”.
Van dat oogenblik kwam de arme man nooit meer in het bosch zonder eerst
om zijn vrouw te roepen. Maar nooit kreeg hij antwoord.