Vroeger bestonden er geen twisten. Alle menschen leefden gelukkig;
niemand werd ziek of stierf. In dien tijd waren de Joroka’s* gewoon
onder ons als vrienden te leven. Zij waren kleine wezens, evenals wij.
Het was vooral een dezer Joroka’s, die gewoon was ons te komen
bezoeken, en dan paiwarri met ons te drinken. Hij kwam nagenoeg iedere
maand terug. Den laatsten keer, toen hij ons bezocht, had hij de
gedaante van een vrouw met een kind aan de borst.
De Caraïben lieten haar van den peperpot* meêëten, waarin zij haar
cassavebrood doopte, het uitzoog en het daarna opat. Maar de peperpot
was zóó heet, dat zij haar mond en haar binnenste leelijk brandde. Zij
vroeg daarom haar gasten om water, maar deze beweerden, dat ze op dit
oogenblik niets hadden. Joroka vroeg toen om een kalebas en terwijl zij
haar kind achterliet, liep zij naar den waterkant, om haar pijn te
stillen en haar dorst te lesschen.
Toen zij in de hut terug keerde en om haar kind vroeg, was het nergens
te vinden. Zij zocht overal, boven en beneden in de hut, maar vond het
niet. Wat was er gebeurd: een booze vrouw had het kind in haar
afwezigheid in den kokenden peperpot gestopt.
Toen Joroka weêr trek begon te krijgen en, zich bij den peperpot
neêrzettende, de kassiri met de roerspaan ging omroeren, rees
plotseling haar kind omhoog. Joroka begon te schreien, en zich tot de
omstanders wendende, voer ze uit: „ik heb nooit iets slechts met jullie
voorgehad, maar nu zal ik jullie deze daad betaald zetten. In het
vervolg zullen al jelui kinderen sterven en dat zal jullie doen
schreien, evenals ik nu schrei. En wanneer jelui kinderen geboren
zullen worden, zal dat met pijn gepaard gaan. En verder”, zich nu tot
de mannen wendende, ging Joroka voort, „wat jullie aangaat, de
vischvangst zal voortaan niet gemakkelijk meer zijn”. En Joroka hield
woord. Tot nu toe behoefden wij, Caraïben, met onze kalebassen maar
naar de rivier te gaan, en de visschen zoo maar van den bodem uit te
hoozen. En wanneer we alle visschen hadden uitgeschept, duurde het niet
lang of wij vonden weêr nieuwe. Joroka heeft dit nu alles veranderd. Nu
hebben wij zelfs allerlei middelen moeten bedenken, zelfs vergiften*
moeten zoeken, om de visschen in onze handen te krijgen.
Toen Joroka haar wraakplannen had uitgeroepen, wierp zij zich op de
slechte vrouw, die haar kind in den peperpot had geworpen, en sloeg
haar met één slag neêr. Even daarna de kinderen der vrouw buiten de hut
ziende, vroeg ze hun, waar hun moeder gebleven was. „Zij is naar de
kostgronden gegaan”, antwoordden zij. „Neen”, riep Joroka hen
beleedigend toe: „Ze is heen gegaan, om te zorgen, dat mijn stam zich
zal vermeerderen”. [32] En toen de kinderen op haar herhaalde vraag
beweerden, dat zij weg was gegaan, om cassave te gaan halen, schreeuwde
ze hun toe: „Neen, niet waar! Zij heeft haar weg door mijn oor
geboord!” Voor de derde maal deed zij haar vraag en toen de kinderen
ten antwoord gaven, dat zij was uitgegaan om zoete pataten* te oogsten,
verdween Joroka onmiddellijk, toen zij het woord „pataten” hoorde. [33]