De bewoners van den hemel gluurden eens door een opening, die zij,
zooals hen geleerd was, niet mochten naderen, naar beneden, en
ontdekten toen een geheel andere wereld. Zij sneden toen lange
bastrepen en lieten zich er mede naar beneden zakken.
Toen zij nu een tijd lang op de aarde hadden rondgedoold, begonnen zij
angstig te worden en besloten zij weder naar boven te klimmen. Nadat
zij nu weder de opening, waaruit zij waren neêrgedaald, hadden bereikt,
bleef een vrouw, die buitengewoon breed en zwaar was, in het gat steken
en gedurende het gevecht en het gedrang, dat er ontstond, om binnen te
komen, brak de bastreep af en een aantal Caraïben vielen naar beneden
en waren nu genoodzaakt op de aarde te blijven.
Toen zij echter geen eten konden vinden, dat naar hun smaak was, zagen
zij zich genoodzaakt, aarde te eten, waarvan zij koeken bakten. Zij
begonnen echter hoe langer hoe magerder te worden, en toen zij
bemerkten, dat de Acouri* er zoo welgedaan uitzag, zetten zij een
Specht* op den uitkijk, om te weten te komen, op welke wijze de Acouri
zich voedsel verschafte. Maar de specht verried zichzelf door zijn
getik tegen den stam, toen het kleine dier naar buiten kwam. Zij
droegen nu den Alligator* op, om het te bespieden; deze keerde terug,
maar vertelde een leugen. Na hem daarvoor gestraft te hebben, door zijn
tong uit te snijden [30], zonden zij er een rat op uit; doch deze
keerde niet terug en het volk moest hongerlijden.
De menschen trokken toen naar elders, alleen een kind achterlatend.
Toen zij nu na langen tijd, waarin zij zich met bessen hadden moeten
voeden, op de plaats terugkeerden, troffen zij het kind niet alleen nog
levend, maar zeer welgedaan, te midden van een aantal maïskolven aan.
De Acouri, die het kind zoo lang met maïskorrels had gevoed, was na een
zijner bezoeken door het kind gevolgd en dit had toen het maïsveld
ontdekt, waaruit het zoo lang eten had gekregen. Het volk was nu gered
en nam in aantal toe.