NO. 1. DE SAGE VAN HABOERI (W.)

Heel, heel lang geleden leefden er in een Warrau-kamp twee zusters, die

veel van elkander hielden, doch die geen van beiden een man hadden. De

zorg voor haar dagelijksch voedsel drukte haar zwaar. Eens op een dag

gingen zij er op uit, om een Ita-pálm* te vellen, waaruit zij meel

wilden bereiden. Het was al laat geworden, toen zij den boom eindelijk

tegen den grond hadden gekregen, en togen vermoeid naar haar hut terug.

Den volgenden dag, toen zij naar haar werk terug keerden, vonden zij

het meel reeds gereed liggen. Hoe dat zoo kwam, konden zij maar niet

ontdekken. Den volgenden dag—precies hetzelfde; het meel lag voor haar

gereed. Daar ze er het fijne van wilden weten, besloten zij de nacht

bij den boom door te brengen en goed op te letten. Toen het middernacht

was, konden zij hare oogen niet gelooven, toen zij zagen, dat een blad

van een nabijstaanden Palissadepalm* zich voorover boog, totdat het de

snede, die zij in den op den grond liggenden Ita-stam hadden gemaakt,

raakte. Nauwelijks hadden de vrouwen de aanraking gezien, of zij stoven

naar voren, grepen het zoo geheimzinnig doende blad beet, en smeekten

het vurig, zich in een man te willen veranderen. Eerst weigerde het;

maar toen ze aandrongen, ziet, toen gebeurde het wonder.

De man, die zij vóór zich zagen, zei, Mayara-Koto te heeten. De oudste

zuster, die hij tot zich nam, was nu overgelukkig, want eenigen tijd

daarna schonk zij hem een prachtigen jongen. Haboeri was zijn naam. De

beide vrouwen, die gewoon waren, in de nabijheid van twee swampen* te

jagen, vonden in de eene, die haar eigendom was, steeds rijkelijk

visch. De andere behoorde echter aan Tijger* en daarom waarschuwden zij

Mayara-Koto, niet in Tijger’s swamp te gaan visschen. De man luisterde

echter niet. „In onze swamp is te weinig visch”, zei hij, „in die van

Tijger is er overvloed. Ik ga zien, wat ik vang.” Maar nauwelijks was

hij begonnen, of Tijger kwam voorbij, greep hem en velde hem met één

slag neêr.

En wat deed nu Tijger? Hij vermomde zich in de gedaante van

Mayara-Koto, en zoo ging hij op weg. Het was al vrij laat en donker

geworden, toen hij de hut der beide vrouwen had bereikt. Hij bracht

niet alleen Mayara-Koto’s waiyarri* mede, maar ook de visch, die hij

van Tijger gestolen had. Zooals gewoonte is, zette hij, alvorens de hut

binnen te gaan, de korf buiten de hut neêr en na goeden avond! gezegd

te hebben, zei hij, dat hij wat visch had meêgebracht. De vrouwen waren

hoogst verbaasd, de ruwe stem van Mayara-Koto te hooren. „Ik ben erg

vermoeid, en zoek dadelijk mijn hangmat op, maar geef me mijn lieven

Haboeri, want ik wil hem koesteren.”

Hoewel de stem den vrouwen niet beviel, voldeden zij aan zijn

verlangen. „Breng de visch binnen, en maak ze klaar. Ik ga nu slapen en

stoor mij niet.” Toen de vrouwen met de visch gereed waren, en reeds

begonnen te eten, was de man in zóó diepen slaap gevallen en zóó hard

aan het snorken gegaan, dat men het wel aan den anderen rivieroever had

kunnen hooren. Verbaasd zagen de beide vrouwen elkander aan, toen zij

tusschen het snorken door vader’s naam, Mayara-Koto, hoorden roepen.

„Onze man heeft vroeger nooit zoo gesnorkt; nooit hebben wij hem zijn

eigen naam hooren noemen”, zei de oudste. Zij begonnen steeds angstiger

te worden en konden nauwelijks verder eten, want het was toch niet

mogelijk, dat het haar man was, die in de hangmat lag.

„Wat moeten we met Haboeri doen; hoe moeten we hem uit de armen van den

vreemden man bevrijden”, zeiden ze tegelijk. „Ik heb een idee”, riep de

jongste, „we zullen een bundel vezels en bastrepen bij elkander binden,

en dezen onder Haboeri schuiven; daarna zullen we hem voorzichtig

wegnemen”. Zoo gezegd, zoo gedaan. Met Haboeri onder den arm namen de

beide vrouwen haastig de vlucht, na gezorgd te hebben het noodige mede

te nemen, om vuur te kunnen maken.

Toen ze een eind op weg waren, hoorden zij Wau-oeta zingen—Wau-oeta was

in die dagen een piaivrouw—die met haar maráka* bezig was. Zij

versnelden haar pas, want zij wisten, dat zij in Wau-oeta’s hut veilig

zouden zijn.

Inmiddels was Tijger wakker geworden, en toen hij zag, dat in plaats

van Haboeri, een bundel vezels en bast in zijn armen lag, en bemerkte,

dat de beide vrouwen gevlogen waren, werd hij zóó woedend, dat hij uit

de hangmat sprong, en na weder de tijgergedaante te hebben aangenomen,

de achtervolging begon. Maar de vluchtelingen hadden de hut van de

piai-vrouw reeds bereikt. „Wau-oeta, doe de deur open [28], riepen zij.

„Wie is daar”, antwoordde Wau-oeta. „Wij zijn het, de twee zusters”,

riepen de achtervolgden. Maar Wau-oeta deed niet open. Toen kneep de

moeder in Haboeri’s oor, zoodat het kind hard begon te schreeuwen. „Wat

is dat voor een kind, een jongen of een meisje”, vroeg toen Wau-oeta.

„Het is mijn Haboeri, mijn jongen”, antwoordde zijn moeder, en

onmiddellijk deed Wau-oeta nu open, verheugd uitroepende: „Kom binnen,

kom binnen.”

Nauwelijks waren nu de drie vluchtelingen in veiligheid, of Tijger kwam

aanloopen, die buiten brulde: „Waar zijn de beide vrouwen, waar is de

jongen?” Maar Wau-oeta opende niet en riep Tijger toe, dat ze geen van

drieën had gezien. „Ik ruik, dat ze er zijn, dus zal ik buiten

wachten”, antwoordde Tijger. Dit verontrustte Wau-oeta zoo, dat zij met

bevende stem zei: „Steek je hoofd maar binnen, en wanneer je ze ziet,

mag je ze alle drie opeten”.

Doch de deur was van binnen geheel bedekt met dorens* zoodat onnoozele

Tijger, toen hij zijn hoofd naar binnen stak, bleef haken en door

Wau-oeta gedood werd.

De beide zusters begonnen hevig te jammeren, en om haar man te roepen,

en toen zij maar niet wilde ophouden, verzocht Wau-oeta haar naar den

kostgrond* te gaan, om wat Cassave te gaan halen. Ze zou dan een

flinken drank* kunnen bereiden. Toen de beide vrouwen wilde vertrekken

en de kleine Haboeri wilde medenemen, belette Wau-oeta dit, zeggende,

dat zij evengoed op het kind kon passen. De zusters stemden er

eindelijk in toe.

Middelerwijl had Wau-oeta—in den ouden tijd kenden de piaimannen en

piaivrouwen alles—het kind zóó hard doen groeien, dat het zelfs op de

yarri-yarri* kon blazen en pijl en boog kon hanteeren.

Toen moeder en tante met de ingezamelde cassave-wortels terug kwamen,

en het fluitspel hoorden, zeiden zij tot elkaar: „Er was toch geen man

in de hut, toen we deze verlieten. Hoe kan dat? Er moet hier een man

zijn”. Min of meer verlegen traden ze binnen, en toen ze daar een bijna

volwassen jongeling zagen, die bezig was de yarri-yarri te bespelen,

namen ze de korven van den rug en vroegen Wau-oeta naar Haboeri:

„Zoodra je vertrokken waart, is hij de hut uitgeloopen. Ik was in de

meening, dat hij nog in je gezelschap was”, antwoordde Wau-oeta, die

erin geslaagd was, Haboeri zóó groot te krijgen, dat hij nu spoedig

haar geliefde zou kunnen zijn. „Laten we”, zoo stelde ze de vrouwen

voor, „hem in het bosch gaan zoeken”.

Toen zij een klein eind op weg waren, zei Wau-oeta nog even terug te

moeten; ze zou dadelijk terugkomen, en van dat oogenblik maakte

Wau-oeta gebruik, om Haboeri te vertellen, dat zij zijn moeder was, en

lichtte hem in, hoe hij zich tegenover haar moest gedragen.

Haboeri was in dien tijd een kranig schutter geworden; geen vogel

ontsnapte aan zijn pijlen. Wau-oeta daarmeê zeer ingenomen, gelastte

Haboeri, in het vervolg alle vogels, die hij zou dooden, aan haar te

geven, en de kleinere, na ze vooraf ongenietbaar te hebben gemaakt, aan

de beide zusters. Zij hoopte, dat deze eindelijk er genoeg van zouden

krijgen en ten slotte de hut zouden verlaten. Maar zij waren er niet

toe te bewegen en gaven hare pogingen, om Haboeri te vinden, niet op.

Dagen achtereen ging dit zoo zijn gang. Wau-oeta kreeg de groote

vogels, de kleinere bleven voor moeder en tante, tot eens op een dag

een pijl van Haboeri niet raakte en aan een over een kreek hangenden

tak bleef hangen, op een plek, waar zijn ooms, de waterhonden*, gewoon

waren, voedsel te komen zoeken.

Het was een mooie open plek in het bosch en Haboeri maakte het zich

gemakkelijk, na het achtergelaten vuil der dieren met bladeren te

hebben bedekt. Hij klom in den boom, om zijn pijl vrij te maken, toen

op het zelfde oogenblik de otters aan kwamen zwemmen. Nauwelijks

aangekomen, snoven ze de lucht op en riepen tegelijk: „Wat ruik ik

daar? Het is stellig onze neef Haboeri, die hier dichtbij moet zijn”.

Overal keken ze rond en eindelijk ontdekten ze hem op den tak. „Kom

beneden”, riepen zij, „en zet je op deze zandbank neêr”.

Haboeri voldeed aan het verzoek, en de otters legden hem toen uit, dat

hij een slecht leven leidde, want dat de oude vrouw zijn moeder niet

was, doch de beide jongere vrouwen zijn moeder en tante waren, en het

dus zeer slecht van hem was, de vogels zóó te verdeelen; dat hij in het

vervolg juist de kleinsten aan de oude vrouw moest geven. Zij beduidde

hem, dat hij aan zijn ware moeder moest vertellen, dat hij tegenover

haar verkeerd gehandeld had, dat hij onwetend was en er spijt van had.

Toen Haboeri dien dag thuis kwam, volgde hij de bevelen der otters op,

en ontving de ware moeder de groote vogels. Zij van haar kant voelde

zich dien dag vreemd te moede; het was haar moeielijk, den jongen man

dadelijk als haar zoon aan te spreken. Maar toen deze haar uitlegde,

dat Wau-oeta hem in zóó korten tijd tot een man had gemaakt, geloofde

zij hem, en voelde zich geheel opgebeurd. De oude Wau-oeta, dit alles

hoorende, wond zich zoodanig op, dat zij, Haboeri bij den nek pakkend,

hem in het gezicht blies. Zóó was zij van streek, dat zij den geheelen

dag niet kon eten. Dag en nacht plaagde zij Haboeri en ieder oogenblik

riep zij, dat hij zijn zinnen verloren had.

Haboeri, ten einde raad, vatte het plan op, de hut te verlaten, en

haalde zijn moeder over, zoo spoedig mogelijk met hem en zijn tante te

vluchten. Te dien einde maakte hij een kleine korjaal van bijenwas

gereed, en toen hij daarmede gereed was, liet hij hem aan den

waterkant. Toen hij echter den anderen dag terugkwam, had een zwarte

eend het vaartuig weggenomen. Hij maakte toen een nieuwe korjaal,

ditmaal van klei, maar deze werd door een andere eend gestolen. Haboeri

kapte toen een groot terrein open en hij deed het zóó gauw, dat de

vrouwen hem met het planten van cassave haast niet bij konden houden.

Zoo hadden zij volop cassave voor de voorgenomen reis.

Dikwijls, als de vrouwen plantten, sloop Haboeri weg en maakte een

korjaal, telkens van een ander hout en een anderen vorm; maar geregeld

kwam er een andere eendsoort om hem weg te nemen, tot hij er eindelijk

een gemaakt had van het hout van den Kankantrie* en deze werd niet

gestolen.

Haboeri was het dus, die het eerst een boot maakte en aan de eenden

leerde, aan de oppervlakte van het water te zwemmen, omdat het met zijn

booten was, dat zij het klaar speelden. Inderdaad, wij, Warraus zeggen,

dat iedere eendsoort een bepaalde boot heeft.

Maar wat nog vreemder was, de laatst gemaakte boot, die niet gestolen

was, was den volgenden dag veel grooter geworden. Haboeri bracht de

heuchelijke tijding dadelijk aan zijn moeder en tante, en verzocht

haar, alle provisie, die ze van het land konden halen, voor de lange

reis in de boot te brengen. Hij begaf zich zelf naar het veld, om er de

cassave-stekken te brengen, die de oude Wau-oeta in de gereedgemaakte

gaten moest steken, en zoo gingen zij nog een tijd met hard werken

voort. Toen alles voor de reis gereed was, begaf Haboeri zich naar de

hut, nam pijl en boog, en steenen bijl* en keerde met zijn wapens en

gereedschap naar de waterkant terug. Maar te voren drukte hij de posten

of hutpalen op het hart—want in vroeger dagen konden deze spreken [29],

zoodat bij afwezigheid van den eigenaar, een vreemde bezoeker kon te

weten komen, waar hij was—vooral niets te vertellen. Maar er was een

papegaai in de hut, en Haboeri vergat ook hem in te lichten en het

zwijgen op te leggen.

Zoo kwam het, dat, toen de oude Wau-oeta, zich eenzaam en verlaten

voelende, en bemerkende dat Haboeri verdwenen was, aan de posten vroeg,

waar hij gebleven was. Deze antwoordden echter niet, maar de papegaai

kon het niet helpen, dat hij begon te spreken en haar inlichtte.

Onmiddellijk ijlde Wau-oeta naar de landingsplaats, en zij kwam nog

juist bij tijds, toen Haboeri op het punt was, in de korjaal te stappen

en met zijn moeder en tante weg te parelen. Zij greep de boot en

jammerde: „Mijn zoon, mijn zoon, je moogt me niet verlaten. Ik ben je

moeder” en niettegenstaande Haboeri met zijn parel hare vingers bijna

tegen het dolboord stuk sloeg, wilde zij niet loslaten. Arme Haboeri

zag zich dus genoodzaakt aan land te gaan, waar hij de oude Wau-oeta

bij een hollen boom bracht, waarin bijen genesteld waren. Haboeri velde

den stam en drong er op aan, dat zij er in zou kruipen, om de honig,

waarvan zij zooveel hield, te verzamelen. En Wau-oeta, al maar

schreiende bij de gedachte, Haboeri te zullen verliezen, kroop naar

binnen, waarna Haboeri onmiddellijk de opening sloot.

En daar is de Wau-oeta-kikvorsch* nog tot op den huidigen dag te

vinden, die men alleen in holle boomen kan hooren. Wanneer men het dier

goed bekijkt, kan men zien, hoe gezwollen haar vingers zijn door de

slagen, die haar door den parel waren toegebracht, toen zij de boot met

alle macht tegenhield. En als men luistert, kan men haar nog altijd

hooren jammeren om het verlies van haar beminde, wanneer zij roept:

Wang! Wang! Wang!

Deze geschiedenis van den mythischen Haboeri, die een nationale held

der Warraus is, geeft onder de vele voorstellingen omtrent het ontstaan

van menschen, en het verband tusschen menschen en dieren, ook een

verklaring voor de bekende kundigheid der Warraus, om de

voortreffelijkste booten te maken.

Later is bij de vertelling dezer mythe nog toegevoegd, dat Haboeri

wegvoer, nieuw land ontdekte, waar blanken woonden, wien hij onderwees

in alle kundigheden der Warraus.

Mythen en sagen uit West-Indië · 第 15 / 174 题