Heel, heel lang geleden leefden er in een Warrau-kamp twee zusters, die
veel van elkander hielden, doch die geen van beiden een man hadden. De
zorg voor haar dagelijksch voedsel drukte haar zwaar. Eens op een dag
gingen zij er op uit, om een Ita-pálm* te vellen, waaruit zij meel
wilden bereiden. Het was al laat geworden, toen zij den boom eindelijk
tegen den grond hadden gekregen, en togen vermoeid naar haar hut terug.
Den volgenden dag, toen zij naar haar werk terug keerden, vonden zij
het meel reeds gereed liggen. Hoe dat zoo kwam, konden zij maar niet
ontdekken. Den volgenden dag—precies hetzelfde; het meel lag voor haar
gereed. Daar ze er het fijne van wilden weten, besloten zij de nacht
bij den boom door te brengen en goed op te letten. Toen het middernacht
was, konden zij hare oogen niet gelooven, toen zij zagen, dat een blad
van een nabijstaanden Palissadepalm* zich voorover boog, totdat het de
snede, die zij in den op den grond liggenden Ita-stam hadden gemaakt,
raakte. Nauwelijks hadden de vrouwen de aanraking gezien, of zij stoven
naar voren, grepen het zoo geheimzinnig doende blad beet, en smeekten
het vurig, zich in een man te willen veranderen. Eerst weigerde het;
maar toen ze aandrongen, ziet, toen gebeurde het wonder.
De man, die zij vóór zich zagen, zei, Mayara-Koto te heeten. De oudste
zuster, die hij tot zich nam, was nu overgelukkig, want eenigen tijd
daarna schonk zij hem een prachtigen jongen. Haboeri was zijn naam. De
beide vrouwen, die gewoon waren, in de nabijheid van twee swampen* te
jagen, vonden in de eene, die haar eigendom was, steeds rijkelijk
visch. De andere behoorde echter aan Tijger* en daarom waarschuwden zij
Mayara-Koto, niet in Tijger’s swamp te gaan visschen. De man luisterde
echter niet. „In onze swamp is te weinig visch”, zei hij, „in die van
Tijger is er overvloed. Ik ga zien, wat ik vang.” Maar nauwelijks was
hij begonnen, of Tijger kwam voorbij, greep hem en velde hem met één
slag neêr.
En wat deed nu Tijger? Hij vermomde zich in de gedaante van
Mayara-Koto, en zoo ging hij op weg. Het was al vrij laat en donker
geworden, toen hij de hut der beide vrouwen had bereikt. Hij bracht
niet alleen Mayara-Koto’s waiyarri* mede, maar ook de visch, die hij
van Tijger gestolen had. Zooals gewoonte is, zette hij, alvorens de hut
binnen te gaan, de korf buiten de hut neêr en na goeden avond! gezegd
te hebben, zei hij, dat hij wat visch had meêgebracht. De vrouwen waren
hoogst verbaasd, de ruwe stem van Mayara-Koto te hooren. „Ik ben erg
vermoeid, en zoek dadelijk mijn hangmat op, maar geef me mijn lieven
Haboeri, want ik wil hem koesteren.”
Hoewel de stem den vrouwen niet beviel, voldeden zij aan zijn
verlangen. „Breng de visch binnen, en maak ze klaar. Ik ga nu slapen en
stoor mij niet.” Toen de vrouwen met de visch gereed waren, en reeds
begonnen te eten, was de man in zóó diepen slaap gevallen en zóó hard
aan het snorken gegaan, dat men het wel aan den anderen rivieroever had
kunnen hooren. Verbaasd zagen de beide vrouwen elkander aan, toen zij
tusschen het snorken door vader’s naam, Mayara-Koto, hoorden roepen.
„Onze man heeft vroeger nooit zoo gesnorkt; nooit hebben wij hem zijn
eigen naam hooren noemen”, zei de oudste. Zij begonnen steeds angstiger
te worden en konden nauwelijks verder eten, want het was toch niet
mogelijk, dat het haar man was, die in de hangmat lag.
„Wat moeten we met Haboeri doen; hoe moeten we hem uit de armen van den
vreemden man bevrijden”, zeiden ze tegelijk. „Ik heb een idee”, riep de
jongste, „we zullen een bundel vezels en bastrepen bij elkander binden,
en dezen onder Haboeri schuiven; daarna zullen we hem voorzichtig
wegnemen”. Zoo gezegd, zoo gedaan. Met Haboeri onder den arm namen de
beide vrouwen haastig de vlucht, na gezorgd te hebben het noodige mede
te nemen, om vuur te kunnen maken.
Toen ze een eind op weg waren, hoorden zij Wau-oeta zingen—Wau-oeta was
in die dagen een piaivrouw—die met haar maráka* bezig was. Zij
versnelden haar pas, want zij wisten, dat zij in Wau-oeta’s hut veilig
zouden zijn.
Inmiddels was Tijger wakker geworden, en toen hij zag, dat in plaats
van Haboeri, een bundel vezels en bast in zijn armen lag, en bemerkte,
dat de beide vrouwen gevlogen waren, werd hij zóó woedend, dat hij uit
de hangmat sprong, en na weder de tijgergedaante te hebben aangenomen,
de achtervolging begon. Maar de vluchtelingen hadden de hut van de
piai-vrouw reeds bereikt. „Wau-oeta, doe de deur open [28], riepen zij.
„Wie is daar”, antwoordde Wau-oeta. „Wij zijn het, de twee zusters”,
riepen de achtervolgden. Maar Wau-oeta deed niet open. Toen kneep de
moeder in Haboeri’s oor, zoodat het kind hard begon te schreeuwen. „Wat
is dat voor een kind, een jongen of een meisje”, vroeg toen Wau-oeta.
„Het is mijn Haboeri, mijn jongen”, antwoordde zijn moeder, en
onmiddellijk deed Wau-oeta nu open, verheugd uitroepende: „Kom binnen,
kom binnen.”
Nauwelijks waren nu de drie vluchtelingen in veiligheid, of Tijger kwam
aanloopen, die buiten brulde: „Waar zijn de beide vrouwen, waar is de
jongen?” Maar Wau-oeta opende niet en riep Tijger toe, dat ze geen van
drieën had gezien. „Ik ruik, dat ze er zijn, dus zal ik buiten
wachten”, antwoordde Tijger. Dit verontrustte Wau-oeta zoo, dat zij met
bevende stem zei: „Steek je hoofd maar binnen, en wanneer je ze ziet,
mag je ze alle drie opeten”.
Doch de deur was van binnen geheel bedekt met dorens* zoodat onnoozele
Tijger, toen hij zijn hoofd naar binnen stak, bleef haken en door
Wau-oeta gedood werd.
De beide zusters begonnen hevig te jammeren, en om haar man te roepen,
en toen zij maar niet wilde ophouden, verzocht Wau-oeta haar naar den
kostgrond* te gaan, om wat Cassave te gaan halen. Ze zou dan een
flinken drank* kunnen bereiden. Toen de beide vrouwen wilde vertrekken
en de kleine Haboeri wilde medenemen, belette Wau-oeta dit, zeggende,
dat zij evengoed op het kind kon passen. De zusters stemden er
eindelijk in toe.
Middelerwijl had Wau-oeta—in den ouden tijd kenden de piaimannen en
piaivrouwen alles—het kind zóó hard doen groeien, dat het zelfs op de
yarri-yarri* kon blazen en pijl en boog kon hanteeren.
Toen moeder en tante met de ingezamelde cassave-wortels terug kwamen,
en het fluitspel hoorden, zeiden zij tot elkaar: „Er was toch geen man
in de hut, toen we deze verlieten. Hoe kan dat? Er moet hier een man
zijn”. Min of meer verlegen traden ze binnen, en toen ze daar een bijna
volwassen jongeling zagen, die bezig was de yarri-yarri te bespelen,
namen ze de korven van den rug en vroegen Wau-oeta naar Haboeri:
„Zoodra je vertrokken waart, is hij de hut uitgeloopen. Ik was in de
meening, dat hij nog in je gezelschap was”, antwoordde Wau-oeta, die
erin geslaagd was, Haboeri zóó groot te krijgen, dat hij nu spoedig
haar geliefde zou kunnen zijn. „Laten we”, zoo stelde ze de vrouwen
voor, „hem in het bosch gaan zoeken”.
Toen zij een klein eind op weg waren, zei Wau-oeta nog even terug te
moeten; ze zou dadelijk terugkomen, en van dat oogenblik maakte
Wau-oeta gebruik, om Haboeri te vertellen, dat zij zijn moeder was, en
lichtte hem in, hoe hij zich tegenover haar moest gedragen.
Haboeri was in dien tijd een kranig schutter geworden; geen vogel
ontsnapte aan zijn pijlen. Wau-oeta daarmeê zeer ingenomen, gelastte
Haboeri, in het vervolg alle vogels, die hij zou dooden, aan haar te
geven, en de kleinere, na ze vooraf ongenietbaar te hebben gemaakt, aan
de beide zusters. Zij hoopte, dat deze eindelijk er genoeg van zouden
krijgen en ten slotte de hut zouden verlaten. Maar zij waren er niet
toe te bewegen en gaven hare pogingen, om Haboeri te vinden, niet op.
Dagen achtereen ging dit zoo zijn gang. Wau-oeta kreeg de groote
vogels, de kleinere bleven voor moeder en tante, tot eens op een dag
een pijl van Haboeri niet raakte en aan een over een kreek hangenden
tak bleef hangen, op een plek, waar zijn ooms, de waterhonden*, gewoon
waren, voedsel te komen zoeken.
Het was een mooie open plek in het bosch en Haboeri maakte het zich
gemakkelijk, na het achtergelaten vuil der dieren met bladeren te
hebben bedekt. Hij klom in den boom, om zijn pijl vrij te maken, toen
op het zelfde oogenblik de otters aan kwamen zwemmen. Nauwelijks
aangekomen, snoven ze de lucht op en riepen tegelijk: „Wat ruik ik
daar? Het is stellig onze neef Haboeri, die hier dichtbij moet zijn”.
Overal keken ze rond en eindelijk ontdekten ze hem op den tak. „Kom
beneden”, riepen zij, „en zet je op deze zandbank neêr”.
Haboeri voldeed aan het verzoek, en de otters legden hem toen uit, dat
hij een slecht leven leidde, want dat de oude vrouw zijn moeder niet
was, doch de beide jongere vrouwen zijn moeder en tante waren, en het
dus zeer slecht van hem was, de vogels zóó te verdeelen; dat hij in het
vervolg juist de kleinsten aan de oude vrouw moest geven. Zij beduidde
hem, dat hij aan zijn ware moeder moest vertellen, dat hij tegenover
haar verkeerd gehandeld had, dat hij onwetend was en er spijt van had.
Toen Haboeri dien dag thuis kwam, volgde hij de bevelen der otters op,
en ontving de ware moeder de groote vogels. Zij van haar kant voelde
zich dien dag vreemd te moede; het was haar moeielijk, den jongen man
dadelijk als haar zoon aan te spreken. Maar toen deze haar uitlegde,
dat Wau-oeta hem in zóó korten tijd tot een man had gemaakt, geloofde
zij hem, en voelde zich geheel opgebeurd. De oude Wau-oeta, dit alles
hoorende, wond zich zoodanig op, dat zij, Haboeri bij den nek pakkend,
hem in het gezicht blies. Zóó was zij van streek, dat zij den geheelen
dag niet kon eten. Dag en nacht plaagde zij Haboeri en ieder oogenblik
riep zij, dat hij zijn zinnen verloren had.
Haboeri, ten einde raad, vatte het plan op, de hut te verlaten, en
haalde zijn moeder over, zoo spoedig mogelijk met hem en zijn tante te
vluchten. Te dien einde maakte hij een kleine korjaal van bijenwas
gereed, en toen hij daarmede gereed was, liet hij hem aan den
waterkant. Toen hij echter den anderen dag terugkwam, had een zwarte
eend het vaartuig weggenomen. Hij maakte toen een nieuwe korjaal,
ditmaal van klei, maar deze werd door een andere eend gestolen. Haboeri
kapte toen een groot terrein open en hij deed het zóó gauw, dat de
vrouwen hem met het planten van cassave haast niet bij konden houden.
Zoo hadden zij volop cassave voor de voorgenomen reis.
Dikwijls, als de vrouwen plantten, sloop Haboeri weg en maakte een
korjaal, telkens van een ander hout en een anderen vorm; maar geregeld
kwam er een andere eendsoort om hem weg te nemen, tot hij er eindelijk
een gemaakt had van het hout van den Kankantrie* en deze werd niet
gestolen.
Haboeri was het dus, die het eerst een boot maakte en aan de eenden
leerde, aan de oppervlakte van het water te zwemmen, omdat het met zijn
booten was, dat zij het klaar speelden. Inderdaad, wij, Warraus zeggen,
dat iedere eendsoort een bepaalde boot heeft.
Maar wat nog vreemder was, de laatst gemaakte boot, die niet gestolen
was, was den volgenden dag veel grooter geworden. Haboeri bracht de
heuchelijke tijding dadelijk aan zijn moeder en tante, en verzocht
haar, alle provisie, die ze van het land konden halen, voor de lange
reis in de boot te brengen. Hij begaf zich zelf naar het veld, om er de
cassave-stekken te brengen, die de oude Wau-oeta in de gereedgemaakte
gaten moest steken, en zoo gingen zij nog een tijd met hard werken
voort. Toen alles voor de reis gereed was, begaf Haboeri zich naar de
hut, nam pijl en boog, en steenen bijl* en keerde met zijn wapens en
gereedschap naar de waterkant terug. Maar te voren drukte hij de posten
of hutpalen op het hart—want in vroeger dagen konden deze spreken [29],
zoodat bij afwezigheid van den eigenaar, een vreemde bezoeker kon te
weten komen, waar hij was—vooral niets te vertellen. Maar er was een
papegaai in de hut, en Haboeri vergat ook hem in te lichten en het
zwijgen op te leggen.
Zoo kwam het, dat, toen de oude Wau-oeta, zich eenzaam en verlaten
voelende, en bemerkende dat Haboeri verdwenen was, aan de posten vroeg,
waar hij gebleven was. Deze antwoordden echter niet, maar de papegaai
kon het niet helpen, dat hij begon te spreken en haar inlichtte.
Onmiddellijk ijlde Wau-oeta naar de landingsplaats, en zij kwam nog
juist bij tijds, toen Haboeri op het punt was, in de korjaal te stappen
en met zijn moeder en tante weg te parelen. Zij greep de boot en
jammerde: „Mijn zoon, mijn zoon, je moogt me niet verlaten. Ik ben je
moeder” en niettegenstaande Haboeri met zijn parel hare vingers bijna
tegen het dolboord stuk sloeg, wilde zij niet loslaten. Arme Haboeri
zag zich dus genoodzaakt aan land te gaan, waar hij de oude Wau-oeta
bij een hollen boom bracht, waarin bijen genesteld waren. Haboeri velde
den stam en drong er op aan, dat zij er in zou kruipen, om de honig,
waarvan zij zooveel hield, te verzamelen. En Wau-oeta, al maar
schreiende bij de gedachte, Haboeri te zullen verliezen, kroop naar
binnen, waarna Haboeri onmiddellijk de opening sloot.
En daar is de Wau-oeta-kikvorsch* nog tot op den huidigen dag te
vinden, die men alleen in holle boomen kan hooren. Wanneer men het dier
goed bekijkt, kan men zien, hoe gezwollen haar vingers zijn door de
slagen, die haar door den parel waren toegebracht, toen zij de boot met
alle macht tegenhield. En als men luistert, kan men haar nog altijd
hooren jammeren om het verlies van haar beminde, wanneer zij roept:
Wang! Wang! Wang!
Deze geschiedenis van den mythischen Haboeri, die een nationale held
der Warraus is, geeft onder de vele voorstellingen omtrent het ontstaan
van menschen, en het verband tusschen menschen en dieren, ook een
verklaring voor de bekende kundigheid der Warraus, om de
voortreffelijkste booten te maken.
Later is bij de vertelling dezer mythe nog toegevoegd, dat Haboeri
wegvoer, nieuw land ontdekte, waar blanken woonden, wien hij onderwees
in alle kundigheden der Warraus.