Eens op een dag was Okonoróté op jacht en wilde een zeldzamen vogel
zien te bemachtigen—in die tijden leefden de Warraus boven in de lucht
en kenden zij geen andere dieren dan vogels—en verscheidene dagen
gingen voorbij, voor hij eindelijk met zijn pijl het verlangde dier
doorboord had. Maar toen hij naar de plaats snelde, waar de vogel was
neêrgevallen, was deze verdwenen en zag hij beneden zich een groot gat,
waardoor hij allerlei dieren, als herten, wilde zwijnen op het groen
onder zich zag loopen. Met behulp van een katoenen band daalde hij nu
op aarde neder en hij zag daar jagoears, slangen en andere wilde dieren
hun prooi verslinden.
Verlangend om ook eens van die dieren, die hij niet kende, te proeven,
was hij zoo gelukkig een jong hert te schieten, waarvan hij het vleesch
braadde; en zóó lekker smaakte hem dit, dat hij besloot er mede weder
aan den katoenen band naar boven te klimmen. Alle Warraus waren nu
natuurlijk verlangend, om Okonoróté naar beneden te vergezellen, toen
hij zijn tocht naar de aarde wilde herhalen.
Toen nu de laatsten door het gat wilden zien te komen, gebeurde het,
dat een buitengewoon dikke vrouw in het gat niet heen weêr kon komen,
en daar moest blijven, zoodat de Warraus genoodzaakt waren, altijd op
de aarde te blijven.
De bewuste vrouw heette Okona-koera en de Warraus zien haar nog altijd
als de morgenster.