De mondelinge overleveringen der Indianen van West-Indië behooren tot
verschillende met bepaalde namen aangeduide rubrieken.
In de eerste plaats komen er z.g. kosmogoniën onder voor, waarin
denkbeelden omtrent den wereldschepping zijn neêrgelegd en die voor een
vergelijkend mythen-onderzoek steeds de meeste waarde bezitten. Deze
mythen wortelen in een natuurgodsdienst en hebben haar ontstaan te
danken aan de neiging der natuurvolken, om zich de natuurkrachten en
natuurverschijnsels als levende wezens te personifiëeren. De kosmogonie
is, zoowel naar inhoud als naar vorm, in hoofdzaak natuurmythe, want
het ontstaan der kosmische en organische wereld worden er in behandeld,
terwijl de natuurverschijnselen er als handelingen van bezielde wezens
in worden voorgesteld. Deze natuurmythen bepalen zich tot een zeer
beperkten voorstellingskring en hebben betrekking tot werkelijk
bestaande en gemakkelijk waarneembare natuurverschijnsels. [2]
In de tweede plaats komen in deze verzameling z.g. sagen voor, die
beschouwd moeten worden als bij het volk opgekomen verhalen, welke een
historischen grondslag hebben, en waarin de geest van het volk, de
beteekenis van een feit of van een persoon en de indruk, dien deze op
het voorgeslacht hebben gemaakt, blijven voortleven. Wij treffen er ook
z.g. Heldensagen onder aan, die, veelal sterk geïdealiseerd, de
geschiedenis bevatten van groote voorvaderen, nationale helden, en
waarvan de waarheid in den tijd, toen zij ontstonden, door niemand in
twijfel werd getrokken. Deze heldensagen bevatten dikwijls mythische
elementen, die zich langzamerhand als werkelijk gebeurde feiten
ontwikkeld hebben, waardoor de Heldensage in hare oorspronkelijke
gedaante een integreerend bestanddeel der scheppingsmythe vormt. In
deze sagen worden de mythische voorvaderen van het volk met de
cultuurbrengers gelijkgesteld.
Terwijl de sage min of meer historie is, zijn de sprookjes uitsluitend
uitingen der volksfantasie. Evenals de mythen en sagen zijn vele
sprookjes voortgekomen uit het volksgeloof, dat beheerscht wordt
dooreen uitgebreid bijgeloof, te voorschijn geroepen door de menigte
geheimzinnigheden der natuur. Vooral in het tropische oerwoud, waarin
zelfs de ontwikkelde mensch te midden der overweldigende natuur door
die geheimzinnigheden wordt aangegrepen en waarin ieder, die er in
doordringt, zich overgegeven voelt aan bovenaardsche machten, moest bij
den primitieven mensch wel de meening ontstaan, dat alles wat hij
waarneemt, waaronder veel, dat hij niet begrijpen kan, door bezielde
wezens wordt voortgebracht. Zoo is het niet te verwonderen, dat het
Indiaansche leven nog geheel beheerscht wordt door het geloof aan
talrijke geesten (door het Animisme), die er deels op uit zijn, kwaad
te stichten en den dood kunnen veroorzaken, deels de levenden tegen
onheilen kunnen beschermen.
Niet zelden zijn de sprookjes minder goed herkenbare uitloopers van de
tot de Mythen-categorie behoorende Kosmogonie en de Heldensage.
Ook z.g. dierenfabels komen in deze verzameling voor. De fabel is in
het algemeen een verhaal uit het natuurleven, vooral uit dat der
dieren, dat toepasselijk gemaakt is op de menschen. De fabel dient tot
leering van het volk en veelal wordt de moraal aan het einde van het
verhaal opzettelijk uitgesproken. Vaak dienen de dierenfabels om
tegenstrijdige eigenschappen in het licht te stellen, zooals sluwheid
en domheid; handigheid en onbeholpenheid of om nuttige eigenschappen,
die door slechte worden tegengewerkt, naar voren te brengen, zooals
geslepenheid en geringe nauwgezetheid, brutaalheid en onbetrouwbaarheid
enz.
Een bepaalde groep van dierenfabels behoort, evenals vele sagen, zoowel
naar wezen als naar inhoud tot de kosmogonische natuur-mythe. Daar de
primitieve natuurmensch tusschen mensch en dier geen onderscheid maakt,
kunnen de dragers der mythische handeling zoowel menschelijke als
dierlijke wezens zijn, die naar willekeur in elkander kunnen overgaan.
In de dierenfabels treden dikwijls dieren op, die niet zoozeer door
grootte en kracht indruk op de menschen maken, dan wel door bijzondere
eigenschappen, die voor hen in het leven van groote waarde zijn, o.a.
sluwheid, slimheid en door welke zij er vaak als brengers van
waardevolle cultuurbezittingen, als z.g. cultuurhelden in optreden.
Een aantal dierenfabels hebben slechts een zuiver verklarend karakter,
voor zoover zij de eigenschappen der dieren uit voorvallen en
verschijnselen uit den voortijd willen trachten te verklaren. In deze
fabels nemen de dieren niet, zooals bij de eerstgenoemde fabels,
zinnebeeldig de rol van menschen over, doch zij zijn in wezen zelf
menschen.
Zoowel in de dierenfabels als in de sprookjes heeft de scheppende
fantasie vrij spel en deze wordt bij de natuurvolken nog sterk
beïnvloed door bijgeloovige voorstellingen, die de omgeving, waarin het
volk leeft, sterk in de hand werkt.
Uit deze korte beschouwingen blijkt wel, dat een scherpe onderscheiding
tusschen mythen, sagen, dierenfabels en sprookjes niet altijd mogelijk
is, evenmin als sagen en legenden altijd scherp uit elkander te houden
zijn.
Oorspronkelijk noemde men legende een dichterlijke voorstelling van een
of andere kerkelijke overlevering, de levensbeschrijving van een
heilige, in het algemeen het verhaal eener gebeurtenis, die betrekking
heeft op geloof en godsdienst, en doorgaans een wonder bevat. Gedurende
de godsdienstoefeningen moesten deze verhalen worden voorgelezen
(vandaar de naam legende = wat gelezen moet worden). Later paste men
dezen naam ook toe op overleveringen van gebeurtenissen, die met geloof
en godsdienst in geenerlei verband staan.
Ehrenbreit heeft er terecht op gewezen, dat, wanneer de mythe als
primitieve natuurbeschouwing wordt opgevat, die door de fantasie in
beeld gebracht is, zij toch niet als de uiting eener primitieve
godsdienst mag worden aangemerkt, omdat zij geheel onafhankelijk is van
godsdienstige voorstellingen en motieven en nog uitsluitend beheerscht
wordt door vrees voor geesten en natuurdemons en door een geloof aan
toovermiddelen, die den kwaden invloed dezer machten kunnen
neutraliseeren.
De „godsdienst” der Indianen behoort nog tot het zuivere animisme*.
Hunne mythische voorvaderen en fabelachtige stamhelden mogen in
geenendeele als Goden beschouwd worden, daar zij, afgezien van een
genealogischen band, geen betrekking meer tot de menschen hebben.
Het geloof aan een Godheid, aan één enkel Opperwezen, gedragen door een
dienst, die door een bijzonderen priesterstand wordt uitgeoefend, die
zich boven den arbeid van de z.g. tooverkunstenaars of
geestenbezweerders verheft, komt, volgens de meeste schrijvers, bij de
Indianen niet voor en strookt ook niet met de oorspronkelijke denkwijze
der Indianen. Wanneer mededeelingen van sommige schrijvers deze meening
schijnen te logenstraffen, hebben zij Indianen op het oog gehad, wier
godsdienstige begrippen reeds onder Christelijken invloed gewijzigd
zijn.
Wel erkennen de meeste stammen een z.g. Grooten Geest, die de Caraïben
Tamoesi (= de oude), Tamoesi Kabotana (= de oude in de lucht) of
Makoenaima (= de onbekende) en de Arowakken Wa Murreta kwonei (= onze
maker), Wa cinaci (= onze vader) of Ifilici wacinaci (= onze
grootvader) noemen, en door de Warraus met Konowato (= onze maker)
wordt aangeduid; doch in geen dezer namen ligt, zooals Im Thurn (T.),
Dr. H. ten Kate (K.), Ehrenbreit (E.), Walter E. Roth (R.) en anderen
uitdrukkelijk verklaren, het denkbeeld van een Albestuurder, van een
God ten grondslag. Veeleer zijn deze Goden de dooden van iederen stam,
die in de herinnering van het volk voortleven en als de traditioneele
stichters der stammen, als hunne Nationale Helden moeten beschouwd
worden. Aan deze nationale helden wordt bij de wereldschepping een
bijzondere rol toegekend, waardoor deze voorvaderen vanzelf tot
cultuurhelden worden.
Een vermenschelijking, een personificatie van natuurverschijnselen,
behoeft, zoo betoogt Ehrenbreit terecht, op zich zelf nog geen
godsdienstig bewustzijn te onderstellen, dat door een geloof aan
godheden, die de natuur en de menschheid beheerschen, wordt gedragen.
Een ontwikkeling tot hoogere eeredienstvormen, en daarmede een scherper
naar voren treden uit de menigte onbestemde natuurgeesten van wezens
van goddelijk karakter, die aan vaste functies gebonden zijn, is
overal, en in het bijzonder in Amerika, aan den landbouw gebonden,
wanneer deze wordt uitgeoefend onder omstandigheden, die den arbeid van
den mensch waardeloos kunnen maken.
In tropisch Zuid-Amerika, waar de landbouw der primitieven nog
eenvoudige hakbouw is, die naast de jacht en visscherij den Indiaan van
het noodige voorziet, komt een vrij groote regelmaat in de
atmosferische neerslagen voor. Droge en natte seizoenen wisselen
elkander regelmatig af, zoodat het denkbeeld van de inwerking van
bovenaardsche machten, die regelend in de natuur optreden, bij hem niet
kon opkomen. Hier was het voldoende, door tooverij de dierengeesten te
beïnvloeden, ter verzekering eener goede opbrengst van de jacht en de
visscherij. Het naïve denken van den natuurmensch ziet in alle
natuurverschijnselen, in overeenstemming met zichzelf, zelfstandig
handelende wezens en op alle verschijnselen, die hij in de natuur
waarneemt, draagt hij animistische, d.i. in zijn geloof aan geesten
wortelende voorstellingen over.
De mythologie der Indianen houdt zich dus streng aan de
natuurverschijnselen. Slechts zon en maan zijn voor den Indiaan tot
persoonlijke godheden geworden, terwijl allerlei metereologische
krachten, verschillende dieren, opvallende verschijnselen in het
niet-organische rijk, zooals rivieren, zeeën, bergen, rotsen, als
godheden van lageren rang en van een onbepaald karakter worden
beschouwd.
De lezer zal van deze verzameling Indiaansche mondelinge
overleveringen, geloof ik, met grooter belangstelling kennisnemen, zij
zal hem ook een grooter genot schenken, wanneer hij bovenstaande korte
beschouwingen overdenkt. Hem zal ook de inhoud van vele verhalen niet
meer zoo vreemd toeschijnen, wanneer hij zich voor oogen houdt, dat
deze natuurmenschen, die van hun zuiver menschelijk standpunt
uitgaande, de dingen om zich heen waarnemend, de natuurverschijnsels
ook slechts op een zoodanige wijze weten uit te drukken, die aan hunne
eigen handelingen ontleend zijn.
Dat een dichterlijke aard en een filosofische aanleg aan den Indiaan
niet ontzegd mogen worden, daarvoor zal deze bundel ten bewijze kunnen
strekken.
Mogen sommige schrijvers wel wat overdreven hebben, wanneer zij de
Indianen een volk van dichters en wijsgeeren noemen, zeker is het, dat
er onder hen groote dichters voorkomen, dat zij, in het algemeen
gesproken, dichterlijk en wijsgeerig zijn aangelegd en dat, waar het er
in de „beschaafde” wereld met de moraal niet beter op wordt, die van de
Indianen aan een ieder, die in hun gemoed poogt door te dringen,
eerbied afdwingt.
Verwonderen kan het dus niet, dat hij, die, zij het slechts korten
tijd, te midden der Indianen verblijf heeft mogen houden, het leven in
de zoogenaamde beschaafde maatschappij slechts met een gevoel van
afkeer kan beschouwen [3] en dat de Indiaan, die een tijd lang in de
voor hem zoo vreemde wereld heeft doorgebracht, met een onbedwingbare
macht weêr naar zijn land en zijn volk wordt heengetrokken. Hij
verlangt—zooals een Indiaan, die Europa bezocht, het uitdrukte—niet
meer terug „naar het koude, hartelooze land der blanken”.
„Het is niet mijn wensch nog langer te leven
Daar ginds in het land van mijn blanken genoot.
Bij d’ Indianen te blijven mocht mij zijn gegeven,
Tevreden, gelukkig zou ’k zijn tot mijn dood.
Waar ’k, paar’lend [4] mijn kano, op vischvangst of jacht
Mijn kind’ren zie groeien, aan faunen gelijk,
Kan ’k blij van gemoed zijn, het lichaam vol kracht
Tevreê zonder goed, zonder goud—en toch rijk!” [5]
LIJST DER IN DEZEN BUNDEL OPGENOMEN MONDELINGE OVERLEVERINGEN DER
INDIANEN. [6]
1. De Geschiedenis van Haboeri.
2. De oorsprong der eerste menschen.
3. De oorsprong van het menschdom.
4. De oorsprong der Caraïben.
5. Hoe de Caraïben gekweekte planten leerden kennen.
6. De dochter van den geestenbezweerder.
7. Hoe lichaamspijnen, dood en ellende in de wereld kwamen.
8. Het hoofd van den Boschgeest en de nachtzwaluw.
9. De vrouw, die een boschgeest nabootste.
10. De Geest van de schimmelplant redt het jonge meisje.
11. De jagoear, die in een vrouw veranderde.
12. De man met een baboenvrouw.
13. De schildpad, die de boschrat er in liet loopen.
14. De bedrieger bedrogen.
15. Tijger en miereneter.
16. Hariwali en de wonderboom.
17. Legende van den Ouden man’s val.
18. Amanna en haar praatzieke man.
19. De zon en zijn beide tweelingzoons.
20. De legende van den vleermuisberg.
21. De uil en zijn schoonbroêr-vleermuis.
22. De lichtkever en de verdwaalde jager.
23. De bina, de weder in het leven geroepen vader en de slechte
vrouw.
24. Hoe een jong Warrau-indiaantje uit de handen der Caraïben
ontkwam.
25. Sluit de oogen en doe een wensch.
26. De gelukspot.
27. De honigbij en de zoete drank.
28. De piaiman en de stinkvogels.
29. Hoe het ongeluk over de menschen kwam, of De geschiedenis
van Macanoura en Anoeannaïtoe.
30. De kolibri, die tabak brengt aan den eersten piaiman.
31. Het ontstaan der vrouwen-stammen.
32. Het gebroken ei.
33. De geest van den pasgeborene.
34. De huid van den Reuzenslang of Hoe de vogels hun tegenwoordig
gevederte kregen.
35. Een waarschuwing aan de vrouwen.
36. Hoe een man van zijn luiheid genezen werd.
37. De zwarte tijger, Wau-oeta en de gebroken pijl.
38. De legende van Letterhoutstomp.
39. De legende van Arimoribo en Jorobodie.
40. Uitdrijving van een priester uit den Indiaanschen hemel.
41. Uitdrijving van Indianen uit den Hemel der Paters.
42. Bezoek van Caraïben aan Macoesi-land.
43. Legende van Paramaribo.
44. Legende van Post-Sommelsdijk.
45. Einde van den Indiaanschen broederoorlog.
46. De groote bloedzuigende vleermuis.
47. Legende van Mapajawari of De uitroeiing der menscheneters.