INLEIDENDE BESCHOUWINGEN.

Vóór de komst der blanken was Amerika bewoond door talrijke

Indianenstammen, die zoowel door taal als door lichamelijke en

geestelijke verschillen zich van elkander onderscheidden. Ook in het

deel van Zuid-Amerika, dat wij West-Indië hebben genoemd, waren de

stammen, om een Indiaansche vergelijking te gebruiken, talrijk als de

korrels in het zand eener savanne*. [1]

In de bevolking van Amerika was toen reeds het proces eener

ontwikkeling in uiteenloopende richtingen in vollen gang en had het

Roode Ras* zich reeds uit den staat van barbaarschheid weten op te

heffen—was reeds lang de kiem gelegd tot een moraal, welke een ieder,

die in de Indianen-ziel heeft weten door te dringen, met den grootsten

eerbied heeft vervuld, en die in velerlei opzicht tot voorbeeld mag

strekken aan een groot deel der menschheid van het hedendaagsche

Europa.

Zooals overal, waar natuurvolken met het blanke element in nauwere

aanraking komen, heeft de nadeelige invloed van de toenemende blanke

bevolking zich op de kinderen van het land, de Indianen, doen gelden.

Doch niettegenstaande dezen invloed, die niet alleen uitroeiing op

groote schaal met zich bracht—van de eenmaal zoo aanzienlijke

Indianenbevolking der West-Indische eilanden is zoo goed als niets meer

overgebleven—maar ook een ontaarding van het ras met zich sleepte, is

er nog veel van het schoone, dat de Indiaan in moreel opzicht boven

zijn blanke overheerschers verheft, overgebleven, en heeft hij door het

van geslacht op geslacht oververtellen van zijn mythen- en

legendenschat de grondstellingen van zijn verheven zedenleer voor zijne

nakomelingen—de moraal van zijne onderdrukkers ten spijt—weten te

bewaren en zijn wij in staat, ook den belangstellenden Nederlandschen

lezer daarvan te laten genieten, hoezeer ook zijne mondelinge

overleveringen den invloed der latere binnendringers, zoowel van

Blanken als van Negers, hebben ondervonden.

Het grootste deel van het materiaal, waarover ik voor deze verzameling

kon beschikken, is afkomstig uit een tijd, toen de Indianen reeds lang

aan vreemde invloeden blootgesteld waren geweest.

De wreede tijden der Spaansche veroveraars (conquestadores), toen het

meest vreedzame en het meest daarvoor toegankelijke deel der Indianen,

vooral op het West-Indische eilandengebied, op ruwe wijze vernietigd

was geworden, zijn voor het mythen-onderzoek weinig vruchtbaar geweest;

en in de daarop volgende periode, toen het overgebleven deel, nog het

talrijkst in Guyana’s uitgestrekte oerwouden, de aanraking ondervond

van blanke zendelingen, deels der Katholieke, deels der Hernhutter

missies, zijn de mondelinge overleveringen, hetzij door missionarissen,

hetzij door wetenschappelijke reizigers, die de groote waarde van het

vergelijkende mythen-onderzoek toen nog niet konden vermoeden, bij

verschillende stammen te boek gesteld, zoodat wij het oorspronkelijk

element in de mythen en legenden uit die tijden veelal vertroebeld

vinden door het later daarin gebrachte Christelijke element.

Vooral de mythen en legenden der Benedenlandsche Indianen, die wij aan

den arbeid van W. H. Brett (Br.), voor Engelsch Guyana en van C. van

Coll (Co.), voor Nederlandsch Guyana—beiden Katholieke zendelingen,—en

aan den arbeid van de gebroeders Penard (P.a.), voor Suriname te danken

hebben, geven ons, zooals Dr. Herman ten Kate, een der beste

Nederlandsche Indianen-kenners, terecht heeft opgemerkt (K.b.), een

duidelijk beeld van de groote veranderingen, die de verhalen onder den

invloed der blanken, vooral der zending, hebben ondergaan.

Ook de toenemende aanraking der Indianen met de Negerbevolking, die

meer en meer het woongebied der Indianen binnendrong, heeft niet

nagelaten, hier en daar het oorspronkelijke Indiaansche element in de

mondelinge overleveringen te versluieren.

Bij eene kennisneming der in dezen bundel bijeengebrachte verzameling

zal menig lezer herhaaldelijk ook aanknoopingspunten ontdekken met de

mythen-schat der Oude wereld en het is zeker de groote verdienste van

Paul Ehrenreich (E.) geweest, het hoogst waarschijnlijk te hebben

gemaakt, dat de mythenschat der Zuid-Amerikaansche Indianen het

overblijfsel is van een oeroude vroeger over het geheele gebied der

Nieuwe wereld verspreide groep van overleveringen, en dat aan den

anderen kant een in jongere tijden uit het Noorden langs de Stille

Zuidzee komende groep van mythen- en sagenelementen er mede gemengd is

geworden, die gedeeltelijk tot in het Oostelijk Halfrond vervolgd kan

worden.

Dit jongere mythenelement, dat het Noordwestelijk gebied van

Noord-Amerika met deelen van Noordoost-Azië gemeen heeft, blijkt nog

tot ver het Zuid-Amerikaansche gebied te zijn binnengedrongen en heeft,

zooals begrijpelijk is, dezelfde wegen gevolgd als de stoffelijke

bezittingen van het Indiaansche ras, zoodat de groote mythenstroomingen

uit het Oostelijk Halfrond met de uitkomsten der Archeologische en

Ethnologische onderzoekingen in overeenstemming gebracht konden worden.

Het grootste deel der in dezen bundel opgenomen mythen, sagen en

legenden der Indianen van West-Indië zijn ontleend aan het belangrijke

werk van Walter E. Roth (R.), getiteld „An inquiry into the animism and

folk-lore of the Guiana Indians”, een bij uitstek deskundig

onderzoeker, die meerdere jaren Commissaris en Beschermer was van de

Indianen in het Pomeroen-district van Engelsch Guyana, en wiens

onderzoekingen zich ook hebben uitgebreid tot de Indianen van

Venezuela, Suriname en Fransch Guyana.

Hoewel wij met den Nederlandschen onderzoeker, Prof. Dr. J. P. B. de

Josselin de Jong (J.), moeten erkennen, dat het bijna onmogelijk is, in

een der Europeesche talen weêr te geven, wat er in het gemoed van den

Indiaan omgaat, wanneer hij in kinderlijk naïeven verhaaltrant het

diep-gevoelde gemoed, dat uit vele zijner vertellingen spreekt, tracht

bloot te leggen, hebben wij toch gemeend, in dezen bundel de beschaafde

schrijftaal te moeten bezigen, teneinde den lezer, wien het vooral om

den inhoud te doen is, beter het verhevene, dat het denken der

oorspronkelijke bewoners van West-Indië kenmerkt, te laten gevoelen.

Het bijzondere karakter, dat de mythen, sagen en legenden der

Zuid-Amerikaansche Indianen vertoonen en waardoor zij zich van den

rijken schat, op dit gebied in Noord-Amerika bijeengebracht,

onderscheiden, is aan de weelderige tropische natuur van Guyana’s

binnenlanden toe te schrijven, zoo geheel verschillend van de

landschappen, te midden waarvan de Noord-Amerikaansche stammen verblijf

houden. De groote ontwikkeling van het riviernet doet het nl.

begrijpelijk voorkomen, dat het tooneel der verhalen voornamelijk de

rivieren zijn, aan wier met tropisch oerwoud omzoomde oevers het

Indiaansche leven zich in hoofdzaak afspeelt. Daar in dit gebied meren

ontbreken, bedoelt de verteller, wanneer hij van meren spreekt,

overstroomde rivieroevers.

Terwijl ik mij bij eene keuze voor deze verzameling in de eerste plaats

heb laten leiden door het streven, bij den lezer belangstelling te

wekken voor het Indiaansche zieleleven, heb ik er in de tweede plaats

zooveel mogelijk zorg voor gedragen, dat de voornaamste natuur- en

cultuurvoortbrengselen, die het bestaan der Indianenbevolking van

tropisch Amerika beheerschen, in deze verzameling vermelding vinden.

De vertellers waren vrouwen en mannen, doorgaans ouden van dagen, van

de drie voornaamste stammen van Guyana: de Caraïben, de Arowakken en de

Warraus (door de letters C., A. en W. achter den titel van elk verhaal

aangeduid), die de zwakke overblijfsels zijn van vroeger talrijke en

machtige stammen, welke deel uitmaken van de groep der z.g.

Benedenlandsche Indianen van Guyana, die volkenkundig met de dieper in

het binnenland wonende z.g. Bovenlandsche Indianen en met de bijna

geheel uitgeroeide oorspronkelijke bevolking van de Groote en Kleine

Antillen tot eenzelfde gewest mogen gerekend worden, dat ook het

stroomgebied der Orinoco en der Amazone omvat en zich tot de

Paraguay-rivier uitstrekt.

De talen, die in dit gebied gesproken worden, behooren tot drie

verschillende taalstammen, het Caraïbisch, het Arowaksch en het

Warrausch.

De Caraïben, die zich zelf Kalienja* noemen, en wier stamland

vermoedelijk Centraal-Brazilië is geweest, hebben zich in vroeger

tijden door hun oorlogzuchtigen aard onderscheiden. De meer

vredelievende Arowakken, die van oudsher in cultuur hooger stonden en

als de uitvinders der hangmatten en de verspreiders der maïs- en

tabakscultuur werden beschouwd en als bekwame pottenbakkers bekend

stonden, zijn de eerste bewoners der lage landen van het tegenwoordige

Venezuela en Guyana geweest en vormden ook op de West-Indische eilanden

de oorspronkelijke bevolking. De Warraus eindelijk, die de eerste

kolonisten als de vervaardigers van voortreffelijke vaartuigen hebben

leeren kennen, schijnen zich van het Westen uit te hebben verspreid en

eerst later Nederlandsch Guyana te zijn binnengedrongen. Van dezen zijn

in het westelijk deel van Suriname nog slechts weinigen overgebleven,

terwijl Engelsch Guyana nog talrijke nakomelingen van dezen zoo

belangwekkenden stam tot woonplaats strekt.

De nauwere aanraking, die deze stammen van oudsher met elkander hebben

gehad—tegenwoordig treft men Caraïbische en Arowaksche nederzettingen

(kampen of dorpen), door elkander langs verschillende beneden-rivieren

van Guyana aan—maakt het begrijpelijk, dat meerdere verhalen, zij het

in gewijzigden vorm, bij deze drie stammen verteld worden.

Dat deze oude overleveringen niet steeds het leven der tegenwoordige

stammen uitbeelden, behoeft geen nader betoog. De verheven moraal

echter, die deze primitieve, door sommige waarnemers zoo slecht

begrepen stammen daarin hebben neêrgelegd, mag, zooals bekwamer

beoordeelaars genoegzaam hebben bewezen, nog als die van den

oorspronkelijken Indiaan beschouwd worden, voor zoover nl. de aanraking

met de Europeesche „beschaving” niet reeds haar noodlottig werk heeft

gedaan.

Voor vele lezers heb ik het nuttig geoordeeld, aan de namen van planten

en dieren en van cultuurbezittingen eene korte toelichting toe te

voegen, die, omdat velen ook in de Negervertellingen voorkomen, in een

afzonderlijk, alphabetisch gerangschikt register aan het slot van dezen

bundel zijn vereenigd en naar welke door een * in den tekst verwezen

wordt.

Mythen en sagen uit West-Indië · 第 11 / 174 题