48. Migratie-legende der Creek-Indianen van Georgia.

Het verhalen van de avonturen hunner Goden of Nationale Helden behoort

bij alle Indianen stammen van oudsher tot de eerste wederkeerende

plichten, die tegenover het nageslacht trouw moeten worden nagekomen.

In Noord Amerika werden daarvoor de lange winteravonden gebruikt, en de

verteller wist dan meestal door zijn bijzonder talent tranen en

lachbuien bij het jonge volk te wekken en de harten der krijgers van

het heilige vuur te doen doordringen, vooral wanneer het noodzakelijk

geacht werd, op het oorlogspad te gaan.

Hoewel deze tijden sedert de verspreiding der blanken over hunne

woongebieden voorbij zijn, wordt toch nog van hunne mythische Helden en

Goden gaarne verteld. In het leven van de oorspronkelijke menschheid is

er misschien niets, wat zoozeer op een poëtisch aangelegd gemoed werkt

als zich een vertelavond in een Indiaansche hut voor te stellen,

wanneer de oude wijze man in zijn eenvoudige, onopgesmukte taal van een

der Nationale Helden vertelt, die den Zonnegod overwon en de seizoenen

en de dagen in het leven riep.

Zoowel de Noord- als de Zuid-Amerikaansche Indianen bezitten tal van

verhalen, waarin mythische Helden als hoofdpersonen optreden. Uit den

lijvigen bundel, die Walter E. Roth (R.) in het licht heeft gegeven en

die, uit de drie Guyana’s afkomstig, voor het meerendeel door hem ter

plaatse zijn opgeteekend, kies ik in de eerste plaats:

De Geschiedenis van Haboeri (No. 1), een der mythische helden der

Warraus, die door hen den „vader der uitvindingen” wordt genoemd. Aan

dezen cultuurheld dankt de Warrau zijn zoo voortreffelijke vaartuigen

(korjalen), waarom hij hem in dit verhaal eert. Behalve dat wij hier

ook reeds met willekeurige transformaties van menschen in dieren en

omgekeerd kennis maken, en er de herhaaldelijk in hunne vertellingen

voorkomende verklaring van de eigenschappen van diersoorten in

aantreffen, wordt er ook van een der vele bij verschillende stammen

heerschende meeningen omtrent den oorsprong van het menschdom in gewag

gemaakt.

Hier wordt deze n.l. op de aarde gedacht, en daar de Indianen in het

algemeen zich geen ontstaan kunnen denken uit iets, wat te voren niet

bestond, zoo gelooft de Warrau, dat de mensch, of liever de eerste

voorvader van zijn stam, hetzij uit verschillende dieren, hetzij uit

een of andere plant (in No. 1) of ook wel uit rotsen, steenen of

rivieren is te voorschijn gekomen.

De Caraïben daarentegen nemen aan, dat de mensch uit de lucht is

neêrgedaald. Het verhaal, dat wij in No. 2 geven en uit Engelsch Guyana

afkomstig is, behoort tot de z.g. mythencyclus der Caraïben, die zich

scherp onderscheidt van die der Arowakken. Dit verhaal is niet alleen

een der vele voorbeelden in de Indiaansche folklore, waarin dieren als

brengers van cultuurplanten worden geschetst, maar het stelt ook de

waarheid in het licht, die, hoeveel minder ook van toepassing op de

Indianen-maatschappij, hier toch ook haar intrede schijnt te hebben

gedaan (onder den invloed der blanken?) dat „ondank ’s werelds loon

is”.

Hoe een zelfde mythe, met grootere of kleinere wijzigingen, bij

verschillende stammen wederkeert, mag uit No. 3 blijken, waarin wij de

zelfde mythe uit den mond van een Warrau-Indiaan weêrgeven.

Wanneer, zooals den lezer bij de kennisname van dit en andere

Indiaansche verhalen zal opvallen, meermalen gesproken wordt van

„vogels en dieren”, dan komt dit voort uit het geloof aan den oorsprong

van de menschen in de lucht, waar zij nog geen andere dieren kenden dan

vogels.

Ook in de mythen, die het ontstaan van het menschdom op de aarde laten

plaats vinden, en waartoe de cyclus der Arowakken behoort, vinden wij

nergens aanduidingen van een geloof uit niets, noch spontaan, noch door

bemiddeling van den Grooten Geest.

De Arowakken-cyclus heeft als leidend kenmerk het ontstaan van alle

levende wezens uit een hol in den grond, dat ook wel eens in de

gedaante van een mensch, n.l. als een steenen vrouw wordt voorgesteld.

In verband met de later te bespreken legenden, die op volksverhuizingen

(migraties) betrekking hebben, is het de aandacht waard, dat in de

scheppingsmythen van vele Indianen o.a. van de Navajoes en de Algonkins

van Noord-Amerika, het bedoelde hol steeds in het Westen wordt gedacht,

terwijl het niet minder treft, in bedoelde mythen het voorval met de

dikke vrouw (zie No. 2 en 3) terug te vinden, die ook daar de oorzaak

er van was, dat slechts een deel der menschen het aardoppervlak

bereikte. Bij bovengenoemde stammen braken door de zwaarte der vrouw de

zeer lange wortels af, die in het gat van den aardbodem groeiden,

zoodat een aantal menschen weder in het hol terugvielen. Ook in de

Migratie-legende van de Creek-Indianen van Georgia, die ik als

bijvoegsel onder No. 48 aan dezen bundel heb toegevoegd, wordt van het

ontstaan hunner voorvaderen uit een hol onder den grond verteld.

Bij talrijke stammen heerscht het geloof, in hunne mythen uitgedrukt,

dat het menschdom uit verschillende dieren, planten, rotsen, steenen en

rivieren ontstaan is.

De volgende mythe van dezen bundel (No. 4), getiteld: „De oorsprong der

Caraïben”, doet de menschen uit dieren geboren worden. Zij schijnt van

de Warraus afkomstig te zijn, die haar naar de Caraïben hebben

overgebracht. Hier treffen wij dus het omgekeerde aan ten opzichte van

de mythe, die het menschdom buiten de aarde ontstaan denkt. Voor de

lezers, voor welke deze bundel bestemd is, geven wij de voorkeur aan de

Caraïbische lezing.

Sommige stammen leiden het menschdom af, hetzij van een Mythischen

Levensboom (zie blz. 20), hetzij van bepaalde boomen, bijv. de

Zijdekatoenboom of de Kankantrie* en de Itapalm*. Volgens de Akawai- en

Macoesi-stammen van Engelsch Guyana moet er een boom geweest zijn,

waarin de Groote Geest, Makoenaima, omhooggeklommen is en met zijn

steenen bijl stukken hout heeft afgeslagen, die in menschen en

verschillende dieren veranderd zijn. Bij de Arowakken wordt

bepaaldelijk de kankantrie als de oorsprong van menschen en dieren

aangewezen. Ook bij hen zou Makoenaima stukken van takken en van den

bast van dezen boom in de lucht, het water en op het land geworpen

hebben en daaruit zouden dieren en ook mannen en vrouwen zijn

voortgekomen.

De Maipoeres, een nu uitgestorven stam aan de Boven-Orinoco, geloofden

volgens Von Humboldt, dat in oude tijden de geheele aarde onder water

geraakt is, dat er een groote vloed* is geweest en dat slechts één man

en één vrouw zich gered hebben op den top van den berg Tamanacoe; dat

het paar, wanhopig over het verlies hunner verwanten en vrienden, om

den berg heenwandelend, plotseling een stem hoorde, die den raad gaf,

vruchten van den Itapalm* achter zich over het hoofd te werpen en dat,

toen het dien raad opvolgde, uit de vruchten, die de man wierp, mannen

voortkwamen, en uit die der vrouw vrouwen ontstonden.

Ook een ontstaan uit steenen vinden wij bij meerdere Indianenstammen

als mythe verhaald. Bij de Makoesi-Indianen van Engelsch Guyana komt de

traditie voor, dat Makoenaima een watervloed over de aarde zond en dat

slechts één man zich heeft weten te redden, die daarna steenen achter

zich wierp en dat op deze wijze de aarde weêr bevolkt werd. Deze

traditie is hierom merkwaardig, omdat zij ook bij de Oude Grieken wordt

aangetroffen. Bij hen was het Deucalion, die steenen achter zich wierp.

In No. 5 van dezen bundel, getiteld: „Hoe de Caraïben gekweekte planten

leerden kennen”, vinden wij een der vele voorstellingen geschetst van

de wijze, waarop het menschdom zijne cultuurgewassen verkreeg. Deze

zijn volgens de Caraïben van een wonderboom gekomen, waarop zij

groeiden, en terwijl het in No. 2 de Agoeti* was, die de menschen in

het bezit van de maïs stelde, is het hier de Buniavogel*, een

giersoort, die hen zelfs alles omtrent de cultuurplanten heeft

medegedeeld.

Bij vele Indianenstammen, ook van Guyana, treft men sporen aan van een

geloof aan een voortbestaan van het lichaam en de daarin huizende

geesten. Zoo vertelt de Nederlandsche onderzoekingsreiziger C. H. de

Goeje (G.), dat een Ojana-vrouw hem vroeg, als hij terug mocht komen,

voor haar een teremopüillatop (hetgeen beteekent een werktuig, dat een

eeuwig leven kan bezorgen) te willen meêbrengen, opdat haar zoontje met

het eeuwige leven gezegend zou worden.

Andere ontwikkelingstrappen van dit geloof aan een onsterfelijk lichaam

treffen wij in verschillende mythen aan, die vertellen van het afwerpen

der huid. De Indiaan gelooft, dat wie van huid verandert, het eeuwige

leven heeft. „Toen Amalivaca* een tijdlang onder de Tamanacas* had

geleefd, nam hij zijn korjaal, om de overzijde van het water, van waar

hij was gekomen, te bereiken, en zong hem toe: „Gij zult van huid

veranderen en daardoor, als slangen, eeuwig jong blijven”. Walter E.

Roth, aan wien wij het voorgaande ontleenen, voegt er aan toe: „Toen

Kororomanna* naar de aarde afdaalde, om te zien wat de Arowakken deden,

vond hij ze zóó slecht geworden, dat hij hun het eeuwige leven ontnam,

en het aan dieren gaf, die nu nog hun huid afwerpen” (slangen,

hagedissen).

Het verhaal „De dochter van den Geestenbezweerder”, (No. 6) geef ik als

een der vele voorbeelden van dit geloof. In een nog zeer primitief

stadium van hun geloof aan een eeuwig leven laat de Indiaan het lichaam

na den dood somtijds in steen veranderen, hetzij als een normaal iets,

hetzij bij wijze van straf (No. 9).

In een hooger stadium van het geloof aan een voortbestaan na den dood

wordt het lichaam vergankelijk gedacht, maar de geest of de geesten,

die er in huizen en die bij den dood vrijkomen, onvernietigbaar. In

alle deelen, waarin een slagader klopt, meenen de Indianen, zetelt een

geest, van welke de in het hart huizende de voornaamste is.

De opvattingen, die verschillende Indianenstammen huldigen omtrent het

verblijf dezer geesten na den dood, en de rol, die zij spelen, loopen

zeer uiteen. Sommige stammen huldigen de meening, dat de geest van het

hart na den dood hemelwaarts stijgt, om daar met andere gelijksoortige

geesten te leven en ten slotte in een jong, nieuw lichaam te

veranderen. Andere geesten gaan na den dood, hetzij naar het zeestrand

en kunnen daar de booten van koers doen veranderen, hetzij naar het

bosch of veranderen in dieren.

Dat in tal van dieren, volgens het geloof der Indianen, geesten huizen,

blijkt niet alleen uit verschillende hunner mythen, sagen enz., maar

ook uit hun geloof aan kwade en goede voorteekens en uit hunne talrijke

bekoringsmiddelen, om de geesten dezer dieren gunstig te stemmen (zie

later). Ook komen onder de Indianen talrijke sporen voor van een geloof

aan geesten, die in planten huizen, (zie verder) ja, de geheele natuur

wordt door de Indianen als bezield gedacht.

Nu eens kan een geest zich aan een ander lichaam verbinden, om een

geestelijke vriend of een raadgever te worden, dan weêr kan hij in zijn

nieuwe verblijf kwaad willen stichten. De geesten kunnen in de

bosschen, velden en bergen blijven ronddolen, hun verblijf in boomen,

steenen, onderaardsche holen opslaan, ja, ook wel met sterren, rivieren

en de zee in verbinding treden.

De graad van onsterfelijkheid van den geest verschilt, te beginnen bij

het primitieve geloof aan een ronddwalen om de plaats, waar de doode

begraven is, tot aan het meer gevorderde geloof aan een overplanting,

met of zonder dierlijke of menschelijke reïncarnatie.

De geest van een doode is altijd, ook bij de Indianen, een onderwerp

van vrees. Bij doodenfeesten moet men dan ook den geest van den

overledene gunstig trachten te stemmen, en hem vriendelijk toespreken.

Dance (D.) haalt een merkwaardig voorbeeld daarvan uit Engelsch Guyana

aan:

Een Indiaansch kind was gestorven door de slechte gewoonte, om aarde te

eten (aardeten* of geophagie). Toen het lijkje in een open doodkist

lag, die de vader door een Creoolschen timmerman in de buurt had laten

maken, naderde de grootmoeder van het kind kort vóór de begrafenis het

kistje, en zich over het lijkje heenbuigend, sprak zij:

„Mijn kind, ik heb je altijd gewaarschuwd, geen aarde te eten. Ik heb

je er nooit van gegeven, omdat ik wist, dat het slecht voor je was.

Maar altijd zocht je het voor je zelf. Ik zeide je, dat het slecht voor

je was. Nu zie je, heeft de aarde je gedood. Val er mij niet lastig om,

want het was je eigen wil. Een boos iets bracht het in je hoofd, om ze

toch te willen eten. Zie, ik leg je pijl en boog aan je zijde. Je kunt

er je meê vermaken. Ik was altijd lief voor je. Wees ook lief voor mij

en maak het mij niet lastig”.

Daarna kwam de moeder van het kind, en zei als in een treurzang:

„Mijn kind, ik bracht je ter wereld, om je alle goede dingen te laten

zien en te laten genieten. Deze borst”, (daarbij toonde zij een harer

borsten) „heeft je gevoed, zoolang je er behoefte aan had. Ik maakte

mooie doeken om je te kleeden; ik verzorgde je en gaf je eten. Ik

speelde met je en heb je nooit geslagen. Je moet ook goed voor ons zijn

en nooit ongeluk over ons brengen”.

Toen trad ook de vader op het lijkje toe en zei:

„Mijn jongen, toen ik je zei, dat aarde je zou dooden, heb je niet

willen luisteren, en zie, nu ben je dood. Ik ging uit en bracht een

mooi doodkistje voor je meê. Ik zal moeten werken, om het te kunnen

betalen. Ik heb een graf voor je gemaakt op een plek, waar je zoo

dikwijls hebt gespeeld. Ik zal er je behaaglijk inleggen en wat aarde

er bij doen, om ze te kunnen eten; want nu kan je dit geen kwaad meer

doen, en ik weet, dat je er zooveel van houdt. Je moet geen ongeluk

over mij brengen; maar zie naar hem, die je aarde deed eten”.

Het waren tot het Christendom bekeerde Arowakken die zoo spraken,

waaruit blijkt, hoezeer het animistische geloof hen nog beheerschte.

Vele verhalen der Indianen hebben betrekking op z.g. Boschgeesten. Deze

kunnen goede, maar meerendeels kwade hoedanigheden en bedoelingen

hebben, zoodat zij doorgaans bij de Indianen in een kwaden reuk staan.

Zij kunnen uit het lichaam van een doode, hetzij mensch of dier, of ook

wel spontaan ontstaan, en vinden eindelijk een plaats, hetzij in het

bosch, hetzij in een bepaalden boom of plant, zooals in No. 9, 11 en 29

kan blijken. Hunne namen loopen bij verschillende stammen zeer uiteen.

Bij Caraïben bestaat de overtuiging, dat zij zelf de oorzaak zijn van

de kwade bedoelingen der geesten, zooals het verhaal „Hoe

lichaamspijnen, dood en ellende op de wereld kwamen” (No. 7) leert.

Een bekende boschgeest der Arowakken heet Konoko Koeja, die Adda-Koeja

wordt genoemd, wanneer hij in een bepaalden boom huist. Deze laatsten

hebben niet zelden de gedaante van vogels. Op dezen geest heeft

betrekking „Het hoofd van den boschgeest en de nachtzwaluw” (No. 8),

waarin deze door alle Indianen gevreesde vogel uit het hoofd van den

geest ontstaan wordt gedacht.

Gevaarlijk wordt het er voor gehouden, de geluiden der geesten na te

bootsen, om hen te lachen, ja zelfs om hunne namen te noemen, zooals

blijkt uit „De vrouw, die een Boschgeest nabootste” (No. 9). Doch het

kan ook wel eens voorkomen, dat een aan een plant gebonden geest iemand

tegen een anderen Boschgeest beschermt. Als voorbeeld van dit geloof is

No. 10, getiteld: „De Geest van de schimmelplant redt het jonge

meisje”, vooral hierom merkwaardig, omdat de Indiaan zich hier zelfs

begeeft op het moeilijke gebied van de leer der plantaardige

parasieten. In dit verband is ook No. 37 merkwaardig, omdat het hier de

Geest van een den arm eens jagers bedekkende schimmelsoort is, die

verantwoordelijk gesteld wordt voor diens weinige geluk op de jacht.

Buitengewoon rijk is de Indiaansche folklore aan mythen en legenden,

die in verband staan met het geloof, dat bij alle stammen wordt

aangetroffen, aangaande een innig verband tusschen menschen en dieren.

Oorspronkelijk waren volgens de meeste overleveringen menschen en

dieren uit een zelfde „deeg” geboren en hadden zij, zooals een legende

der Akawais, een Indianenstam in Engelsch Guyana, vertelt, van den

Grooten Geest, door hen Makoenaima* genoemd, den raad medegekregen, in

eensgezindheid te leven—een gebod, dat volgens de legenden door het

verre voorgeslacht getrouw werd opgevolgd. Ongehoorzaamheid heeft in

latere tijden, zooals de lezer in dezen bundel herhaaldelijk zal

vermeld vinden, daarin verandering gebracht.

Dat volgens de Indiaansche folklore menschen en dieren op onbeperkte

wijze in elkander kunnen overgaan, zooals boven reeds werd opgemerkt,

is alleszins te begrijpen (No. 11 en 12, 16, 28). In vele gevallen werd

de verandering van den mensch in een dier als een bestraffing opgevat,

zooals wij zien in het mooie verhaal, getiteld: Hoe het ongeluk over de

menschen kwam, of de geschiedenis van Maconaura en Anoeannaïtoe (No.

29).

Volgens de overtuiging der Indianen kan hun geestenbezweerder, de

piaiman, voor wien immers niets onmogelijk geacht wordt, deze

transformatie bij zich zelf en bij anderen te voorschijn roepen, geheel

overeenkomstig die, welke door de geesten tot stand gebracht is.

In de dierenfabels der Indianen gaan de dieren als menschen met

elkander om en als menschen voeren zij gesprekken met elkander, zooals

meer in het bijzonder uit de nummers 13, 14, 15 en 30 moge blijken. No.

15 getiteld „Tijger en Miereneter”, is ook nog hierom merkwaardig,

omdat een geheel gelijksoortige vertelling (een weinig gewijzigd) bij

sommige Noord-Amerikaansche stammen de ronde doet. Behoort deze

dierenfabel tot de groep van mythen, sagen, legenden en fabels, die als

de overblijfselen te beschouwen zijn van oeroude, eenmaal over het

geheele gebied der Nieuwe Wereld verspreide overleveringen of is zij,

overeenkomstig de meening, dat, waar de hersenen bij alle menschen

gelijk georganiseerd zijn, de produkten van den geest overal een groote

verwantschap zullen moeten vertoonen, onafhankelijk van het noordelijke

voortbrengsel [7] van ’s menschen fantasie ontstaan?

Hoewel wij ons hier ter plaatse in dezen strijd niet kunnen mengen, mag

toch worden opgemerkt, dat laatstgenoemde meening, om gelijksoortige

verhalen bij verschillende volken te verklaren, in dit geval zeer

onwaarschijnlijk is en dat vele Afrikaansche elementen, die in de

Indiaansche folklore voorkomen, onmogelijk door een ontstaan,

onafhankelijk eener aanraking met de negerbevolking, kunnen verklaard

worden.

Wenden wij ons nu tot de plantenwereld, dan hebben wij reeds opgemerkt,

dat volgens het oude geloof der Indianen, ook verschillende planten en

boomen tot verblijfplaats van geesten kunnen dienen. Ook de

transformatie van menschen in planten en omgekeerd, wordt nu en dan in

de Indiaansche folklore aangetroffen. (Zie No. 1). Wel het meest

bekende voorbeeld in Suriname van een boom, waarin geesten huizen, is

de reeds genoemde Kankantrie* of Zijdekatoenboom, de hoogste, breedst

vertakte en mooiste boom van Guyana’s oerwouden. Door de Boschnegers

van Suriname worden aan dezen reus geregeld offers gebracht, ten einde

de kwade geesten, die in den boom huizen, gunstig te stemmen.

Het is wel merkwaardig, dat dit geloof en deze gewoonte, die de

negerslaven van Suriname uit Afrika hebben medegebracht, waar een

verwante boom, de Adansonia digitata in de animistische voorstellingen

der negers een zóó groote rol speelt, vóór de komst der Negers in

Guyana reeds lang bij de Indianen bestond. Ook deze zullen, evenals

Boschnegers en Stadsnegers, geen kankantrie omkappen.

Op dit verband tusschen dezen boom en de geestenwereld berust het

geloof, dat zoowel bij Indianen (R. blz. 230) als Negers (C. e.) wordt

aangetroffen, dat de Kankantrie na het ondergaan der zon wandeltochten

onderneemt. Ook het voor den oningewijde vreemde feit, dat de Indianen

in hunne verhalen de hutposten laten spreken (zie no. 1), vindt uit hun

geloof aan in boomen huizende geesten een goede verklaring. Het

verhaal, getiteld „Hariwali en de Wonderboom” (No. 16), evenals No. 30

„De kolibrie, die tabak brengt voor den eersten piaiman”, waarin van in

de tabak huizende geesten sprake is, is in laatst genoemd verband zeker

de aandacht waard.

Wij hadden het eerstgenoemde, met de geschiedenis van Haboeri, evengoed

onder de Heldensagen kunnen opnemen, want Hariwali is de stamheld der

Arowakken, die sommigen onder hen met Haboeri gelijkstellen. Evenzeer

hadden wij het verhaal van Hariwali onder een afzonderlijke rubriek der

Geesten van het water kunnen opnemen, omdat er van een watergeest in

verteld wordt, die er in de gedaante van een bruinvisch in optreedt.

Hier mag er ook de aandacht op gevestigd worden, dat de vele

bekoringsmiddelen, die de Indianen toepassen (zie blz. 36) en waarover

de gebroeders Penard zoovele waardevolle mededeelingen hebben gedaan,

ten grondslag liggen aan het bij de Indianen ingewortelde geloof aan

een verband tusschen het plantenrijk en de geestenwereld.

Waar volgens het geloof der Indianen, zooals boven reeds werd

opgemerkt, alles in de natuur bezield gedacht wordt, is het niet te

verwonderen, dat in verband met de wonderlijke rotsvormen, die in het

binnenland van Guyana voorkomen, zij daarin eveneens bepaalde geesten

denken [8] waarvoor zij zich steeds in acht hebben te nemen, en steeds

een zekere vrees aan den dag leggen—zoodat zij het gevaarlijk achten

hunne namen te noemen, wanneer zij ten minste onder een bepaalden naam

bekend staan (No. 29). Walter E. Roth geeft van deze vrees

verschillende voorbeelden, deels uit de litteratuur, deels uit eigen

ondervinding. Het wordt bijv. als hoogst gevaarlijk beschouwd, met den

vinger naar een geest te wijzen, dus ook naar diens verblijf. Meer in

het bijzonder wordt dit vermeld ten opzichte van den Ouden man’s val

(de beroemde Kaieteur-val in de Essequibo). Im Thurn (T.) verhaalt, dat

toen de op gepotlood ijzer gelijkende verweeringskorst* van vele rotsen

in het droge rivierbed zijn aandacht had getrokken en hij er de

Indianen naar vroeg, zij plotseling hem het zwijgen oplegden en hem

waarschuwden, aan die steenen geen aandacht te schenken, daar deze zich

zouden kunnen wreken en ongelukken zouden kunnen veroorzaken. Een

Indiaan, die op Schomburgk’s reizen door Engelsch Guyana in 1847–48

eene verzameling gesteenten droeg, wierp ze weg, uit vrees, dat ze

kwaad zouden kunnen stichten.

In de Indianen-folklore vinden wij herhaaldelijk van transformaties van

menschen in steen melding gemaakt, ook hier meermalen als straf voor

begane overtredingen. Op dit geloof, dat ook in No. 9 voorkomt, heeft

betrekking de legende, die aan den zooeven genoemden val is

vastgeknoopt en die ik onder No. 17 heb opgenomen. Door den katholieken

missionaris W. H. Brett (B.) is zij in dichtvorm opgeschreven, welke

hij voor deze verzameling, waarin de invloed der zendelingen hier en

daar duidelijk te bespeuren is, uitkoos, in overeenstemming met de

wijze, waarop de nationale overleveringen in vroeger dagen met

bijzondere stembuiging, meer gezongen dan verteld werden.

Ook het omgekeerde, nl. het geboren worden van menschen uit steen, komt

in de Indianen-verhalen meermalen voor. Wij zagen immers reeds, dat de

mythen-cyclus der Arowakken als leidend kenmerk het ontstaan van alle

levende wezens uit een hol in den grond heeft, dat in menschelijke

gedaante, ook wel als een steenen vrouw wordt voorgesteld. (E. en K.

b.).

De Indianen kennen ook een aantal Watergeesten (zooals den lezer reeds

uit No. 16 bleek), waarover in W. E. Roth’s werk tal van mededeelingen

voorkomen.

Nu eens hebben deze geesten een menschelijke gedaante, dan weêr komen

zij in de gedaante van dieren voor, die in het water leven, of zijn zij

half mensch, half dier. Bij de Caraïben heeten zij Okoyoemo, bij de

Arowakken Orehoe en bij de Warraus Ho-aráoeni.

Volgens de Arowakken leven de Orehoes altijd in het water, en minstens

één begeleid steeds een korjaal. Gebeurt er een ongeluk met een boot,

dan is het altijd een Orehoe, die er de oorzaak van is. Deze hebben

menschengedaante en verschijnen hetzij als mannen of als vrouwen. De

vrouwen baden nu en dan op een zandbank in de rivier en kammen haar

lang haar met zilveren kammen.

Bij andere stammen zijn deze Watergeesten overdag vrouwen en des nachts

mannen. Volgens nog weêr anderen leven zij overdag op den bodem van het

water, en komen des nachts uit het water en schreeuwen als kinderen.

De Okoyoemo der Caraïben hebben de gedaante van een Camoedi*, maar hij

is veel grooter. Vandaar dat het, in geval van slangenbeet, verboden

is, water te drinken of te baden, en het ook niet geraden is, dicht bij

het water te komen.

Sommige dezer watergeesten zijn uit menschen, anderen uit visschen of

vischachtige zoogdieren voortgekomen. Evenals de boschgeesten, zijn zij

verantwoordelijk voor ziekten op de wereld. Daarom roept de

geestenbezweerder, de piaiman, ook hen dikwijls op. Bij vele stammen

worden nadeelige waterstanden der rivier aan hen toegeschreven, en het

is daarom verboden over hen te spreken en hunne namen te noemen, zooals

uit het verhaal: „Amanna en haar praatzieke man” (No. 18) blijkt.

Onder de vele woorden, die de Indiaan niet mag uitspreken,—die, zooals

men dit noemt, taboe* zijn (zie blz. 37)—zijn er ook woorden, die niet

op het water mogen gebruikt worden.

De groote hoeveelheid van zulke taboe-woorden bemoeilijkt, zooals te

begrijpen is, de Indiaansche taalstudie niet weinig.

Alle Indianenstammen hebben talrijke mythen, sagen en legenden, die van

hunne animistische voorstellingen omtrent alles wat zij aan den hemel

waarnemen, duidelijk blijk geven. Het spreekt van zelf, dat Zon en Maan

een groote plaats in hunne mondelinge overleveringen innemen. De Zon,

de bron van licht en warmte, die doet leven en groeien; de Maan—de

Indiaansche zon der slaap—, die des nachts het aardrijk verlicht en

door zijn herhaalde vormveranderingen in het eenvoudige brein dezer

natuuraanbidders allerlei phantastische voorstellingen deed geboren

worden.

Bij alle stammen, zoowel van het Noordelijk als het Zuidelijk deel der

Nieuwe Wereld, moesten deze hemellichamen, door hetgeen aangaande hun

voor hen zoo geheimzinnig gedrag werd waargenomen, tot bezielde wezens

worden, die als menschen handelen, strijd voeren, verslonden worden

enz.

Kan het verwonderen, dat de Zon met zijn [9] stralenkrans die aan

veeren, pijlen of haren doet denken, in hooge mate op hunne phantasie

moest inwerken; kan het bevreemden, dat ook de Maan met hare zoo

geheimzinnige vlekken, waarin de Indianen menschelijke en ook wel

dierlijke wezens zien, met hare steeds wederkeerende phasen, aan welke

zij de voorstelling van verbrokkeling, lichamelijken groei en afname of

afknaging verbinden, en van welke de maansikkel hen aan een wapen [10],

een arm of aan een waterrad doet denken, het uitgangspunt der

mythenvorming is geworden? En was het ook niet natuurlijk, dat het

opkomen en ondergaan van beide hemellichamen voorstellingen van

verslonden worden door de aarde of de zee schiep, evenals de terecht

zoo gevreesde zons- en maansverduisteringen slechts aan een verslonden

worden konden worden toegeschreven?

Gedurende een zonsverduistering, zoo wordt verhaald, (T.), renden bij

de Arowakken de mannen met angstige kreten uit hunne hutten, daar zij

in de meening waren, dat de Zon en de Maan aan het vechten waren. In

Fransch Guyana is het geloof aangetroffen, dat bij zons- en

maansverduisteringen een vreeselijk monster, dat zij probeeren met

hunne pijlen te verjagen, bezig is de hemellichamen te verslinden.

Een voor dezen bundel geschikte mythe, die de Zon zelve tot onderwerp

heeft, heb ik niet kunnen vinden. No. 19, getiteld: „de Zon en zijne

tweelingzoons”, kan deze leemte eenigermate vergoeden.

Op een der West-Indische eilanden, nl. Haïti, is nog een

scheppingsmythe bewaard gebleven, waarin van de geboorte van Zon en

Maan, evenals de menschen volgens de Arowakschen cyclus, uit een hol in

den grond verteld wordt. Dit eiland zou het eerst van alle landen

geschapen zijn. Het hol, waaruit Zon en Maan geboren werden, ten einde

de aarde van het noodige licht te voorzien, zooals het verhaal luidt,

wordt door de bewoners nog aangewezen. Het bevindt zich op 7 tot 8

mijlen van Kaap François (nu Cape Haytien genoemd) en heet „la voûte á

Minguet”. Het is ongeveer 50 meter diep en zeer smal. Door de bevolking

werd het vereerd, en bij lang uitblijven van regen maakte men er

bedevaarten heen, bracht er offers in den vorm van vruchten en bloemen

en voerde er, onder begeleiding van zang, dansen uit.

„Evenals Zon en Maan stelt elke ster, die om een of andere reden de

aandacht van den Indiaan trekt, een voorwerp op aarde voor. Voor een

kenner staat de levensgeschiedenis van dieren en planten”, zeggen de

Penards, „met vurige letters aan de hemel geschreven”. De namen, die de

Indianen aan bepaalde sterren en sterrebeelden geven, zijn òf ontleend

aan het, in een tijd, waarin zij verschijnen, veelvuldig optreden van

dieren, òf aan het dan rijp worden van bepaalde vruchten. Ook hier

laten de Indianen zich weêr kennen als uitmuntende natuurwaarnemers.

Sterren en sterrebeelden zijn volgens de Indianen geesten van menschen

en dieren—deze voorstelling treffen wij aan in No. 3 getiteld: „De

oorsprong van het menschdom”—; vallende sterren zijn geesten, die op de

aarde nederdalen. Uit de vele verhalen, die betrekking hebben op

hetgeen de Indianen aan den hemel waarnemen, hebben wij „de Zon en zijn

beide tweelingzoons” (No 19) gekozen. Deze vertelling behoort tevens

tot de zg. Heldensagen, want de bij verschillende stammen van Guyana

tot de Helden behoorende tweelingzoons van de Zon: Pia en Makoenaima,

treden er in op den voorgrond. Deze sage is een der voorbeelden van de

groote veranderingen, die een verhaal na de overbrenging van den eenen

stam op den anderen kan ondergaan. Van hetzelfde verhaal bestaat nl.

een Warrau-, een Caraïbische en een Macoesi-lezing. Wij verkozen de

tweede, en veranderden den titel, omdat de oorspronkelijke titel „De

Zon, de Kikvorsch en de vuurstokken” niet meer voor de Caraïbische

lezing past. In deze gedaante van het verhaal vindt de Held Makoenaima

tegelijk met maipoeri* ten slotte een plaats onder de sterren.

Bij de Makoesi-Indianen, een der Indianenstammen van Engelsch Guyana,

heeft de natuuronderzoeker Schomburgk op zijne reizen in dit land een

legende opgeteekend, die betrekking heeft op een Komeet of Staartster,

nl. de Komeet van Halley. Toen deze op een nacht aan den hemel

verscheen, zegt hij, kwamen mannen, vrouwen en kinderen verschrikt uit

hunne hutten loopen, en terwijl zij de armen naar den hemel

uitspreidden, smeekten zij het vreemde lichaam den hemel te willen

verlaten. Zij noemden het Ca-po-escima (= vuurwolk) of Wae-inopsa (=

zon, die zijn stralen achter zich werpt). In deze legende, getiteld:

Legende van den Vleermuisberg (No. 20) wordt de staartster voorgesteld

als een oude vrouw, die een vuurstok (flambouw) draagt.

Talrijk zijn in de Indianen-folklore de voorbeelden van hun ingeworteld

geloof aan slechte en goede voorteekens (Omens) en hoe hun gansche

leven beheerscht wordt door dit geloof, heeft de lezer reeds kunnen

afleiden uit hetgeen daarover voorkomt in No. 16 en No. 8.

De schildpad, die levend op de heete asch werd gelegd, en telkens er

uit vandaan kroop, was een slecht voorteeken, dat de dood der vrouw

beteekende. Evenzoo is het onheilspellend geluid van de nachtzwaluw een

omen, dat ongeluk voorspelt. Want is deze vogel niet uit den kop van

een gevreesden boschgeest voortgekomen (No. 8)? Niet minder

onheilspeilend is het geluid van den uil (No. 21, No. 26 en No. 28) en

daar voor zijn de Indianen in het bijzonder bang; en geen wonder! want

onder de lugubere geluiden, die onmiddellijk na zonsondergang uit het

oerwoud klinken (C. b.) is dat van den uil wel het meest

angstaanjagende. Een uilensoort huist in oude holle boomen op een

afstand van een rivier en van daaruit klinkt zijn zang (!), die begint

met een viertal tonen in majeur, waarop na een korte pauze van slechts

enkele seconden weêr vier tonen volgen, maar die nu in het

overeenkomstige mineur klinken. Na een kort oogenblik worden de laatste

twee tonen in mineur herhaald en dan is alles stil.

Bij sommige Indianenstammen wordt deze uil „de moeder van de maan”

genoemd. Wanneer de onderzoekingsreiziger in Guyana’s binnenlanden in

een der tijdelijke kampementen in het oerwoud langs de rivier in zijn

hangmat ligt te filosofeeren over „het leven”, wordt hij soms

opgeschrikt door het diep-droefgeestige geluid van „de moeder van de

maan”, dat hem de haren te berge doet rijzen. Als de eerste tonen hem

doen opschrikken, zal een huivering door zijn leden gaan, want het is

alsof een mensch in een poel om hulp roept, en wel op een zóó droevige

wijze, dat het hem toeschijnt, alsof hij alle hoop op redding heeft

opgegeven. De vier tonen, die in mineur volgen, zijn nog droeviger,

want zij klinken alsof de wanhopige in een laatste krachtuiting den

geest geeft. De laatste twee tonen, die na een korte pauze volgen,

zullen hem doen denken, dat hij de laatste snikken hoort van een

worstelende met den dood.

Zulke geluiden, die den reiziger, naast lieflijke tonen, die op

vrouwenzang gelijken of van een fluitspeler afkomstig schijnen,

meermalen des nachts uit het oerwoud toeklinken, zijn zóó

hartverscheurend en ternederdrukkend, dat wie ze eenmaal heeft gehoord,

de herinnering er aan alleen reeds voldoende is, de haren te berge te

doen rijzen. [11]

Is het te verwonderen, dat het geluid van den uil in de eerste plaats

bij de Indianen als een slecht voorteeken geldt?

Ook kleinere dieren, zooals insekten kunnen, voor den Indiaan kwaad of

goed beteekenen. Een merkwaardig voorbeeld van dit geloof is bijv. de

Lichtkever*, een der merkwaardigste phosphoresceerende dieren van het

oerwoud, want deze kevers verschijnen plaatselijk als een zwerm

hellichtende vonken, die voortdurend door het geboomte heen en weêr

dwarrelen. Dit insekt kan voor den Indiaan drie voorspellingen

beteekenen. Wanneer het lichtende dier in zijn hut op den grond valt,

voorspelt het een spoedigen dood van een der bewoners. Valt het in het

vuur, dan beteekent dit, dat een hert het gezonden heeft, om licht voor

hem te halen. Wanneer het onder de hutbedekking gaat zitten, meent de

Indiaan, dat hij iemand verwachten kan. Op dit bijgeloof, dat wij aan

Walter E. Roth ontleenen, heeft het verhaal „De lichtkever en de

verdwaalde jager (No. 22) betrekking, terwijl in „De piaiman en de

stinkvogels” (No. 28) een insekt (een zwarte mier) als een goed

voorteeken voorkomt.

Een zeer groote rol in het leven van den Indiaan spelen de bekoringen,

en de daarvoor door hen gebezigde bekoringsmiddelen, de zg. Binas of

Toelalas (P.) die voor allerlei doeleinden dienen, hetzij voor goede,

hetzij voor slechte. Zij worden bijv. gebruikt, om zich een goede jacht

of vischvangst te verzekeren, waarbij men voor bepaalde dieren

bijzonder daarvoor bereide Toelalas bezigt. Het geloof der Indianen in

deze middelen berust op de gelijkenis van het middel met het te bekoren

wezen. Wanneer de Indiaan bijv. een Pakira* wil bekoren, waardoor hij

meent geluk te zullen hebben op de pakirajacht, zal hij het middel

bereiden uit het blad van een plant (een Xanthosoma-soort), waarin hij

gelijkenis ziet met den pakirakop. De Penards hebben in hun reeds

aangehaald werkje dit onderwerp uitvoerig behandeld; daaruit moge

blijken, hoe ingewikkeld dit bekoringsvraagstuk, waarvan volgens den

Indiaan zooveel afhangt, wel is.

Niet alleen op de jacht en de vischvangst doen de bekoringsmiddelen

goede diensten, maar de Indiaan bezigt ze ook in zijne betrekking tot

de vrouw. Hij heeft er, die hem het bezit van een door hem gewenschte

vrouw kunnen verzekeren en ook die de kracht bezitten, een vrouw, van

wie hij afkeerig is, van hem verwijderd te houden. Ook de vrouw kan

hetzelfde middel tot wegdrijving der liefde bezigen ten opzichte van

den man (zie blz. 48). Slechts enkele legenden worden onder hen

verteld, waarin het bekoringsmiddel wordt aangeduid, zooals in No. 23

getiteld: „De bina, de weder in het leven geroepen vader en de slechte

vrouw”, en in No. 24 getiteld: „Hoe een jong Warrau-Indiaantje uit de

handen der Caraïben ontkwam”. Ook in No. 38, getiteld: „De Legende van

Letterhoutstomp” is van bekoring, nl. van den slangengeest sprake.

Talrijk zijn bij de Indianen de onthoudingen, die zij voortdurend in

acht hebben te nemen, ten einde zich daardoor tegen onheilen te

beschermen en van welke wij in hunne mythen en legenden nu en dan

voorbeelden leeren kennen (zie No. 39). Zij mogen bijv. niet te veel

van een zelfde diersoort schieten, uit vrees dat haar bijzondere

boschgeest hen kwaad zou kunnen doen. Daarom ook dragen de Indianen het

wild en de visch, waarmeê zij terugkeeren, niet zelf in de hut, doch

leggen het buiten neêr, het aan de vrouwen overlatende, den buit te

halen. (Zie No. 1 en No. 36). Ook hierdoor meenen zij zich tegen den

geest te kunnen beschermen, die in het dier huist, dat zij hebben

bemachtigd; vast zijn zij overtuigd dat, als zij zich hieraan niet

houden, de jacht den volgenden dag niets zal opleveren. Overal, waar

men in Guyana, op de eilanden en in het Orinocogebied zijn

onderzoekingen instelt, zal men dit gebruik aantreffen.

Op bepaalde tijdstippen of altijd zal men zich van verschillende

planten en dieren hebben te onthouden. Men spreekt ook in dit geval van

taboe* [12]. Daar een dier of plant bij den eenen stam taboe is, bij

een anderen niet, behoeven wij geen voorbeelden te noemen. In het

algemeen worden geen dieren gegeten, die door Blanken en Negers zijn

ingevoerd. Moeten zij dit wegens gebrek aan voedsel toch doen, dan

roepen zij de hulp van den geestenbezweerder, den piaiman in, of ook

wel die van een ouden vertrouwden vriend, die vooraf op het te eten

dier blaast, ten einde de er in gedachte geest te verwijderen—te

verdrijven. Het wegblazen van den geest geschiedt in het bijzonder in

geval van ziekte. Men denkt op deze wijze de ziekte te kunnen genezen.

In het algemeen past men het blazen toe om een ongewenschten geest te

verwijderen (No. 1).

Aan de vrees voor gevaren van den kant der geesten ligt nog een ander

gebruik, waaraan de Indiaan zich in bepaalde omstandigheden steeds zal

houden, ten grondslag, nl. de gewoonte om even de oogen te sluiten. De

Arowakken en Caraïben zullen b.v. de oogen even sluiten, wanneer zij

voor het eerst een landschap zien, dat hun aandacht trekt, of wanneer

zij ergens voor de eerste maal komen. Zij meenen dan te kunnen

voorkomen, dat de Geest zich tot hen zou voelen aangetrokken. Dikwijls

heeft deze gewoonte ook ten doel, een gevaar te kunnen vermijden.

Veelal is het voor hen een teeken van wangunst, haat of

kwaadaardigheid. Bij Warraus en Arowakken zal, wanneer twee mannen of

twee vrouwen hevige oneenigheid hebben, de vertoornde de andere partij

aanzien en daarna plotseling de oogen sluiten, om na het weder openen,

zich zonder iets te zeggen te verwijderen. Het sluiten der oogen en het

daarna uitspreken van een wensch (zie No. 25) zal wel met het geloof

aan geestenbeïnvloeding in verband staan.

Ook ten opzichte van gebruiksvoorwerpen zal de Indiaan bepaalde

voorschriften getrouw moeten opvolgen. Vaatwerk o.a. dat bij sommige

stammen uit klei gebakken is, dat niet op een bepaalden tijd gedolven

is, nl. in de eerste nacht na volle maan, zal volgens hen slechte

eigenschappen hebben. Dat aardewerk eveneens met geesten in verband

wordt gebracht (zie blz. 28), leert ons No. 26, getiteld: „De

gelukspot.”

Hoe moeielijk het is, den Indianen gewoonten en gebruiken af te leeren,

die het vastgewortelde geloof hen heeft ingegeven, moge uit de

mededeeling van een zendeling blijken, die onder de Indianen in het

Orinocogebied heeft gearbeid. Toen hij er hen opmerkzaam op maakte, dat

zij hunne vrouwen zooveel hard werk laten doen en haar daarbij niet

hielpen en hun zei: „Broeders, waarom helpen jelui de vrouwen niet met

het planten van cassave*? [13] Zij worden vermoeid van de hitte, en

moeten zelfs werken met een kind aan de borst. Zie jelui niet, dat het

haar en haar kinderen ziek maakt”? kreeg hij ten antwoord: „Vader, Gij

begrijpt deze dingen niet, die U hinderen. U moet leeren, dat vrouwen

weten, hoe kinderen voort te brengen. Wij doen dat immers niet. Wanneer

zij planten, geeft de maïs* altijd meer korrels en brengt de cassave

manden vol wortels op, en zoo wordt elk ding door de vrouw

vermenigvuldigd.” Uit dit antwoord blijkt weêr de groote filosofie der

Indianen, die zij zoo dikwijls in beeldspraak tot uiting brengen. [14]

Tot hetgeen de Indiaan steeds zorgvuldig in acht te nemen heeft,

behoort ook het nalaten van het uitspreken van den naam van een

persoon. Er is volgens hem een nauw verband tusschen een persoon en

diens naam, zoodat, evenals dit ten opzichte van geesten het geval is,

het uitspreken van iemands naam in zijne tegenwoordigheid kwade

gevolgen kan hebben. Daar de naam als een deel van den mensch wordt

beschouwd, kan het uitspreken van diens naam ten gevolge hebben, dat

diens geest macht over den naamnoemer krijgt. Al naar den leeftijd en

de sexe zal men zeggen: broêr, zuster, vader, moeder, zoon, dochter

enz. Bij sommige stammen spreekt men daarom alleen de helft van den

naam uit, b.v. Mala in plaats van Mala-Kaali. Van de Trio’s, een stam

der Bovenlandsche Indianen van Suriname vertelt de Nederlandsche

onderzoekingsreiziger C. H. de Goeje, dat sommigen twee namen hebben,

een voor vrienden, en een voor vreemden. Van de Ojana’s, een

Caraïbenstam aan de Boven-Marowijne in Suriname en in Fransch Guyana,

vermeldt J. Crévaux, dat zij een afzonderlijken naam gebruiken, wanneer

zij den persoon aanspreken en een anderen, wanneer zij over hem in zijn

afwezigheid spreken. Moeilijk is het soms, den waren naam van een

Indiaan te weten te komen. Steeds is hij bekend onder een bijnaam of

een naam, hem gegeven om zijn bijzondere eigenschappen, als kundig

jager of visscher, als moedig strijder enz. Zelfs na iemands dood

zullen velen het zorgvuldig vermijden den naam van den overledene te

noemen. Het verhaal getiteld: „De Honigbij en de zoete drank” (No. 26)

geven wij in verband met bovenstaand gebruik.

Een merkwaardige gewoonte, die vroeger bij Indianen in zwang was, en

waaraan zij zich zorgvuldig hielden, was het verbod, om de hut van de

schoonmoeder binnen te gaan, met haar te spreken, of zelfs naar haar te

zien. Van dit vreemde voorschrift wordt verteld in het verhaal,

getiteld: „De piaiman en de stinkvogels” (No. 28).

Een belangrijke rol speelt in het Indianen-leven—bij den eenen stam

meer dan bij den anderen—hetgeen met den algemeenen naam van Kenaima

wordt aangeduid. Ziekten en alle mogelijke soort van lichamelijke

letsels, die den Indianen kunnen treffen, zijn volgens hem het werk van

Kenaima’s, hetzij bekende of onbekende, hetzij lichamelijke, hetzij

geestelijke. De Kenaima-geest kan niet alleen in een mensch maar ook in

een dier opgewekt worden. Als iemand gedwongen is, volgens de wet der

bloedwraak, volgens de Indianen-leus: „oog om oog, tand om tand”, wraak

te nemen, wekt hij de Kenaima-geest in zich op, en hij kan in dien

toestand aan zijn wraakzuchtige neigingen bot vieren. In dit geval

spreekt men van de lichamelijke Kenaima. Er bestaat echter ook een

geestelijke Kenaima, die de eigenschap heeft, om den geest van zijn

lichaam los te maken en een of ander dier, tot zelfs insekten en wormen

toe, doch meer in het bijzonder een jagoear en een slang binnen te

dringen, ten einde in die gedaante kwaad te doen.

Kenaima, den geest der wrake, zien wij vooral aan het werk in No. 29,

maar ook in No. 47, waar hij in de gedaante van den zoon van Mapajawari

optreedt.

Doorgaans bedient een Kenaima zich van onzichtbare pijlen (No. 44) of

van gebroken pijlen (No. 24 en No. 37).

De voorstelling van onzichtbare pijlen, die, volgens den Indiaan,

ziekten en allerlei kwaad kunnen stichten, is vermoedelijk voortgekomen

uit de geheimzinnige en onverwachte wijze, waarop een pijl dikwijls

treft.

Een gebroken pijl is vermoedelijk het zinnebeeld van den strijd.

Volgens meer dan één schrijver was bij vele stammen het breken van een

pijl in het openbaar voldoende, om het volk tot den strijd op te

roepen. Moeilijker te verklaren is het, waarom—zooals bij de oude

Warraus gebruikelijk was—de helften van een gebroken pijl over het

lichaam gewreven, moed en kracht zouden geven (No. 24).

Boschgeesten worden veelal in het bezit gedacht van onzichtbare of

gebroken pijlen.

De geestenbezweerder, de piaiman, wordt in staat geacht, het gestichte

kwaad, in het bijzonder ziekte, te keeren. De piaiman is dan ook een

belangrijke persoonlijkheid in elk dorp of kamp. Voor dezen arbeid is

een zeer lange en moeilijke voorbereiding noodig, die de taak

allesbehalve benijdenswaard doet zijn. Maar de eigenschap van den

Indiaan, om met het staalste gezicht de vreeselijkste lichaamspijnen te

kunnen verdragen, zal hem deze gemakkelijker doen dragen, dan wij

denken.

Wie aan het einde van een verblijf van eenige dagen in een

Indianenkamp, waarin hij het doen en laten van dit sympathieke volk

aandachtig heeft gadegeslagen, de piaiman bezig heeft gehoord, heeft

reeds van het zieleleven van den Indiaan een diepen indruk kunnen

medenemen (C. a.). Geen ander verhaal in dezen bundel geeft een zóó

helder beeld van hetgeen er in de Indianenziel omgaat en van het leven

van de Indianen, dan „de Geschiedenis van Maconaura en Anoeannaïtoe”

(No. 29). Vooral het opwekken van den Kenaima-geest en het werk van den

piaiman is er op boeiende wijze in geschetst. In dit verhaal worden wij

tevens herinnerd aan de wijze, hoe het eertijds in de groote hutten of

vergaderplaatsen der Indianen moet zijn toegegaan, alvorens tot een

vijandelijke aanval werd overgegaan. De Gebroeders Penard hebben van

hetgeen op een besluit daartoe placht te volgen een belangwekkende

schets gegeven, die wij hier woordelijk overnemen, en die in het

bijzonder betrekking heeft op de vroegere oorlogen tusschen de

strijdlustige Caraïben en de meer zachtaardige Arowakken:

„Werd in de raadsvergadering tot den strijd besloten, dan volgde

onmiddellijk den strijd- of z.g. knotsdans (Apoetoedans). Met opgeheven

knotsen, bogen en pijlen bezongen de strijders den roem hunner

voorvaderen, tegelijk de gelofte doende, op gelijke wijze te zullen

handelen. Zij werden dan tevens door vrouwen, kinderen en ouden van

dagen bespot, ten einde hen nog meer aan te vuren. Het doel van dezen

dans was, dat ieder strijder in zich den jagoeargeest, de kaikoetji

juma, trachtte op te wekken”.

„De Indiaan immers redeneert als volgt: In koelen bloede stuit het mij

tegen den borst, is het mij onmogelijk een man te vermoorden, laat

staan een onschuldig wicht den schedel te verpletteren. Handel ik

alzoo, dan geschiedt zulks niet uit eigen aandrift, doch word ik

voortgedreven door een gevoel van woede en moordlust, dat niets anders

kan zijn dan de geest van den Jagoear. Om dien geest in mij op te

wekken, dans ik den Jagoeardans; ik volg alle bewegingen van den Tijger

na. Ik brul, ik his, ik zwaai den knots, gelijk het vreeselijke

roofdier, dat zijn prooi met één slag der geduchte klauwen verplettert.

En heb ik eenmaal mijn vijand gedood, dan moet ik ook zijn bloed

drinken en proeven van zijn vleesch, [15] ten einde te voldoen aan den

geest, die mij voortdrijft.

Ieder mensch en dier kan, hoe goedaardig ook, getergd zijnde, den

tijgergeest in zich opwekken, die hem handelingen doet begaan, waarover

hij later berouw gevoelt. Hij vraagt zich af: hoe is het mogelijk, dat

ik zoo te keer kan gaan? En het antwoord luidt: Is de Tijger in den

mensch, dan wordt ook de mensch gelijk den Tijger”.

„Maar de Jagoeargeest alleen was niet voldoende, om den strijd te

beslissen, want de Tijger kan in een hinderlaag gelokt worden. Daarom

dansten de strijders ook den slange- of bekoringsdans, die in hen

opwekte den geest, die onhoorbaar en onzichtbaar nadert, die

omstrengelt en vastlegt, evenals de slang eerst haren prooi door vrees

betoovert, verstikt en eindelijk inslikt. En daar de Worgslang niet

alleen de geest van bekoring in zich heeft, doch tevens alle dieren,

tot zelfs den Jagoear* en den Kaaiman* inslikt, wordt haar geest

speciaal opgeroepen.” [16]

„Tevens dronken de strijders den zg. Strijddrank, die bestond uit

paiwarri*, waarin een poeder of zalf gemengd was, bereid uit wormen van

de rottende hersenen, den lever en het hart van den Jagoear en den Boa

of Anaconda*, alsmede van den moedigsten en listigsten van vroeger door

hen gedoode vijanden. De hersenen werden ondersteld de list, de lever

den moed en het hart het leven op te wekken. Ook tijgerklauwen werden

in den grond begraven, en de daaruit ontstane wormen tot poeder en zalf

verwerkt, en aan de armen en de knotsen der strijders gesmeerd.”

„Meisjes en vrouwen brachten den drank rond in kalebassen, terwijl de

strijders zongen:

Okone kaikoetjijumu, okone Awaloewa

Kaikoetji ke wa.

Awoe tage kaikoetji toewotjan irowa la

Okone Ikili inasao ko.

Wij roepen U; Tijger, kom geest van geweld,

Doorgloei met Uw vuur al ons wezen.

Omzweef ons opdat in deez’ bloedigen strijd

De vijand den Caraïb leer’ vreezen.

Daal neder, bekoring, verduister het oog

Der strijders, die dra gaan nad’ren,

Om brullend, den Tijger in bloeddorst gelijk,

Te wreken den dood onzer vad’ren.

IJl voort dus Constrictor, [17] omklem Uwen prooi,

Wij volgen en worgen met d’ armen.

Bezield door den moordlust van Tijger en Slang,

Mist ons hart elk spoor van erbarmen.”

Deze beschrijving zal, meenen wij, het genot, dat de lezing van „de

Geschiedenis van Maconaura en Anoeannaïtoe” verschaft, niet weinig

kunnen verhoogen. Hoewel Christelijke invloed aan dit verhaal niet

geheel en al vreemd schijnt te zijn, toch blijft het als belangrijke

bijdrage tot de kennis van de moraal en het leven van den Indiaan zijn

waarde behouden.

In verschillende der reeds genoemde verhalen, treedt, zooals haast van

zelf spreekt, de geestenbezweerder of de piaiman (o.a. in No. 28) als

een belangrijk lid der Indianenmaatschappij op. In No. 30, getiteld:

„De kolibri, die tabak brengt aan den eersten piaiman”, is meer in het

bijzonder daarom belangrijk, omdat er in deze legende van de herkomst

van het belangrijkste der ingrediënten, die de piaiman bij zijne

bezweringen gebruikt, de tabak, wordt verteld. De Indianen, die tabak

ook als genotmiddel gebruiken, onderstellen, dat ook Geesten zeer op

tabaksrook gesteld zijn. De piaiman haalt daarom bij zijne bezweringen

voortdurend tabaksrook in, om daardoor de Geesten te kunnen aantrekken.

Dit verhaal is daarom ook nog de aandacht waard, omdat het vermoeden

zou geopperd kunnen worden, dat van de Arowakken, die oorspronkelijk de

Antillen hebben bewoond, ook de tabak, die bij de Indianen van Guyana

zulk een rol speelt, afkomstig is, en in de tweede plaats, omdat er van

de bij alle Indiaansche stammen voorkomende legenden aangaande het

voorkomen van vrouwennaties (zg. Amazonen) in wordt melding gemaakt.

Reeds Columbus heeft op zijn eerste reis onder de Indianen vechtende

vrouwen gezien en wat de groote ontdekkingsreiziger uit de Oude Wereld

bekend was, meende hij nu ook in de Nieuwe Wereld te hebben

aangetroffen.

Von Humboldt meende echter, dat de bij alle Indianenstammen voorkomende

Amazonen-legende aan de strijdlustigheid van de vrouwen bij sommige

stammen moet worden toegeschreven, die door de eerste reizigers, die ze

ontmoetten, sterk overdreven is geworden, onder den invloed van de

groote vreugde, bij de pas ontdekte volken gevonden te hebben, wat de

oude Grieken vertellen omtrent de barbaarsche Skythen en Afrikanen.

Wallace meent, dat het geloof aan Amazonen in de wereld is gekomen door

de eigenaardige haardracht der mannen bij sommige Indianenstammen,

waarbij hij nog de aandacht vestigde op het dragen van armbanden door

de mannen van enkele stammen en de zorgvuldige verwijdering van elk

teeken van baardgroei. Ook Schomburgk is deze meening toegedaan. Van

deze Amazonen werd verteld, dat zij, om beter in den strijd de wapens

te kunnen hanteeren, de rechterborst zouden laten afsnijden; dat zij

van de mannelijke bevolking geregeld bezoeken zouden ontvangen en dat

de jongens, die geboren werden, òf den vaders werden meêgegeven, òf

gedood werden.

De Gebroeders Penard meenen, dat de legenden, waarvan wij er een uit

hun werkje opnemen (No. 31, getiteld: „Het ontstaan der vrouwennaties”)

gedeeltelijk een voorstelling is van het paradijs der Indiaansche

vrouwen. Volgens hen kan de vrouw zich geen staat van gelukzaligheid

denken, waarin de man haar heerscher en zij slechts zwoegende slavin

is. „In hare verbeelding ontstond dus een voorstelling van het

paradijs, waar zij als gebiedster optreedt en de man slechts geduld

wordt tot voortplanting der soort.”

Dat, hoewel onder alle Indianenstammen van Amazones verteld wordt, toch

geen Indiaan ooit de juiste plaats dezer schoonen kon aanwijzen,

schijnt voor de meening van bovengenoemde oudere schrijvers te pleiten.

Bij de ingeboren eigenschap van den Indiaan, om zich vaak in

beeldspraak uit te drukken, is de meening der Penards niet te

verwerpen, die het bestaan van een vrouwennatie als een voorstelling

van het Mazwano, het Paradijs der Indiaansche vrouwen beschouwen.

De legenden leeren, dat dit paradijs niet gemakkelijk te bereiken is.

De vrouwen moeten daartoe tal van gevaren doorstaan. Zij moeten varen

over de duistere wateren in het land Enamba of der Eeuwige nacht. Dan

eerst zullen, gelijk de nacht vliedt voor den dag, voor hare verrukte

blikken verrijzen de witte wateren, de als goud glinsterende, door de

morgenzon beschenen bergtoppen en zal de rook uit de barbakotten* der

Maswana- of manvrouwennatie opstijgen. Maar niet één vrouw, die het

gelukt, dit paradijs binnen te treden, zal weder tot hare stamgenooten

terugkeeren.

De voorstelling van de Duistere wateren in het land Emanba of der

Eeuwige nacht, meenen de Penards, komt vrij wel overeen met de rivier

Styx en de onderwereld Amenthes uit de Oostersche mythologie.

Een oude vrouw vertelde aan de schrijvers, waaraan het voorgaande

ontleend is, dat zij in haar jeugd naar de Mazwano had willen vluchten,

omdat haar man haar mishandelde, doch dat zij overal, waar zij

inlichtingen inwon, moest vernemen, dat de vrouwen den weg naar het

lustoord vergeten waren. Ten slotte was het haar echter gelukt, door

middel van Oeloekwa-toelala de oogen van haar man zoodanig te

verduisteren, dat hij haar verliet.

Het is eigenaardig, dat terwijl alle gewoonten en opvattingen der

Indianen in hunne Mythen- en Legendenschat worden aangetroffen, er

aangaande een zeer eigenaardig gebruik zoo zelden iets voorkomt. Wij

bedoelen hier de vreemde gewoonte, die zoowel bij Arowakken, als bij

Caraïben en Warraus wordt aangetroffen, dat na de geboorte van het kind

gedurende den tijd, dat de vrouw in het kraambed ligt, ook haar man in

zijn hangmat moet blijven en zich als kraamvrouw moet aanstellen. Men

noemt dit gebruik, dat ook bij andere wilde stammen—o.a. in

Oost-Indië—voorkomt [18], Couvade en bij de Caraïben Kenonimáno.

Volgens de meening van Dr. Herman ten Kate wordt er een magische band

gedacht tusschen vader en kind gedurende de eerste levensweken van den

pasgeborene. Alles, wat dus den vader zou kunnen overkomen, als hij

zich van huis verwijderde, zou schadelijk kunnen inwerken op het kind.

Volgens een mededeeling der Penards gaat kort nadat de kinderziel zich

van het vaderlichaam heeft losgemaakt, een proces dat dikwijls meer dan

een maand duurt, de moeder overal bij hare kennissen rond, om het kind

te vertoonen.

Walter E. Roth heeft in de Indianen-folklore slechts één enkel spoor

gevonden, dat op dit gebruik doelt. Ik geef het korte verhaal weêr

onder den titel: „Het gebroken ei” (No. 32). Daarop laat ik volgen

hetgeen Dance (D) aanhaalt betreffende de gewoonte der Couvade bij de

Arowakken, en dat als een vertelling, getiteld: „De Geest van den

pasgeborene” onder No. 33 in dezen bundel voorkomt. De inhoud is,

zooals den lezer zal blijken, met ten Kate’s meening in

overeenstemming.

Een aantal vertellingen der Indianen geven een antwoord op de vraag,

hoe verschillende dieren hunne tegenwoordige eigenschappen hebben

gekregen o.a. in No. 1 en No. 34, getiteld: „De huid van den

reuzenslang”, terwijl er ook velen zijn, waarin aan dieren herinnerd

wordt, die den mensch kwaad kunnen doen.

Hoewel de geheele Indiaansche folklore een moralistische strekking

heeft, zijn er toch een aantal vertellingen aan te wijzen, die meer

bepaaldelijk een waarschuwing bevatten voor de gevolgen van

overtredingen, van ondoordachte handelingen of verkeerde neigingen.

Hiertoe behooren No. 35, getiteld: „Een waarschuwing voor vrouwen” en

No. 36, getiteld: „Hoe een man van zijn luiheid genezen werd.”

Het „Een man een man, een woord een woord”, een der eerste regels eener

goede moraal, en dat in de hedendaagsche, zoogenaamde beschaafde

maatschappij, waarin wij moeten verkeeren, steeds minder wordt

toegepast, wordt bij den Indiaan nog altijd in hooge eere gehouden,

hoewel eerlijkheid en woordtrouw bij den „geciviliseerden” Indiaan wel

even groot gevaar zal loopen, belangrijk achteruit te gaan, als dit met

alle primitieve volken, die met het blanke ras in aanraking zijn

gekomen, het geval is geweest.

De Indiaan zal een eenmaal gegeven woord niet gauw verbreken en doet

hij dit, bijv. wanneer hij zich bedronken heeft, dan zal, volgens hem,

vroeg of laat de gerechte straf niet uitblijven. (Zie No. 37 en 43). In

het algemeen kan kwaad, meent hij, nimmer ongestraft blijven [19] (No.

16, 27 en 39) en typeerend voor de Indiaansche moraliteit kan gelden,

dat in vele zijner verhalen de veranderingen, die in den

oorspronkelijken Indiaanschen gelukstaat hebben plaats gegrepen,

hieraan worden toegeschreven, dat de ongehoorzaamheid in de wereld haar

intrede heeft gedaan. Volgens de Indianen waren het de blanken, die de

laatste sporen van dezen gelukstaat verloren deden gaan.

Al hetgeen in het voorafgaande omtrent den inhoud van de mythen, sagen

en legenden der Zuid-Amerikaansche Indianen is meegedeeld, groepeert

zich bijna zonder uitzondering om het hoofdmotief—de zorg, om zich het

noodige voedsel te verschaffen, die bij een volk, dat geen intensieven

landbouw drijft, doch hoofdzakelijk van de jacht en visscherij en

daarnevens van de produkten van eenen primitieven hakbouw op hunne

slechts tijdelijke verblijfplaatsen leeft, een punt van dagelijks

wederkeerende zorg is, en het denken bijna geheel in beslag neemt.

Wie ondervonden heeft, hoe schuw het wild in de tropische oerwouden is,

en dat alleen hij, die met de gewoonten der daarin levende dieren

bekend is, zich er geruischloos doorheen weet te bewegen en van het

juiste oogenblik weet gebruik te maken, om zijn oogmerk te treffen,

kans op succes zal hebben [20], kan het niet verwonderen, dat een

jongeling, die een Indiaansch meisje tot vrouw begeert, naar ouder

gewoonte tot volle tevredenheid van zijn aanstaanden schoonvader

proeven zijner bekwaamheid op de jacht heeft af te leggen (No. 35) en

dat hij, wanneer deze voorwaarde, om in het onderhoud van een familie

te kunnen voorzien, niet bij hem aanwezig is, alles zal doen om zich

deze bekwaamheid eigen te maken (No. 35 en No. 37).

De mythen, sagen en legenden, die de eerste reizigers en zendelingen

bij de Indianen te hooren kregen, worden, zooals meerdere schrijvers,

die door een langer verblijf onder hen, grondige onderzoekingen

hieromtrent hebben kunnen doen, hebben vastgesteld, nog steeds—de

aanraking met het blanke element ten spijt—door hen verteld, omdat zij

zich het als eerste plicht rekenen, dat de mondelinge overleveringen,

waarin voor een niet gering deel hunne heilige, godsdienstige

overtuigingen zijn neêrgelegd, op het jongere geslacht overgaan.

Bij de Noord-Amerikaansche stammen worden, zooals reeds vermeld, in het

bijzonder de lange winteravonden aan dit heilige werk gewijd, wanneer

de jeugd, gehurkt om het flikkerende vuur naar de mysteries van het

leven en hun godsdienst luistert en zij den innigen band moet leeren

begrijpen, die de menschheid, volgens hun leer, met de geheele haar

omringende natuur vereenigt. Tevens moest het haar duidelijk worden

gemaakt, dat men met planten en dieren evengoed gesprekken kan voeren

(No. 30) als deze het onder elkaar doen, enz.

De lezer, wien hier uit de uitgebreide mondelinge litteratuur der

Indianen, meer in het bijzonder der stammen van West-Indië, meerdere

voorbeelden worden aangeboden, die hem de overtuiging zullen kunnen

schenken, dat de Indiaan daarin zijn gansche leven en denken heeft

neêrgelegd, zal het zeker evenmin verwonderen, dat ook belangrijke

historische gebeurtenissen, die indruk op hem hebben gemaakt, en van

zoo grooten invloed op zijne maatschappij zijn geweest, nog steeds in

de herinnering van het Indiaansche volk zijn blijven voortleven en als

historische legenden tot op den huidigen dag door hen worden verteld.

Niet alle gebeurtenissen in de geschiedenis van een primitief volk

hebben echter even groote kans, een haast onvergankelijk deel van zijn

folklore te vormen. Groote feiten, die het volk met trots blijft

gedenken, zullen eerder door het verre nageslacht nog als legenden

worden verteld, dan gebeurtenissen, waaraan de herinnering onaangename

gewaarwordingen te voorschijn roept. Velen der eerste categorie

schijnen als het ware onsterfelijk te zijn. Het spreekt van zelf, dat,

waar de volken, ook in geestelijk opzicht, zoozeer uiteenloopen, ook de

inhoud hunner historische legenden bepaalde trekken zal vertoonen, die

met het karakter van het volk overeenstemmen.

Alb. S. Gatschet (Ga) waaraan wij het bovenstaande ontleenen, heeft dit

in zijn leerrijk werk „A migration legend of the Creek Indians”

duidelijk gemaakt. In sommige legenden wordt bijv. uitsluitend verteld

van de Opperhoofden en wordt over het Volk gezwegen; in anderen spelen

mythische helden en onmogelijke feiten een groote rol. Terwijl er

volken zijn, die er van houden, het wonderbaarlijke op den voorgrond te

laten treden, houden anderen hunne legenden vrij van het

wonderbaarlijke element, enz. Tot de bijna onsterfelijke historische

legenden behooren de z.g. migratie-legenden, die van de groote

volksverhuizingen (migraties) vertellen, welke bij talrijke volken en

bij de Indianen in overoude tijden op grooten schaal hebben plaats

gegrepen. Zulke migratie-legenden behooren zeker tot de belangrijkste

historische legenden, omdat zij voor de kennis van een volk dikwijls

waardevolle gegevens bevatten, die, in verband met de uitkomsten der

Archaeologische onderzoekingen en der vergelijkende taalstudiën, tot

vaststaande feiten geworden zijn. Zulks is o.a. het geval geweest met

de traditie der Joden, waarin verteld wordt van hunne immigratie in

Palestina uit de noordelijke landen over de rivier de Euphraat; en

eveneens met de legenden, die de immigratie der Doriërs naar

Griekenland behandelen, uit Thracië en Macedonië dwars door Epirus en

Thessalië heen enz. Zulke migratie-legenden zijn veelal samengeweven

met mythen, die den oorsprong der volken behandelen of die van het

ontstaan van bepaalde instellingen of van belangrijke produkten

vertellen, die een groote economische beteekenis voor hen hebben

verkregen.

Bij de Indianen is de herinnering aan oeroude gebeurtenissen, zooals

volksverhuizingen, niet zelden verbleekt tengevolge eener strenge wet,

die verbiedt, de namen hunner overleden voorvaderen uit te spreken (zie

blz. 39). Zulks is o.a. het geval bij vele Noord-Amerikaansche stammen,

zooals die, welke hunne woonplaatsen hebben langs de kusten der Stille

Zuidzee. In de zuidelijke deelen van Noord-Amerika, o.a. in het gebied,

dat de Golf van Mexico begrenst, schijnt dit bijgeloof, dat de

geschiedkundige overlevering tegenhoudt, niet te bestaan, zoodat bij de

daar levende Indianenstammen verschillende legenden bewaard zijn

gebleven, die van verhuizingen in lang vervlogen tijden vertellen, en

die voor de geschiedenis dezer stammen belangrijke gegevens hebben

opgeleverd.

Dit geldt bijv. voor de groote groep der Maskoki-stammen, waartoe ook

de z.g. Creek-Indianen behooren, en wier migratie-legenden leeren, dat

zij in oude tijden van het Westen naar het Oosten en het Zuid-Oosten

zijn getrokken, waar zij nu ten Oosten van den Mississippi-stroom in

Alabama, Georgia en op het schiereiland Florida in verschillende

stammen hunne woonplaatsen hebben. Daar deze stammen evenals vele

anderen, als de Chirokezen, Choctaws, Chickasaws enz., die landbouw en

veeteelt drijven, en reeds lang in dorpen samenwonen—als

„geciviliseerde” Indianen het eigenlijke Indianen-territorium vormen,

staan de Sioux, die echte jagerstammen zijn en de Nomaden en Bedouïnen

der Nieuwe Wereld kunnen genoemd worden, nog in den aanvang der

„beschaving”; hun bestaan hing bijna uitsluitend van den Bison af, die

nu zoo goed als geheel uitgeroeid is.

Bij de Creek-Indianen, eertijds Moskoquis genoemd, die zoowel in

lichamelijk opzicht en door hunne gewoonten en gebruiken, als door de

natuur hunner woonstreek een brug vormen, die de Noord-Amerikaansche

met de Indianen van Zuid-Amerika verbindt, worden nog verschillende

migratie-legenden verteld, van welke ik er een als voorbeeld en ter

aanvulling in dezen bundel heb opgenomen (No. 48), omdat het, vreemd

genoeg, niet gelukt is, in de litteratuur betreffende de

Zuid-Amerikaansche stammen een tot deze categorie behoorende legende op

te sporen, tenzij men er toe wil rekenen een lange legende, door Walter

E. Roth uit een Arowakken-mond opgeteekend, waarin de avonturen verteld

worden gedurende een lange reis, in oude tijden gedaan, om steenen

bijlen* op te zoeken. Een migratie-legende in den waren zin is deze

niet, want de reizigers keeren weder naar hunne woonplaatsen terug.

Ter toelichting der bedoelde migratie-legende der Creek-Indianen diene,

dat, toen zij in het jaar 1735, waarin deze staat nog aan Engeland

behoorde, te Savannah in Georgia, in tegenwoordigheid van den

Gouverneur Oglethorpe, was uitgesproken, de verteller Tchikilli, Keizer

van de Boven- en Beneden Creek-Indianen, haar, geschreven op een

Bisonhuid, aan den Engelschen vertegenwoordiger overhandigd heeft, en

het merkwaardige document nog in hetzelfde jaar met de Engelsche

vertaling naar Engeland werd verzonden. De toegevoegde huid werd in een

lijst in het toenmalige „Georgia Office” te Londen opgehangen. Het

eenige wat, in verband met het geschenk, op verzoek van den bekenden

schrijver over Indianen, Dr. D. G. Brinton [21], later teruggevonden

werd, was een brief, die door genoemden Tchikilli in Maart 1734

geschreven was en gedeponeerd werd in „The Public Record Office” te

Londen.

Een vertaling in het Duitsch van de Legende was echter onder een aantal

verhandelingen over koloniale aangelegenheden tusschen 1735 en 1741

opgenomen, en onder den titel „Ausfuerliche Nachricht von den

Saltzburgischen Emigranten, die sich in America niedergelassen haben

enz.” Halle 1735, blz. 869–876, gepubliceerd. De legende vindt men in

het eerste deel in Hernn Philipp Georg Friedrichs von Reck’s „Diarium

von Seiner Reise nach Georgien im Jahr 1735.” Deze von Reck was de

leider van een aantal protestantsche emigranten, die wegens

godsdienstvervolging uit Salzburg uitgeweken waren. Wij geven deze

bijzonderheden, teneinde sommige der hiaten te verklaren, die den lezer

wellicht in de legende zullen opvallen, en ongetwijfeld te wijten zijn

aan de vertaling van het Engelsch in het Duitsch, en daarna weder van

het Duitsch in het Engelsch. Ik volgde streng den Engelschen tekst in

het werk van Gatschet.

In alle migratie-legenden der Maskoki-Indianen wordt, hetgeen de

aandacht verdient, vertelt, dat de verhuizingen steeds oostwaarts

gericht waren. [22] Van deze Zonaanbidders was het te begrijpen, dat

hunne Hoofden het volk steeds den raad gaven, daarheen te trekken, waar

hun weldoener en beschermer—de Zon—zich uit het aardrijk verheft, dus

naar het Oosten, hoewel bij zulke verhuizingen het opsporen van

streken, waar men rijkdom aan eetbare gewassen, goede jachtterreinen en

vischwateren hoopte te vinden, wel altijd op den voorgrond zal hebben

gestaan.

Aan den arbeid der Penards hebben wij de kennis van een aantal

historische legenden te danken, die, hoewel zij wegens de invloeden der

blanke overheerschers, die er zoo duidelijk in naar voren komen, uit

een wetenschappelijk oogpunt van minder belang zijn, toch in dezen

bundel niet mogen ontbreken.

In de „Legende van Letterhoutstomp” (No. 38), die den schrijvers door

een ouden Caraïb van de Boven-Marowijne werd verteld, wordt de

herinnering nog levendig gehouden aan een der eerste nederzettingen van

Europeanen in Suriname, nl. aan de Fransche Kolonisten, die er tusschen

1640 en 1650 hebben verblijf gehouden en die vooral door de herhaalde

invallen der Indianen genoodzaakt zijn geweest, het land weêr te

verlaten.

De als hoofd der volkplanting aangestelde Poncet de Bretigny, die den

oorlog verklaard had aan alle Indianen, moet een zeer gevreesde

wreedaard geweest zijn. Hij bewapende zelf een vaartuig en daarin trok

hij tegen hen ten strijde, maar de aanvallers werden met een hagelbui

van pijlen ontvangen en tot den laatsten man doodgeschoten. De

overwinnende Caraïben bemachtigden de lijken, deden ze op een licht

vuur braden en maakten er een verschrikkelijk maal mede.

Verwonderen kan het ons niet, dat van de eerste aanraking der Indianen

af aan met menschen van zóó geheel ander voorkomen, van zóó geheel

verschillenden aard en levensbeschouwing als zij, allerlei zonderlinge

verhalen aangaande de vreemde indringers onder hen de ronde gingen

doen, noch minder, dat ook deze verhalen van geslacht op geslacht

werden overgeleverd en tot op den huidigen dag bewaard zijn gebleven.

Voor hem, die zich eenig denkbeeld wil vormen van het psychologisch

proces, dat bij dit dichterlijk en wijsgeerig aangelegd, moreel

hoogstaand volk zich door deze aanraking ging voltrekken, mogen

bedoelde legenden zeker van niet minder belang geacht worden, dan het

grootste deel van dezen bundel mythen, sagen en legenden, die ons in de

oorspronkelijke denkwijzen van het zoo lang buiten iedere vreemde

aanraking gebleven Roode ras een blik kan leeren slaan.

De Legende van Armoribo en Jorobodie (No. 39), waarin van den strijd

der Arowakken met de eerste blanken verteld wordt [23], is niet alleen

in verband met de voorafgaande regels onze aandacht waard, doch ook

wegens eenige gewoonten en opvattingen, die wij er in aantreffen en die

tot illustratie kunnen dienen van de voorgaande beschouwingen.

Na deze legende, die wij aan den katholieken missionaris, Pater C. van

Coll te danken hebben, nemen wij uit den arbeid der gebroeders Penard

een tweetal legenden over, omdat deze verhalen, naar onze meening, de

uiting zijn van het besef der diepe klove, die de Indianen ten opzichte

hunner levensbeschouwingen en denkbeelden met die der van verre komende

blanken steeds meer moesten gaan gevoelen. Zulks moet vooral het geval

geweest zijn bij hunne aanraking met zendelingen, die hun een geloof

trachtten op te dringen, dat zóó ver buiten hun gedachtensfeer ligt en

dat deze zoo streng aan hun overtuiging en aan de met hun geloof in

verband staande voorschriften zich houdende menschen in hooge mate

moest krenken.

In dit licht beschouwd, zijn de „Legende van de uitdrijving van een

priester uit den Indiaanschen hemel” (No. 40) en de „Legende van de

uitdrijving van Indianen uit den Hemel der Paters” (No. 41) de aandacht

waard, niet het minst, omdat de „beschaafde blanken”, die zich zoo

gaarne tegenover de zoogenaamde „wilde volken” stellen, uit den mond

van den Indiaan er in moeten vernemen, hoe hij daarover denkt, en wat

hij naar zijn meening aan de Blanken dankt.

Stemt het niet tot nadenken, dat de meermalen genoemde missionaris

Pater van Coll, die meer dan 40 jaren onder de Indianen van Suriname

gearbeid heeft, moest verklaren: „Zij (de Indianen) zijn er verre van

af, zich tegenover ons als wilden te beschouwen. Daarvoor ligt de

zwakke zijde van den Europeaan te bloot en te open voor hen.”

In dit verband verwijzen wij den belangstellenden lezer nogmaals naar

het belangrijke artikel van den Nederlandschen kenner der Indianen, Dr.

ten Kate in de Gids van 1919, getiteld: de Indiaan in de Letterkunde,

waarin hij o.a. de aangehaalde Brieven (Love Letters) van mrs. Ryan

(zie onder „dichters” in het verklarend register) „als een ernstige

waarschuwing” beschouwt „aan het adres van fanatieke ijveraars voor de

beschavingsidee, zooals er onder zendelingen en zendingsvrienden maar

al te veel voorkomen.”

Treffend zijn deze beide legenden vooral hierom, omdat de Indianen zich

er als de slachtoffers in beschouwen van de zonden der blanken; want de

drank, die deze hun gebracht hebben, en waarop zij zoo verzot zijn

geworden, is zooveel sterker dan de paiwarri, die zij door gisting van

Cassave bereiden.

In de „Legende van Paramaribo” die wij onder No. 43 aan de Penards

ontleenen, komt eveneens de ellende tot uiting, die de Blanken den

Indianen hebben toegebracht door hen met jenever en brandewijn te doen

kennis maken. Het schoone Indiaansche voorschrift, nimmer het eenmaal

gegeven woord te verbreken, heeft hen, zooals wij er mede uit leeren,

in het ongeluk gebracht. Ook deze ondervinding der Indianen is de

aandacht waard, omdat, gelijk ik reeds opmerkte, een Indiaan zich nog

steeds aan zijn gegeven woord houdt, terwijl men het in het

„beschaafde” land der blanken, vooral in de tegenwoordige periode, in

dit opzicht zoo nauw niet neemt.

Het zwerversleven, dat de Indianen van oudsher geleid hebben [24] en

dat, zooals reeds betoogd, eensdeels een gevolg is van het leven van de

opbrengst der jacht en visscherij, en van den roofbouw op onbemest

land, anderdeels te verklaren is uit het bijgeloof, dat hen dikwijls

noodzaakt een plaats des onheils te verlaten, vinden wij in tal van

legenden neêrgelegd.

De lange, in het duister gehulde geschiedenis der Indianen was eene van

herhaalde onderlinge oorlogen, die met de komst der blanken nog lang

bleven voortduren. Er waren stammen, die voortdurend tegen elkaar ten

strijde trokken; maar er waren ook stammen, die steeds bevriend met

elkander bleven. In No. 42 wordt van een bezoek aan een veraf wonenden,

bevrienden stam verteld.

In de vele legenden, die onder de Benedenlandsche Indianen van Guyana

de ronde doen en die doelen op geschiedkundige gebeurtenissen, sedert

de blanken hunne woonstreken zijn binnengedrongen, worden wij ook

herinnerd aan de tochten, die de nieuwe bezitters van het land tegen de

weggeloopen negerslaven, de z.g. Marrons ondernamen, waarbij de

laatsten niet zelden door de Indianen geholpen werden. Hierop doelt „De

Legende van Post Sommelsdijk” (No. 44) die wij aan de Gebroeders Penard

ontleenen.

De verbinding dezer legende aan Post Sommelsdijk is duidelijk. Onder

het Bestuur van den Gouverneur Cornelis van Aerssen van Sommelsdijk,

die van 1684–1688 de Kolonie Suriname bestuurde, en na het vertrek der

Engelsche Kolonisten den grondslag legde van haren lateren bloei en

welvaart, werd het Fort Sommelsdijk aan de samenvloeiing van de

Commewijne en de Cottica aangelegd, en werd een einde gemaakt aan de

herhaalde invallen der Indianen, die hij in 1684 tot den vrede dwong.

Meer dan eens, zegt J. R. Thomson, in zijn Overzicht der Geschiedenis

van Suriname, trok hij aan het hoofd van een geringe krijgsmacht tegen

de vijandige Indianen op. Op zijn tweeden tocht ging hij met drie

vaartuigen over zee naar de Coppename en drong hij het binnenland in,

waarbij vele Indianen gedood of gevangen werden genomen en ettelijke

dorpen in de asch werden gelegd.

Reeds vóór zijn komst, onder het Engelsche Bestuur, waren vele slaven

wegens de mishandelingen, die zij van hun blanke meesters hadden te

verduren, naar de bosschen gevlucht. Van Sommelsdijk sloot in genoemd

jaar ook met de Boschnegers van de Coppename vrede.

Ook aan de voortdurende oorlogen, die verschillende Indianenstammen,

ook in het gebied van Guyana, hebben gevoerd, kwam langzamerhand een

einde. Vooral waren het de strijdlustige Caraïben, die de meer

vreedzame Arowakken voortdurend beoorloogd hebben. Toch kwam het wel

eens voor, dat, wanneer gemeenschappelijke belangen in het spel waren,

beide stammen zich vereenigden, om gezamenlijk ten strijde te trekken.

Het besluit tot zulk een gemeenschappelijken strijd woonde o.a. een der

eerste missionarissen der Moravische Broedergemeente

(Herrnhuttergemeente) bij, die in April 1745 aan de Corantijn kwam. Er

werd toen door de Caraïben en Arowakken aldaar een groote raad

inhouden, waarbij de voornaamste hoofdmannen (kapiteins) tegenwoordig

waren en waarop besloten werd, tegen de Spaansche Indianen van het

Orinoco-gebied op te trekken. In 18–20 vaartuigen voeren zij naar de

Orinoco en zij brachten 14 dagen op het water en 8 dagen op het land

door. Eindelijk bereikten zij de vijandelijke kampen. Aanvankelijk

gedroegen zij zich als vrienden, hun allerlei ruilmiddelen aanbiedend,

maar plotseling overvielen zij hen, doodden zij de mannen en namen zij

de vrouwen en kinderen als gevangenen mede. Iedere overwinnaar nam een

verslagen vijand, sneedt hem het vleesch af, dat in het eerstvolgende

nachtkwartier geroosterd en opgegeten werd.

Deze geschiedkundige herinnering uit deugdelijken bron doet ons veel

denken aan de Legende van Mapajawari of de Uitroeiing der

Menscheneters, die wij onder No. 47 van dezen bundel opnemen.

Ook aan de Indiaansche broederoorlogen, die zooveel tot den

achteruitgang der Indianenbevolking hebben bijgedragen, kwam een einde.

In „Einde van den Indiaanschen broederoorlog” (No. 45) wordt van het

laatste dezer gevechten verteld.

Uit de geschiedenis der Zuid-Amerikaansche Indianen zijn evenals uit

die der Noord-Amerikaansche oorspronkelijke bevolking ook voorbeelden

bekend van de algeheele verdelging van stammen, die eertijds een

belangrijke rol hebben gespeeld. Hier mag o.a. herinnerd worden aan de

dappere Aturiërs door menschen-etende Caraïben, waarvan, naar de groote

natuuronderzoeker Alexander von Humboldt ons in zijn meesterwerk

„Ansichten der Natur” heeft medegedeeld, nog destijds onder de

Guareca-Indianen de overlevering gewaagde.

Onder het vermaarde rotsgewelf van Aturuipe, aan den rechteroever van

de Boven-Orinoco, ontdekte de onderzoekingsreiziger in het begin der

vorige eeuw het graf van den verdelgden volksstam. Ongeveer 600 goed

bewaarde geraamten werden in even zoovele korven, zg. mapires,

gevlochten uit de stelen van palmbladen van verschillende grootten, al

naar den leeftijd der dooden, bewaard gevonden. Volgens de bedoelde

overlevering moeten de Aturiërs, door de Caraïben in het nauw gebracht,

zich op de klippen der hier door den stroom gevormde watervallen gered

hebben en in dit treurig toevluchtsoord ten onder zijn gegaan. Volgens

Von Humboldt moet de laatste familie der Aturiërs eerst laat zijn

uitgestorven, want te Maypures leefde in Humboldts tijd nog een oude

papegaai, van welke de inboorlingen beweerden, dat zij hem daardoor

niet verstaan konden, omdat hij de taal der Aturiërs sprak. Von

Humboldts vriend, de bekende geschiedvorscher Prof. Ernst Curtius,

heeft op dezen papegaai een treffend gedicht vervaardigd, dat ik hier

in de Nederlandsche vertaling van Dr. E. M. Beima, die van bedoeld werk

een Nederlandsche uitgave bezorgde, [25] in zijn geheel overneem. De

trochaeus, de versvoet met de lange en korte syllabe, die voor

gedichten van plechtigen inhoud wordt gebezigd, heeft de vertaler van

den dichter overgenomen.

In de verre en woeste streken

Van den Orinoco-stroom,

Zit een papegaai te treuren,

Als versteend, zoo koud en loom

Schuimend breekt door steile klippen,

Ginds en her de breede vloed,

Langs den palm, die in hem spieglend,

Tiert in heldren zonnegloed.

Vruchtloos spilt op ’t rotsgevaarte

Eeuwenlang de golf haar kracht:

In de uiteengespatte waat’ren

Speelt des lichtstraals kleurenpracht.

Onder, waar de golven woeden,

Ligt een volk in eeuwge rust;

Uit zijn bakermat verdreven,

Zoekt het toevlugt aan deez’ kust [26].

Vrank en vrij, gelijk hij leefde

Zonk de Alurenstam in ’t niet;

’t Laatste spoor zijns droeven aanzijns

Dekt nu ’t groenend oeverriet.

’t Laatste?—Neen, van ’t berggevaarte

Schalt de Papegaai zijn kreet;

Aan de rots zijn snavel wettend,

Klaagt hij der Arturen leed.

Ook de knapen, die hem leerden

Klanken van hun moedertaal,

En de vrouwen, die hem voedden,

’t Nest hem bouwden—allemaal

Liggen dood en wreed verslagen,

Langs den oever uitgestrekt;

En de noodkreet van den vogel

Heeft geen hunner nog gewekt.

Eenzaam roept hij, in den vreemde,

Dan zijn woord wordt niet verstaan;

Hij hoort slechts de golven [27] ruischen

Zijner trekt zich niemand aan.

En de wilde rept de riemen,

Wendt zijn vaartuig, schuwt de baai,

Ziet hij huivrend, angstig bevend

Den Aturen-Papegaai.

Hetzij dat deze overlevering op waarheid berust, of uit het

dichterlijke brein der Indianen is voortgesproten, zooveel is zeker,

dat deze papegaai ons op treffende wijze het sterven van de geslachten

der menschen symboliseert. Dat zulks ook het lot is van een der meest

sympathieke volken der aarde—de Indianen—zal wel in de allereerste

plaats door hen betreurd worden, die de herinnering hebben behouden aan

een verblijf in hun midden, dat hun de hoogst denkbare levenswijsheid

heeft vermogen te schenken.

Mogen ook zij, die dit voorrecht niet gekend hebben, zich bij dit

oordeel hartgrondig aansluiten, wanneer hun geest zich in dezen bundel

gelaafd zal hebben aan het vele schoone, dat de Indianen-ziel siert, en

waarvan hunne mondelinge overleveringen zoo herhaaldelijk getuigenis

afleggen; en mogen de voorbeelden, die ik uit de rijke litteratuur over

den Indiaan voor deze Mythen- en Legenden-serie heb gekozen, ook den

lezers iets van de groote bekoring hebben laten gevoelen, die niet

alleen van het leven en de moraal van den Indiaan, maar ook van de

machtige natuur der maagdelijke wouden, te midden waarvan de

Zuid-Amerikaansche stammen nog leven, in zoo hooge mate uitgaat!

Mythen en sagen uit West-Indië · 第 13 / 174 题