aanbidding, godsdienst, eeredienst, titel (vooral van
magistraatspersonen); Worship verb. aanbidden, vol eerbied behandelen,
vereeren, hoogachten, zich toewijden: Yes, your Worship = ja,
edelachtbare; Worshipful = grootachtbaar (titel): Worshipful Master;
subst. Worshipfulness; Worshipper = aanbidder: Worshipper of idols =
afgodendienaar.
Worst, wɐ̂st, subst. en adj. slechtst(e), ergst(e), minst(e),
snoodst(e); Worst verb. verslaan, overwinnen: At the worst = op zijn
minst, in ’t ergste geval; In the event of the worst = If the worst
comes to the worst = als het op het ergst loopt; The worst of the thing
was = het ergste van de zaak was; Let him do his worst = het ergste
doen wat hij kan; He had (got) the worst of it = hij verloor het, trok
aan het kortste eind; Why should you suppose the worst? = het ergste
onderstellen; They were worsted in the battle = zij werden in den
strijd totaal verslagen.
Worsted, wustid, subst. en adj. (van) sajet: A ball of worsted = een
kluwen sajet.
Wort, wɐ̂t, kruid (in samenstellingen).
Worth, wɐ̂th, worden of zijn (alléén) in: “Woe worth” met volgenden
datief: Woe worth the chase, woe worth the day, That costs thy life, my
gallant grey = wee de jacht en wee den dag.
Worth, wɐ̂th, subst. waarde, waardij, verdienste, uitstekendheid; adj.
waard: To be worth = gelden, waard zijn; What’s that man worth? =
hoeveel bezit die man; Take all I’m worth = neem alles wat ik bezit; It
is hardly worth looking at = haast geen aankijken waard; It is as much
as my place is worth to let him see it = het zou me mijn betrekking
kunnen kosten, als hij het zag; He gave the last shilling he was worth
= dien hij bezat; He liked to think that he was worth his salt = dat
hij den kost waard was; You are not worth a two-penny rope = je bent
het ophangen niet waard; He danced for all he was worth = zooveel en
zoo goed hij kon; Worthiness, wɐ̂dhinəs, waardigheid, deugd,
uitstekendheid; Worthless = waardeloos, verachtelijk; subst.
Worthlessness; Worthy, wɐ̂dhi, subst. held, beroemdheid, persoon; adj.
waardig, edel, verdienstelijk: The Nine Worthies = de negen helden der
Oudheid (Hector, Alexander, Julius Caesar, Jozua, David, Judas
Maccabaeus, Arthur, Karel de Groote, Godfried v. Bouillon); I am worthy
to be scorned = verdien veracht te worden; This work is not worthy of
your talents = is uwe talenten en gaven onwaardig; The labourer is
worthy of his hire = zijn loon waard.
Would, wud, imperf. van will: Would to God = God gave; He would often
go there = placht te gaan; Would you have me go there? = woudt ge, dat
ik daarheen ging? What would you have me do? = wat woudt ge (dan) dat
ik deed; I would have you know = ik moet je zeggen; Would-be, subst.
bluffer; adj. zoogenaamd: A would-be friend = valsche, zoogenaamde
vriend; A would-be sportsman = Zondagsjager.
Wound, wûnd, subst. wonde, smart; Wound verb. wonden, kwetsen: To give
(inflict) a wound = eene wonde toebrengen; To wound to death; To wound
to the quick = pijnlijk verwonden of grieven; Wound-fever; Wound-wort =
andoorn.
Wound, waund, imp. en p.p. van to wind.
Wove, wouv, Woven, wouv’n, imperf. en p.p. van to weave: Wove(n) paper
= velijnpapier.
Wow-wow, wauwau, woef (= hond in de kindertaal); langarmige apensoort
(Sumatra).
Wrack, rak, zeewier; wrak; lichte, dunne wolk (Zie Rack): Let the world
go to wrack = ten onder gaan.
Wrain-bolt, reinboult; Zie Wring-bolt.
Wraith, reith, geest(verschijning) van iemand vóór zijn dood of even na
zijn dood, schim, spook: His friendship for me was henceforth a hollow
wraith = niets dan eene schim, eene holle klank.
Wrangle, raŋg’l, subst. gekijf, ruzie; Wrangle verb. kijven, rumoerig
twisten: The birds were wrangling for the seed = vochten om; Wrangler =
twister, ruziemaker; aan de universiteit te Cambridge een van hen, die
in het Honours examen voor B.A. in de wiskunde hooge punten hebben
behaald; de beste heette Senior Wrangler (afgeschaft in 1909);
Wranglership; Wrangling = twist, ruzie.
Wrap, rap, subst. omhulsel, overtrek, omslagdoek, sjaal, mantel,
morgenjapon; Wrap verb. samenwikkelen, bedekken, inwikkelen, oprollen,
hullen, opgaan in: The world was wrapped in silence, darkness = in
stilte duisternis gehuld; I don’t understand why you are so wrapped up
in your country = hoe gij zoo geheel in uw land opgaat, er zoo mee zijt
ingenomen; Wrappage = omhulsel; Wrapper = emballage, sjaal,
morgenjapon, doek, dekblad, kruisband: Sumatra wrappers = sigaren met
S. dekblad; Wrapping-paper = pakpapier; Wrapt = P. Imp. en P.P. v. To
wrap.
Wrasse, ras, lipvisch.
Wrath, rôth, râth, woede, gramschap; Wrathful = vol toorn en gramschap;
subst. Wrathfulness; Wrathy = toornig, gramstorig.
Wreak, rîk, subst. wraak, woede; Wreak verb. wreken, koelen: To wreak
one’s anger (rage) upon = zijn toorn (woede) koelen aan; I’ll wreak my
vengeance on you = zal mijne wraak aan u koelen.
Wreath, rîth, krans, ring, winding, kring: Wreaths of smoke; Wreath(e),
ridh, omkransen, bekransen, kronkelen, strengelen; Wreathy, rîthi,
gewonden, etc.
Wreck, rek, subst. wrak, wrakhout, vergaan, verval, ondergang,
vernietiging; Wreck verb. vernietigen, te gronde richten, stranden,
schipbreuk (doen) lijden, te gronde gaan: Wrecks = overblijfselen,
wrakhout: Receiver of wrecks = strandvonder; Everything went to wreck
and ruin = ging te gronde; The ship was wrecked off Kijkduin = verging;
To wreck a train = een spoorwegongeluk veroorzaken; The rebels wrecked
the bakers’ shops = vernielden en plunderden; Wreck-commissioner =
strandvonder (Amer.); Wreck-free = niet onderworpen aan het
strandrecht, zooals b.v. de Cinque Ports; Wreck-master = strandvonder
(Engl.); Wreckage, rekidž, schipbreuk, wrakhout, overblijfselen;
Wrecker = stranddief, strandjutter, strandwacht, bergingsschip;
Wrecking-car = spoorwagen met materiaal om na een spoorwegongeluk den
weg vrij te maken (Amer.).
Wren, ren, tuinkoning: A wren in the hand is better than a crane to be
caught = één vogel in de hand is beter dan tien in de lucht; Wrenning =
jacht op wrens; de 26e Dec. heet in ’t Z. van Ierland wrenning-day,
omdat oudtijds de wrens op dien dag gevangen, en in triomf van huis tot
huis gedragen werden om geld voor een pretje op te halen; de deelnemers
aan de jacht heetten wren-boys.
Wrench, renš, subst. ruk, verdraaiing, draaiing, verstuiking,
schroefsleutel; Wrench verb. draaien, wringen, verdraaien, verrekken,
verstuiken: It was a hard (shocking) wrench to part with her = het was
een zeer hard gelag; Students have a fancy for wrenching off knockers =
mogen graag kloppers (bellen) “moeren”; To wrench open = openbreken.
Wrest, rest, subst. draaiing, winding, list, verrekking; stemhamer;
Wrest verb. verdraaien, verwringen, ontrukken.
Wrestle, res’l, subst. worsteling, worstelwedstrijd; Wrestle verb.
worstelen, strijden; Wrestler = worstelaar, athleet; Wrestling-place =
worstelplaats.
Wretch, retš, ellendeling, schelm: ongelukkige: Poor wretch = arme
stakker: That young Wretch of a girl = dat nest; Wretched, retšid,
ellendig, ongelukkig, betreurenswaardig, armzalig; subst. Wretchedness.
Wrexham, reks’m.
Wriggle, rig’l, subst. wriemelende beweging, draaiing; Wriggle verb.
wriemelen, zich kronkelend bewegen, draaien, wrikken (v. een boot): To
wriggle oneself into a person’s favour = zich vleierig indringen;
Wriggler = draaier, knoeier.
Wright, rait, bijna alléén in samenstellingen, als Cartwright =
wagenmaker; Shipwright = scheepstimmerman.
Wring, riŋ, wringen, draaien, persen, afpersen, uitknijpen, omdraaien,
buigen, martelen, pijnigen: He wrung the confession from me = perste
mij de bekentenis af; To wring out clothes; These shrieks wring my
heart = knijpen mij het hart toe; We listened with wrung hearts;
Wring-bolt = ringbout; Wringer = wringmachine; Wringing: Wringings of
conscience = gewetenswroeging; Wringing of the guts = krampen (plat);
Wringing-machine = wringmachine; Wringing-wet = zóó nat dat men het kan
wringen.
Wrinkle, riŋk’l, subst. rimpel, plooi, vouw, oneffenheid, gelukkige
gedachte of inval, wenk; Wrinkle verb. rimpelen, plooien, vouwen;
liegen, opsnijden: I’ll put you up to a wrinkle (or two) = ik zal je
eens op de hoogte brengen; Shopping wrinkles = kneepjes bij ’t koopen
in acht te nemen; He wrinkled up his face, nose; Wrinkled = Wrinkly.
Wriothesley, rot(ə)sli.
Wrist, rist, handgewricht; Wristband = vaste manchet, boord van de
(over)hemdsmouw; Wrist-drop = verlamming der hand; Wristlet = soort
polsmof, armband, handboei.
Writ, rit, geschrift, bevelschrift, oproeping, dagvaarding, aanklacht:
Holy Writ = de H. Schrift; Writs were issued = bevelschriften werden
uitgevaardigd; A writ was served upon him = er werd hem eene
dagvaarding beteekend.
Write, rait, schrijven, beschrijven, zich schrijven (teekenen): I have
written him word = hem geschreven, schriftelijk kennis gegeven; Will
you write this fair? = dit in ’t net schrijven; They wrote down what I
dictated = zij schreven op; She writes down too much in her books for
children = zij schrijft al te kinderachtig; The critic’s objections
were written down = werden afdoende weerlegd; The debt was written off
= werd doorgehaald, afgeschreven; The ship was written off as wrecked =
als vergaan van de lijst gevoerd; Will you write it out? = het
copieeren; He has written himself out = zijn schrijversvermogen
uitgeput; To write up = bijschrijven, bijhouden: The novel was written
up = werd gunstig gerecenseerd, in de hoogte gestoken (afgemaakt) door
de critiek; He has written to say that = heeft geschreven, dat; Writer
= schrijver, klerk: Writer’s cramp = schrijfkramp; Writer to the Signet
= een Schotsch solicitor; Writership = schrijversambt.
Writhe, raidh, verwringen, verdraaien, ineenkrimpen: He writhed his
features as in pain = verwrong zijne gelaatstrekken.
Writing, raitiŋ, geschrift, handschrift, tekst, oorkonde: To commit
one’s thoughts to writing = op schrift brengen = To draw up (put down,
take down in) writing = op schrift zetten; In his own writing =
eigenhandig geschreven; Writing-book = schrijfboek; Writing-case = map;
Writing-desk = schrijflessenaar, schrijf map; Writing-master =
schrijfmeester; Writing-pad = sous-main; Writing-paper = schrijfpapier;
Writing-part = schriftelijk gedeelte van een examen; Writing-school =
schrijfschool; Writing-table = schrijftafel; Written = geschreven: It
is written = er staat geschreven (in de H. Schrift); Written
examination; Written Law = geschreven wet = Statute Law.
Wrong, roŋ, subst. onrecht, onrechtmatige daad, overtreding,
beleediging, nadeel, misvatting; adj. verkeerd, onbillijk,
onrechtmatig; Wrong verb. verongelijken, onrecht aandoen, krenken,
beleedigen: Private (public) wrong = onrecht een persoon (de
maatschappij) aangedaan, inbreuk op de rechten van een persoon (v. de
maatschappij); To be wrong = verkeerd zijn, ongelijk hebben; That is
altogether (decidedly) wrong = heelemaal (bepaald) verkeerd; There is
something wrong somewhere = er is ergens iets niet in den haak; To do a
person wrong = To do wrong to a person = verongelijken, onrecht doen;
He has done wrong = verkeerd gedaan, slecht gehandeld; He has had wrong
= is verongelijkt; To get to wrongs = in de war raken; To get on (to)
the wrong tack = op het verkeerde spoor; To go wrong = verkeerd gaan,
den verkeerden weg opgaan; My watch goes wrong = loopt niet goed; To go
the wrong way = in ’t verkeerde keelgat komen; To rub the wrong way =
boos maken, prikkelen; To swallow a crumb the wrong way = in ’t
verkeerde keelgat krijgen; To get hold of the wrong end of the stick =
iets bij het verkeerde eind hebben; He got out of bed the wrong foot
(leg) foremost = hij is met het verkeerde been uit het bed gestapt; I
am on the wrong side of sixty = over de zestig; The wrong side
uppermost (outward) = den verkeerden kant boven (buiten), ondersteboven
(binnenstebuiten); He wronged her by two years = dacht ten onrechte dat
ze twee jaar ouder was; He never wronged me of a penny = heeft mij
nooit een cent te kort gedaan; Wrong-doer = overtreder; Wrong-doing =
onrecht, overtreding; Wrong-headed = verkeerd, eigenzinnig; subst.
Wrong-headedness; Wronger = verongelijker; Wrongful = onbillijk,
benadeelend, verkeerd; subst. Wrongfulness; Wrongly = verkeerdelijk,
onrechtmatig; Wrongous = onwettig (Schotl.).
Wrote, rout, imperf. van to write.
Wroth, rôth, roth, verbitterd, toornig.
Wrought, rôt, gewrocht, bewerkt, gevormd, gesmeed, geslagen: He was
wrought on by his relations = werd bewerkt door zijne familie; Wrought
up to great fury = tot groote woede gebracht; Wrought upon = bewerkt
(fig.); High-wrought expectations = hooggespannen verwachtingen;
Wrought-iron = gesmeed ijzer, staafijzer.
Wroxeter, roksitə.
Wrung, rɐŋ, imp. en p.p. van to wring; Wrung heads = kim (scheepst.).
Wry, rai, scheef, verdraaid, verkeerd: To make a wry face = een leelijk
gezicht trekken; To make wry faces = gezichten trekken; Wry-neck =
scheeve nek (hals); draaihals (vogel); Wryness = scheefheid,
verdraaidheid.
Wunner, wɐnə, kranige vent = Oner.
Wuther, wɐdhə, huilen, bulderen: Wuthering heights = onherbergzame
hoogten.
Wyandotte, waiəndot, waiəndot.
Wyat(t), waiət.
Wych-elm, witšelm = bergiep; Wych-hazel (Z. Witch).
Wycherley, witšəli; Wyclif(fe), wiklif; Wyclif(f)ite, wiklifait,
volgeling van W. (1324–1384); Wycombe, wikəm; Wye, wai; Wykeham, wikəm;
Wykehamist, wikəmist, naam van de leerlingen van Winchester College,
door Wykeham, Bisschop van Winchester, te Oxford gesticht; Wyndham,
wind’m; Wyoming, waioumiŋ.
Wyvern, waiv’n, gevleugelde draak (Herald.).
X.
X, eks; X. = Christ; Xm., Xmas = Christmas; Xn. = Christian; Xnty. =
Christianity; Xpher, Xr. = Christopher; Xt = Christ; Xtian = Christian;
X-legged = met x-beenen; X-rays = x-stralen.
Xanthian, zanthiən, van Xanthus: Xanthian-marbles = marmeren
beeldhouwwerken nabij Xanthus, zanthəs, in 1838 ontdekt (thans in het
British Museum).
Xanthic, zanthik: Xanthic acid; Xanthin, zanth(a)in, zanthin, xanthine.
Xanthippe, zanthipî.
Xanthium, zanthiəm, stekelnoot.
Xanthophyl(l), zanthəfil, bladgeel.
Xanthous, zanthəs, geel; Xanthoxylum, geelhout.
Xebec, zîbek, kleine driemaster (Middell. Zee).
Xenophon, zenəfon.
Xeres, zerəs, zerîz, soort v. wijn.
Xerophagy, zirofədži, dieet van droge spijzen.
Xerxes, zɐ̂ksîz.
Xiphias, zifias, zwaardvisch, zuidelijk sterrenbeeld, zwaardvormige
komeet; Xiphoid, z(a)ifôid, zwaardvormig.
Xylograph, zailəgraf, houtsnede; Xylographer, zailogrəfə, houtgraveur;
adj. Xylographic(al), zailəgrafik(’l); Xylography, zailogrəfi,
houtsnijkunst.
Xylonite, zailənait, een soort kunstivoor.
Xylophagan, zailofəg’n, houtkever.
Xylophone, zailəfoun, houten blaasinstrument.
Xyst(os), zist(os), lange overdekte zuilengang voor athletische spelen.
Xystarch, zistâk, leider der athletische oefeningen.
Y.
Y, oeai; Y(ear); Y(ar)d; Y(ar)ds; Ye = The of Thee; Y(oung) M(en’s)
C(hristian) A(ssociation) = Christelijke Jongelingsvereeniging; Yr. =
Year, Younger, Your; Ys. = Years, Yours; Y(oung) W(omen’s) C(hristian)
A(ssociation) = Christelijke Jonge-dochtersvereeniging; Y-level =
waterpas; Y-moth = gamma-uil (insect).
Yacca, jakə, podocarpus, kostbare houtsoort (W.-Indië).
Yacht, jot, subst. jacht; Yacht verb. met een jacht zeilen; Yachter;
Yachting = het varen met een jacht, hardzeilen; Yacht(s)man = bezitter
van (zeiler met) een jacht; Yacht(s)manship = de kunst een jacht te
besturen; Yachtswoman.
Yah, jâ, interj. Och kom! Bah!
Yahoo, jahû, naam door Swift (in Gulliver’s Travels) aan een aapachtig
menschenras gegeven; ruwe kerel, gemeen sujet; groen of sukkel (Amer.).
Yahveh, jawei, Jehova.
Yak, jak, buffel met paardestaart (Thibet).
Yaksha, jakšə, Hindoesche halfgod.
Yakut, jakût; Yale, jeil: Yale University (te New Haven).
Yam, jam, yamwortel, broodwortel, broodplant.
Yangtze-Kiang, jaŋtsə-kiaŋ.
Yank, jaŋk, subst. ruk, draai, stoot; Yank verb. rukken, gappen,
snateren, ratelen.
Yank(ee), jaŋk(î), subst. Amerikaan; glas whiskey met stroop (Amer.);
ook adj. Yank-clock = koekoeksklok; Yankee-doodle = Amerikaansch
volkslied; Yankeefied, jaŋkifaid, veramerikaanscht; Yankeeism = idioom
of gewoonte der Yankees.
Yap, jap, subst. geblaf, gekef; Yap verb. keffen.
Yard, jɐ̂d, subst. Engelsche en Amer. lengtestandaard (3 feet of 36
inches = ± 91,44 cM.); ra, plaats, rangeerterrein, erf; werf (=
Ship-building yard); Yard verb. vee op het erf opsluiten: Government
yard; Private yard; Naval yard; He writes by the yard = is een
veelschrijver; Yard-arm = nok der ra; Yard-arm and yard-arm = nok aan
nok; Yard-man = spoorwegarbeider; Yard-measure, Yard-stick, Yard-wand =
(Engelsche-)ellestok of ellemaat; Yard-tackle = noktakel.
Yarkand, jâkand; Yarmouth, jârməth.
Yarn, jân, subst. garen, draad; matrozenverhaal, lang (ongelooflijk)
verhaal; Yarn verb. een (langdradig) verhaal vertellen: Shall I (pitch)
spin you a yarn? = zal ik jullie een verhaal vertellen?
Yarrow, jarou, gemeen duizendblad.
Yataghan, jatəgan, kromme Turksche dolk.
Yates, jeits; Yaughan, jôn.
Yaup, jôp = Yelp.
Yaw, jô, subst. het gieren van een schip; Yaw verb. gieren; schuimen:
To make yaws = gieren.
Yawl, jôl, subst. jol; Yawl verb. Zie Yowl.
Yawn, jôn, subst. wijde opening, gaping; Yawn verb. gapen, geeuwen,
wijd openen: Yawning is catching = geeuwen is aanstekelijk.
Yaw-yaw, jôjô, geaffecteerd, lijmerig spreken.
Ycleped, Yclept, iklept, genaamd.
Ye, jî, gijlieden.
Yea, jei, jî, subst. vóórstemmer; adv. jazelfs, zeker, voorwaar: Yea
and more = ja zelfs; The yeas have it = de meerderheid is er voor.
Yeames, jeimz.
Yean, jîn, lammeren werpen; Yean kid = geitje, bokje; Yeanling, subst.
lam.
Year, jîə, jaar: Civil, Solar, Tropical year = het burgerlijk jaar of
het zonnejaar; The year of Grace = het jaar onzes Heeren = The year of
our Lord; New Year’s day = Nieuwjaarsdag: New Year’s Eve =
Oudejaarsavond(dag); Next year = aanstaande jaar; Last year = verleden
jaar; Year by year = jaar op jaar; In years = op jaren; Year in year
out; One year with another = het eene jaar door het andere; It may be
years first before that happens = daar kunnen nog jaren over verloopen;
You bear your years well = houdt u goed voor uw leeftijd; To come to
(the) years of discretion = tot (de) jaren des onderscheids komen; To
get into (grow in) years = op jaren komen; He has a good thirty years
before him = kan nog wel een dikke 30 jaar leven; Year-book = jaarboek;
Yearling, subst. dier van één jaar; adj. éénjarig; Yearly =
jaarlijks(ch), een jaar durend.
Yearn, jɐ̂n, vurig verlangen, reikhalzen; bedroeven, diep medelijden
voelen met (upon, towards, Bijb.).
Yeast, jîst, gist, schuim; Yeast-bitten = naar de gist smakend (v.
bier); Yeast-powder = zelfrijzend bakmeel; Yeastiness, subst. v. Yeasty
= gistend, schuimend, luchtig.
Yeat(e)s, jeits.
Yelk, jelk; Zie Yolk.
Yell, jel, subst. gil, krijgskreet; Yell verb. gillen, huilen.
Yellow, jelou, subst. het geel, geel van een ei; adj. geel, gouden,
ijverzuchtig, jaloersch; Yellow verb. geel maken of worden (Yellows =
geelzucht; ijverzucht): He has a yellow streak in him = hij is in zijn
hart een lafaard; Yellow bachelor’s buttons = scherpe boterbloem;
Yellow boy = goudstuk; Yellow earth = aardgeel, oker; He opened the
Yellow envelope = telegram; Yellow fever = gele koorts; Yellow Jack =
gele quarantainevlag; gele koorts; Yellow peril = het gele gevaar;
Yellow press = de Jingo bladen; Yellow River; Yellow Sea; Yellow-ammer
= geelgors, haverkneu (= Yellowhammer); Yellow-bird = wielewaal;
distelvink (Amer.); Yellow-golds = goudsbloem; Yellow-rocket =
barbarakruid; Yellow-seed = veld-kruidkers; Yellowstone National Park =
een in 1872 tot Nationaal Park bestemd gebied van 5500 □ Mijl in
Wyoming, Montana en Idaho; Yellowish = geelachtig; subst.
Yellowishness; Yellowness = geelheid; Yellowy = geelachtig.
Yelp, jelp, subst. gekef, geblaf; Yelp verb. keffen, blaffen; Yelper =
keffer.
Yen, jen, Japansche munt (± ƒ 1,25).
Yenisei, jenisei-î.
Yeoman, joum’n, vroegere eigengeërfde (een kleine grondbezitter,
volgend op de Gentry), thans ook huurboer, bootsmans-, kanonniers-,
timmermansmaat aan boord van een schip, bereden vrijwilliger: Yeoman’s
service = krachtige steun, goede dienst; He has done his party
yeoman-service; Yeoman of the wine-cellar = keldermeester; Yeomen of
the guard = lijfwacht der E. koningen in 16de eeuwsche uniformen, die
aan het hof en bij plechtige gelegenheden dienst doen; hun
hoofdkwartier is in den Tower of London; Yeomanry = alle Yeomen; ook
een bereden landmilitie (met eigen paarden en uniformen, terwijl het
gouvernement de wapens en de munitie verschaft; ze kunnen niet zonder
eigen toestemming buitenslands worden gezonden, doch wel opgeroepen
worden voor het dempen van oproer).
Yeovil, jouvil.
Yerk, jɐ̂k, subst. ruk, stoot, slag; Yerk verb. rukken, stooten,
aanhalen, slaan met beide achterpooten.
Yes, jes, ja.
Yest, jest, gist = Yeast.
Yester, jestə, gister of vorige (alléén nog in samenstellingen, als:
Yesterday; Yestereve, Yestereven, Yesterevening; Yestermorn;
Yesternight; Yesternoon; Yesterweek; Yesteryear): The day before
yesterday = eergister; I was not born yesterday = ik ben niet van
gisteren; Yestern = van gisteren.
Yet, jet, nog, bovendien, verder, thans, reeds, vooralsnog, nochtans,
al, echter: Yet again = nog eens; Yet a moment = nog een oogenblik; I
have not seen him as yet = ik heb hem tot nu toe nog niet gezien; Never
yet = nog nooit; Shall I go now? Not yet = nog niet; Do you know your
lesson yet? = kent ge uwe les al? I do not mean to die yet awhile =
vooreerst; The Parliament that will yet sit on College Green = toch nog
ééns; He is yet only 20 = nu nog maar; Yet time serves = nog is het
tijd.
Yew, jû, taxis, taxishout, boog (van dit hout gemaakt); Yew-tree; adj.
Yewen.
Yew, jû, komen (v. schuim op kokend zout).
Yid, jid, jood, jodin (mv. Yidden); Yiddish = Joodsch(e taal); Yiddism.
Yield, jîld, subst. opbrengst, productie, winst, oogst; Yield verb.
voortbrengen, opbrengen, afwerpen, opleveren, vieren, loslaten,
overgeven, toegeven, zwichten, zich onderwerpen (overgeven), wijken:
His courage never yields = hij verliest den moed nooit; Such days would
yield much pleasure = plachten veel genot te schenken; To yield to
conditions = genoegen nemen met; To yield to despair = zich overgeven
aan; To yield to superior force = wijken voor; I will not yield to such
sentimental reasonings = ik luister niet naar, bezwijk niet voor; You
must yield to the times = je schikken in; To yield up the ghost (the
breath of life) = den geest geven; Yieldance = toestemming, concessie;
Yielding = tot toegeven geneigd, buigzaam, meegaande; subst.
Yieldingness.
Yodel, Yodle, joud’l, subst. gejoedel; Yodle verb. joedelen; Jodeller =
iemand die joedelt.
Yoga, jouga, een vorm van Hindoesch ascetisme; Yogi, Hindoesch asceet.
Yo-ho, jouhou, hola!
Yoick(s), jôik(s), subst. oude jachtkreet bij de vossenjacht.
Yoke, jouk, subst. juk, jok, span, band, stuk lands dat twee ossen in
één dag kunnen omploegen, juk van het roer, stuurtalie; Yoke verb.
onder het juk brengen, het juk aandoen, aanspannen, zich verbinden: To
bring under the yoke = To put to the yoke = het juk opleggen; To shake
(To throw) off the yoke; These two are ill yoked together = passen niet
bij elkaar; Yoke-fellow = mede-lijder, levensgezel(lin); Yoke-line,
Yoke-rope = stuurtouw; Yoke-toed birds = klimvogels.
Yokel, jouk’l, boerenkinkel, pummel.
Yolk, jouk, dooier; zweet of afscheiding der schapenhuid; Yolk-bag,
Yolk-sack = dooiervlies; Yolky = vettig.
Yon(der), jondə, ginds(ch), ginder.
Yonge, jɐŋg.
Yoop, jûp, interj. huup! subst. schreeuw.
Yore, jö, alléén in: In days (times) of yore = in vroeger dagen, lang
geleden.
Yorick, jorik; York, jök: Yorickist = aanhanger van het Huis York.
Yorker, jökə: Een yorker gooien, i.e. den bal bij ’t Cricketspel
zoodanig gooien, dat hij zonder den grond te raken den Batsman bereikt.