Engelsch woorden
章节目录
共 152 段- Abstain, abstein, zich onthouden: He abstained from wine = h
- Admiration, admireiš’n, bewondering: She performed to admira
- Alabaster, aləbastə of aləbastə, subst. albast; adj. albaste
- Ampulla, ampɐla, fleschje bij de Romeinen in gebruik ter bal
- Apothecary, əpothəkəri, apotheker (Schotl. en Amer.); soort
- Articular, âtîkjulə, tot de gewrichten behoorend, gewrichts
- Audit, ôdit, subst. onderzoek en nazien van rekeningen en bo
- Bag, bag, subst. zak, tasch, weitasch, haarzak, buidel; Bag
- Base, beis, subst. basis, grondslag, fondament; vertrekplaat
- Beet, bît, biet, kroot: Beet-radish, Beet-rave = beetwortel;
- Better, betə, adj. en adv. beter; Better verb. overtreffen,
- Black, blak, zwart, donker, duister, grimmig, somber, treuri
- Boat, bout, subst. boot, stoomboot; kom; Boat verb. vervoere
- Bounty, baunti, milddadigheid, vrijgevigheid; gave, premie:
- Brief, brîf, adj. kort, beknopt; subst. uittreksel, beknopte
- Bungle, bɐŋg’l, subst. knoeiwerk; Bungle verb. knoeien, brod
- Caledonia, kalədounjə, Schotland; Caledonian = Schot(sch); C
- Cardinal, kâdin’l, subst. kardinaal, scharlaken mantel, biss
- Catling, katliŋ, darmsnaar, ontleedmes.
- Charter, tšâtə, subst. charter, privilege, patent, (voor)rec
- Cimmerian, simîrj’n: Cimmerian darkness = uiterste duisterni
- Close, klouz, subst. besluit, einde; schermutseling, handgem
- Colocynth, koləsinth, kolokwint.
- Compend, kompend, Compendium, k’mpendj’m, kort begrip, verko
- Confuse, k’nfjûz, verwarren, beschaamd of verlegen doen staa
- Contradistinction, kontradistiŋkš’n, tegenstelling: In
- Corroborant, kərobər’nt, subst. en adj. versterkend (middel)
- Cramp, kramp, subst. kramp, pijnlijke trekking; kram of klem
- Crustacea, krɐsteišə, schaaldieren; Crustacean = tot de scha
- Dagger, dagə, subst. dolk, kort zwaard, leesteeken (†); Dagg
- Deceit, disît, bedrog, begoocheling; Deceitful = bedriegelij
- Denis, denis.
- Diagonal, daiagən’l, adj. en subst. diagonaal.
- Discountenance, diskauntən’ns, subst. koele behandeling, afk
- Disturb, distɐ̂b, verstoren, doen afwijken, in wanorde breng
- Dough, dou, deeg: My cake is dough = mijn plan is in duigen
- Drub, drɐb, subst. slag, stoot; Drub verb. slaan, trommelen
- Easy, îzi, gemakkelijk, ongedwongen, vrij van zorgen, pijn,
- Elzevir, elzəvɐ̂ elzəviə, een van de Elzevier-uitgaven der k
- Entangle, əntaŋg’l, verstrikken, verwarren, verlegen maken;
- Ethnic, ethnik, subst. heiden; adj. ethnologisch; heidensch
- Ex officio, eksofišiou, ambtshalve.
- Facial, feiš’l, tot het gelaat behoorend: Facial angle = gel
- Fatigue, fətîg, uitputting, vermoeienis, militaire corvée; F
- Fig, fig, subst. vijg, vijgeboom, gala, lor, pruimtabak (Ame
- Flag, flag, subst. vlag, vloertegel, gele lisch; Flag verb.
- Fly, flai, subst. vlieg, mug, kunstvlieg, vliegwiel, onrust,
- Forgivable, fögivəb’l, vergeeflijk; Forgive, fögiv, vergeven
- Frill, fril, subst. geplooide strook, kanten kraag; affectat
- Gain, gein, subst. winst, aanwinst, voordeel; Gain verb. win
- Gentility, džentiliti, hooge of edele geboorte, beschaving,
- Glitter, glitə, flonkeren, flikkeren, schitteren, glansen, b
- Gossamer, gosəmə, herfstdraden, dun gaas, fijne sluier: Old
- Grit, grit, subst. grof gemalen gort (gewoonlijk meervoud),
- Haematin, he(hî)mətin, haematine; Haemorrhage, heməridž, blo
- Hard, hâd, adj. hard, vast, moeilijk, vermoeiend, streng, wr
- Heart, hât, hart, wil, moed, vuur, gloed, angst, verlangen,
- Hibernate, haibɐ̂neit, den winter in slapenden of verstijfde
- Hole, houl, subst. gat, hol, opening, kuil, hok (van eene wo
- House, haus, huis, woning, armhuis, geslacht, vorstenhuis, k
- Ice, ais, subst. ijs; Ice verb. met ijs bedekken, in ijs ver
- Impress, impres, stempelen, merken, teekenen; drukken, indru
- Indeed, indîd, inderdaad, voorwaar, voorzeker; int. wat je z
- Initial, iniš’l, beginnend, eerste, voorste; subst. beginlet
- Interleaf, intəlîf, doorschoten blad; To interleave, intəlîv
- Isosceles, aisosilîz, gelijkbeenig: Isosceles triangle.
- Jollification, džolifikeiš’n, jool, lolletje; Jollify = pret
- Kidderminster, kidəminstə, goedkoop soort vloerkleed.
- Lady, leidi, (voorname) dame, gemalin, vrouw van een knight
- Laverock, lavərək, leeuwerik.
- Length, leŋth, lengte, duur, grootte, ± 42 regels van eene
- Light, lait, subst. licht, helderheid, lichtschepping, ophel
- Loaf, louf, subst. brood: To look after the loaves and fishe
- Love, lɐv, subst. liefde, genegenheid, vriendschap, teederhe
- Magnifier, magnifaiə, vergrooter, vergrootglas; Magnify, mag
- Manual, manjuəl, subst. handboek, manuaal (van orgel of pian
- Mattress, matrəs, matras; fascine: Hair mattress, Wire mattr
- Merriment, meriment, vroolijkheid, pret; Merry, meri, vrooli
- Minus, mainəs, minder dan, onder nul, met uitzondering van,
- Money, mɐni, munt, geld, betaalmiddel, rijkdom: Money down,
- Much, mɐtš, subst. groote hoeveelheid; adj. en adv. veel, ze
- Narrate, nəreit, nareit, verhalen, beschrijven; subst. Narra
- News, njûz, nieuws, tijding, bericht: An item (A piece) of n
- Notwithstanding, notwidhstandiŋ, niettegenstaande: Notwithst
- Odd, od, oneven, overblijvend, ongeveer, waaraan de (het) tw
- Opinion, əpinj’n, meening, oordeel, gevoelen: Opinion of cou
- Out, aut (in samenst.) drukt dikwijls uit: overtreffen in de
- Paddle, pad’l, subst. pagaai, blad (van een roeiriem), schoe
- Parenthesis, pərenthəsis, parenthese: By way of parenthesis
- Paunch, pônš, pânš, buik, pens, balg; Paunch-mat = stootmat
- Perch, pɐ̂tš, subst. baars; stok, prik, hooge bok of zitplaa
- Phossy, fosi: Phossy jaw = ontsteking aan de kaakbeenderen v
- Pistol, pist’l, subst. pistool; Pistol verb. doodschieten (m
- Plug, plɐg, subst. plug, prop, pin; Plug verb. dichtstoppen,
- Pope, poup, paus, patriarch, pope; pos; tuinvalk; Pope-Joan,
- Pratique, pratik, handelsverkeer, verlof aan een schip om bi
- Pretence, pritens, voorwendsel, voorgeven, schijn: He made p
- Professor, prəfesə, belijder, hoogleeraar: Professor of law,
- Provide, prəvaid, voorzien van, verschaffen, zorgen, maatreg
- Purulence, Purulency, pjûrulens(i), etterigheid; Purulent =
- Question, kwestj’n, subst. vraag, ondervraging, geschilpunt,
- Ramp, ramp, subst. sprong, hellende weg, bocht; zwendelaar;
- Rebound, ribaund, subst. terugstuiting, echo; Rebound verb.
- Reduce, ridjûs, terugleiden, terugbrengen tot een vroegeren
- Relief, rilîf, verlichting, verzachting, onderstand, bevrijd
- Resail, rîseil, terugzeilen.
- Revelation, revəleiš’n, openbaring, laatste bijbelboek = Boo
- Rip, rip, subst. scheur, teenen vischmand, bedrieger, deugni
- Round, raund, subst. kring, bol, ommegang, ronding, rondreis
- S. es, S. = Saint, Saturday, Shilling, Solo, South, Southern
- Sat, sat, imperf. en p.p. van to sit.
- Scoot, skût, voortsnellen, vliegen (Amer.).
- Secession, siseš’n, afscheiding: The war of secession = de b
- Sentinel, sentinel, subst. schildwacht; adj. wachthoudend; S
- Shagreen, šəgrîn, subst. en adj. (van) segrijn leder.
- Shoot, šut, subst. schot, schietwedstrijd, jachtpartij, vuil
- Sight, sait, subst. gezicht, visioen, de oogen, aanblik, sch
- Skit, skit, scherts, schotschrift, parodie, steek: His perfo
- Smash, smaš, subst. bankroet, smeet, botsing, vernieling, on
- Solicit, səlisit, ernstig vragen, bidden, dingen naar: To so
- Speak, spîk, spreken, uitspreken, klinken, praaien, meedeele
- Sport, spöt, subst. vermaak, spel, tijdverdrijf, scherts, (v
- Stale, steil, subst. ier (van paarden en runderen); adj. ver
- Steel, stîl, subst. staal, zwaard, groote hardheid, wetstaal
- Stop, stop, subst. beletsel, hinderpaal, stoornis, ophouding
- Stripling, stripliŋ, subst. jongmensch, jongmaatje; adj. jon
- Success, səkses, gunstige uitslag, voorspoed: Success to tra
- Supposition, sɐpəziš’n, onderstelling, stelling, gissing, ve
- Swig, swig, subst. groote teug; Swig verb. met groote teugen
- Take, teik, subst. ontvangst, trek, haal, stuk kopij; Take v
- Team, tîm, span, bespanning, toom, vlucht, groep v. elf pers
- Tether, tedhə, subst. touw waaraan een grazend dier is gebon
- Thresh, threš; Thresher. Zie Thrash.
- Time, taim, subst. tijd, duur, keer, maat, tempo, gelegenhei
- Top, top, top(punt), spits, kroon, hoogte, hoofdeinde, hoofd
- Translate, transleit, verplaatsen, overplaatsen, overbrengen
- Trisect, traisekt, in drie gelijke deelen verdeelen; subst.
- Turkey, tɐ̂ki, Turkije, kalkoen: To talk turkey; Zie Talk; T
- Unallowable, ɐnəlauəb’l, ongeoorloofd, niet toelaatbaar.
- Under, ɐndə, onder, lager dan, beneden, minder: Under this a
- Unlaboured, ɐnleibəd, onbewerkt, natuurlijk, ongedwongen.
- Unsuitable, ɐnsiûtəb’l, ongepast, ongeschikt, onvoegzaam, on
- Vacuity, vəkjûiti, ledige ruimte, ledigheid, afwezigheid van
- Vertiginous, vɐ̂tidžinɐs, ronddraaiend, omwentelend, duizeli
- Volapuk, vouləpuk, voləpuk, Volapuk; Volapukist = beoefenaar
- War, wö, subst. oorlog, strijd, vijandschap, vijandelijkheid
- Way, wei, subst. weg, voortgang, reis, levensloop, afstand,
- Wert, wɐ̂t, 2e pers. sing. imp. van to be.
- Wide, waid, breed, wijd, ruim, uitgestrekt, veelomvattend, v
- Wither, widhə, verwelken, verdorren, vernietigen: One of tho
- Worship, wɐ̂šip, subst. waardigheid, aanzien, eerbied, eerbe
- Yorkshire, jökšə, Yorkshire; ook adj. uit Y.; sluw: I am Yor