when it is hot and cold, wet and dry, bright and lowering, sad and
cheerful, withering and genial, in the compass of an hour = akelig
(guur) en lekker; Withered = verdord, uitgedroogd; Withering =
vernietigend (fig.).
Wither, widhə: Wither-lock = boschje haar, waaraan de ruiter bij het
opstijgen zich vast grijpt; Wither-wrung = aan de schoft bezeerd of
geschaafd; Withers = schoft van een paard: The wither are wrung = de
schoft is stuk geschuurd; mijn geduld is ten einde; To press on the
wrung wither = de gevoelige snaar aanroeren; My wither are unwrung = ik
ben van alle werk ontslagen, vrij.
Withheld, widhheld, imp. en p.p. van Withhold, widhhould, weerhouden,
onthouden, onttrekken: The permission was withheld from him = werd hem
geweigerd; Withholder; Withholdment = onthouding, etc.
Within, widhin, adv. en prep, binnen, in, van binnen, inwendig, niet te
buiten gaande: His room is within mine = men komt in zijne kamer door
de mijne; Within call = te beroepen; Within doors = binnenshuis; Within
my memory = voor zoolang ik mij kan herinneren; Within a mile of = nog
geen mijl; It is not within my power = in mijne macht; Within my price
= in mijn prijs; Within a month’s time = binnen eene maand; The deer
was within range = onder schot; Within sight; He was within a little of
being killed = het scheelde maar weinig of; Who’s within = wie is daar?
To live within one’s income = niet meer uitgeven dan men te verteren
heeft; To think within oneself = by zich zelf.
Without, widhaut, adv. en prep. zonder, buiten, van buiten, uitwendig,
vrij, beroofd van, onafhankelijk van: Without day = zonder een dag te
bepalen voor samenkomst of behandeling; geheel van de baan; Without
doors = buitenshuis; Without funds in hand = zonder dekking; Without
one’s reach = buiten bereik; The station is without the town = buiten
de stad; I can get ready without you = zonder u; I can do without it =
ik kan het missen, heb het niet noodig.
Withsay, widhsei, tegenspreken, ontkennen.
Withstand, widhstand, weerstaan, zich verzetten; Withstander =
tegenstander, die zich verzet; Withstood, widstud, imp. en p.p. van to
withstand.
Withwind, widhwaind, akkerwinde, haagwinde.
Withy, withi, w(a)idhi, uit wilgentwijgen, taai, buigzaam.
Witness, witnəs, subst. getuigenis, getuige, ooggetuige (= Ocular
witness); Witness verb. getuige zijn van, als getuige teekenen,
ondervinden, beleven: In witness whereof = ten bewijze waarvan; Witness
for the crown, for the prosecution = getuige à charge; Witness for the
defence, defendant (prisoner) = getuige à décharge; To bear witness to
= getuigenis afleggen, betuigen; To call to witness = tot getuige
roepen; When we turn to the art of education, the English educationist
does not leave himself without witness = laat zich niet onbetuigd; I
took him to witness = nam hem tot getuige; You have been romping,
witness your hot face = getuige je vuurroode gezicht; The most violent
storm I ever witnessed = dien ik ooit beleefd heb; Did you ever witness
such a thing? = ooit zóó wat gezien; The signatures were witnessed =
door getuigen gestaafd; Witness-box = getuigenbank.
Witticism, witisizm, geestige zet; Wittiness, subst. v. Witty =
geestig, scherp, snedig.
Witwal, witwôl, groene specht.
Wive, waiv, trouwen, tot vrouw nemen: Hanging and wiving goes by
destiny = hangen en trouwen is eene loterij; This Hottentot chief is
the most wived man (scherts.) = heeft de meeste vrouwen.
Wiveliscombe, wilsk’m.
Wivern, waivən; Zie Wyvern.
Wizard, wizəd, subst. waarzegger, toovenaar.
Wizen, wiz’n, adj. dor, droog, verschrompeld; Wizen verb. verwelken,
verschrompelen; Wizen-faced = met verschrompeld gelaat.
Woad, woud, weede (plant); Woaded = met weede, blauw gekleurd.
Wobble, wob’l, waggelen(d loopen); op en neer gaan (van effecten):
“Quawk”, said the pig, and wobbled off; These pictures are wobbly =
onzeker in prijs. Zie Wabble.
Woburn, wubən, woubən.
Woe, wou, subst. smart, verdriet, wee: Woe is me = wee mij; Woe worth
the chase = wee zij de jacht; Woe worth the day = wee den dag;
Woebegone = naargeestig, in smart gedompeld; Woeful = treurig,
ellendig, naargeestig, droevig; subst. Woefulness; Woe-worn = door
smart verteerd; Woful = Woeful.
Wolcot(t), wulkət.
Wold, would, woud, bosch, heuvelland.
Wolf, wulf, subst. wolf, harde wanklank, lupus; Wolf verb. op de
wolvenjacht gaan, gulzig verslinden: A wolf in sheep’s clothing = een
wolf in een schapevacht; He always cries wolf = maakt altijd valsch
alarm; I have a wolf by the ears = ik heb mijn man gevonden; To have a
wolf in the stomach = een razenden honger hebben; We could hardly keep
the wolf from our door = nauwelijks den mond open houden; Wolf-dog =
wolfshond; Wolf-fish = zeewolf; Wolf-net = wonderkuil (soort v. net);
Wolf’s bane = gele monnikskap; Wolf’s-claw, Wolf’s foot = wolfsklauw;
Wolf’s-peach = tomaat; Wolfish = wolfachtig, wreed, vraatzuchtig;
Wolfkin, Wolfling = jonge wolf.
Wolfe, wulf; Wolfram, wulfram, Wolfram; wolframium; Wollaston,
woləst’n; Wolstonecraft, wulst’nkrâft; Wolseley, wulzli; Wolsey, wulzi;
Wolton, wult’n; Wolverhampton, wulvəramt’n.
Wolverine, wulvərin, veelvraat.
Wolves, wulvz, mv. v. Wolf.
Woman, wum’n, vrouw, vrouwelijke bediende: Woman of the town =
prostituée; Woman of the world = vrouw van de wereld; My good woman =
vrouwtje; Kept women = maîtressen; Lady’s woman = kamenier; The New
Woman = de (ultra) moderne vrouw; The Scarlet Woman = de moeder van
alle ontucht en onheiligheid (Openb. XXII, 4); That frivolous Winsley
woman = dat wijf (die meid) van die W.’s; He played (acted) the woman =
speelde de rol der zwakke vrouw; There is a woman in the wind = daar
zit eene vrouw achter; Woman-born = uit eene vrouw geboren; Woman-built
= door vrouwen gebouwd; Woman-doctor = doctores; Woman-hater =
vrouwenhater; Woman-saint; Woman-servant; Womanhood = vrouwelijke
staat, vrouwelijkheid; Womanish = vrouwelijk, vrouwen...; (Woman
tears), verwijfd; subst. Womanishness; Womankind = het vrouwelijk
geslacht, de vrouwen, het vrouwvolk; Womanlike = vrouwelijk, zacht;
Womanliness, subst. v. Womanly = Womanlike; Women, wim’n, vrouwen;
Women-folk = vrouwvolk; Women’s rights = rechten der vrouw; Women’s
(Woman’s, Woman-) suffrage = vrouwen-stemrecht; Womenkind = Womankind.
Womb, wûm, subst. baarmoeder, schoot: Falling and displacement of the
womb = uitzakken; Womb-fury (med.); Womb-passage = (hals der) scheede.
Won, wɐn, imp. en p.p. van to win.
Wonder, wɐndə, subst. wonder, verbazing, bewondering; Wonder verb.
verbaasd staan, zich verwonderen, nieuwsgierig zijn, benieuwd zijn:
Wonders will never cease = de wonderen zijn de wereld nog niet uit; To
do (perform, work) wonders = wonderen doen; To look all wonder = groote
oogen opzetten; It caused considerable scandal, and remained a nine
days’ wonder = en bleef een korten tijd de aandacht trekken; No article
in a review is a nine days’ wonder = baart ooit lang opzien; In the
name of wonder = om ’s hemels wil; It is no wonder he refused = het is
heel natuurlijk; He is here, for a wonder = zoowaar (vreemd genoeg);
The seven wonders of the world = de zeven wonderen der wereld; I wonder
where he can have been = ik ben benieuwd; I wonder how much he left me
= ik ben toch nieuwsgierig, ben benieuwd; Wonderland = land der
wonderen; Wonder-stricken = Wonder-struck = verbaasd, door verwondering
getroffen; Wonder-working = wonderdadig; Wonderer = wie zich verbaast,
etc.; Wonderful = verwonderlijk, vreemd, verbazend; subst.
Wonderfulness; Wonderment = verwondering, verbazing; Wondrous =
verwonderlijk, vreemd.
Won’t, wount, samentr. v. Will not: It won’t do = dat gaat niet.
Wont, wount, wɐnt, gewend; subst. gewoonte, gebruik; Wont verb. gewend
zijn, plegen; zich gewennen (Wont oneself): Wonted = gewoon, gewend;
Wontless = ongewoon, niet gewend.
Woo, wû, vrijen naar, dingen naar, het hof maken, trachten te winnen:
They woo the battle = zoeken den strijd; Wooer; Wooing: To go a-wooing
= uit vrijen gaan.
Wood, wud, subst. woud, bosch, hout, vat, houtinstrument; Wood verb.
met bosch bedekken, in bosch veranderen, hout innemen: It was drawn
from the wood = van het vat getapt; In a wood = verward, verlegen; The
ale is in the wood = in het vat: The Palace in The Wood = Het Huis ten
Bosch; I shall soon be out of the wood = buiten gevaar of de
moeilijkheid te boven zijn; She is out of the wood again = is weer bij
(kennis); Have you taken in your stock of wood yet? = al hout opgedaan;
He doesn’t see the wood for trees = hij ziet wegens de boomen het bosch
niet; Wood-ant = boschmier; Wood-ashes = houtasch; Wood-band =
houtorkest, de blaasinstrumenten, “het hout”; Woodbine = wilde
kamperfoelie; Wood-bird = boschvogel; Wood-bound = ingesloten door
hooge en zware heggen; Wood-carver = houtsnijder; Wood-carving =
houtsnijwerk; Woodchuck = soort v. marmot; Wood coal = bruinkool;
Woodcock = houtsnip; sukkel; Woodcraft = bedrevenheid in boschcultuur
of jacht; jachtvermaak; Woodcut = houtsnee(plaat); Wood-cutter =
houthakker, maker van houtsneden; Wood-drink = afkooksel van medicinale
planten; Wood-engraver = houtgraveur; Wood-engraving =
houtgraveerkunst, houtgravure; Wood-fretter = houtworm; Wood-gear =
raderwerk van hout; Wood-grouse = auerhaan; Wood-hole = Wood-house =
houtloods; Wood-knife = hertsvanger; Woodland, subst. boschland, adj.
bosch.., woud.., boschachtig; Woodlark = boomleeuwerik; Wood-lot = stuk
land waarop brandhout wordt verbouwd (Amer.); Wood-louse = houtluis;
Woodman = boschwachter, boschbewoner, houthakker; Wood-mite = houtworm;
Wood-mouse = boschmuis; Wood-nymph = boschnimf; Wood-paper = papier uit
hout vervaardigd; Wood-pavement = houten bestrating; Woodpecker =
specht; Wood-pigeon = houtduif; Wood-pile = houtmijt; Woodreeve =
houtvester; Wood-rick = Wood-pile; Wood-rock = bergvlas, soort v.
asbest; Wood-ruff = Lieve Vrouwe Bedstroo; Wood-sare = koekoekspog;
Wood-screw = houtschroef; Woodshed = houtloods; Wood-skin = boot of
kano van boombast (Guyana); Wood-soot = houtroet (bemesting);
Wood-sorrel = boschklaverzuring; Wood-spite = groene specht; Wood-tar =
houtteer; Wood-vetch = soort lathyrus; Wood-wale = Woodpecker;
Wood-wax(en) = verfbrem; Woodwork = houtwerk; Wood-worm = Wood-mite;
Wooded = bedekt met bosch; Wooden = van hout, houterig, dom, suf: What
are you so wooden about? = hoe ben je zoo suf; Wooden horse = paard
(gymn.); ook strafmiddel (To ride the wooden horse); Wooden shoes =
klompen, armoede, oude spotnaam voor de Fransche natie; Woodenness =
houterigheid, stijfheid: That particular woodenness which has in all
ages been characteristic of mere philologists; Woodiness, subst. v.
Woody = houtachtig, boschrijk: Woody fibre (tissue) = houtvezels
(weefsel).
Woof, wûf, inslag, weefsel.
Wool, wul, wol, bont: Great (Much) cry and little wool = veel
geschreeuw en weinig wol = More squeak than wool; To draw (pull) the
wool over a person’s eyes = iemand zand in de oogen strooien; Wool-ball
= wolbal (in magen van dieren); Wool-bearing = woldragend; Wool-comber,
wolkammer; Wool-combing = het wolkammen; Wool-cotton = boomwol;
Wool-dyed = in de wol geverfd; Wool-gathering, subst. het vergaren van
pluisjes wol; verstrooidheid; adj. verstrooid: His wits are
a-wool-gathering = zijn verstand is op den loop, hij suft; Wool-grower
= schapenfokker; Wool-man = wolkooper; Wool-market; Wool-merchant;
Wool-mill = wolspinnerij; Woolpack = baal wol (± 108,826 K.G.);
Woolsack = zitplaats van den Lord Chancellor in het House of Lords;
Woolsorter = wolsorteerder = Wool-stapler, dit laatste ook
wolhandelaar; Wool-staple = wolmarkt; lengte der wolharen; Wool-trade =
wolhandel; Woollen = van wol, grof, lomp, boersch: Woollens = wollen
stoffen, wollen goederen = Woollen articles of Woollen goods; Wool
trade = wolhandel; Wool-draper = lakenkooper, handelaar in wollen
goederen; Wool-printer = woldrukker; Wool-scribbler = machine om wol te
kaarden; Woolliness = wolligheid; Woolly = wollig, wolachtig, gedempt,
dof, onduidelijk, prikkelbaar, knorrig; Woolly-haired; Woolly-head =
neger; Woolly-minded men = suffers.
Woolwich, wulidž.
Woom, wûm, beverbont.
Wootz, wûts, fijn Indisch gietstaal.
Worcester, wustə.
Word, wɐ̂d, subst. woord, uitdrukking, mededeeling, bericht, bevel,
wachtwoord, parool, motto; Word verb. onder woorden brengen: The Word =
de H. Schrift; Money is the word = geld is de boodschap; He is as good
as his word = houdt zijn woord = He has not been worse than his word;
There were angry words between us = we hadden hooge woorden; At a word
= met één woord; By good word = met goedheid; He communicated it to me
by word of mouth = mondeling; I repeated it to him word for word =
woord voor woord; In a (one) word = in één woord, kort en goed; There
you have it in a word = met dat ééne woord is alles gezegd; He is a
hero in word(s) = een held met den mond; To a word = woordelijk; Upon
my word = op mijn woord; To come to words = woorden krijgen; He tried
to get away from his word = van zijne belofte af te komen; I could not
get in a word edgeways = er geen woord tusschen krijgen; To stick to
one’s word = zijn woord houden; I take you at your word = houd je aan;
To take up the word again = weer opvatten; To understand at half a word
= met een half woord verstaan; To bring word = bericht brengen; You
shall eat your words = terugnemen; He gave me many kind words = sprak
zeer vriendelijk; I must have a word with you = u even spreken; To have
a few words = woorden (ruzie) hebben; To have the final word = het
laatste woord hebben; I have your word = uw woord, verzekering; I won’t
have any words about it = ik wil er niet van hooren; She hasn’t a good
word to say of (for) anybody = zij heeft op iedereen wat te zeggen; To
keep one’s word = houden; To leave word with the servant = boodschap
achterlaten; I should like a word with you = je gaarne even spreken; To
put in a good word for = een goed woordje doen voor = To say a good
word for; He has not said his last word = zijn laatste woord nog niet
gezegd (fig.); I’ll send you word = ik zal u eene boodschap zenden; To
speak a good word for, Zie Put in; You may take my word for it = gij
kunt erop aan; To take the word = het woord nemen; To write word =
bericht zenden; Word-book = woordenlijst; Word-building = woordvorming;
Word-catcher = woordenzifter, woordenvitter; Word-catching;
Word-painter = woordkunstenaar; Word-painting = woordkunst;
Word-picture = beeld of beschrijving; Word-spin = met woorden schermen:
Journalists can Word-spin on occasion = verstaan de kunst om met veel
woorden niets te zeggen; Word-spinner = redekunstenaar; Word-square =
reeks v. woorden (in een vierkant) die hetzelfde woord opleveren hetzij
naar beneden of van rechts naar links gelezen; Cautiously worded =
voorzichtig gesteld; A well-worded letter = een goed gestelde brief;
Wording = redactie, bewoordingen; Wordiness, subst. v. Wordy; Wordless
= sprakeloos, niet uitgesproken; Wordy = woordenrijk, langdradig: Wordy
warfare = woordentwist.
Wordsworth, wɐ̂dzwəth.
Wore, wö, imperf. van to wear.
Work, wɐ̂k, subst. werk, arbeid, bezigheid, bewerking, behandeling,
etc.; Works = industrieele inrichting, fabriek, (uur)werk; goede
werken, zedelijke plichten (tegenover “genade”), muren, loopgraven,
versterkingen, vestingwerken; Work verb. werken, arbeiden, zich
inspannen, gisten, stampen (v. een schip), werken op, zich laten
bewerken, laten werken, afbeulen, sturen, leiden, oplossen, bedienen,
afvisschen, dresseeren, etc.: That is a good day’s work = eene flinke
dagtaak; It’s hard and slow work = moeilijk en langzaam vorderend werk;
Bicycling is warm work = warm werk; At work! = aan het werk! They were
at work on the map = aan het werk; A maid of all work = meid alléén; To
be out of work = zonder werk, stilstaand; You’ll have all your work cut
out for you = er de handen vol aan hebben; To find a person work = werk
verschaffen; I must try to get through all this work to-day = al dit
werk zien af te krijgen; You are going the right (wrong) way to work =
legt het goed (verkeerd) aan; To go (fall) to work with a will = met
ijver aan het werk gaan; To go out to work = uit werken gaan; To make
sad work of = verknoeien; To make short work of = korte metten maken
met; To set to work = aan het werk gaan, aan het werk zetten; Take up
the work you dropped last week = vat het werk weer op; To be thrown out
of work = buiten werk (geraakt) zijn; Gas-works = gasfabriek; An
iron-works = ijzergieterij; The Board of Works = een lichaam, dat de
secular functions van de Vestries in de meeste parishes heeft
overgenomen (Zie Vestry); To work guns = bedienen; He worked his men
fewer hours = liet werken; To work a mill = aan den gang brengen,
drijven; To work arithmetical problems = oplossen; To work a railway =
exploiteeren; If I could work my will = mijn zin kon doorzetten
(Vergel. To work with a will = flink aanpakken); Worked in iron, gold,
etc. = van ijzer, goud bewerkt; He is a hard worked man = hij moet hard
werken; Stocks are working down = de effecten gaan naar beneden; The
ship is working to windward = kruist naar loevert op; I have been
working at my grammar = heb gewerkt; He worked himself into the king’s
favour = drong zich in; I had a headache but I have worked it off =
maar ze is met werken overgegaan; That did not work on him = had geen
invloed; It has worked out something good = heeft uitgewerkt; I left
these things to work out their own problems = om vanzelf tot oplossing
te komen; To work out one’s dinner, passage = zijn middagmaal,
overtocht verdienen met daarvoor te werken; We have steadily worked
through all the exhibits = hebben alle uitstallingen geregeld nagegaan;
He worked up his rage = hij werd al woedender; It was worked up into
something quite different = er kwam geheel iets anders van; He worked
himself up into a passion = maakte zich driftig; Workaday = Work-a-day
= daagsch, alledaagsch; Work-bag = werktaschje; Work-basket = mandje;
Work-box = werkdoos, naaikistje; Work-day = werkdag; Work-folk(s) =
werklui; Work-girl = fabriekarbeidster; Workhouse = werkhuis (waarin de
armen worden opgenomen, en de voor werk geschikten tot arbeid gedwongen
worden); soort tuchtschool of werkinrichting; Workman = arbeider,
werkman; Workmanlike = knap, handig, vaardig; Workmanship = wijze van
uitvoering, bewerking, arbeid, bekwaamheid, handigheid: This is a box
of excellent workmanship = een fraai bewerkte; Work-people; Work-room =
werkkamer (voor vrouwen) in huis of fabriek; Work-season = campagne;
Workshop = werkplaats; Work-shy = afkeerig van werken; subst.
leeglooper; Work-table = werktafel(tje); Workwoman = werkvrouw,
werkster; Workable = wat bewerkt, in beweging of gang gebracht,
geëxploiteerd kan worden, uitvoerbaar, praktisch: That is not a
workable theory, proposal = practisch; Worker = werker, werkman,
arbeider; werkbij (-mier): He was my fellow worker for a time = wij
hebben een tijdlang samengewerkt; Working, subst. werk, gisting,
beweging, gang, bedrijf, exploitatie; adj. werkend, arbeidzaam,
werkzaam, bruikbaar: Working-account = exploitatierekening;
Working-beam = drijfstang; Working-class(es) = arbeidende klasse;
Working-day, subst. werkdag; adj. als v. een werkdag, zwoegend, gewoon;
Working-drawing = plan of teekening, constructieteekening;
Working-expenses = exploitatiekosten; Working-man = werkman, arbeider;
Working-party = troep soldaten voor eene korvee bestemd; Working-point
= deel der machine waarop het vereischte effect wordt teweeggebracht;
Workless = zonder werk, werk(e)loos: The Workless, the Thriftless and
the Worthless, a book by Francis Peek.
World, wɐ̂ld, wereld (ook fig.), aardsch bestaan, levensloop, de
menschen, het publiek, maatschappij, menigte: A world of pains =
ontzettend veel moeite; World without end = eeuwig; The next (other,
future) world = The world to be (world to come) = het hiernamaals; The
fashionable (great) world = de groote wereld; It’s him, for all the
world = hij is het waarachtig; I wouldn’t part with you for (all) the
world = voor niets ter wereld; What in the world do you mean by it? =
wat ter wereld; History (Knowledge) of the world; He is a man of the
world = een man van de wereld; He is of the world worldly = een echte
wereldling, wereldschgezinde; We have travelled all over the world, all
the world over = de geheele wereld door- of rondgereisd; All the world
say so = alle menschen; All the world and his wife go(es) there = Jan
en alleman; She was beginning the world = trad de wereld in; I wish I
could begin the world over again = dat ik nog eens weer van voren af
aan kon beginnen: I would have given worlds = alles; He has renounced
the world = heeft van de wereld afstand gedaan; He thinks (all) the
world of his nephew = heeft een hoog idée van; As the world goes =
zooals het gaat in de wereld; That is how the world wags (Such is the
world, This is the way of the world) = is ’s werelds beloop;
World-English = phonetisch internationaal spelstelsel v. Melville Bell;
World-famous; World-pain = wereldsmart (“Weltschmerz”); World-wearied =
de wereld moede, levensmoede; World-wide = oneindig, zeer groot;
World-wise = ervaren; Worldliness = wereldsch-gezindheid; Worldling =
wereldling; Worldly = wereldsch, menschelijk, aardsch, verachtelijk;
World-minded = wereldsgezind; subst. World-mindedness; World-wise =
wijs naar de wereld (gew. in afkeurenden zin).
Worm, wɐ̂m, subst. worm, made, larve, stumper, klabak, gewetenswroeging,
schroefdraad, krasser op den laadstok, koelslang; Worm verb. kruipende
vooruitkomen, in het geheim en langzaam werken, op slinksche wijze
bewerkstelligen, de lading uit geweer of kanon halen, touw
spiraalsgewijs omwikkelen, van wormen zuiveren: Even the trodden worm
will turn = zelfs het wormpje laat zich niet zoo maar trappen; He
wormed himself into the king’s confidence = drong zich kruiperig in; He
tried to worm that secret out of me = van mij los te krijgen; Worm-cake
= wormkoekje; Worm-eaten = wormstekig; subst. Worm-eatenness;
Worm-fever = wormkoorts; Worm-grass = muurpeper; Worm-hole =
wormgaatje; Worm-powder = wormpoeder, wormkruid; Worm-seed = alsem,
welriekende ganzevoet, boerenkers; Worm-shaped = wormvormig; Worm’s
meat = voedsel voor wormen, lijk; Worm-wheel = schroefrad, snek; Wormy
= vol wormen, wormstekig, aardsch, kruipend.
Wormwood, wɐ̂mwud, bittere alsem: It is (gall and) wormwood to him = hij
wormt er over, het grieft hem.
Worn, wön, p.p. van to wear, versleten, uitgeput, verweerd, uitgeteerd.
Worrier, wɐriə: He is a worrier = een kwelgeest, onaangenaam mensch; It
has caused me much worriment = me veel last en verdriet veroorzaakt;
Worrit, wɐrit (= Worry): Don’t worry yourself = plaag jezelf toch niet,
zit toch niet (zoo) te kniezen.
Worry, wɐri, subst. kwelling, angst, zorg, drukte, “soesa”; Worry verb.
kwellen, tobben, plagen, afworgen (zooals de honden doen), rukken,
uitputten: You have no worries = niets dat u hindert; Don’t be uneasy,
my dear old worry = lieve tobber (bezorgde moeder); The dog worried the
old gentleman’s gaiters = rukte en scheurde aan de slobkousen van den
ouden heer; To be worried at = zich ergeren over, verdrietig zijn over;
The chief had been worrying for her for two hours = naar haar gevraagd,
overal gezocht.
Worse, wɐ̂s, erger, slechter; ook subst.: From bad to worse = van kwaad
tot erger; Worse luck = ongelukkigerwijze; To be worse = erger, zieker
zijn; To be ¼ worse = ¼ procent lager staan; I am no worse = I am none
the worse for it = dat heeft me niets gehinderd; To be the worse for =
minder waard zijn, schade lijden, er slecht aan toe zijn; To be the
worse for drink = aangeschoten zijn; The worse for wear = versleten; To
change for the worse = minder worden; To get worse and worse = al erger
worden; He is worse off than his brother = slechter af; And, to make
things worse, one of the horses fell down dead = en tot overmaat van
ramp; Worsen = verergeren, ontaarden; een voordeel behalen op; His
betters or his worsers = zijne meerderen of zijne minderen
(schertsend).