of): A wide answer = verkeerd; His glory resounded far and wide =
heinde en ver; Your answer is (not) wide of the mark = geheel en al mis
(niet zoo ver mis); Wide of the truth = geheel bezijden; The door is
wide open; Wide-awake, subst. slappe, lage vilten hoed met breeden
rand; rand; adj. goed of klaar wakker, bij-de-hand, klaar, gevat;
Wide-quoted = waarvan de noteeringen sterk uiteenloopen; Wide-skirted =
met breede randen, uitgestrekt; Wide-spread = heinde en ver verspreid;
The agreement was very widely drawn = omvatte, zoo te zeggen, alles; To
differ widely = hemelsbreed verschillen; Widen = verwijden, verbreeden,
wijder worden; Wideness = grootte, uitgestrektheid.
Widgeon, widž’n, smient, fluiteend.
Widow, widou, subst. weduwe; Widow verb. tot weduwe maken, berooven:
Being a widow, she had no bridesmaids; her train was held up by a boy;
Widow’s bounty = (officiers)weduwpensioen; Widow’s cap = mutsje door
weduwen gedragen; Widow’s weeds = weduwenrouw; Widow-hunter = wie op
een rijke weduwe uit is; A widow-lady (widow-woman); Widow-wail =
cnoorum tricoccum; Widowed = beroofd, verlaten, eenzaam: He was widowed
of his power = beroofd of verstoken; Widower = weduwnaar; Widow(er)hood
= weduw(naar)staat.
Width, width, wijdte, uitgestrektheid; Widthwise = in de breedte.
Wield, wîld, hanteeren, zwaaien: To wield authority = uitoefenen; He
wielded the sceptre = zwaaide den scepter; It is impossible to wield
such a sword = te hanteeren; Wieldable = hanteerbaar; Wieldless = niet
te hanteeren.
Wife, waif, (getrouwde) vrouw, huisvrouw, gade: The wife = vrouwlief;
To give (To take) to wife; Wife-beater = vrouwenbeul; Wifehood = staat
eener getr. vrouw; Wifeless = zonder vrouw, ongetrouwd; Wifelike = eene
vrouw betamend, vrouwelijk; Wifie = vrouwtje.
Wig, wig, pruik; Wig verb. een uitbrander geven: Big wig = groote hans;
Wig-bag = haarzak; Wig-block = pruikebol; Wig-maker; Wigged = met eene
pruik.
Wigan, wig’n: Here is to the mayor of Wigan, i.e. to ourselves = wij
ledigen dit glas op onszelf.
Wigeon = Widgeon.
Wigging, wigiŋ, uitbrander, standje: I gave him a good wigging.
Wiggle, wig’l. Zie Wriggle.
Wight, wait, subst. persoon, wezen; adj. vlug, dapper.
Wigwam, wigwam, wigwôm, wigwom, Indiaansche hut.
Wild, waild, subst. wildernis; adj. wild, woest, verwilderd, onbebouwd,
onstuimig, onredelijk, loszinnig, roekeloos, buitensporig, onordelijk,
fel op, ver mis: To drive wild = woest maken; She got wild = werd
“woest”, boos; To go wild over = dwepen met; To feel wild = woest zijn
(fig.); Our flowers have run wild = zijn verwilderd, wild opgeschoten;
To talk wild = overdrijven; Wild beast; Wild boar = everzwijn; Wild
look; Wild project = dol, avontuurlijk; Wild mare = nachtmerrie; wip:
They were riding the wild mare = aan het wippen; Wild oats (Zie Oats);
The wildest rubbish = de grootste onzin; Wild-born = in wilden staat
geboren; Wildcat = wilde kat; Wildcat bank = zwendelfirma; Wildcat
speculation = onsoliede, dolle speculatie; Wildcat train = trein buiten
de dienstregeling; Wildcatter = iemand die grondboringen doet in de
hoop petroleum te vinden (Amer.); Wild-fire = Grieksch vuur, weerlicht,
roos (ziekte): The report spread like wild-fire = als een vuurtje;
Wild-fowl = wild gevogelte (vooral watervogels); Wild-fowling = het
jagen op Wild-fowls; Wild-goose, subst. wilde gans; adj. dolzinnig,
dwaas: A wild-goose chase = dwaze onderneming, dol plan; Wilderness,
wildənəs, wildernis, woestenij; Wilding, subst. in ’t wild groeiende
plant, of vrucht daarvan; adj. in ’t wild groeiend; Wildness =
wildheid.
Wilde, waild.
Wile, wail, slimme streek of zet, list.
Wilful, wilful, opzettelijk, moedwillig, eigenzinnig, halsstarrig;
subst. Wilfulness.
Wilhelmina, wilhelmînə.
Wiliness, wailinəs, subst. v. Wily.
Wilk, wilk = Whelk.
Wilkes, wilks.
Will, wil, subst. wil, wilskracht, willekeur, verlangen, testament;
Will verb. zullen, willen, plegen, wenschen, begeeren, bevelen,
vermaken: You may change it at will = naar welgevallen; To have all
things at will = alles naar wensch hebben; He holds his power at the
people’s will = ontleent zijne macht aan den wil des volks; Of your own
free will = geheel vrijwillig; He fell (set) to work with a will = met
lust en ijver; With good will = met goeden wil; She would have her will
= haar zin; He had a will of his own = was eigenzinnig; To make one’s
will = zijn laatsten wil (testament) maken; To work one’s will = zijn
wil doorzetten; Goodwill = welwillendheid, klandizie: Goodwill to man =
in menschen een welbehagen; He bears me a good (an ill) will = is mij
welgezind (draagt mij een kwaad hart toe; Zie ook Way); He will get
angry = is wel eens boos, wordt gauw boos; Boys will be boys = jongens
zijn jongens; He will have me dine with him to-morrow = hij wil mij
morgen te eten hebben; Will he nill he = of hij wil of niet, willens of
onwillens; The Lord wills me to go = de Heer wil, dat ik ga; His cousin
wills the estate to his sister = vermaakt; You are free to will your
property away to anybody = vrij uwe bezittingen aan wien ge wilt te
vermaken; Will-power = wilskracht; You are a self-willed character =
eigenzinnig, koppig. Zie Willing.
Will, wil, verk. van William, wilj’m; Willie Winkle = Klaas Vaak.
Willing, wiliŋ: I am willing = ik ben bereid, wil wel; God willing =
indien God het wil; Willing or not willing = Willing or unwilling = hij
mag willen of niet; Willingness = gewilligheid, genegenheid.
Will-o’-the-wisp, wilədhəwisp, dwaallichtje.
Willoughby, wiləbi.
Willow, wilou, wilg, wilgentak(-hout), bat: He (she) is wearing the
willow = treurt of rouwt over een verloren lief; To wield the willow =
cricketen; Willow-garland = wilgenkrans; Willow-tree = wilgenboom;
Willow-warbler = Willow-wren = fitis, hofzanger; Willowed = vol wilgen,
met wilgen beplant; Willowy = vol wilgen, als wilgen, als eene wilg.
Willy-nilly = of hij wil of niet, weifelend, onbetrouwbaar.
Willy, wili, Wim.
Wilt, wilt, verwelken, slap worden, ontzenuwen.
Wilton, wilt’n: Wilton carpet, soort. v. pluche of velours tapijt;
Wiltshire, wiltšə.
Wily, waili, sluw, slim.
Wimble, wimb’l, subst. drilboor; Wimble verb. boren, drillen.
Wimbrel, wimbr’l. Zie Whimbrel.
Wimple, wimp’l, subst. kap waarmede de priesters worden bekleed bij de
aflegging der geloften; zwarte kap der nonnen; Wimple verb. met een kap
bedekken, omsluieren, rimpelen, kronkelen: The wimpling waves =
gerimpelde golven.
Win, win, subst. overwinning, gewonnen partij, succes; Win verb.
winnen, verkrijgen, behalen, overwinnen, zegevieren, bewegen,
overreden: Win her and wear her = win haar en koester haar; Who wins
loses = qui perd gagne; He could not win the ear of the audience = zijn
gehoor niet boeien; To win one’s way = (langzaam) vorderingen maken; He
has won me over = mij overgehaald; We have won through this dreary time
by the help of illusions = zijn dezen naren tijd te boven gekomen; That
has won upon the hearts of the people = het hart der menschen ingepakt;
We have won upon the enemy = een voordeel behaald op; He so won upon me
that .... = kreeg me zoover; Winner = winner; Winning = bekoorlijk,
innemend (Wins = winst): To have a winning way with a person = zich
bemind maken bij; Winning-post = eindpaal (bij wedrennen).
Wince, wins, terugdeinzen (at), ineenkrimpen, uitvluchten zoeken: He
winced from the very thought of death = ijsde bij; He winced under the
blow = kromp ineen; Without wincing = zonder een spier te vertrekken.
Winch, winš, subst. haspel, lier; Winch verb. ophijschen met een lier.
Winchelsea, wintšəlsî; Winchester, wintšəstə: Winchester rifle = soort
geweer.
Wind, wind, wind, tocht, lucht(druk), adem, opgeblazenheid,
blaasinstrument; Wind verb. luchten, laten doorwaaien, achter adem
brengen, afjakkeren, op adem laten komen: Wood-winds = houten
blaasinstrumenten; The delicacy of the wind in the prelude = het fijn
opgevatte gedeelte voor de blaasinstrumenten; Winds and strings =
blaasen strijkinstrumenten; The four winds = streken van het kompas;
Short wind = korte adem; Sound of wind and limb = gezond van lijf en
leden; Before the wind = vóór; Close to the wind = scherp bij den wind;
Down the wind = vóór, met den wind mee; Everything here is going down
the wind = alles gaat te niet, naar de maan; We were steaming in the
teeth of the wind (= in the wind’s eye) = vlak in den wind; There is
something in the wind = aan de hand, er broeit wat; To have a thing in
the wind = lucht van iets hebben; He was three sheets in the wind =
aangeschoten; Near the wind = scherp bij: To sail near the wind = iets
zeggen, dat “bij ’t kantje af” is; You must go as near the wind as you
possibly can = het zoo zuinig mogelijk aanleggen; To preach to the
winds = te vergeefs; To throw to the winds = zich niet bekommeren om;
He sails with the wind = hij waait met alle winden; With the wind aft,
ahead = met den wind van achteren, van voren in; I wish to ascertain
how the wind blows = uit welken hoek de wind waait; Sits the wind in
that corner? = waait de wind uit dien hoek; To break wind = een boer
laten; The horse carries (the) wind = draagt zijn kop (neus) hoog; To
change the wind = van koers veranderen; He got his second wind = kwam
op adem; I got wind of it = kreeg er lucht van; The affair got wind =
de zaak werd ruchtbaar; I have (take) the wind of you = ik ben je de
baas; To raise the wind = geld los krijgen; I will take the wind out of
his sails = de loef afsteken; (The part of a ship) between wind and
water = het deel dat door het rollen van het vaartuig of den golfslag
dikwijls boven het water uit komt; gevaarlijke plaats; wind and weather
permitting = wind en weder dienende; Trade winds (= Trades) =
passaatwinden; Windbag = windzak, bluffer, praatjesmaker; Windbag
sleeves = pofmouwen; Windbound = door tegenwind opgehouden; Wind-break
= heining of hek om den wind te breken; Wind-broken = dampig (=
Broken-winded); Wind-dropsy = trommelzucht (Med.); Wind-egg = windei;
Windfall = wat door den wind af- of neergewaaid is, meevallertje,
buitenkansje; Windfallen = door den wind afgewaaid; Wind-flower =
gentiaan, paarsche anemoon; Wind-furnace = windoven; Wind-gall = gezwel
onder aan de pooten van een paard; Wind-gauge = windmeter; Wind-gun =
windroer; Wind-guard = vóórruit (van auto); Wind-hatch = mijnschacht
waaruit het erts naar boven wordt gebracht; Wind-instrument = blaas- of
windinstrument; Windmill = windmolen: You are tilting at windmills =
vecht tegen windmolens; Windpipe = luchtpijp; Wind-rode = door den wind
tegen den stroom in gedraaid (van een geankerd schip); Wind-row = zwad
gras of een hoop turf (om te drogen); Wind-row verb. in regels leggen;
Wind-sail = koelzeil (als ventilator beneden in het schip); Wind-side =
windzijde; Wind-tight = ondoordringbaar voor den wind; Windage =
luchtdruk, zuiging, speelruimte (kanon), invloed van den wind op de
afwijking van een kogel; Winded: achter adem; vooral gebruikt in
samenst.: Long-winded = van langen adem; Short-winded = kortademig;
Windless = zonder wind of adem, glad, vlak; Windward, subst. loefzijde;
adj. naar den wind: To windward = te loever; I have laid my anchor to
the windward = heb tijdig mijne maatregelen genomen; I have got (to)
the windward of him = hem de loef afgestoken; Windiness, subst. v.
Windy = winderig, wind... (Wind side), opgeblazen.
Wind, waind, winden, draaien, rollen, kronkelen, krom trekken,
wikkelen, telkens veranderen; blazen: To wind a call = een commando
geven met het bootsmansfluitje; The horn was wound = er werd op den
hoorn geblazen; To wind a ball of worsted = opwinden; He cleverly wound
it into his speech = vlocht dat in; The skein was wound off = werd
afgewonden; He wound himself out of it = redde er zich uit, draaide er
zich uit; He wound his way through all the intricacies of the debate =
hij kwam goed en wel door het ingewikkelde debat heen; To wind up a
letter = besluiten; The thread was wound up = werd opgewonden; Wind
(up) your watch = wind uw horloge op; The band wound up with the
national anthem = het orkest speelde het volkslied tot besluit; The
business was wound up = werd gelikwideerd; If this sort of thing goes
on any longer, I shall be wound up in the bankruptcy court = zal het
einde van het liedje een failliet zijn; Wind-up = likwidatie: Wind-up
sale = finale uitverkoop; Winding-up = slot (van een rede), uitverkoop,
faillissement; Winder, subst. wie of wat windt, enz., haspel,
slingerplant. Zie Winding.
Windhover, windhɐvə, windhovə, torenvalk.
Winding, waindiŋ, subst. bocht, kronkeling, draai; adj. draaiend,
kronkelend, krom, draai...: Winding-engine = kraan; Winding-horn =
waldhoorn; Winding-sheet = lijkwa; dief (aan een kaars);
Winding-staircase = Winding-stairs = wenteltrap; Winding-tackle =
hijschtakel.
Windlass, windləs, lier, gangspil; Windlass verb. opwinden met een lier
of gangspil.
Windle-straw, wind’lstrô, boender-(struik-, kam-)gras.
Window, windou, venster, loket; Have you got French windows or
sash-windows in your room? = openslaande (ramen) deuren of schuiframen;
The book was in the window at Green’s = lag voor het raam bij; He broke
all the windows = sloeg alle ruiten in; He came in at the door and got
out at the window = en ging weg door het raam; He looked out at the
window = hij keek door het raam naar buiten; He looked out of the
window = hij keek uit het raam naar buiten; Window-blind = zonneblind,
jalouzie, (rol) venstergordijn = Window-curtain = gordijn;
Window-cleaning company = glazenwasscherij; Window-dresser = étaleur;
Window-dressing; Window-duty = belasting op vensters; Window-frame =
vensterkozijn; Window-glass = vensterglas; Window-pane = ruit;
Window-sash = het op- en neergaande deel van een raam; Window-seat =
vensterbank; Window-slot = venstergleuf; Window-tapper = porder;
Window-tax = belasting op de vensters; Windowed = met (veel) vensters.
Windsor, winzə, stad: Windsor-chair = met hoogen rug; Windsor-soap =
soort toiletzeep.
Wine, wain, wijn, dronkenschap, wijnfuif: Still wine = niet parelende
wijn; Sparkling wines = parelende wijnen; Wine and water = grog van
wijn; Spirit of wine = wijngeest, alcohol; It is a pity to dilute this
wine = te verdunnen; He never mixes his wines = drinkt nooit door
elkaar; Good wine needs no bush = behoeft geen krans; When wine is in,
wit is out = als de wijn is in den man, is de wijsheid in de kan; When
the wine is drawn it must be drunk = men moet het ijzer smeden als het
heet is; Wine-bag = wijnzak; Wine-bibber = pimpelaar; Wine-bin =
wijnkist; Wine-biscuit = wijnbeschuitje; Wine-bottle; Wine-cask =
wijnvat; Wine-cellar = wijnkelder; Wine-cooler = koelvat (voor wijnen);
Wine-decanter = karaf; Wine-glass = wijnglas; Wine-grower = wijnbouwer;
Wine-growing; Wine-lees = wijnmoer; Wine-merchant = wijnkooper;
Wine-press = wijnpers; Wine-shop = wijnhuis; Wine-skin = wijnzak;
Wine-stone = wijnsteen; Wine-vault = groote wijnkelder; Wine-vaults =
proeflokaal; Wine-vinegar = wijnazijn.
Winfred, winfred, Winfried.
Wing, wiŋ, subst. vleugel, wiek, vlerk, vlucht, coulisse, épaulet,
molenwiek; Wing verb. van vleugels voorzien, bevleugelen, vliegen,
doorvliegen, onschadelijk maken (in den vleugel, arm of been treffen):
Swallows on the wing = vliegende zwaluwen; We are on the wing = aan den
arbeid; The general was on the left wing = aan den linker vleugel; She
went there under the wing(s) of her mother = onder moeders vleugels; We
went there upon the wings of the wind = op de vleugelen des winds; The
bird beat its wings against its prison = sloeg met; To clip a person’s
wings = iemand kortwieken; His soul has taken wing = is (het lichaam)
ontvloden; They took wing = gingen aan den haal; The angel winged his
flight (way) to the earth = richtte zijne vlucht naar de aarde; I doubt
if I can wing the ruffian = onschadelijk kan maken; Wing-case =
vleugelschild; Wing-shell = vleugelhoren; Wing-shot = schot op een
vliegenden vogel; Wing-stroke = vleugelslag; Winged = ge- of
bevleugeld, vlug: Winged words = gevleugelde woorden; Wingless = zonder
vleugels, met rudimentaire vleugels; Winglet = vleugeltje.
Wink, wiŋk, subst. knipoogje, wenk, oogenblikje, blink; Wink verb.
knipoogen, wenken: I did not get a wink of sleep last night, I never
slept a wink = heb geen oog dichtgedaan; To give (tip) a wink to a
person = To tip a person the wink = een wenk geven; I will just take
forty winks = ga even dutten; He winked at my shortcomings = zag door
de vingers; Wink-a-peep = guichelheil; Winker = wimper, oog, oogklep;
It was done like winkey, like winking = zeer snel en flink.
Winkle, wiŋk’l, alikruik.
Winkle-hawk, wiŋk’lhôk, winkelhaak, scheur (Amer.).
Winnipeg, winəpeg; Winipiseogee, winipisôkî.
Winnow, winou, wannen, ziften, schiften; Winnower; Winnowing:
Winnow-basket (-machine, -sieve).
Winslow, winzlou.
Winter, wintə, subst. winter; ook adj.; Winter verb. overwinteren, de
winterkwartieren betrekken, gedurende den winter bewaren (vertoeven),
overhouden (van planten, etc.): It happened at (the) death of winter,
in the depth of winter = in het hartje van den winter; Winter apple =
winterappel; Winter barley = wintergerst; Winter citron = soort v.
winterpeer; Winter cough = chronische bronchitis; Winter crop =
winteroogst, wintervrucht; Winter moth = wintervlinder; Winter pear =
winterpeer; Winter quarters = winterkwartieren; They went into winter
quarters = betrokken de winterkwartieren; Winter solstice =
winterzonnestilstand; Winter suit = winterpak; Winter-garden =
wintertuin; Wintergreen = wintergroen; Winter-ground = eene plant tegen
de koude met stroo bedekken; Winter-kill = door strenge koude dooden
(Amer.); Winter-service = winterdienst; Winter-time = wintertijd;
Winter-weather = winterweer; Winterly = wintersch, winterachtig, koud,
somber = Wint(e)ry.
Winy, waini, naar wijn smakend; dronken.
Wipe, waip, subst. veeg, het vegen, slag; lik (fig.); Wipe verb. vegen,
afvegen, afwisschen, uitwisschen, ranselen: To give a thing a wipe =
afvegen; He gave me a wipe = gaf me een lik; I wiped his eye = stak hem
de loef af; To wipe one’s feet (shoes) = voeten vegen; The past cannot
be wiped away as we wipe writing from a slate; Everything was wiped off
= afgeveegd, weggevaagd; To wipe off a score = een rekening vereffenen;
To wipe out = het levenslicht uitblazen; He was wiped (out) of his
watch = zijn horloge werd hem ontfutseld; Wipe it out = veeg of wisch
het uit; I have wiped up the floor with him = ik heb hem tegen den
grond gesmakt; Wiper = veger, stoffer, wisscher; Wiping-cloth
(Wiping-clout) = doek.
Wire, waiə, subst. draad, ijzerdraad, telegraafdraad, telegram; Wire
verb. met een metalen draad vastmaken, aan een draad rijgen, in een
strik (van metaal) vangen, telegrapheeren, met ijzerdraad omringen: He
replied by wire = per draad, telegrafisch; To manipulate (pull, work)
the wires = de draden in handen hebben, in ’t geheim besturen; To send
a wire = telegram; That boy seems to be all on wires = kan niet stil
zitten, heeft kwik in zijn lijf; He has wired away (in) = is met kracht
aan den arbeid gegaan; Wire back, please = antwoord per draad verzocht;
Wire-blind = horretje; Wire-bridge = hangbrug; Wire-brush; Wiredraw =
trekken of rekken van metaaldraden, uitspinnen, muggenziften;
Wiredrawer = draadtrekker; Wiredrawing (fig.) = zaniken; Wire-edge =
draad (van een pas geslepen mes, schaats, etc.); Wire-entanglement =
draadversperring; Wire-grate = chassinet; Wire-gauze = fijn metaalgaas;
Wire-puller = die de draden in handen heeft, (politieke) intrigant;
Wire-pulling = geheime invloed, intrige(s); Wire-stitching = het
hechten van de bladen met ijzerdraad; Wireless telegraphy (Wireless
station); Wiriness, subst. v. Wiry = van of sterk als ijzerdraad,
borstelig, mager en gespierd, taai, scherp: His wiry chin = zijn
scherpe, puntige kin; I am rather wiry, and can stand a good deal of
fatigue = ik ben nogal taai.
Wisconsin, wiskonsin.
Wisdom, wizd’m, wijsheid, wetenschap; Wisdom-tooth = verstandskies: Has
he cut his wisdom-tooth yet? = heeft hij zijn verstandskies al.
Wise, waiz, wijs, verstandig, vroom (Bijb.), ernstig, ervaren, bekwaam:
The three Wise men of the East = de Wijzen uit het Oosten; Wise woman =
waarzegster; vroedvrouw; It is easy to be wise after the event = wie
wist, die won; Why, man, take it, who is the wiser? = wie weet er wat
van, wordt er wat van gewaar; A word to the wise is enough = een goed
verstaander heeft maar een half woord noodig, Wiseacre, waizeikə,
waanwijze, wijsneus; Wise-hearted = wijs, bekwaam; Wiseness = Wisdom.
Wise, waiz, wijze: In any wise = op de een of andere manier; In no wise
= op geenerlei manier, geenszins; On this wise = op deze manier.
Wish, wiš, subst. wensch, verlangen, begeerte; Wish verb. wenschen,
verlangen, hopen: To give a person his wish = iemands wensch vervullen;
To have one’s wish = zijn wensch vervuld krijgen; I wish he may do it =
ik wou dat ....; I wish you joy (of it) = ik feliciteer u (er mee); I
wish you well = ik mag u graag, ben u goed gezind; To wish a person at
the devil (Jericho); I wished for your return = verlangde naar; I
wished him over the moon = wou dat hij op de Mookerhei zat;
Wish(ing)-bone = borstbeen van een vogel: To divide a wish(ing)-bone,
(gezegd van een jongen en een meisje, die ieder aan een eind trekken;
die het langste stuk in de hand houdt, zal het eerst trouwen of een
wensch vervuld zien); Wishing-cap (-rod) = tooverhoedje (roede);
Wisher; Wishful = wenschend, verlangend, smachtend: To be wishful of;
subst. Wishfulness.
Wishart, wišət.
Wish-wash, wišwoš, slap, waterig; ook subst.; Wishy-washy = slap,
onbeduidend, sentimenteel.
Wisp, wisp, wisch, bosje of bundeltje, vegertje, dwaallicht; Wisp verb.
afvegen: A wisp of a girl = een nietig, schraal meisje, klein ding;
Wisp of hair; adj. Wispy.
Wist, wist, oud imperf. van to wit.
Wistful, wistful, peinzend, ernstig, droefgeestig, vol droef verlangen;
subst. Wistfulness.
Wistiti, wistiti, soort v. Z. Am. aap.
Wistonwish, wist’nwiš, prairiehond.
Wit, subst. kennis, verstand, vernuft, rede, scherpzinnigheid,
grappigheid of geest(igheid), geestig man, humorist; ook verb. in: To
wit = namelijk, te weten: Mother wit = natuurlijk gezond verstand;
Ready wit = gevatheid; He is at his wit’s end, at his wits’ end = ten
einde raad; Are you in your wits? = hebt gij “de vijf” bij elkander; He
is out of his wits = is de kluts kwijt, gek; He has all his wits about
him = al zijne zinnen goed bij elkaar; To come to one’s wits again =
weer tot bezinning komen; To drive a person out of his wits = dol
maken; You have frightened them out of their wits = ze vreeselijk doen
schrikken; To live by one’s wits only = op de een of andere manier
zonder werken door de wereld komen; That will set your wits to work = u
alle overleg doen gebruiken; Use your wits = gebruik uw verstand;
Witless = dom, onverstandig, dwaas; subst. Witlessness; Witted:
Dull-wited, Quick-witted = suf, scherpzinnig; Wittingly =
voorbedachtelijk.
Witch, witš, subst. heks; Witch verb. beheksen, betooveren: He is no
witch = geen heksenmeester; Witchcraft = Witchery; Witch-elm = bergiep;
Witch-hazel = hamamelis; Witch-meal = groote wolfsklauw; Witchery =
betoovering, bekorting.
Witenagemot(e), witənagəmout, nationale vergadering (bij de
Angel-Saksers).
With, widh, met, mede, door, bij, van, etc.: Blind with fear; Frantic
with despair = gek van wanhoop; Stiff with cold; Thirsty with walking;
I have no power with him = invloed op hem; One year with another = het
eene jaar door het andere; I am with you there = met u eens; Withal,
widhôl, daarbij, bovendien, verder.
Withdraw, widhdrô, terugtrekken, weggaan, onttrekken, terugnemen,
inhouden (bij verkoop): He withdrew his support = onthield ons zijn
steun; He withdrew from business = trad uit; Withdrawal = terugroeping,
terugtrekking, terugneming, opvraging van inleg; Withdrawer;
Withdrawing: Withdrawing-room = Drawing-room; Withdrawment =
Withdrawal; Withdrawn, p.p. van Withdraw.
Withe, w(a)idh, with, subst. wilgentwijgje, rijsje. Zie Withy.