Wert, wɐ̂t, 2e pers. sing. imp. van to be.

Wesley, wezli, Wesley: Wesleyan, subst. en adj. (lid van de secte) door

W. gesticht; Wesleyanism.

West, west, subst. Westen; adj westelijk; adv. ten westen, naar het

westen: The West End = Westeinde, aristocratische wijk in Londen; A

West-ender = bewoner van ’t Westeinde; West India; West Indian; The

West Indies; To the West of the city = ten westen van de stad;

Westering = afstand naar het westen, westelijke koers; Westerly =

westelijk; Western = westersch, westelijk: The Western Empire = het

Westersch-Romeinsche rijk; Westernmost = het meest naar het Westen

gelegen. Zie Westward.

Westmeath, westmîdh; Westminster, wes(t)minstə; Westmor(e)land,

wes(t)möland; Westphalia, westfeiljə, Westfalen; Westphalian, subst. en

adj. (bewoner) van W.

Westward, westwəd, naar het Westen, westwaartsch; Westwards = ten

westen, westwaarts.

Wet, wet, subst. vocht, nat, vochtig weer, regen, slokje, “hapje”; adj.

nat, vochtig, regenachtig, miezerig, beneveld; Wet verb. bevochtigen,

nat maken, weeken, doorweeken, dronken maken: Have a wet = neem een

“hapje”; Something to keep the wet out = een hapje tegen de vochtigheid

van ’t weer; I am wet through = doornat; Her face was wet with tears =

nat van tranen; A very wet jew = een echte “spekjood”; To have a wet

night of it = flink drinken; At eleven o’clock sharp, wet or fine = bij

regen of mooi weer; Wet the other eye! = op één been kan men niet

loopen; He is a wet-blanket = hij is een spelbederver; He is a wet-bob

= jongen (te Eton) die aan watersport doet; Wet-dock = drijvend dok;

Wet-nurse = min; Wet-pack = natte omslag; Wet-shod = met lekke

schoenen; Wetness = natheid; To get a wetting = nat regenen; Wettish =

nattig, eenigszins vochtig.

Wether, wedhə, hamel: Bell-wether = belhamel (ook fig.).

Wetteravia, wetəreivjə, Wetterau.

Wey, wei, zekere maat (zie Weigh).

Weymouth, weiməth.

Whack, wak, subst. slag, opstopper, handslag, aandeel in den buit,

poging; Whack verb. ranselen, verdeelen, betalen; interj. pats! To go

whacks = gelijk op deelen; He has had his whack = zijn deel gehad,

genoten; Say the word and it is a whack = en de koop is gesloten; To

take a whack at = eens probeeren; Out of whack = in wanorde; Justice

was not fairly whacked out = toebedeeld; Whacker = infame leugen;

Whacking = kolossaal.

Whale, weil, walvisch: Your story is very like a whale = uw verhaal is

heel onwaarschijnlijk, niet te gelooven; Whale-bird = soort stormvogel;

Whale-boat = walvischsloep; Whale-bone = balein; Whale-fin = balein;

Whale-fishery = walvischvangst; Whale-hunting = walvischvaart;

Whale-louse = parasiet van den walvisch; Whale-man = walvischvaarder;

Whale-oil = walvischtraan; Whale-ship = Groenlandsvaarder; Whaler =

walvischvaarder; iets groots of plomps; Whaling: Whaling-master,

kapitein van een Whale-ship.

Whall, wôl, glasoog (Z. Wall).

Whalley, woli.

Whame, weim, horsel = Whame-fly.

Whang, waŋ, subst. leeren riem, geesel, slag, bons, stuk of snede;

Whang verb. ranselen, geeselen.

Whap, wop; Zie Whop.

Wharf, wöf, subst. werf, kaai; Wharf verb. lossen, vertuien; Wharfage,

wöfidž, kaaigeld, (= Wharf-charges), werven, ankerplaats; Wharf-porter

= sjouwerman; Wharfing = werven in ’t algemeen, los- of ligplaats;

Wharfinger, wöfinžə, kaaimeester.

Wharton, wöt’n.

What, wot, wat, wat voor, welk, hetgeen, hoe, zulks, deels: What day of

the month is to-day? = de hoeveelste is het vandaag; What is the game?

= hoe staat de partij; What is your name? = hoe heet ge; What is the

(best) news = wat voor nieuws is er; What is the time (of day), what

time is it? = hoe laat is het; What is up there? = wat is daar aan de

hand; What do you call that? = hoe noemt ge dat? Mr.

What-do-you-call-him = Meneer van der Hummes; What money have you got?

= hoeveel geld heb je; He gave away what money he had = al het geld; I

will tell you what = ik zal je eens wat zeggen; What ho! = hei daar!

What next? = en dan; What of that = wat doet dat er toe; What then? =

wat zou dat; What matter if they are = en wat doet het er toe of ...;

What nonsense = wat een onzin; It won’t do to get into a groove, What?

= niet waar? What about him? = hoe gaat het hem; He got what for =

kreeg er van; What if he comes = wat zullen we doen zoo hij komt, als

hij nu eens komt; What (care) though I am but poor? = wat hindert het;

What though he comes = aangenomen (wat hindert het); What between ...

and = deels door ... deels door = What with ... what with; He called me

fool and what not = en wat al niet; He knows what is what = hij heeft

zijn weetje wel; Whate’er, Whatever, Whatsoever = al wat, wat ook,

hoedanig ook: Whatever is that on your head? = wat drommel heb je toch

op je hoofd; Nobody whatever = niemand wie ook; Whatlike = van welken

aard.

Whatnot, wotnot, étagère.

Whaup, wôp, wulp.

Wheal, wîl, puistje, striem; mijn.

Wheat, wît, tarwe: Bearded wheat = spelt; Wheatear = tapuit (vogel);

Wheat-ear = tarweaar; Wheat-moth, (Wheat-worm) = korenworm; Wheaten =

van tarwe: Wheaten bread = tarwebrood.

Wheedle, wîd’l, flikflooien, vleien, bepraten: He wheedled me out of 5

pounds, wheedled me into lending him that sum = hij kreeg er mij door

mooie praatjes toe, hem vijf pond te geven, leenen; He could wheedle

the tire off a cart-wheel (He could wheedle a horse’s hind leg off) =

hij kon je het hemd van ’t lijf bedelen; Wheedler = vleier,

flikflooier.

Wheel, wîl, subst. wiel, rad, stuurrad, rijwiel, vuurrad, rad van

fortuin, cirkelgang, zwenking, schijf; Wheel verb. wentelen,

ronddraaien, op raderen vervoeren, in een cirkel bewegen, van raderen

voorzien, om eene as draaien, wenden, kruien, zwenken, (wiel)rijden: He

was broken upon the wheel = werd geradbraakt; To grease the wheels

(fig.) = de hand stoppen; To help the wheel over = over het doode punt

heen helpen; To put one’s shoulder to the wheel = flink aanpakken; He

put a spoke in your wheel = hij heeft u een spaak in ’t wiel gestoken,

in de wielen gereden; I feel myself to be a fifth wheel to the coach =

dat ik het vijfde rad aan den wagen ben; Wheels within wheels =

gecompliceerd plan, onduidelijke motieven; We were wheeling along at a

fast rate = snorden voort; Wheel it back = rol het achteruit;

Wheel-animals, Wheel-animalcules = raderdiertjes; Wheelbarrow =

kruiwagen; Wheel-boat = raderboot; Wheel-carriage = voertuig op wielen;

Wheel-chair = rolstoel; Wheel-cutter = radsnijder; Wheel-drag =

remschoen; Wheel-horse = Wheeler; Wheelman = roerganger, wielrijder;

Wheel-shaped = radvormig; Wheel-steamer = raderboot; Wheel-window =

rozet; Wheelwoman = wielrijdster; Wheelwork = raderwerk; Wheelwright =

wagenmaker; Wheeled = op of met wielen, per as; Wheeler = wieldraaier,

radermaker, wielrijder, disselpaard: The leaders and the wheelers = de

voorste en de achterste paarden van een vierspan.

Wheeze, wîz, snuiven, zwaar ademhalen, hijgen; subst. snuiven;

aardigheid; snufje: To crack a wheeze = een mop tappen; A new wheeze =

een nieuw snufje; Wheezy = snuivend, hijgend, aamborstig.

Whelk, welk, puistje, striem; wulk (schelpd.).

Whelm, welm, overstelpen, indompelen, bedekken, verpletteren,

vernietigen.

Whelp, welp, subst. jonge hond, welp, zoon, jonge man, guit; Whelp

verb. jongen werpen: Bitch in whelp = drachtige; Whelpless.

When, wen, wanneer, toen, als: At the very time when he told me this =

juist toen hij; Even when you told me so = juist toen; Since when? =

sedert wanneer; Since when = sedert welken tijd; When due = op

vervaltijd; When received = na ontvangst; When young = in mijn jeugd;

Whenas = wanneer, terwijl; Whence = vanwaar, waaruit; Whencesoever =

waar ook vandaan; Whenever (Whene’er) = wanneer ook, telkens wanneer =

Whensoever.

Where, wêə, waar, waarheen, alwaar: Where are you going? = waar gaat ge

naar toe; I don’t know whereall he is going = waar hij al ... heengaat;

Where-about(s), adv. nabij welke plaats, waar ongeveer; subst.

verblijfplaats, woonplaats, adres: We discovered the where-abouts of

the missing lady = waar de vermiste dame was; I sent him to the

where-about(s) = heb hem de laan uitgestuurd; Whereas = terwijl,

daarentegen, aangezien, nademaal; Whereat = waarop; Whereby = waardoor,

waarbij; Wherefore = waarom, met welk doel, zoodat; Wherein = waarin;

Whereinto = waarin; Whereness = plaats waar zich iets bevindt; Whereof

= waarvan; Whereon = waarop (= Whereupon); Wheresoever = waar dan ook;

Whereto, Whereunto = waarheen, waartoe, met welk doel; Wherever,

wêrevə, waar ook; Wherewith = waarmede; Wherewithal = waarmee; subst.

middel (v. bestaan): He has not got the wherewithal to live = heeft

geen middel van bestaan.

Wherry, weri, soort roeiboot, veerboot; soort cider; Wherry-man =

veerman.

Whet, wet, scherp maken, wetten, prikkelen, opwekken (v. eetlust,

etc.); Whet-slate = oliesteen = Whet-stone-slate; Whet-stone =

wetsteen, slijpsteen; Whetter = slijper, slijpsteen.

Whether, wedhə, pron. welke van twee; coni. hetzij, of: Whether he come

or go = hetzij hij kome of ga; Whether or no(t) = al of niet.

Whew, wjû, Poeh! Bah! Foei!

Whewell, wjû’l.

Whey, wei: Whey-cure; Whey-tub = weivat; Wheyey = Wheyish = weiachtig.

Which, witš, welk, hetwelk, die of dat, welke: Which is yours? = welke

(van deze) is van u; He knows which is which = kent ze uit elkaar, hij

weet er alles van; Added to which = waar nog bij komt; Whichever,

Whichsoever = welke ook.

Whiff, wif, subst. haal, trekje, ademtocht, haastige blik, soort van

lichte roeiboot, soort scharretong; Whiff verb. dampen, uitblazen v.

rook: He got a whiff of the nice dish = kreeg in den neus; I will take

a whiff or two = een paar trekjes doen.

Whiffle, wif’l, subst. fluitje; Whiffle verb. met rukken waaien,

fluiten, telkens veranderen, uitvluchten maken, wegblazen, doen

weifelen; Whiffle-tree = zwengelhout.

Whig, wig, subst. Whig, liberaal (van de oude school); adj. van de

partij der Whigs; Whiggery = beginselen der Whigs = Whiggism; adj.

Whiggish: subst. Whiggishness.

Whigging, wigiŋ: To give a person a whigging = afranselen, een

schrobbeering geven.

While, wail, subst. tijd, tijdruimte, wijl, poos; While verb.

verdrijven, korten; coni. terwijl, zoolang; Whiles = soms; The while =

ondertusschen; In the meanwhile = middelerwijl; Quite a while = een

tijd lang; A good (little) while ago = een heele poos (een poosje)

geleden; It is hardly worth (your) while to look at = haast de moeite

niet waard (dat gij ...); He visits us between whiles = zoo nu en dan;

Listen for a while = een oogenblikje; I see your name in the papers

once in a while = zoo nu en dan; She has got money to invest every once

in a while (Am.) = telkens; Not yet a while = vooreerst niet; I have

whiled away my time in reading this book = mijn tijd gezellig

doorgebracht met; Whilere, wailêə = Whilom, wail’m, wailoum, voorheen,

vroeger; Whilst = terwijl: The whilst = ondertusschen.

Whim, wim, gril, kuur; windas, soort kaapstander, mijn: She is full of

whims = vol kuren.

Whimbrel, wimbr’l, regenwulp of kleine wulp.

Whimper, wimpə, subst. gegrien, geteem; Whimper verb. grienen, teemen:

Without a whimper = zonder een kik te geven.

Whimsical, wimzik’l, grillig; Whimsicality = grilligheid =

Whimsicalness; Whimsy = gril; adj. grillig.

Whin, win, gaspeldoorn; basalt (= Whin-stone); Whin-berry = blauwe

boschbes; Red Whin-berry = roode boschbes; Whinchat = kleine walduiker;

Whinny = vol gaspeldoorns; vol basalt, basaltachtig. Zie Whinny.

Whine, wain, subst. gejammer, gekerm, geteem; Whine verb. jammeren,

kermen, teemen; Whiner; In a whiney-piney voice = jankerig.

Whinny, wini, subst. gehinnik, gebriesch; Whinny verb. brieschen,

hinniken. Zie Whin.

Whip, wip, subst. zweep, geesel, koetsier, wipper (talie), lijn, wiek

van een molen; overhandsche naad, soort stroomsluiter (electr.),

schuim, pikeur, agenda door den Whip (= Whipper-in) gezonden; Whip

verb. snel bewegen, snellen, wippen, springen, het snoer uitwerpen,

hengelen in, afvisschen, overhands naaien, wikkelen, gappen, knuppelen,

takelen, geeselen (ook fig.), zweepen, tot schuim slaan of kloppen: He

is a passable whip = vrij goed voerman; He rode to it whip and spur =

spoorslags; Crack (Smack) went the whips = de zweepen klapten; To crack

(smack) a whip = doen knallen; To whip a custard = vlade klaarmaken,

kloppen; Do you want me to help you to whip the devil round the stump?

= dat ik u zou helpen knoeien en bedriegen; We have whipped this part

of the stream = afgevischt; It was whipped about (around) with brown

paper = gewikkeld in; He whipped it from us = gapte het van ons; He

whipped his head into the window = stak plotseling zijn hoofd naar

binnen; The tooth was whipped out in less than no time = werd er

uitgewipt; They whipped up the cherries = gapten weg; Whipped cream =

slagroom; Whipped eggs = tot schuim geklopt eiwit; Whip-cord =

zweepkoord, snaar; Whip-hand = rechterhand, voordeel, meerderheid: He

did not frequently venture to take the whip-hand of her = haar den boel

uit de hand te nemen; As you have the whip-hand of me, you may be as

humorous as you please = daar je me in je macht hebt; Whip-handle: To

have (keep) the whip-handle = het heft in handen hebben (houden);

Whip-lash = het slag v. eene zweep; Whip-saw = trekzaag; Whip-staff =

helmhout; Whip-stitch = overhands naaien, innaaien, ondiep ploegen;

subst. overhandsche steek; Whip-stock = zweepstok; Whipper (Whipster) =

geeselaar, zweeper, werkman, die de wipper bedient; Whip-in = pikeur,

leider der honden bij een vossenjacht; invloedrijk parlementslid, dat

o.a. zorgt dat zijne partij bij eene belangrijke stemming tegenwoordig

is en aan wien in ’t algemeen de partijdiscipline is toevertrouwd;

Whip-snapper = kereltje, nietig ventje; Whipping: Whip-post =

geeselpaal; Whip-top = drijftol.

Whipple-tree, wip’ltrî = Whiffle-tree.

Whip-poor-will, wipûwil, soort geitenmelker.

Whir, wɐ̂, subst. gesnor, gegons (v. opvliegende vogels); Whir verb.

snorren, gonzend of ruischend opvliegen; interj. rrrr!

Whirl, wɐ̂l, subst. warreling, draaikolk, snorren, kronkeling, krans;

Whirl verb. snel ronddraaien, in snellen draai medevoeren, dwarrelen,

snorren: They were whirled away = snorden weg; We were quickly whirled

back to D. = snorden terug; Whirlpool = maalstroom, draaikolk;

Whirlwind = wervelwind: She was in a whirlwind of passion = werd

voortgesleurd door haren hartstocht; Whirlwindish activity =

onstuimige; Whirler = wie of wat ronddraait; Whirligig, wɐ̂ligig,

draaitol, warreling, draaimolen, draaikever: The whirl of time = het

snelle vlieden van den tijd; Whirl-ventilator = ventilatierad.

Whish, wiš, sissen, suizen, suizend voortsnellen; interj. Sst.

Whisk, wisk, subst. boschje gras (stroo of haar), kleine borstel of

bezem, eierklopper, veeg, slag (van een zweepkoord), windstoot; Whisk

verb. snel vegen of borstelen, kloppen, rondsnorren, zich snel bewegen:

To whisk along = voortsnellen; To whisk away = wegvegen, snel afdoen,

snel wegnemen, wegwippen; To whisk down = snel afrukken; To whisk off =

snel wegvegen, afrukken; He whisked with his pocket-handkerchief at a

fly = sloeg met.

Whisker(s), wiskə(z), bakkebaard(en), snor (van katten, enz.);

Whiskered = met bakkebaarden.

Whisket, wiskət, mand, korf; kleine draaibank.

Whisk(e)y, wiski, korenbrandewijn of whisky; sjees voor één paard.

Whisp, wisp. Zie Wisp.

Whisper, wispə, subst. gefluister, geruisch, wenk; Whisper verb.

fluisteren, ruischen, suizen, influisteren: To give the whisper = een

wenk (tip) geven (sport.); In a whisper = fluisterend; In a pig’s

whisper, Zie Pig; The elder boy whispered the girl = fluisterde het

meisje iets in; He whispered it in my ear = fluisterde het mij in ’t

oor; Whisperer = fluisteraar, oorblazer; Whispering: Whispering-gallery

(Whispering-dome) = fluistergaanderij of -gewelf.

Whist, wist, subst. zeker kaartspel; interj. St! Stil: Hold your whist,

Sir! = je mond; Whist-drive = whistpartij (vaak om prijzen).

Whistle, wis’l, subst. gefluit, fluitje, keel; Whistle verb. fluiten,

gieren, schel geluid voortbrengen: It is not worth the whistle = niet

noemenswaard; Not to care a penny whistle for = geen lor geven om; You

pay (too) dear for your whistle = betaalt uwe liefhebberijen duur; I’ll

wet my whistle first = ik moet eerst mijn keel eens smeren; He can

whistle back the parrot’s call = precies nadoen; She whistled her lover

down the wind = wou niet meer van hem weten; With this experience

everything he had ever cared for was whistled down the wind = voor goed

voorbij, verdwenen; You may whistle for it = ge kunt ernaar fluiten; He

has been whistling for a wind = hij heeft door fluiten eene bries

trachten te krijgen (matrozenbijgeloof); The train was whistled off =

op het fluitje werd het sein tot vertrek gegeven; Whistler = fluiter,

aamborstig paard; houder van een geheimen drankwinkel = Whistling-shop.

Whit, wit, zier, jota, weinigje: Not a whit = in geenen deele; Every

whit = in elk opzicht.

Whitaker, witəkə.

White, wait, subst. het wit, witte kleur, blanke, mikpunt, eiwit,

oogwit; adj. wit, rein, lief, zuiver, blank, vlekkeloos; White verb.

pleisteren: She was dressed in white = in het wit; To hit the white =

in de roos schieten; He showed the whites of his eyes = het wit; If

eggs are boiled too lightly the white does not set = stolt het eiwit

niet; Whites = fijn tarwemeel, witte goederen; witte vloed; White ant =

termiet; White bear = ijsbeer; White clover = witte klaver; White corn

(crop) = tarwe, rogge, gerst of haver; It was a white day for you (a

day to be marked with a white stone) = geluksdag voor u; He showed the

white feather = hij gaf blijk van lafhartigheid; White Friars =

Karmelieten; White frost = rijm; White gold = platina; White goods =

witte goederen; At a white heat = witgloeiend (ook fig.); White herring

= groene haring, pekelharing; White iron = ruw ijzer, blik; Whiteland =

leembodem; It was the whitest of white lies = het onschuldigste van

alle noodleugentjes; White money = zilvergeld; White nights =

slapelooze; White rent = belasting van acht stuiver (aan den Hertog van

Cornwall) in Devon en Cornwall; belasting in zilver; White rope =

ongeteerd touw; White sale = verkoop v. White goods; White Sea; You are

as white as a sheet = als een doek; To get (turn) white = bleek worden;

Whited sepulchres = gepleisterde graven; Whitebait = witvisch; White

beam = witte lijsterbes; White-beard = oude man; White-blaze = bles;

Whiteboy = lid van een geheim genootschap tegen de landheeren (Ierland

1761); White-ear = tapuit, witstaart; White-face = bles (paard);

Whitefish = houting, adelvisch; White-foot = (paard met) witte plek (op

den poot); White-handed = met blanke, reine (onbezoedelde) handen;

White-headed = met grijze haren; White-lead = loodwit; White-limed =

gewit; White-livered = lafhartig; White-meat = melkspijzen; wit

vleesch; White-paint = loodwitverf; White-pot = pudding van melk,

brood, eieren, suiker, enz.; White-smith = tinsmid; White-stocking =

groote witte vlek op den poot v. een paard; Whitetail = White-ear;

White-thorn = hagedoorn, meidoorn; White-throat = grasmusch; Whitewash,

subst. witkalk, witsel; Whitewash verb. witten, reinigen, den goeden

naam teruggeven, homologeeren: To give a room a whitewash; To whitewash

a man’s misconducts = misdragingen vergoelijken; Whitewasher = witter;

Whitewood = boomen met wit hout; Whiten = wit maken, bleeken, bleek of

wit worden; Whitener = bleeker, bleekwater; Whiteness = witheid,

bleekheid, reinheid, onschuld.

Whitechapel, wait-tšap’l; Whitefield, waitfîld; Whitehall, waithôl.

Whitey, waiti, witachtig.

Whither, widher, werwaarts, waarheen: Whithersoever he goes = waarheen

hij ook gaat.

Whiting, waitiŋ, fijngemalen kalk, witkalk; wijting (soort v. visch).

Whitleather, witledhə, wit leder.

Whitlow, witlou, fijt; klauwzeer (schapen).

Whitmonday, witm’ndei, witmɐndi, Pinkstermaandag; Whitsunday,

wits’ndei, witsɐndi, Pinksterzondag; Whittuesday = Pinkster drie;

Whitsun, wits’n = pinkster - -, Pinksteren; Whitsuntide, wits’ntaid,

(de drie) Pinkster(dagen); Whitsunweek = Pinksterweek.

Whittle, wit’l, subst. mes; wollen mantel; Whittle verb. snijden,

scherp maken, bestrijden, besnoeien, verkorten: The radicals want to

whittle down Parliament till nothing remains but the House of Commons =

het Parlement te besnoeien.

Whiz, wiz, subst. snorrend of gonzend geluid; Whiz verb. snorren (van

kogel of pijl): Whizzing temples = bonzende (kloppende) slapen.

Who, hû, wie, die: “She is Miss le Marchant.” Miss le Who? = juffrouw

le “wàt”? Who goes there? = werda! Whoever = alwie = Whosoever.

Whoa, wou(ə) ho! (tegen paarden).

Whole, houl, subst. het geheel; adj. geheel, gezond, ongeschonden:

(Up)on the whole = alles wel beschouwd, over het geheel; Take the whole

of it = neem alles maar; Whole and sound = frisch en gezond; My whole

duty = volle, volledige; Whole milk = volle melk; The whole town = de

geheele stad; The whole truth = de volle waarheid; To make whole =

repareeren; Whole-blood = afstammend in rechte lijn; Whole-hogger =

iemand, die niet van halve maatregelen houdt; Whole-hoofed = éénhoevig;

Whole-length = van het eene einde naar het andere in de volle lengte:

Whole-length picture = ten voeten uit; Whole-note = heele noot;

Wholeness = ongeschondenheid; Wholesale = groothandel, engros zaak: By

wholesale = engros; zonder onderscheid, in ’t algemeen; adj. in ’t

groot handelend, goedkoop, zonder onderscheid te maken; Wholesale

business = engros zaak; Wholesale cost (price), Wholesale merchant;

Wines wholesale and retail = in ’t groot en klein; They were killed

wholesale = bij massa’s; To sell wholesale; Wholesaler; Wholesome =

gezond, heilzaam: Wholesome morals = gezonde zedelijkheid of zeden;

Wholesome teeth = gave tanden; subst. Wholesomeness = gezondheid,

heilzaamheid; Wholly, houli, geheel en al, volkomen.

Whom, hûm, wien, dien, dat: Whomsoever = wien ook.

Whoop, hûp, luid schreeuwen, naschreeuwen, uitjouwen; subst.

geschreeuw, gekras; interj. hu! Whoop of battle = krijgsgeschreeuw;

Whooping-cough, hûpiŋkof, kinkhoest.

Whoot, hût; Zie Hoot.

Whop, wop, slaan, ranselen; subst. slag; Whopper = iets kolossaals,

groote leugen: That’s a whopper = dat is een leugen alsof het gedrukt

was; Whopping, subst. pak ransel; adj. kolossaal: A whopping lie.

Whore, hö, hoer; Whore verb. hoereeren, afgoderij bedrijven;

Whore-master = Whore-monger = hoereerder; Whoredom = hoerdom,

afgoderij; adj. Whorish: subst. Whoreness.

Whorl, wɐ̂l, haspel, winding van eene schelp: Whorled = gedraaid of

gekronkeld.

Whortle, wɐ̂t’l, blauwe boschbes = Whortleberry.

Whose, hûz, wiens, welker, welks, wier; Whosesoever = van wien ook;

Whoso = al wie = Whosoever.

Whur, wɐ̂, subst. gonzend of snorrend geluid, draai, haast; Whur verb.

gonzen, snorren, knorren, de letter r ratelend uitspreken.

Why, wai, subst. het waarom; adv. waartoe, waarom? interj. wel! That is

why = deswege; I wish to know the why and the wherefore = het waarom en

waartoe; It’s not yours to reason why = de reden te vragen; Whyso =

waarom? Why, I never saw such a fool = wel, wel! ik heb nooit zoo’n

dwaas gezien; Why, there is enough left = daar is toch genoeg over,

niet waar?

Whydah, widə.

Wick, wik, pit (v. lamp of kaars); bocht, baai: To turn up the wick;

Wick-yarn = lampenkatoen; Wicking = los katoen voor het maken van

Wicks.

Wicked, wikid, slecht, zondig, goddeloos, onzedelijk, ondeugend,

snaaksch; subst. Wickedness.

Wicken(-tree), wik’n(trî), gewone lijsterbes.

Wicker, wikə, subst. rijs, teen, wilgentakje, mandewerk; adj. van

teenen of twijgjes (= Wickered); Wicker-basket = teenenmand;

Wicker-bottle = mandflesch; Wicker-chair = rieten stoel; Wicker-cradle

= mandewieg; Wickerwork.

Wicket, wikət, deurtje, poortje, kijkgat, schuif, de drie in den grond

geslagen paaltjes met een dwarspaaltje er op (v. cricket);

Wicket-keeper.

Wiclif(fe), wiklif.

Engelsch woordenboek. Eerste deel: Engelsch-Nederlandsch (met uitgeschreven verkortingen) · 第 148 / 152 段