Way, wei, subst. weg, voortgang, reis, levensloop, afstand, plan,

manier, wijze, opzicht, kijk, spoed of beweegkracht, gebruik, gewoonte,

aanloop, middel, vak: He has a way with him = hij heeft zoo iets over

zich; Where there is a will there is a way = willen is kunnen; That’s

the way = zóó moet het, zoo gaat ie goed; It’s that way, is it? = ah!

zit de vork zóó in den steel; That’s the way of wives = zoo doen onze

vrouwtjes; It is the other way about (round) = het is juist andersom,

omgekeerd; Way in, way out = ingang, uitgang (opschrift op een bordje

of plank); He told me so by the way = in ’t voorbijgaan, tusschen

haakjes; I send you my photo by way of apology = bij wijze van excuus;

That is by way of learning a trade = het is met het doel om; We went

there by way of Cologne = via Keulen; It is not the first time by a

long way = op lange na de eerste maal niet; For once in a way = bij

uitzondering, voor een enkelen keer; You are very much in my way = ge

hindert me erg, staat me leelijk in den weg; Take the old home in your

way for a wedding-trip = maak uwe huwelijksreis zóó, dat ge ’t oude

huis kunt bezoeken; In a general way = over ’t algemeen; The picture

is, in a way, finished = in zekeren zin; Have you nothing for me in the

way of a parcel? = geen enkel pakje; That is rather out of the way here

= dat komt hier niet te pas, hoort hier niet; Will you get out of the

way? = wil je maken, dat je weg komt; An out-of-the-way place =

afgelegen plaats; I shall be glad to put myself out of the way on your

account = mij om uwentwil wat last te getroosten; Such work is out of

my way = ligt niet op mijn weg; He was put (got) out of the way = uit

den weg geruimd; Keep out of harm’s way = zorg dat u niets kwaads

overkomt; He went out of his way to inform me of it = gaf zich heel

veel moeite; I won’t go out of my way to benefit you = wil geen moeite

doen te uwen behoeve; He lives over the way = hier tegenover; The ship

got under way (weigh) = ging anker op; We have enjoyed this right of

way for ever so long = het recht om over dit pad te gaan; Ways and

means = bronnen van inkomsten: The committee of ways and means has

granted the supply = de financieele commissie heeft het crediet

toegestaan; Any way he didn’t know what to answer = in elk geval; He is

in a bad way = er slecht aan toe; He has got into bad ways (fallen in

evil ways) = op ’t verkeerde pad geraakt; You are wrong every way = in

alle opzichten; She is in the family way = ze moet bevallen; The

village lies half way between the towns = halverwege tusschen; He went

London way = den weg naar Londen op; He begged his way back to his

native village = ging al bedelende; Clear the way, there! = maak ruim

baan; Come this way, sir = kom eens hier, baas(je); Come your way(s) =

allo! ga mee; He elbowed his way through the crowd = baande zich een

weg door; He got his own way = kreeg zijn zin; He went his way(s) =

ging heen, vertrok; He has gone the way of all flesh (of all the earth)

= hij is gestorven; His influence goes a long way with the minister =

hij heeft veel invloed bij; He will always have his (own) way = zijn

zin hebben; Will you lead the way? = vooropgaan; I had lost my way = ik

was verdwaald; He is sure to make his way in the world = zal zijn weg

wel vinden; At your age you must make (a) way for another = moet ge

plaats maken, wijken; We made the best of our way home = maakten dat we

zoo gauw mogelijk thuis kwamen; You must take your own way = gij moet

zelf weten wat ge doet; He took his way to Antwerp = vertrok naar;

interj. (= Away) weg: Way back! = terug; Go (your) way = ga weg! Oh, do

way John = Och toe, Jan, houd stil! (Launching) ways = stapelblokken

(Scheepst.); Way-bill = geleibrief, factuur, soort van vrachtbrief;

lijst van de passagiers (in een diligence) of der goederen (in een

vrachtwagen): Express, ordinary, parcel way-bill = lijst van de ijl-,

vracht-, bestelgoederen; Way-board = leemader; Way-bread = groote

weegbree; Wayfarer = reiziger; Wayfaring = het reizen; Wayfaring-tree =

wollige sneeuwbal; Waygoing = vertrekkend, reis—: Waygoing crop = oogst

van het land die aan den opvolgenden pachter behoort; Way(z)goose =

jaarlijksche maaltijd aan de knechts eener drukkerij in Engel.; Waylay,

weilei, weilei, belagen, opwachten (om te bestelen, etc.); Waylayer =

belager; Way-leave = recht van overweg of vergoeding voor ’t gebruik;

Way-maker = baanbreker, voorlooper; Way-mark = wegwijzer; Way-passenger

= onderweg opgenomen passagier (Amer.); Wayside, subst. weg, kant van

den weg: Tales of a wayside inn = verhalen in eene herberg aan den weg;

Way-station = tusschenstation (Amer.); Way-warden = wegopzichter;

Waysore = Way-worn = moe van het reizen.

Wayward = dwars, grillig, eigenzinnig; subst. Waywardness.

Waywode, weiwoud, gouverneur v. stad of provincie (Rusland);

Waywode-ship.

We, wî, wij: It is we = wij zijn het.

Weak, wîk, zwak, uitgeput, ziekelijk, niet sterk, broos, onvoldoende,

gebrekkig: This coffee is as weak as ditch-water = zoo slap als

spoelwater; He is as weak as water in his wife’s hands = als was in de

handen van zijne vrouw; That is his weak side and it is there you must

take him = dat is zijne zwakke zijde; The weak spot in the scheme = het

zwakke punt; In the struggle for life the weakest go to the wall =

bezwijken de zwaksten; Weak verbs = zwakke werkwoorden; Weak-eyed = met

zwakke oogen; Weak-headed = met gering verstand; Weak-hearted =

flauwhartig; Weak-kneed = gemakkelijk bezwijkend, niet vastberaden;

Weak-made = zwak gebouwd, onsterk; Weak-minded = zwak, besluiteloos;

Weak-sighted = met een zwak gezicht; Weak-spirited = lafhartig,

beschroomd; Weaken = verzwakken, verslappen, verdunnen; Weakener;

Weakling = zwakkeling, bloed, stumperd, ook adj.; Weakly, adj. en adv.

zwak, slapjes; Weakness = zwakheid, slapheid: To have a weakness for =

zwak hebben voor.

Weal, wîl, subst. welzijn, geluk, gemeenebest; striem of streep, teeken

van striemen; Weal verb. striemen: Weal and woe = wel en wee; The

common, general, public weal = het algemeene welzijn of nut.

Wealth, welth, rijkdom, overvloed = Wealthiness; adj. Wealthy = rijk.

Weald, wîld, open boschland: The Weald = zich door Kent en Surrey

uitstrekkende vlakte.

Wean, wîn, spenen, afwennen, vervreemden, onttroggelen: She had no

desire to wean him from Bessie = aan B. te onttroggelen; Weanling,

subst. gespeend kind of jong; adj. pas gespeend.

Weapon, wep’n, wapen, doorn, prikkel: I had no weapon handy but a poker

= een pook was het eenige wapen dat ik bij de hand had; “Hands up,

weapons down” = handen omhoog, wapens neerleggen! Weaponed = gewapend,

toegerust; Weaponless = ongewapend.

Wear, wîə.

Wear, wêə, subst. het dragen of gedragen zijn, dracht, slijtage, mode;

Wear verb. dragen, slijten, afslijten, doorbrengen, vernielen,

uitputten, wenden of ophalzen (van een schip): The building and its

ornaments had suffered much from the wear and tear of time = door den

tand des tijds; There is yet a good year’s wear in that coat = die jas

kan nog best een jaar gedragen worden; To be very little the worse for

wear = nog niet veel versleten; To be all the wear = algemeen gedragen

worden; She wears the breeches = heeft de broek aan, is de baas; He

wore a look of amazement = keek verbaasd; She carried a mantle to wear

it in the night-time = zij had een mantel over den arm, om dien ’s

avonds te dragen; You wear your sweet smile to day = hebt uw

vriendelijken glimlach; To wear the willow = om de(n) geliefde treuren;

Time has worn away most of the inscription = afgesleten; The night wore

itself away = ging langzaam voorbij; One way and another the day wears

away = op de een of andere manier komen we den dag door; These marks

will never wear away = zullen nooit weer uitslijten; The water has worn

off the stone = rond gesleten; All his wild pranks will wear off with

time = al zijne wilde streken zullen er met den tijd wel uitgaan; Time

wore on = ging voorbij; To wear out = afdragen, uitputten, uitmergelen,

afmatten, doorbrengen: I was worn (out) with fatigue = kapot van,

uitgeput; To wear ill = zich slecht houden; His patience is wearing

thin = raakt op; This cloth wears well = houdt zich goed in het dragen;

You wear (your age) well = gij houdt u goed voor uw leeftijd; Wearable

= geschikt om te dragen; Wearer = drager, wat uitslijt; Wearing:

Wearing-apparel = lijfdracht, kleederen.

Weariness, wîrinəs, vermoeidheid; Wearisome = vermoeiend, vervelend;

subst. Wearisomeness; Weary, wîri, adj. vermoeid, moede, vermoeiend,

bezwaarlijk; Weary verb. vermoeien, moe worden, afmatten, vervelen,

hinderen, hunkeren naar (for): I am weary of working = het werken moe;

I am weary with working = moe van het werken; I soon wearied of (zelden

with) the same succession of fields and houses = spoedig verveelde mij;

The soldiers were wearied out = geheel uitgeput; To be wearied out of

patience = zijn geduld verliezen.

Weasand, wîz’nd, luchtpijp.

Weasel, wîz’l, wezel: Catch a weasel asleep! = jij zult mij te pakken

nemen! Weasel-faced = met een scherp en mager gezicht.

Weather, wedhə, subst. weder of weer; Weather verb. zich goed houden,

weerstaan, doorstaan, (laten) verweeren, overwinnen, te loever

omzeilen: Fair, fine, settled weather = mooi, bestendig; Foul, Wild

weather = slecht, onstuimig; How is the weather? = What is the weather

like? = wat voor weer is het; The ship was under a stress of weather =

had met hevige stormen te kampen; The weather has been very settled

these three weeks = wij hebben de laatste drie weken vast weer; The

cold weather at last breaks = ten slotte slaat het weer om; The ship

makes good (bad) weather = houdt zich goed (slecht) in een storm; To

sing and dance all weathers = de huik naar den wind hangen; Weather and

wind permitting = wind en weder dienende; To weather a cape =

bovenlangs zeilen; To weather a point = bovenlangs zeilen; winnen trots

tegenstand of moeilijkheden; To weather a ship = de loef afsteken; This

ship is sure to weather (out) the storm = dit schip zal bepaald den

storm doorkomen, zich goed houden in; Weather-anchor = anker aan de

windzijde; Weather-beaten = door stormen geteisterd, verweerd: A

weather-beaten coast, face = eene door stormen geteisterde kust,

verweerd gelaat; Weather-bitten = verweerd; Weather-board, subst.

windzijde, plank gespijkerd over de stukpoorten v. een opgelegd schip;

rand aan een raam voor het afvloeien v. water (= Weather-boarding);

Weather-boarding verb. planken over elkander spijkeren tegen het

doordringen van regen, sneeuw, etc.; Weather-bound = door het weer

teruggehouden of opgehouden; Weather-box = weerhuisje; Weather-breeder

= een mooie dag waarop zich een onweder schijnt samen te pakken;

Weather-cloth = verschansingskleed, presenning; Weathercock = weerhaan,

wispelturig persoon: She is rather weathercocky = wispelturig;

Weather-eye: He keeps his weather-eye open = hij is op zijn hoede, hij

weet drommels goed wat hij doet; Weather-fish = modderkruiper;

Weather-ga(u)ge, loef, voordeel: To get the weather-gauge of a person =

iemand de loef afsteken; Weather-glass = weerglas; Weather-house =

weerhuisje; Weather-mo(u)ldings = overhangende lijst (boven deur of

venster); Weather-proof = tegen het weer bestand; Weather-prophet =

weervoorspeller; Weather-quarter = loefzijde, windkant; Weather-report

= weerbericht; Weather-roll = het overhalen van het schip naar

loefzijde; Weather-side = loefzijde; Weather-strip = tochtlat;

Weather-tide = stroom of tij van uit de lijzijde; Weather-vane =

windwijzer; Weather-wise = weerkundig; Weather-worn = verweerd;

Weathered = door het weer geteisterd, verweerd; Weathering =

verweering; glooiing, afwatering; Weatherly = loefgierig.

Weave, wîv, weven, samenweven, verzinnen, smeden: To weave all pieces

on the same loom = alles over één kam scheren; Weaver = wever;

Weaver-bird = wever(vogel); draaikever; Weaver-fish = pieterman;

Weaver’s shuttle = weversspoeltje; Weaving: Weaving-loom = weefgetouw.

Weazen, wîz’n, verwelkt, verdroogd, mager: A weazen, piping, shrill

Hurrah! = een scherp, pieperig, schel Hoera! Weazen-faced = met mager,

uitgedroogd gelaat; zie Wizen.

Web, web, subst. weefsel, (spinne)web, baard, groote rol papier, vlies

voor het oog, zwemvlies; Web verb. als met een weefsel bedekken;

Web-eye = nagelvlies op het oog; Web-foot = zwempoot; Web-footed = met

zwempooten; Webbed = met zwemvliezen: Webbed feet; Webbing = geweven

banden voor gordels, etc.

Wed, wed, huwen, trouwen, vereenigen, nauw verbinden, samensnoeren: He

has been wedded to truth from his infancy = de waarheid is zijne

leidsvrouw geweest; Wedding = huwelijksfeest, trouwfeest, bruiloft: It

was only a marriage and no wedding, there was no breakfast and no

feasting = het was slechts eene huwelijksplechtigheid zonder

feestelijkheden, etc.; Silver, golden, diamond wedding = 25-, 50-,

60-jarige bruiloft; Paper, wooden, tin, crystal, china wedding = 1-,

5-, 10-, 15-, 20-jarige bruiloft; Wedding-breakfast = lunch na de

huwelijksvoltrekking; Wedding-cake = bruiloftstaart; Wedding-card =

huwelijkscommunicatie; Wedding-day = trouwdag; Wedding-dower =

huwelijksgift; Wedding-favours = rozetten door de bedienden gedragen;

Wedding-feast = huwelijksfeest; Wedding-garment; Wedding-gown;

Wedding-ring = trouwring; Wedding-tour, Wedding-trip =

huwelijksreis(je).

Wedge, wedž, subst. wig, keg, klomp, staaf; de laatste op de lijst bij

het Classical Tripos (het B.A. examen for honours in classieke talen te

Cambridge); Wedge verb. met geweld indrijven of inbrengen, met eene wig

of wiggen bevestigen, splijten, spouwen: Take care (beware) of the thin

(small) end of the wedge = hoed u voor den eersten stap; To wedge one’s

way = dringen door; Wedge-bone = wiggebeen; Wedge-inscription =

opschrift in spijkerschrift; Wedge-shaped = wigvormig = Wedgewise.

Wedgwood ware, wedžwudwêə, soort aardewerk, genoemd naar den uitvinder

Josiah Wedgwood (1730–95).

Wedlock wedlok, huwelijk: Born out of wedlock = buiten huwelijk

geboren; To enter upon wedlock = in ’t huwelijk treden.

Wednesbury, wenzb’ri.

Wednesday, wenzdi, Woensdag.

Wee, wî, klein: A wee bit = een klein beetje.

Weed, wîd, subst. onkruid (ook fig.); tabak, sigaar; voor de fokkerij

ongeschikt dier, paard dat “volbloed” lijkt, doch niet is; kleed(ing);

kleed (meest weeds); Weed verb. wieden, uitroeien, uitrukken: Are you a

lover of the weed? = rookt gij graag; Ill weeds grow apace (never

wither) = onkruid vergaat niet; She was dressed in her (mourning) weeds

= in haar weduwenrouw; Many defects will have to be weeded out first =

uitgeroeid; Weed-grown = met onkruid begroeid; Weed(ing)-hook =

wiedijzer; Weed-prairie = prairieland met veel wilde bloemen en

struiken; Weeder = wieder, werktuig of ijzer om mee te wieden; Weeding:

Weeding-shears = wiedschaar; Weeding-tongs (Weeding-forceps) =

wiedtang; Weediness, subst. v. Weedy = vol onkruid; lang opgeschoten,

slap, waardeloos als fok- en renpaard; sjofel.

Week, wîk, week: Will you come a week from Sunday = Zondag over eene

week; Next week, Last week = aanstaande, verleden week; The last week =

de laatste week; The next week = de volgende week; Next week or week

after = de volgende week of de week daarna; To-day (This day) week =

vandaag over acht dagen; Week and week about = om de andere week; Week

in, week out = week in, week uit; I’ll call again a week or ten days

after this = ik kom over een dag of acht, negen nog wel eens weer aan;

A prophetic week = zeven jaren; Weekday = werkdag; Week-end = van

Zaterdag tot Maandagmorgen; Weekly, subst. en adj. wekelijksch

(tijdschrift); adv. elke week, wekelijks.

Ween, wîn, denken, wanen, meenen.

Weep, wîp, subst. het schreien; Weep verb. schreien, weenen, beweenen,

beklagen, druppelen, vochtig zijn: She had a private weep = schreide in

haar ééntje; He wept for joy = hij schreide van vreugde; They wept over

their losses = schreiden bij (om) hun verlies; Weeper = weener, klager,

witte rouwband om den arm, lang rouwfloers aan den hoed, rouwsluier,

lange baard (= Weepers); Amer. bruine aap: Drooping whiskers of the

kind that used to be called Piccadilly weepers; Weeping: Weeping-ash =

treuresch; Weeping-birch = treurberk; Weeping-elm; Weeping-rock =

dropsteen; Weeping-spring = sijpelende bron; Weeping-tree = treurboom;

Weeping-willow = treurwilg.

Weet, wît, watersnip, riethoen.

Weever, wîvə, pieterman (visch).

Weevil, wîvil, soort snuitkever, kalander, koornworm; Weevilled

Weevil(l)y = vol wormen.

Weft, weft, inslag, weefsel.

Weigh, wei, subst. zeker gewicht (van wol ± 82,554 K.G.; van koren ±

1453,946 L.; Zie Wey); Weigh verb. wegen, opheffen, opwegen, toewegen,

overwegen, neerbuigen, van gewicht zijn, gelden, schatten, hoogachten:

We are getting under weigh at last = eindelijk gaan we anker op, op

weg; He was weighed and found wanting = gewogen en te licht bevonden; I

have been weighing it carefully = zorgvuldig overwogen; They weighed

anchor = zij lichtten het anker; His great responsibility weighed him

down = drukte hem; The flour was weighed out to the poor women =

toegewogen; That does not weigh (with him) = dat beteekent niets (bij

hem); Weigh-bridge = brugbalans; Weighable = weegbaar; Weighage, weiidž

= weegloon; waaggeld; Weigher = weger; Weighing: Weighing-house = waag;

Weighing-machine = bascule; Weight, subst. gewicht, zwaarte, druk,

last, belangrijkheid, invloed; Weight verb. gewicht of zwaarte

toevoegen aan, bezwaren: Brute, Gross weight = bruto gewicht; Dead

weight = zware last, onnutte last, eigen gewicht (van vat, etc.); Net

weight = netto gewicht; Set of weights = stel; He is a person of some

weight = beteekent vrij wat, heeft invloed of aanzien; The jovial light

weight became a serious man = het vroolijke zieltje-zonder-zorg; You

have given me short weight = gij hebt mij te weinig gewicht gegeven;

That has no weight with me = weegt niet bij mij; It has a special

weight just now = is thans van bijzonder gewicht; This book is worth

its weight in gold = is zijn gewicht in goud waard; To carry great

weight = van veel gewicht zijn; This I give you only to make weight =

om het gewicht vol te maken; To pull up the weights of the clock; His

mind must not be weighted with all that stuff = niet bezwaard worden;

His words were weighted with the sorrow of parting = waren droevig

door; Weightiness, subst. v. Weighty = gewichtig, zwaar, belangrijk,

overtuigend, drukkend.

Weir, wîə, waterkeering of dam, omheining van palen of netten in eene

rivier om visch te vangen.

Weird, wîəd, onheilspellend, akelig, somber, bovenaardsch; subst.

noodlot, voorspelling, betoovering: Weird Sisters = schikgodinnen; (=

Weirds); To dree one’s weird = zich in zijn lot schikken (Schotl.).

Welch, welš, bedriegen, er van door gaan met de ingezette

weddingschappen; Welcher.

Welcome, welk’m, subst. welkom, vriendelijke ontvangst; adj. welkom;

Welcome verb. verwelkomen: Most welcome home = hartelijk welkom thuis;

And welcome = en van harte; You are quite welcome to it = het is tot je

dienst, je moogt het gerust aannemen; You are welcome to go = gij kunt

om mij wel gaan; He might have died and welcome = om mijn part was hij

doodgegaan; To bid welcome = welkom heeten; He made us welcome = hij

bereidde ons eene vriendelijke ontvangst; To outstay one’s welcome =

langer blijven dan den gastheer aangenaam is; Welcomer = die verwelkomt

of vriendelijk ontvangt.

Weld, weld, subst. wouw of verf-reseda; het wellen (v. metalen); Weld

verb. wellen, nauw verbinden: His statements are not thrown together,

but properly welded = maar zitten behoorlijk in elkaar; Weldable = wat

geweld kan worden; Welder = wie welt; A welding heat came from the

furnace = eene verschrikkelijke hitte; Welding-furnace.

Welfare, welfêə, welvaart, voorspoed.

Welkin, welkin, hemelgewelf, zwerk.

Well, wel, subst. wel, put, bron, ijskelder (fig.), trappenhuis,

advocatenbank in de rechtszaal, wagenbak, bun of vischkaar; Well verb.

opwellen, ontspringen, vloeien: The well of a carriage =

flesschenkeldertje van een wagen; The well of an orchestra = zitplaats

(in een theater) voor het orkest; She is at the wells = gebruikt de

wateren; Tears would well (up) into her eyes = welden dan op in hare

oogen; The welling tears suffused her eyes = de opwellende tranen;

Well-boat = visschersschuit met bun; Well-deck = deel van het dek

tusschen bak en groote hut; Well-drain = draineerbuis; Well-drain verb.

draineeren; Well-head = bron, oorsprong, bronwel; Well-hole = ruimte

voor ascenseur of wenteltrap; Well-room = drinkvertrek (van

geneeskrachtige wateren), hoosgat; Well-sinker = putgraver, -boorder;

Well-spring = bron; Well-staircase = wenteltrap; Well-sweep = lange

stok om water te putten; Well-water = wel- of bronwater.

Well, wel, adj. wel, juist, goed, gezond; adv. goed, wel, gezond,

gelukkig, geheel en al, ten volle: I am very well = ik ben heel goed; I

am well with that family = op goeden voet; It is well with = staat goed

met; Where it is well with me, there is my country = waar het mij goed

gaat; That’s well = in orde; It is all very well for B. to talk of

burning the books = B. kan wel zeggen, dat..; It is always well to look

ahead = het is altijd goed om; When the old die, it is well, they have

had their time = is het maar goed; Ah, life is delicious; Well to live

long! hoe heerlijk is het; The well and the ailing = gezonden; Well, I

never = heb ik ooit van m’n leven! Well! = welnu! Hoe staat het? etc.;

Well done = Bravo! All’s well that ends well = eind goed al goed; Leave

well alone = het betere is de vijand van het goede, begeer niet het

onderste uit de kan; You had as well stay at home = ge deedt net zoo

goed; He is virtuous as well as rich = zoowel... als; You may well say

so = dat zegt gij wél; All well and good = alles goed en wel; If you

have some better engagement well and good = enfin, dan is het niet

anders; He was sitting well back in his arm-chair = flink, ver

achterover; The servant is well enough, but = vrij goed; The clergy are

well to the fore in this novel = spelen eene eerste rol; He is well

nigh sixty = welhaast; To be well-off = goed “af” zijn, het goed

hebben; To be well-off for = goed voorzien van; At six we were well on

our way = een heel eind op weg; We are well on in July = een groot deel

van Juli is al om; To be well out of = gelukkig af zijn van; Before he

was well out of the room = goed en wel de kamer uit was; Well-a-day =

helaas! Well-advised = goed geraden, welonderricht; Well-affected =

genegen, welgezind; Well-appointed = volledig uitgerust, keurig

ingericht; Well-authenticated = door goede autoriteit gestaafd;

Well-balanced = evenredig, gelijkmatig; Well-behaved = van goed gedrag,

fatsoenlijk; Well-being = welzijn; Well-beloved = veelgeliefd,

dierbaar; Well-born = van goede geboorte; Well-bred = beschaafd,

welopgevoed, van goede afstamming; Well-chosen = juist gekozen;

Well-conditioned = in goeden staat; Well-content(ed) = gelukkig,

tevreden; Well-derived = van goede afkomst; Well-deserving =

verdienstelijk; Well-disposed = welgezind; Well-doing =

plichtsbetrachting, rechtschapenheid; Well-dressed; Well-educated;

Well-favoured = knap uitziend; Well-fed; Well-founded = op goede

gronden steunend; Well-informed = goed op de hoogte; Well-knit =

krachtig gebouwd, wat goed in elkaar zit; Well-known = (wel)bekend;

Well-lined = goed gevoed, flink gespekt (fig.); Well-mannered = van

goede manieren, welgemanierd; Well-meaning = welmeenend, goedig; ook

subst.; Well-meant = oprecht, hartelijk; Well-met = heil, welkom;

Wellnigh = bijna; Well-paid = goed betaald; Well-proportioned = goed

geëvenredigd; Well-read = belezen; Well-refined = hoogst beschaafd;

Well-remembered = welbekend; Well-reputed = te goeder naam bekend,

beroemd; Well-seasoned = goed gekruid, goed gedroogd (hout): An army of

well-seasoned soldiers = beproefde soldaten; Well-set = goed geplaatst,

gespierd, krachtig gebouwd; Well-spoken = vriendelijk; Well-thumbed =

beduimeld, veel gelezen; Well-timed = tijdig; Well-to-do = welgesteld:

The well-to-do = de gegoede burgerstand; Well-wisher = wie een ander

het goede toewenscht of het goed met hem meent; Well-won = eerlijk

verdiend; Well-worn = afgedragen, versleten, druk betreden.

Wellesley, welzli; Wellington, weliŋt’n: Wellington (boot) = laars met

lange schacht.

Welsh, welš, subst. en adj. (taal of bewoners) van Wales: Welsh-flannel

= fijne soort v. flanel; Welshman = inwoner van Wallis; Welsh-rabbit,

Welsh-rarebit, Zie Rabbit; Welsh-wig = kalotje (van wol of sajet);

Welshwoman.

Welsh, welš, zie Welch(er).

Welt, welt, subst. boordsel, reepje leer tusschen bovenleer en zool;

striem, buil, houw, slag; Welt verb. boorden, afzetten, ranselen,

verwelken, slap (kleverig) worden: Shoes worn to the welt = totaal

afgedragen.

Welter, weltə, subst. rollen (der golven), verwarring, poel; Welter

verb. zich wentelen, rollen, baden; Welter-race = rennen met de

zwaarste belasting; Welter-weight = zware belasting, zwaar gewicht

(worstelen).

Wemyss, wîmz.

Wen, wen, wen, uitwas.

Wench, wenš, jong meisje of jonge vrouw, negerin (Amer.); meid, boel;

Wench verb. boeleeren; Wencher = boeleerder.

Wend, wend, gaan, zich begeven naar: We wended our way to the town =

begaven ons.

Wend, wend; Wendic; Wendish, subst. en adj. (taal) van de Wenden.

Went, went, imperf. van to go.

Wentletrap, went’ltrap, wenteltrap (slak).

Wept, wept, imperf. en p.p. van to weep.

Were, wɐ̂, wêə, imperf. van to be.

We’re, wîə = we are.

Wer(e)gild, wɐ̂gild, weergeld.

Wer(e)wolf, wɐ̂wulf, weerwolf.

Engelsch woordenboek. Eerste deel: Engelsch-Nederlandsch (met uitgeschreven verkortingen) · 第 147 / 152 段