War, wö, subst. oorlog, strijd, vijandschap, vijandelijkheid; War verb.

beoorlogen, strijdvoeren: A war was carried on between these powers =

er werd oorlog gevoerd tusschen; To declare war against = den oorlog

verklaren aan; We are engaged in a war = in een oorlog gewikkeld; To

make war on = oorlog voeren tegen; To be at war = in oorlog zijn; He

was at war with his own hands and feet = wist geen weg met; The spirit

is at war with the flesh = voert strijd tegen; To go to war with =

oorlog aangaan met; It was war to the knife (to the death) between them

= het was een strijd op leven en dood; Holy war = heilige oorlog,

kruistocht; War of independence; A council of war (war-council) was

held = krijgsraad werd gehouden; Several men-of-war = onderscheidene

oorlogschepen; Many prisoners of war were made = krijgsgevangenen;

Warring against his better self = strijd voerende tegen zijn beter ik;

War-chest = krijgskas; War-council = krijgsraad; War-cry =

oorlogskreet, oorlogsleuze; War-dance = oorlogsdans; War Department =

Ministerie van Oorlog (Amer.); War-drum = krijgstrom; Warfare, subst.

strijd, (wijze van) oorlog (voeren), vijandelijkheden; Warfare verb.

oorlog voeren, kampen, strijden; Warfarer = krijgsman; War-horse =

strijdros; War-insurance = assurantie tegen krijgsgevaar; War Office =

Ministerie van Oorlog; War-paint = oorlogsverf (Indianen); gala, groot

tenue; War-path = oorlogspad: We are on the war-path = op expeditie;

War-ship = oorlogsschip; War-song = krijgslied; War-steed = krijgsros,

strijdhengst; War-torch = oorlogstoorts; War-wasted = verwoest;

War-whoop = oorlogskreet, krijgsgeschreeuw; War-worn = in den dienst

versleten; Warlike = krijgshaftig, strijdbaar, oorlogs...: Warlike

paraphernalia (parəfəneiljə) = oorlogstoebereidselen.

Warble, wöb’l, subst. gekweel, lied; gezwel op den rug van een paard;

Warble verb. kweelen, zingen, trillers slaan; Warbler = kweeler,

zangvogel.

Ward, wöd, subst. bewaking, wacht, verdediging, bescherming, afweer,

het pareeren, hechtenis, kerker, voogdijschap, minderjarigheid, pupil,

wijk, stedelijk (kies)district, afdeeling of zaal in een hospitaal,

werk (van een slot), buitenplein; Ward verb. bewaken, verdedigen,

beschermen, terugdrijven, afweren: To be held in ward = in verzekerde

bewaring gehouden; To keep watch and ward = streng de wacht houden; To

put in ward = gevangen zetten; The thrust was warded off by me =

gepareerd; Ward-mote = vergadering van het bestuur v. een ward;

Ward-penny = bewakingsgeld, waakgeld; Wardrobe = kleerkast, garderobe:

Wardrobe keeper = Wardrober = bediende bij de wardrobe; Ward-room =

officierskajuit aan boord van een oorlogsschip; Wardship =

voogdijschap, minderjarigheid; Warden = bewaker, bewaarder, custos,

rector van sommige colleges; vrederechter (Amer.); soort peer: Lord

Warden of the Cinqueports = ambtenaar oorspronkelijk belast met de

(kust)verdediging der Cinque-ports; thans bezoldigd eereambt,

onvereenigbaar met het lidmaatschap van het Parlement; Warden-pie =

perenpastei; Wardenship = bewaarderschap; Warder = bewaker, wacht;

commandostaf: Wardens of the Tower = ambtenaren ter bewaking v.

staatsgevangenen in den Tower.

Ware, wêə, waren, goederen; soort zeewier; Ware = Aware, Beware: Ware

oars! = pas op de riemen! (bij het passeeren van een andere boot); Ware

wire, Sir! = pas op het prikkeldraad (jachtterm); China ware =

porselein; Earthenware = aardewerk; Hardware = ijzerwaren; Warehouse =

pakhuis, magazijn, entrepôt = Bonded warehouse; Warehouse-keeper =

Warehouse-man = pakhuishouder, pakhuismeester; Warehouse-warrant =

cedel; Warehousing = het opslaan van goederen in pakhuis of entrepôt;

Ware-housing-system = het entrepôt-stelsel; Ware-room = pakkamer,

uitstalkamer.

Warham, wor’m.

Wariness, wêrinəs, subst. v. Wary.

Warlock, wölok, toovenaar, geestenbezweerder; Warlockry = toovenarij.

Warm, wöm, adj. warm, heet, vurig, ijverig, enthusiast,

hartstochtelijk, intiem, versch, hartelijk, gegoed, rijk; ook subst.;

Warm verb. verwarmen, afranselen, warm worden, zich opwinden: Warm

contest = heete strijd; Warm colour; To give one’s hands a warm = z’n

handen warmen; Have a warm = warm je eens goed; He is warm = zit er

warmpjes in; You are getting warm = je brandt je (bij het

blindemanspel); This place is too warm for me = ik ben hier niet op

mijn gemak; They made the town warm for him = hij kreeg het te benauwd;

To sit pretty warm = er warm inzitten; He warmed to his subject = zijn

onderwerp sleepte hem mede; Warmed up remains of the evening meal;

Warm-blooded = warmbloedig; Warm-hearted = hartelijk, oprecht; Warmer =

wie of wat verwarmt; Warming, subst. pak slaag; adj. verwarmend:

Warming-pan = beddepan, iemand die eene betrekking vervult om deze open

te houden tot de bedoelde persoon ze vervullen kan; groot ouderwetsch

horloge; Warmth = warmte, vuur, gloed, hartelijkheid.

Warn, wön, waarschuwen, aanzeggen, oproepen: I warn you against such a

behaviour = waarschuw u voor; He warned us of the coming of the general

= kondigde aan; They were warned off the hunt, being unfit to ride =

nun werd aangezegd, niet mee te gaan op jacht; The infirm and aged are

warned off = worden hier niet toegelaten (worden gewaarschuwd weg te

blijven); Warner; Warning = waarschuwing, aankondiging,

dienstopzegging: My mistress has given me warning = heeft mij den

dienst opgezegd; I gave you proper warning of it = heb u behoorlijk er

voor gewaarschuwd; Take warning of his example = spiegel u aan; Warning

notice-boards = waarschuwingsborden.

Warp, wöp, subst. schering (Warp and woof), kromming, boegseerlijn,

werptros; slib; Warp verb. kromtrekken, krimpen, verdraaien, een

verkeerde richting geven, scheren, kunstmatig besproeien of inundeeren,

boegseeren, verhalen, bevloeien; Warped = krom, verdraaid, vertrokken:

A warped, unframed photo stood on his desk = een kromgetrokken; His

conclusions are occasionally warped by sympathy = zijne voorliefde

maakt dat zijne conclusies wel eens wat verdraaid zijn; Warper =

werkman, die de schering aanzet; Warping: Warping-bank = dam om het

water op een stuk land te houden; Warping-machine, Warping-mill =

handmolen tot het maken der schering.

Warrant, worn’t, subst. volmacht, machtiging, proces-verbaal, bevel tot

inhechtenisneming, borgstelling, garantie, cedel, aanstelling door den

korpskommandant; Warrant verb. waarborgen, garandeeren, machtigen,

toestaan, bekrachtigen, verzekeren, instaan voor, betuigen, verdedigen:

Warrant to appear = dagvaarding; The death-warrant was signed by the

king = doodvonnis; A search-warrant = bevel tot huiszoeking, opsporing,

enz.; Warrant of apprehension, arrest = bevel tot aanhouding of

arrestatie; Warrant of attorney = procuratie of notarieele volmacht;

Warrant of caption = steekbrief; Warrant of distress = bevel tot

beslaglegging; Warrants were issued = bevelschriften werden

uitgevaardigd; Without a warrant = ongemotiveerd; Warrant officer =

officier met rang tusschen luitenant en sergeant, dek-officier (te

vergelijken met onze onder-luitenants en adjudant-onderofficieren) bij

warrant aangesteld; I warrant you that he is a clever fellow = verzeker

u, sta er voor in; I warrant it good = sta er voor in, dat het goed is;

Warrantable = verdedigbaar, wettig (= Warrant by law), oud genoeg voor

de jacht er op (v. herten); Warrantee, wor’ntî, die gewaarborgd wordt;

Warranter = volmachtgever, waarborger = Warrantor, wor’ntə, wor’ntö;

Warranty, subst. belofte, waarborg.

Warren, wor’n, konijnenpark, fazantenpark, vischweer, krot; Warrener =

opzichter.

Warrior, worjə, krijgsman.

Warsaw, wösô.

Wart, wöt, wrat: Wart-hog = soort van Amer. wild zwijn; Wart-wort =

kroontjeskruid; Wartless = zonder wratten; Warty = vol wratten,

wratachtig.

Warwick, worik; Warwickshire, worikšə.

Wary, wêri, omzichtig, behoedzaam.

Was, woz, imperf. (enkelv.) van to be.

Wase, weiz, weis, kussen door sjouwers op het hoofd gedragen.

Wash, woš, subst. wassching, de wasch, slappe thee, spoeling,

kabbeling, golfslag, kielwater, aanslibbing, moeras, watertje voor de

toilettafel, dunne metaallaag, vernisje, dun verflaagje, schijnkoop;

Wash verb. wasschen, afwasschen, afspoelen, bespoelen, uitwisschen, met

eene dunne verflaag bedekken, met een metaallaagje bedekken, reinigen

(van erts): The wash and turmoil of the water = het klotsen en de

beroering; I’ll do the wash = ga de wasch aan kant maken; To give one’s

face a wash = zich het gezicht wasschen; We must have a wash = ons eens

wasschen; I have sent them to the wash = heb ze in de wasch gedaan;

This soap won’t wash clothes = met deze zeep kunnen geen kleeren

gewasschen worden; It don’t wash = kan niet gewasschen; That won’t wash

= dat gaat niet (op); To wash dishes = borden wasschen; To wash one’s

hands of = zijne handen in onschuld wasschen; zijne handen aftrekken

van; All their sins were washed away = zij werden van al hunne zonden

gereinigd; Those spots cannot be washed out = gaan er in de wasch niet

uit; A washed out creature = bleek; To wash out an affront; She washed

up the tea-things = waschte af; Copper washed with silver = verzilverd

koper; Wash-ball = zeepbal; Wash-board = waschplank, zetboord (op boot

of sloep); Wash-gilding = nat vergulden; Wash-hand-basin = waschkom;

Wash-hand-stand (Wash-stand) = waschtafel; Wash-house = waschhuis;

Wash-leather = zeemleer; Wash-pot = waschkom, waschbak; Wash-tub =

waschtobbe; Washable = goed blijvend in de wasch; Washer = waschvrouw,

waschmachine, ringplaat (onder de moerschroef); Wash-man = waschbaas,

waschman, bleeker; Wash-woman = waschvrouw; Washiness, subst. v. Washy;

Washing: Washing-day; Washing-dress, Washing-fabrics = japon, stoffen,

die tegen de wasch kunnen; Washing-glove; Washing-machine =

waschmachine; Washing-powder = waschpoeder.

Washington, wošiŋt’n, Washington; Washingtonian, wošiŋtounj’n, subst.

inwoner v. W.; afschaffer; adj. afschaffers ...; v. Washington: The

Washingtonian movement = Washingtonianism = afschaffersbeweging, hunne

beginselen.

Washy, woši, waterig, zwak, dun, krachteloos: Washy-looking wine =

dunne, krachtelooze wijn.

Wasp, wosp, wesp: He has his head full of wasps = hij heeft allerlei

kuren; Wasp-waisted = met wespentaille; Waspish = met eene

wespentaille, prikkelbaar, giftig; Waspish-headed = prikkelbaar,

opvliegend; subst. Waspishness.

Wassail, wosil, wasil, subst. drinkgelag; gekruid bier met wijn met

Kerstmis of Nieuwjaar en opgediend in den Wassail-bowl; Wassail verb.

drinken (op het welzijn van); Wassail-cup = beker waaruit wassail werd

gedronken; Wassailer = drinkebroer; Wassailers = lieden, die met

Kerstmis zingend rondgaan.

Waste, weist, verwoesting, vernieling, afneming, achteruitgang,

verspilling, verlies, woestenij, wildernis, onbebouwde grond, gruis,

afval, onheil, vlak; adj. woest, onbruikbaar, overvloedig, waardeloos,

onnut; Waste verb. verwoesten, vernielen, verminderen, afnemen,

verspillen, weggooien, uitteren, verteren, kwijnen, laten vervallen: In

mere waste = onnut; To lay waste = verwoesten; Your candle is running

to waste = loopt af; To let a garden run to waste = laten verwilderen;

To waste (away) one’s money, time = verkwisten; His illness had wasted

him to skin and bones = had hem geheel uitgeteerd; Waste not want not =

die wat spaart, die wat heeft; The ticket would be wasteed = zou

ongebruikt blijven liggen; Waste-basket = papiermand =

Waste-paper-basket = prullenmand; Waste-book = memoriaal; Waste-gate =

afvoersluis; Waste-paper = scheurpapier; Waste-pipe = afvoerbuis;

Waste-sheet = vel misdruk; Waste-water = condensatiewater; Waste-weir =

afvoerweer; Waster = doorbrenger, dief aan de kaars, elger; Wastrel =

afval, woestenij; verwaarloosd kind, kind zonder thuis of onderkomen,

doorbrenger.

Wat, wot, fam. voor Walter.

Watch, wotš, subst. wacht, waakzaamheid, het waken, oplettendheid,

schildwacht, wachtpost, horloge, uurwerk; Watch verb. waken, bewaken,

gadeslaan, de wacht houden, acht geven: Alarum watch = wekker; Keyless

watch = remontoir; Repeating watch = repetitie-horloge; Stem-winding

watch = remontoir; I am on the watch = sta op den uitkijk, lig op de

loer; To keep good watch = goed oppassen, waken; The watch was relieved

= de wacht werd afgelost; My watch has run down = mijn horloge is

afgeloopen; I set a watch over them = ik liet hen bewaken; He set his

watch to the city-clock = regelde zijn horloge naar; Many eminent

lawyers were watching the case = woonden het proces bij; I watched the

thunderstorm from this elevated position = ik sloeg het onweer gade; He

watched over my childhood = hij waakte over mijne kindsheid; He watched

through the long night = waakte den ganschen nacht; To watch home =

nakijken tot iemand thuis is; Watch-box = schilderhuis, wachthuisje,

horlogekast = Watch-case = horlogekast; Watch-chain = horlogeketting;

Watch-dog = waakhond; Watch-fire = wachtvuur; Watch-glass =

horlogeglas; Watch-guard = horlogeketting of -lintje; Watch-hand =

horlogewijzer; Watch-house = wachthuis; Watch-key = horlogesleutel;

Watch-light = nachtlicht; Watch-maker = horlogemaker; Watchman =

nachtwaker, nachtwacht, baanwachter; Watchman’s rattle = ratel van een

nachtwacht: To spring a watchman’s rattle = een ratel slaan;

Watch-night = laatste nacht van het jaar: I attended a watch-night

service in the Wesleyan chapel = woonde den kerkdienst van het oude

jaar in het nieuwe bij; Watch-stand = horlogestander; Watch-tower =

wachttoren; Watchword = wachtwoord, leus, motto; Watcher = waker,

wacht, waarnemer, bespieder; Watchful = waakzaam: I have always been

watchful of your interests = altijd nauwlettend behartigd; subst.

Watchfulness.

Water, wôtə, subst. water, watervlak (= Piece of water), bronwater,

regen, urine, zee, rivier, glans van diamant of parel, effecten

uitgegeven zonder gewaarborgden interest; Water verb. besproeien,

bespoelen, nat maken, van water voorzien, drenken, water innemen,

verwateren, roten, moireeren, watertanden: A great deal of water had

flowed under the bridge (Much water had flowed from the rivers to the

sea) since that time = er was heel wat water door den Rijn gestroomd;

Diamonds of the first water = van het zuiverste water; Gentlemen of the

first water = hoogsten rang; He is a prig of the first water = een

verschrikkelijke kwibus; Bilge water = water onder in een schip, dat

niet uitgepompt kan worden; Low water = laag water: To be at at low

water = in geldverlegenheid zijn; Slack water = dood tij; He has water

on the brain = hersenvliesontsteking; That will not hold water = dat is

lek; Your reasoning won’t hold water = uwe redeneering houdt geen

steek; To make water = lekken, wateren, urineeren; Our ship made foul

water = raakte met de kiel den bodem; To take the waters = de baden

gebruiken; He threw cold water over my enthusiasm = gooide een emmer

koud water over; To tread water = watertreden; This kept my head above

water = deed mij in ’t leven blijven, redde mij; You must put on plenty

of pace when riding at water = als je over een sloot moet springen To

go by water = over zee gaan; To convey by water = per

scheepsgelegenheid vervoeren; For all waters = van alle markten thuis;

We were in deep water(s) = in een moeilijke positie; You have got into

hot water = gij zit er leelijk in; Champagne flowed like water; To

spend money like water; My mouth waters = het water loopt me om de

tanden; The flowers were waterd = werden begoten; To water horses =

water geven; It made my mouth water = het deed me watertanden; To set a

person’s mouth watering = doen watertanden; After watering we sailed

away = nadat wij versch water ingenomen hadden; Water-back =

warmwaterbak of reservoir in een fornuis; Water-bailiff = soort

kommies, vroeger opzichter der visscherij: Water-bath = waterbad;

Water-bearer = Waterman (Dierenriem); Water-bed = waterbed;

Water-bottle = karaf; Water-buck = waterbok (Z.-Afr.); Water-bug =

watertor; Water-butt = water- of regenton; Water-carriage = vervoer te

water; Water-cart = sproeiwagen; Water-closet = closet, W.C.;

Water-cock = waterkraan; waterhoen; Water-colour = waterverf,

schilderij in waterverf = Painting in water-colours; Water-colourist =

waterverfschilder; Watercourse = stroompje, stroom, waterloop;

Water-craft = schepen, booten, enz.; Water-crane = waterpomp (voor een

locomotief); Water-cress = waterkers; Water-crowfoot =

water-boterbloem; Water-cure = waterkuur: Water-cure establishment;

Water-deck = waterdicht dek voor een huzarenpaard; Water-dog =

waterhond; Water-drain = draineerbuis; Water-drainage = draineering;

Water-dray = soort zolderschuit; Water-dressing = koudwatercompres;

Water-drop = droppel water, traan; Water-engine = schepmolen; Waterfall

= waterval; Water-flag = gele lisch; Water-flea = watervloo;

Water-flood = overstrooming; Water-fly = oevervlieg; Water-fowl =

watervogel; Water-furrow, subst. voor of greppel om water af te voeren;

Water-furrow verb. draineeren door greppels; Water-gall = gat in den

grond door hevigen regen; bijregenboog; Water-gas = watergas;

Water-gate = sluis, vloeddeur, waterpoort; Water-gauge = peilglas;

Water-gilder = iemand die de kunst verstaat van Water-gilding =

watervergulding; Water-gruel = watergruwel; Water-gruelish, flauw,

smakeloos; Water-hen = waterhoen (-hennetje); Water-kelpie =

watergeest; Water-level = waterstand, waterpas-instrument;

Water-level-line = waterpeil; Water-lily = waterlelie, plomp;

Water-line = waterlijn (diepgang van een schip); Water-logged = vol

water geloopen door een lek en daardoor ten prooi aan golven en stroom;

Water-lot = onder water staand bouwterrein (Amer.); Water-man =

schuiten voerder, jolleman, waterman (die de huurpaarden op hun

standplaats van water voorziet); blauw zijden halsdoek; Water-mark =

watermerk, waterhoogte, waterpeil; Water-meadow = weide die door

irrigatie besproeid kan worden; Water-melon = watermeloen; Water-meter

= watermeter; Water-mill = watermolen; Water-nymph = najade;

Water-omnibus = trekschuit; Water-ordeal = waterproef; Water-parsnip =

breedbladige watereppe; Water-pitcher = waterkan; Water-plant =

waterplant; Water-poise = hydrometer, waterpas; Water-pot = waterpot,

waterkan; Water-power = waterkracht; Water-pox = waterpokken;

Waterproof, subst. voor water ondoordringbare stof of jas; adj. tegen

water bestand; Waterproof verb. ondoordringbaar maken voor water;

Water-ram = hydraulische ram; Water-rat = waterrat; Water-rate =

waterbelasting; Water-ret = Water-rot; Water-rocket = waterrot

(vuurwerk); Water-rot = roten; Water-scape = rivier- of zeegezicht

(schilderij); Watershed = waterscheiding; Waterside = waterkant;

Water-snake = waterslang; Watersouchy. Zie Zoutch; Water-spaniel =

waterhond; Water-spout = waterpijp, spuwertje, waterstraal, waterhoos;

Water-supply = wateraanvoer; Water-tank = reservoir; Water-tap =

waterkraan; Water-tight = waterdicht; Water-vole = waterrat;

Water-wagtail = gele kwikstaart; Waterway = waterloop, waterweg,

vaarwater; Water-weed = waterpest; Water-wheel = scheprad; Water-works

= de waterleiding (ook met fonteinen, etc.); Water-worn = door het

water gerond of afgesleten; Waterage, wôtəridž, loon voor vervoer te

water; Watered = gewaterd, moiré: A watered-down belief = verwaterd;

Watering: Watering-can = gieter; Watering-call = hoornsignaal om de

paarden te drenken; Watering-cart = sproeiwagen; Watering-place = wed,

plaats om water in te nemen, badplaats; Watering-pot = gieter;

Watering-trough = drinkbak (voor paarden); Waterish = waterig, vochtig,

verwaterd; subst. Waterishness; Waterless = droog, zonder water. Zie

Watery.

Waterloo, wôtelû.

Watery, wotəri, waterachtig, waterig, smakeloos, flauw: Watery eye =

vochtig oog; Watery kingdom = de zee.

Watson, wots’n; Watt(s), wot(s).

Wattle, wot’l, subst. horde van twijg of teen, deklat, takje, teenen

twijgje, lel van haan of kalkoen, baarddraad van visschen, soort v.

acacia (Australië); Wattle verb. met teenen twijgjes binden of

vlechten, met eene horde omringen; Wattle-bark = bast der Austral.

acacia; Wattle-bird = soort bijenwolf; Wattle-work = werk van

gevlochten teen; Wattled; Wattling and daubing = het bouwen van hutten

van gevlochten twijgen en leem.

Waugh, wô.

Waul, wôl, krollen, janken, gillen.

Wave, weiv, subst. golf, baar, golvende lijn op stoffen, moiré-zijde,

enz., golving, sein (door wuiven); Wave verb. golven, wapperen, wenken,

wuiven, wateren, moireeren: The ship was tossed on (by) the waves = op

(door) de golven geslingerd; He waved his hand and motioned me to a

chair = hij wuifde met zijne hand; Wave-length = afstand tusschen twee

golven; Wave-motion = golvende beweging; Wave-offering = beweegoffer

(Levit. VIII, 27); Wave-shell = golving (bij aardbevingen); Wave-worn =

door de golven afgesleten of gerond; Waved = gegolfd, gewaterd;

Waveless = kalm, rustig, onbewogen, zonder golfslag; Wavelet = golfje,

rimpel; Wavelike = golvend.

Waver, weivə, weifelen, aarzelen, waggelen, flikkeren: I waver in my

conviction = mijne overtuiging raakt aan het wankelen; Waverer =

weifelaar, besluitelooze; Waverous, Wavery = weifelend.

Waverley, weivəli.

Waveson, weivs’n, wrakhout, strandgoed.

Waviness, weivinəs, subst. v. Wavy = golvend, op en neer gaand,

gegolfd.

Wax, waks, was, lak; woede; wasachtige afscheiding, oorsmeer, pik; Wax

verb. met was bestrijken, wrijven, lakken; wassen, toenemen, grooter

worden: As close (tight) as wax = zoo dicht als een pot; He sticks to

me like wax = hij hangt aan me als een klit; There is a man of wax =

jij bent een beste kerel; A stick of sealing-wax = pijp lak; His eyes

are waxing dim = worden dof; Wax-candle = waskaars; Wax-chandler =

waskaarsenmaker; Wax-cloth = wasdoek; Wax-doll = wassen pop;

Wax(ed)-end = met was bestreken naai- en schoenmakersgaren, pikdraad;

Wax-flower = kunstbloem (van was); Wax-light = waskaars; Wax-light coil

= ineengedraaide waslont (om lichten aan te steken); Wax-match =

waslucifer; Wax-model(l)ing = het maken van figuren of beelden (in

was); Wax-taper = waskaars; Wax-tree = pruikenboom; Wax-vesta =

waslucifer; Wax-wick = waspit; Waxwork = wassenbeelden, anatomische

preparaten v. was: Madame Tussaud’s Waxworks (familiaar: Waxers) =

Mevr. T.’s wassenbeeldengalerij; The waxwork room = wassenbeeldenzaal;

Waxworker = die in was werkt, bij; Waxed = gewast; Waxen = van was,

wasachtig, week als was; Waxiness, subst. v. Waxy = als was, met was,

wasachtig, toornig, meegaand; stijf.

Engelsch woordenboek. Eerste deel: Engelsch-Nederlandsch (met uitgeschreven verkortingen) · 第 146 / 152 段