Volapuk, vouləpuk, voləpuk, Volapuk; Volapukist = beoefenaar of

voorstander van Volapuk.

Volatile, volət(a)il, vluchtig, vervliegend, grillig, ongedurig,

dartel: Volatile oils = vluchtige oliën; Volatile salt = vlugzout;

Volatileness = Volatility, volətiliti, vluchtigheid, wispelturigheid,

wuftheid; Volatilizable = geschikt om vluchtig te worden gemaakt;

Volatilization = vervluchtiging; Volatilize, volətilaiz, vluchtig

maken.

Volcanic, volkanik, vulkanisch: Volcanic rock = vulkanisch gesteente;

Volcanic soil = vulkanische bodem; subst. Volcanism; Volcanist;

Volcanization, subst. v. Volcanize = vulkaniseeren; Volcano, volkeinou,

vulkaan.

Vole, voul, veldmuis.

Vole, voul, vole: To go the vole = vole spelen.

Volition, vəliš’n, wil, het willen, wilsdaad, wilskracht; adj.

Volitional; Volitive, volitiv: Volitive faculty = wilskracht.

Volksraad, foulksrât, volksraad (Z.-Afr.).

Volley, voli, subst. salvo, losbarsting; Volley verb. losbarsten, een

salvo losbranden, terugslaan: Give them a volley = geef hun een salvo;

A volley of words = een woordenstroom.

Vol plane, vol plân, vol plane.

Volt, voult, volte, snelle zwenking, plotselinge zijsprong bij het

schermen.

Volt, voult, volt (electr.); Volt-ampère; Volt-meter = voltameter;

Volta, voltə, Volta; Voltaic, volteiik, galvanisch: Voltaic battery =

galvanische batterij; Voltaic electricity = galvanisme; Voltaic pile =

batterij van V.; Voltaism = galvanisme.

Volubilate, vəl(j)ûbilit, Volubile, vol(j)ubil, kronkelend, klimmend,

slingerend.

Volubility, vol(j)ubiliti, bewegelijkheid, draaibaarheid, praatzucht,

groote woordenrijkheid; Voluble, vol(j)ub’l, bewegelijk, draaiend,

woordenrijk, praatziek, rad van taal.

Volume, vol(j)ûm, schriftrol, winding, boek(deel), grootte, omvang,

massa, volumen; Volume verb. zich verzamelen, ophoopen: The volume of

foreign trade is increasing = de omvang van buitenlandschen handel; Her

anger was gathering volume = nam steeds in hevigheid toe; Such figures

speak volumes = zeggen meer dan geheele boekdeelen vol; Voluminous,

vəl(j)ûminɐs, omvangrijk, uitgebreid, uit vele deelen bestaande, groot:

He is a voluminous writer = hij heeft veel geschreven, hij is een

vruchtbaar schrijver; subst. Voluminousness.

Voluntariness, vol’ntərinəs, subst. v. Voluntary, vol’ntəri,

vrijwillig, vrij, opzettelijk, spontaan, bereidwillig, willekeurig;

subst. vrijwilliger, preludium, fantasie (op orgel of piano): Voluntary

schools = vrije scholen (meestal van kerkelijke richting) waarvan de

kosten gedeeltelijk door vrijwillige bijdragen (= Voluntary

contributions) gevonden worden.

Volunteer, vol’ntîə, subst. vrijwilliger, volontair; adj. vrijwillig

dienst nemend, uit vrijwilligers bestaande, in ’t wild groeiend;

Volunteer verb. vrijwillig geven of aanbieden, als vrijwilliger dienen:

The Volunteers = een vrijwilligerscorps opgericht in 1859 (Zie

Territorials); He did not volunteer an explanation = gaf niet ten

beste, opperde geen; Shall we volunteer? = zullen wij vrijwillig gaan,

ons aanbieden?

Voluptuary, vəlɐptjuəri, subst. wellusteling; adj. wellustig, zinnelijk

= Voluptuous, vəlɐptjuəs; subst. Voluptuousness.

Voluta, vəl(j)ûtə, rolslak; Volute, vəl(j)ût, subst. spiraalvormige

krul in Grieksche kapiteelen; rolslak; Volutad = met een spiraalvormige

krul, spiraalvormig.

Volvulus, volvjulɐs, darmjicht, darmkronkel.

Vomic, vomik: Vomic-nut = braaknoot.

Vomit, vomit, subst. braaksel, braakmiddel; Vomit verb. braken,

uitbraken: A mass of scoriae was vomited forth from the bowels of the

earth = werd uitgebraakt; Vomitive = braak - - -; Vomitory =

braak(middel).

Voracious, vəreišəs, gulzig, roofgierig; subst. Voraciousness,

Voracity, vərasiti, gulzigheid; vraatzucht, roofgierigheid; Vorant,

vôr’nt, verslindend (Herald.).

Vortex, vöteks, (Meerv. Vortexes, Vortices, vötisîz), dwarrelwind,

draaikolk; Vortex-wheel = turbine; Vortical = dwarrelend, draaiend =

Vortiginous, vötidžinɐs.

Vosges, vouž, Vogezen.

Votaress, voutərəs, ordezuster, vereerster, aanhangster; Votary,

voutəri, subst. ordebroeder, aanbidder, vereerder, aanhanger; adj.

gewijd, eene gelofte afgelegd hebbende.

Vote, vout, subst. stem, stemrecht, stemming, votum, stembriefje

(kogeltje); Vote verb. stemmen, voteeren, kiezen, verklaren: One man

one vote = ieder man een stem; The chairman has a casting vote =

beslissende stem; The remaining votes of the army estimates were

considered and agreed to = de nog overblijvende artikelen van de

oorlogsbegrooting; The ministry had a close escape, and carried the

motion by fourteen votes = kreeg de motie met een meerderheid van

veertien stemmen aangenomen; He was within a vote of losing his

situation = met één stem meerderheid behield hij zijne betrekking; The

motion came to the vote = werd in stemming gebracht; The votes cast,

given = de uitgebrachte stemmen = The votes polled; To put to the vote

= in stemming brengen; To take a vote on a question = laten stemmen

over; Vote of confidence = votum van vertrouwen; Want-of-confidence

vote = votum van wantrouwen; A motion of thanks was voted to the

chairman = den president werd de dank der vergadering gebracht; He

spoke for the government and voted against it = en stemde er tegen; He

voted himself into the chair = benoemde zichzelf tot voorzitter; Voter

= kiezer, stemgerechtigde; Voting: Voting by ballot = ballotage;

Voting-paper = stembiljet: To fill up a voting-paper, To mark a

voting-paper = invullen, merken.

Votive, voutiv: Votive medal = herinneringsmedaille; Votive offering =

dankoffer; Votive tablet = gedenksteen.

Vouch, vautš, subst. verzekering, getuigenis; Vouch verb. waarborgen,

instaan voor, betuigen, verzekeren, getuigenis afleggen: Will you vouch

for the truth of it? = staat gij voor de waarheid in? Vouchee, vautšî,

iemand, die als borg of zegsman wordt opgeroepen; Voucher = getuige,

bon(netje), toegangskaart, borg, getuigenis, declaratie (voor

uitgegeven en onvergolden gelden): My voucher has left the audit-office

= mijne declaratie is al bij de Rekenkamer geweest; A voucher for a

drink = bon; Vouchor, vautšə, vautšö, die een ander daagt (als

Vouchoree); Vouchsafe, vautšseif, toestaan, waarborgen, de goedheid

hebben, zich verwaardigen: He did not vouchor any reply = verwaardigde

zich niet te antwoorden.

Vow, vau, subst. gelofte, eed; Vow verb. beloven, eene gelofte doen,

bezweren, plechtig betuigen, wijden: To make a vow = een gelofte doen;

She has received (taken) the vows = heeft de kloostergeloften afgelegd.

Vowel, vauəl, subst. klinker; adj. vocaal.

Voyage, vôi-idž, subst. verre (zee)reis; Voyage verb. reizen, bereizen,

bevaren: Our voyage in, Our homeward voyage = onze terugreis; I met him

on my voyage = op reis; On our voyage out = On our outward voyage =

heen-, uitreis; He went on a voyage = op reis; Voyager = (zee)reiziger;

Voyageur, Fr. uitspr., Canadeesch schuitevoerder.

Vulcan, vɐlk’n, Vulcanus; Vulcanian, vɐlkeinj’n, Vulcanic, vɐlkanik,

vulkanisch; Vulcanite = eboniet; Vulcanization = vulkanisatie;

Vulcanize = vulkaniseeren.

Vulgar, vɐlgə, adj. gewoon, gemeen, ordinair, grof, lomp, laag,

volks...: The vulgar = het gewone volk, groote hoop, het gemeen; Vulgar

fraction = gewone breuk; Vulgar speech (talk, tongue) = volkstaal;

Vulgarian, vɐlgêriən, proleet; Vulgarism = platheid, platte

uitdrukking; Vulgarity, vɐlgariti, laagheid, platheid, grofheid;

Vulgarization, subst. v. Vulgarize = plat of laag maken, vulgariseeren.

Vulgate, vɐlgit, vulgata of Latijnsche bijbelvertaling van den H.

Jeronymus (329–420).

Vulnerability, vɐlnərəbiliti, subst. v. Vulnerable, vɐlnərəb’l,

kwetsbaar, wondbaar; subst. Vulnerableness; Vulnerary, vɐlnərəri,

subst. heel- of wondmiddel; adj. heelend: Vulnerary balsam (herb,

plant).

Vulpecide, Vulpicide, vɐlpisaid, iemand, die een vos doodt;

wederrechtelijk dooden van een vos; Vulpine, vɐlp(a)in, vosachtig,

listig, slim; Vulpinism, vɐlpinizm, sluw- of slimheid.

Vulture, vɐltjə, gier: Bearded vulture = lammergier; Vulturine,

vɐltjur(a)in, gierachtig, roofgierig = Vulturish = Vulturous.

Vying, vai-iŋ, mededingend.

Vyrnwy, vîənwi: Vyrnwy Lake.

W.

W, dɐb’ljû; W. = Wednesday, Weak, Welsh, Western (postal district,

London), Winterline (Plimsoll-merk op schepen); Wallach(ian), Walt(er);

W(ater) C(loset); W(estern) C(entral postal district); Wed(nesday);

Wel(sh); Whf. = Wharf; W(est) I(ndies); W(est) I(ndian); Wisc(onsin);

Wk. = Week; W. N. A. = Winter line North Atlantic (Plimsoll-merk);

W(est) Long(itude); Wm. = William; W(orshipful) M(aster) = achtbare

meester; W(est) N(orth) W(est); Wp. = Worship; Wpful = Worshipful;

W(riter to the) S(ignet); W(est) S(outh) W(est); W(ashington)

T(erritory); Wt. = Weight.

Wabash, wôbaš.

Wabble, wob’l, subst. schommeling; Wabble verb. schommelen, waggelen,

weifelen; Wabbler; Wabbly = schommelend, waggelend.

Wad, wod, subst. bundel, bos, vulsel, prop watten, enz., geweerprop,

pak banknoten, geld; Wad verb. tot eene prop maken, een prop zetten op,

opvullen, watteeren: A wadded box = een gewatteerd doosje, bekleede

kist; Wad-hook = krasser (om proppen uit een geweer te halen); Wadding

= opvulsel, watten, prop: The paper had served as wad for the gun.

Waddington, wodiŋt’n.

Waddle, wod’l, subst. waggelende, schommelende gang; Waddle verb.

waggelen; Waddler.

Waddy, wadi, wodi, knots, stok; Waddy verb. met een knots doodslaan.

Wade, weid, waden, doorwaden, met moeite gaan door: We were wading up

to our knees through the mud = waadden tot onze knieën door den modder;

Wader = die waadt, hooge waterlaars, steltlooper = Wading-bird.

Wadi, wodi, rivierbedding, die in den zomer droog is.

Wadsetter, wodsetə, de crediteur, die bezittingen in Wadset (= in pand)

heeft, en de inkomsten in afbetaling der schuld geniet (Schotl.).

Wae, wei, wee (Schotl.). Zie Woe.

Wafer, weifə, subst. ouwel, wafel, oblaat; Wafer verb. ouwelen,

dichtplakken: Beetle wafer = papier of ouwel om torren te dooden; Holy

(Sacramental) wafer = hostie; Wafer-cake = knijpkoekje, ijzerkoekje.

Waffle, wof’l, wafel; Waffle-iron = wafelijzer.

Waft, wâft, subst. wenk, sein, ademtocht sjouw (scheepst.); Waft verb.

voeren of dragen, overbrengen, drijven, seinen: To hoist the flag with

a waft = de vlag in sjouw hijschen; Waftage, wâftidž, vervoer,

overbrenging; Wafture = wenken, ademtocht.

Wag, wag, subst. het heen en weer schudden; Wag verb. schudden,

schommelen, wiebelen, er van door gaan, spijbelen, kwispelstaarten: He

played the wag from school = spijbelde; To wag the finger = den vinger

(dreigend) opsteken; There was much wagging of heads at his insolence =

men schudde algemeen het hoofd over; The dog wagged its tail =

kwispelstaartte; That will set the tongues wagging = daar zal wat over

gepraat worden; Thus the world wags = zoo is ’s werelds beloop; The boy

wagged from school = spijbelde; Thus I wag through the world = scharrel

ik door den tijd; ’t Is merry in hall, when beards wag all = onder

mannen alleen, gaat het lustig toe; Wagtail = kwikstaartje; lichtekooi.

Wag, wag, grappenmaker, spotvogel, snaak; Waggery = snakerij,

ondeugende aardigheid: He is full of waggery = hij zit vol looze

streken; Waggish = grappig, ondeugend, schalksch; subst. Waggishness.

Wage, weidž, subst. (meestal Wages) = loon, huur, soldij; vacatiegelden

(Amer.); Wage verb. wagen, wedden, ondernemen, kneden, gelijk staan

met: The advance of wage = verhooging; Living wage = het loon dat een

menschwaardig bestaan verzekert; The wages of sin is death = de

bezoldiging der zonde is de dood (Rom. 6, 23); Wage-earners; Wage-fund

= loonfonds; Wage-rate = loon(standaard); Wage-work = loonarbeid; He

waged war on mankind = voerde strijd tegen.

Wager, weidžə, subst. weddingschap; aanbod van een beklaagde om op een

bepaalden dag onder eede te zullen verklaren dat hij een bedrag niet

schuldig was en elf getuigen mee zal brengen ter bevestiging; Wager

verb. wedden, verwedden: I will lay you a wager = wed met u; What is

your wager? = hoe hoog hebt gij gewed; Name your wager = waar wed je

om? Wager of battle = beslissing door een tweegevecht; I wager you are

wrong.

Waggle, wag’l, subst. waggelende gang; Waggle verb. waggelen, heen en

weer bewegen, wippen: To waggle one’s tail = wippen met den staart (v.

vogels).

Wag(g)on, wag’n, vracht- of goederenwagen: Dinner waggle = dienbak op

rollen; He is on the waterwaggle now = afschaffer; Waggle-master =

wagenmeester; Waggle-shed = remise; Waggle-vault = tongewelf;

Waggleage, waidž, vracht(loon), wagenpark; Waggleer = vrachtrijder;

Waggleette, wagənet, wagentje, soort brik; Waggleing = vervoer per

wagon.

Wahabee, Wahabi, wəhâbî, aanhanger eener Mahomedaansche secte;

Wahabeeism = beginselen der Wahabees.

Waif, weif, onbeheerd goed, strandgoed, weggeloopen vee, door de dieven

bij de vervolging weggeworpen goederen, zwerver, vagebond, sjouw

(noodvlag): Waifs and strays of society = verlaten kinderen, zwervers.

Wail, weil, subst. weeklacht; Wail verb. weeklagen, beweenen.

Wain, wein, wagen, vrachtwagen: Arthur’s of Charles’s Wain = Groote

Beer; Lesser Wain = Kleine Beer.

Wainscot, weinskot, subst. wagenschot; lambriseering; Wainscot verb.

met hout beschieten of bekleeden.

Waist, weist, middel (v. het lichaam), keursje, kuil (Scheepst.): He

tightened his coat to give himself a waist; Waistband = broeksband,

roksband; Waist-belt = gordel, koppel; Waistcloth = (Ind.) lendendoek;

schans- of dekkleed; Waistcoat, weskət, weistkout, vest, wambuis:

Strait Waistcoat = dwangbuis; Waister = kuilgast.

Wait, weit, subst. wachttijd, hinderlaag, oponthoud, pauze (Waits =

muzikanten, die met Kerstmis en Nieuwjaar serenades plachtten te

brengen bij notabelen); Wait verb. wachten, afwachten, wachten op;

bedienen, vergezellen: To lay wait = een hinderlaag leggen; To lie in

wait = op de loer liggen; He may wait a little longer = dan kan hij

lang wachten; Dinner waits = het eten is klaar; The paper may wait till

to-morrow = kan wachten tot, blijven liggen; Something that will not

wait = iets dat niet kan wachten; To wait dinner for a person = met het

eten wachten op; I will wait your return = wachten op; Am I to wait you

there? = moet ik daar wachten, tot gij komt? You have kept me waiting =

mij laten wachten; To wait at table = bedienen; I have been waiting for

you (for) ever so long = heb ik weet niet hoe lang op u gewacht; Who

waits on you? = past u op, bedient u; We herewith wait on you with the

abstract of your account = hierbij hebben we de eer, u te zenden; He

waited (up)on the mayor = maakte zijne opwachting bij; We wait on you,

o Lord! = wij wachten op u, o Heer; Who is going to wait up for me =

wie zal opblijven tot ik thuis kom; Waiter = kellner, bediende,

stommeknecht, presenteerblad; Waiting: To play a waiting game = de kat

uit den boom kijken; The boats are in waiting on the little pier =

liggen klaar aan; The cabs in waiting = de klaar staande; Ladies in

waiting = (gehuwde) hofdames; Lords in waiting = kamerheeren;

Waiting-gentleman = kamerheer, kamerdienaar; Waiting-maid,

Waiting-woman = kamenier; Waiting-room = wachtkamer; Waitress =

kellnerin.

Waive, weiv, verlaten, afzien van: I waive my claims = zie af van mijne

rechten; Waiver.

Wake, weik, subst. waken of wakker zijn, wijdingsfeest van eene kerk,

feest, waken bij een lijk; zog, kielwater, spoor; Wake verb. wakker

zijn, wakker worden, wekken, opzitten, opblijven, opwekken, opvlammen:

We followed in the wake of the steamer = in het kielwater; They

followed in your wake = zij kwamen onmiddellijk achter u aan; He left a

wake of victory behind him = behaalde overwinningen waar hij ook kwam;

A laugh woke about the corners of his mouth = een lachende trek kwam om

zijn mond; Wake-robin = gevlekte aronskelk; Wakeful = wakend, waakzaam;

subst. Wakefulness; Waken = wekken, oproepen, aansporen: Wakener =

wekker, prikkel; Waker = wekker, waker; Waking: Waking-hours = de uren

dat men niet slaapt.

Wakley, wakli; Walcott, wolkət; Waldenses, woldensîz, Waldensers; adj.

Waldensian.

Wale, weil, zelfkant; berghout (scheepst.). Zie Weal = striem.

Wales, weilz; Walhalla, walhalə, wolhalə.

Walk, wôk, subst. wandeling, gang, pas, wandelplaats, laan, weg, baan,

kring, tak, branche; Walk verb. gaan, loopen, wandelen, betreden,

slaapwandelen, spoken, doen wandelen of loopen: A milkman’s walk =

ronde, klanten; Humble walk of life = nederige stand, beroep; In all

walks of life = levenssferen; In this walk he is without a competitor =

in deze afdeeling (vak); To go for (To take) a walk = uit wandelen

gaan; Carriages have to walk here = moeten stapvoets rijden; Does your

friend walk? = is uw vriend een slaapwandelaar (= Does he walk in his

sleep?); To walk the chalk = langs een krijtlijntje loopen om te

toonen, dat men niet dronken is; To walk the hospitals (wards) =

kliniek loopen; Will you walk the little three-year-old? = den kleine

van drie jaar bij het handje nemen; To walk a minuet = een menuet

dansen; The pirates made their victims walk the plank = spoelden ....

de voeten (fig.); He had to walk the plank = ontslag nemen; The

watchman had just walked his round = de ronde gedaan; They walked the

streets = liepen ’s avonds langs de straten, leidden een zedeloos

leven; They walked into the eatables = spraken geducht aan; To walk off

= (hoofdpijn) door wandelen verdrijven; To walk one’s legs off = zich

te schande loopen; He walked over us = deed ons zijne macht gevoelen;

To walk over (the course) = geen partij hebben, een gemakkelijke

overwinning (= A walk-over) hebben; The Tories were allowed to walk

over = de conservatieven wonnen den zetel (terwijl de liberalen geen

candidaat stelden); Somebody is walking over my grave = er loopt een

hondje over mijn graf; He walked up to me = kwam naar mij toe; Walker,

subst. wandelaar, lanterfanter: Hookey walker = Loop! “Mot je mijn

hebben?” Walking: Walking-gentleman = figurant; Walking-lady =

figurante; At a walking-pace; Walking-stick = wandelstok;

Walking-ticket = ontslag(briefje) (= Walking-papers, Amer.); Walkist =

wandelaar van beroep.

Wall, wôl, muur, wand, wal, verdediging; Wall verb. ommuren,

versterken, als een muur oprijzen (up): To drive (push, thrust) to the

wall = in ’t nauw drijven, verpletteren; Give him the wall = laat hem

aan den hoogen kant loopen (tusschen den muur en u zelf); To go to the

wall = het onderspit delven, geruïneerd zijn; What with her painting,

what with her music the household affairs went a little to the wall =

leed de huishouding er eenigszins onder; His health went to the wall =

nam af; He was weak and went to the wall = en bezweek, stierf; Every

one went to the wall to make room for him = ging op zij; To have one’s

back to the wall = vastberaden weerstand bieden; I have taken the wall

of him = ik heb het van hem gewonnen; The enemies were within the walls

= binnen de muren der vesting; He is a fool and ever shall (be), that

writes his name upon a wall = gekken en dwazen schrijven hun namen op

deuren en glazen; Walls (may) have ears = de muren hebben ook ooren;

The opening was walled up = werd dichtgemetseld; Wall-creeper =

muurkruiper (soort v. specht); Wall-eye = glasoog (ziekte bij paarden);

adj. wall-eyed: Because you are wall-eyed you think we have the same

blank outlook = omdat gij blind zijt denkt gij dat dit met ons ook het

geval moet zijn; Wall-flower = muurbloem (ook fig.); Wall-fruit =

vrucht(en) van leiboomen = Wall-fruit trees; Wall-moss = soort v.

korstmos; Wallpaper = behangsel; Wall-pepper = muurpeper; Wall-piece =

soort v. haakbus; Wall-plate = onderlaag voor balken op een muur;

Wall-sided = met rechtopstaande zijden boven de waterlijn; Wall-spring

= rotsbron; Wall-Street = straat waar de effectenbeurs staat (N.-York):

He lost his money on Wall-Street = met speculeeren; Wall-tree =

leiboom; Wallwort = lage vlier.

Wallaby, woləbi, soort kangeroe.

Wallace, wolis; Wallachia, woleikjə, Wallachije; Wallachian, subst. en

adj. (bewoner) van Wallachije: Wallachian sheep.

Wallah, wola, koopman, bediende: Competition wallah = iemand, die na

een vergelijkend examen bij de Indian Civil Service is gekomen.

Wallet, wolət, knapzak, geldbuidel, portefeuille, leeren taschje.

Wallis, wolis.

Walloon, wolûn, subst. Waal, Waalsche taal; adj. Waalsch.

Wallop, woləp, koken, borrelen, opborrelen, duchtig ranselen: This is

only a tickling to the walloping you’ll get to-morrow = nog maar

kietelen bij het pak slaag dat je morgen krijgt; Walloping =

reusachtig.

Wallow, wolou, subst. plas; Wallow verb. wentelen, plassen, rollen,

woelen: The wallow of the sea = het rollen; To wallow in pleasure =

zwelgen in genot.

Walmer, wômə; Walmsley, wômzli.

Walnut, wôlnɐt, wolnɐt, walnoot.

Walpole, wolpoul.

Walrus, wolrɐs, walrus.

Walsh, wolš; Walsingham, wolsiŋ’m; Walter, wôltə; Waltham, wolth’m;

Walton, wôlt’n.

Walt(y), wolt(i), rank (v. schepen).

Waltz, wôlts, subst. wals(muziek); Waltz verb. walsen; Waltzer.

Walworth, wolwəth.

Wamble, womb’l, misselijk zijn: My stomach wambles = het breekt me op.

Wampee, wompî, wampiboom (China).

Wampum, womp’m, schelpkoralen, schelpgordel door de Roodhuiden als geld

of versiering gebruikt.

Wan, won, adj. bleek, ziekelijk, flets; subst. Wanness.

Wand, wond, roede, tooverstaf, staf: Charming (Magic) wand; Wanded

basket = teenen mand; Wandlike.

Wander, wondə, zwerven, ronddolen, malen of ijlen, afdwalen (van het

onderwerp), op een dwaalspoor brengen: Your wits are wandering = ge

hebt er een paar op den loop; You are wandering from the subject =

dwaalt van uw onderwerp af; He wandered in his mind = ijlde; Wanderer =

zwerver; Wandering, subst. afdwaling, rondzwerving, ijlen of malen;

adj. zwervend, onvast: They lead a wandering life = een zwervend leven;

The Wandering Jew = de Wandelende Jood; Wandering kidney = wandelnier;

Wandering tribe = nomadenstam.

Wanderoo, wondərû, een gebaarde zwarte aap.

Wandsworth, wonzwəth.

Wane, wein, subst. afneming, vermindering, verval; Wane verb. afnemen,

verminderen: On the wane = aan het afnemen, aan het afsterven; Waning

strength = verminderende krachten.

Wanghee, waŋhî, bamboes (wandelstok).

Wanley, wonli.

Want, wont, subst. gebrek, behoefte, gemis, armoede, nood; Want verb.

ontberen, missen, ontbreken, noodig hebben, wenschen, verlangen:

Want-of-confidence-vote = motie van wantrouwen; I do it for (through)

want of better employment = uit gebrek aan; They are in want of

everything = lijden aan alles gebrek; He is greatly in want (is in

great want) of = heeft hoog noodig; He died of want = kwam van gebrek

om; She felt the want of it = gemis er van; To supply a much needed

want = in eene lang gevoelde behoefte voorzien; First supply the wants

of the poor, and then give way to luxury = voorzie eerst in de

behoeften der armen; Want one = op één na; What do you want? = wat moet

je? I want mamma = ik zoek naar ma’tje; I want you to go there = ik

wensch dat gij daarheen gaat; You are wanted = men zoekt je; The piano

wants tuning = moet gestemd worden; I want for nothing that money can

procure = ik heb alles wat voor geld is te krijgen; It wants ten

minutes to (of) five = het is 5 min. vóór vijf; Want to know! = Och,

kom! (Amer.); Volunteers were not wanting = er was geen gebrek aan;

Three more are wanting = er mankeeren nog drie; Nothing is wanting to

my happiness = er ontbreekt niets aan mijn geluk; I shall not be

wanting to send you word = zal u zeer zeker zenden; He was never found

wanting = mankeerde nooit, liet iemand nooit in den steek.

Wanton, wont’n, subst. lichtmis, boeleerder, boeleerster, malloot; adj.

losbandig, wulpsch, dartel, speelsch, brooddronken, lichtzinnig,

moedwillig, fladderend; Wanton verb. dartelen, stoeien, mallen: In

wanton sport = in overmoed; subst. Wantonness.

Wapentake, wop’nteik, wap’nteik, weip’nteik, district (in Yorkshire).

Wapiti, wapiti, wopiti, N.-Am. hert of eland.

Wapping, wopiŋ.

Engelsch woordenboek. Eerste deel: Engelsch-Nederlandsch (met uitgeschreven verkortingen) · 第 145 / 152 段