Vertiginous, vɐ̂tidžinɐs, ronddraaiend, omwentelend, duizelig(makend);

Vertigo, vɐ̂tigou, vɐ̂taigou, vɐ̂tîgou, duizeligheid, duizeling.

Vertu, vɐ̂tu, kunstsmaak, kunstliefhebberij: A boudoir filled with

articles of vertu = kunstvoorwerpen, antiquiteiten, curiosa.

Verulam, verul’m.

Vervain, vɐ̂vein, ijzerhard, verbena.

Verve, vɐ̂v, geestdrift, vuur.

Very, veri, adj. werkelijk, waar, enkel, zelfs, echt; adv. zeer, in

hooge mate: He is a very baby = echt “kuiken”; The very man came on the

very day of the funeral = dezelfde man kwam op den dag zelf; The very

thought of it makes me shudder = de bloote gedachte er aan; That’s the

very best you could do = het allerbeste; It is very possible = zéér wel

mogelijk; The veriest baby would do it = het kleinste kind kan het

doen; It was the veriest old building I ever saw = het alleroudste

gebouw.

Vesica, vəsaikə, (de) blaas; Vesical, vesik’l, tot de blaas behoorende;

Vesicant, vesik’nt, blaren trekkend; subst. trekpleister; Vesicate,

vesikeit, blaren trekken; subst. Vesication; Vesicle, vesik’l, blaar,

blaasje; Vesicular, Vesiculate, Vesiculose, Vesiculous = als een

blaasje of eene blaar, blaas- of celachtig.

Vespa, vespə, wesp.

Vespasian, vespeiž’n, Vespasianus.

Vesper, vespə, subst. avondster, avond; ook adj.; Vespers = vesper,

laatste getijde van het brevier; Vesper-bell; Vespertine, vespət(a)in,

tot den avond behoorende of daarin gebeurende.

Vespiary, vespjəri, wespennest.

Vessel, ves’l, vat, bloedvat, kan; schip, vaartuig, vaatwerk,

gereedschap, mensch: Consecrated vessels = gewijde vaten; The weaker

vessel = de vrouw.

Vest, vest, subst. vest, jacket zonder mouwen, onderlijfje; Vest verb.

bekleeden, omringen, begiftigen, beleggen, overdragen, overgaan op,

komen op, gevestigd zijn in: His money is vested in lands = belegd in;

The right to the estate vests in you = is op u vastgezet; He was vested

with that power = bekleed met; Vested interests = verworven, verkregen

rechten; Vested legacy = legaat dat iemand bijv. uitgekeerd wordt als

hij 23 jaar oud is geworden.

Vesta, vestə, Vesta; waslucifer = Wax vesta; Vestal, subst. Vestaalsche

maagd, kuische vrouw, non; adj. vestaalsch, rein, maagdelijk, kuisch:

Vestal Virgins = Vestaalsche Maagden.

Vestiary, vestjəri, subst. kleedkamer, garderobe.

Vestibule, vestibjûl, vestibule, voorhof; Vestibule-train = D-trein.

Vestige, vestidž, spoor, overblijfsel; Vestigial, vestidž’l,

rudimentair.

Vesting, vestiŋ, stof voor vests; Vestment = kleeding, (mis)gewaad.

Vestry, vestri, consistoriekamer, kerkekamer, parochiebestuur, dat een

wereldlijk, administratief karakter heeft: Common (General, Open)

vestry = de gezamenlijke belastingbetalende leden, die de

Churchwardens, Vestry Clerk en Beadle kiezen; Select vestry = de

gezamenlijke Pew-Owners, i.e. de rijkere Church of England leden. Zij

bepalen de Church rates; Vestry-clerk = secretaris van de parochie;

Vestry-hall = gemeentehuis (in deze tweeslachtige beteekenis);

Vestryman = kerkeraadslid, lid van den parochie-raad; Vestry-meeting.

Vesture, vestjə, (be)kleeding; Vesture verb. bekleeden.

Vesuvian, vəs(j)ûvj’n, subst. soort v. windlucifer; adj. tot den

Vesuvius behoorende; Vesuvius, vəs(j)ûvjəs, Vesuvius.

Vet, vet, verkort v. Veterinary (Surgeon), of Veteran.

Vetch, vetš, wikke (plant); Vetchling = (ongebladerde) lathyrus.

Veteran, vetər’n, vergrijsd in den dienst, beproefd, ervaren; subst.

veteraan; Veteranize = opnieuw dienst nemen (Amer.).

Veterinarian, vetərinêriən, veearts; Veterinary, vetərinəri, subst.

veearts (= Veterinary surgeon); adj. veeartsenijkundig: Veterinary

college, school.

Veto, vîtou, subst. (recht van) veto, verwerping, weigering, verbod;

Veto verb. verbieden, afstemmen, weigeren: To put one’s veto on.

Vetturino, veturînou, Italiaansch huurkoets(ier).

Vex, veks, verontrusten, kwellen, plagen, bedroeven, ergeren: To be

(feel) vexed at = zich ergeren over; Slightly vexed at my words =

eenigszins geërgerd; Vexed questions = lastige, niet uitgemaakte

vraagpunten; Vexation = ergernis, kwelling, plaag; Vexatious,

vekseišəs, kwellend, verdrietig, hinderlijk, ergerend; Vexer = plager,

sarder, kweller; Vexing = kwellend, etc.; subst. Vexingness.

Vexil, veksil, baard; Vexillar(y) = tot een baard behoorend.

Via, vaiə, weg; adv. over: Via lactea = melkweg; He went to Italy via

Paris and Lyons = over P. en Lyon.

Viability, vaiəbiliti, subst. v. Viable, vaiəb’l, levensvatbaar.

Viaduct, vaiədɐkt, viaduct.

Vial, vaiəl, subst. fleschje, fiool; Vial verb. in een fleschje doen:

He poured out vials of wrath upon his enemies = hij goot de fiolen des

toorns over zijne vijanden uit (Openb. XVI, I).

Viands, vaiəndz, levensmiddelen, voedsel.

Viaticum, vaiatikɐm, teerpenning; teerspijs = de H. communie een

stervende toegediend; Viator, vaieitə, reiziger.

Vibrant, vaibr’nt, trillend, bevend; Vibrate, vaibreit, slingeren,

schommelen, golven, trillen, klinken, weifelen; Vibration, vaibreiš’n,

trilling; schommeling, slingering; adj. Vibratory; Vibroscope =

trillingmeter.

Vicar, vikə, plaatsvervanger, vicaris, eigenlijk de plaatsvervanger van

den Rector (die zelf geen dienst behoeft te doen. De Vicar geniet

slechts de Small Tithes i.e. de tienden van koren, soms hooi): Vicar of

(Jesus) Christ = de Paus; Vicarage, vikəridž, ambt, pastorie van een

Vicar; Vicarship.

Vicarial, vikêriəl = Vicarious; Vicariate, vikêriit, subst.

vicarisschap, plaatsvervanging; adj. plaatsvervangend; Vicarious,

vikêriəs, plaatsvervangend; voor anderen geleden: Vicarious punishment

(atonement) = straf ondergaan (verzoening verkregen) ten behoeve van

een ander; Your experience is Vicarious = uit de tweede hand; subst.

Vicariousness.

Vice, vais, ondeugd, gebrek, verdorvenheid, kuur (van een paard), spil,

loodtrekker, bankschroef: He grasped me as in a vice = had mij als in

eene schroef gekneld.

Vice, vais, (in samenst.), onder, plaatsvervangend: Vice versa, vaisi

vɐ̂sə, vice versa; Vice-admiral = vice-admiraal; Vice-admiralty =

vice-admiraalschap; Vice-chairman = vice-president; Vice-chancellor =

vice-kanselier; Vice-consul = vice-consul; Vicegerency =

plaatsvervangerschap; Vicegerent, vaisdžîr’nt, subst. plaatsvervanger,

stadhouder; adj. plaatsvervangend; Vice-president; Viceregal,

vaisrîg’l, tot een onderkoning of onderkoningschap behoorende;

Vicereine, vaisrein, gemalin van een Viceroy = onderkoning; Viceroyalty

= onderkoningschap.

Vicinity, visiniti, nabuurschap, omstreken.

Vicious, višəs, onvolmaakt, gebrekkig, bedorven, slecht, verkeerd,

boosaardig, venijnig; subst. Viciousness.

Vicissitude, visisitjûd, verandering of afwisseling, wisselvalligheid:

The vicissitudes of life, of fortune; Life has blessed him with

vicissitude = hij heeft tot zijn geluk velerlei ondervonden.

Victim, viktim, slachtoffer, dupe: He was (fell) a victim to his

ambition = was (viel als) slachtoffer van zijne eerzucht; Victimize =

tot slachtoffer maken, beetnemen, bedriegen.

Victor, viktə, overwinnaar; Victoria, viktôriə, Victoria, soort

rijtuig: Victoria Cross = mil. decoratie (overeenkomende met onze

Militaire Willemsorde); adj. Victorian; Victorine, viktərîn, bonten

kraag; soort v. perzik; Victorious, viktôriəs, overwinnings...,

overwinnend: “Send her cictorious” = maak, dat zij overwinnend zij;

Victoriousness = zegeviering; Victory, viktəri, overwinning, behaald

voordeel: To gain (carry, get, obtain) a victory over; Victress =

overwinnares.

Victual, vit’l, proviandeeren, van leeftocht voorzien; Victuals,

vit’lz, levensmiddelen: Broken victuals = kliekjes; Victualler, vitələ,

proviandmeester; slijter, victualieschip: Licensed victualler =

grossier met “vergunning”; Victualling = wat levensmiddelen verschaft:

Victualling-office = victualiebureau.

Vide, vaidî, zie; Videlicet, videliset, te weten, dat is.

Vie, vai, wedijveren, mededingen.

Vienna, vjenə, Weenen; Viennese, vjenîz, vjenîs, subst. en adj.

(bewoner of bewoners) van W.

View, vjû, subst. gezicht, uitzicht, inzicht, overzicht, bezichtiging,

onderzoek, schets, kijk, oordeel, meening, voornemen; View verb. zien,

aanschouwen, onderzoeken, nagaan, beschouwen: To be on view = te

bezichtigen zijn; To command a view of = het uitzicht hebben over; To

have in view = op het oog hebben; You must keep this in view = in het

oog houden; Let us take a good view of it = laten we het goed bezien;

In view of what you have to offer = met betrekking tot (met het oog

op); In my view = mijns erachtens; I did it with a view to ascertain

whether he was safe = met de bedoeling; Our points of view are

different = wij staan op een verschillend standpunt; I never looked at

it from this point of view = uit dit oogpunt; Views on the war =

meeningen over; A bird’s-eye view of Cologne = Keulen in vogelvlucht;

Viewer = opzichter, onderzoeker, deskundige; Viewless = onzichtbaar,

niet te zien; He is viewy = hij heeft altijd onmogelijke plannen; is

opzichtig; ziet er aardig uit.

Vigil, vidžil, het waken, vigilie, vigiliedag; Vigils = nachtwake;

Vigilance = waakzaamheid: Vigilance Committee (Society) = een

vereeniging overeenkomend met onze Middernachtzending;

veiligheidscomité; Vigilant = waakzaam, omzichtig.

Vignette, vinjet, vinjət, vinet, subst. vignet (portret); Vignette

verb. zoo verlichten dat de randen of lijnen onmerkbaar verdwijnen

(photogr.).

Vigorous, vigərɐs, krachtig, sterk, flink; subst. Vigorousness; Vigour,

vigə, kracht, sterkte.

Viking, vîkiŋ, v(a)ikiŋ, Viking (Oud-Noorsche zeeroover).

Vile, vail, laag, verachtelijk, waardeloos, gering, snood,

afschuwelijk: A vile smell; subst. Vileness.

Vilification, vilifikeiš’n, smaad, etc.; Vilifier; Vilify, vilifai,

lasteren, honen, smaden.

Vilipend, vilipend, minachten, geringschatten, zich ongunstig uitlaten

over.

Vill, vil, gehucht, kerspel.

Villa, vilə, buitenplaats, buiten; Villadom = de gezamenlijke villa’s,

villabewoners.

Village, vilidž, dorp; Villager = dorpsbewoner.

Villain, vilin, schurk, lijfeigene, boer, lummel; Villainage, vilinidz,

lijfeigenschap; Villainous = schurkachtig, laag, gemeen; subst.

Villainousness; Villainy = schurkerij, slechtheid, eerloosheid.

Villein, vilin = Villain.

Villi, vilai, dicht opeenstaande haartjes (als bij fluweel); Villose,

vilous, Villous, viləs, harig, ruig; Villosity, vilositi, behaardheid,

ruigheid.

Villiers, vil(j)əz.

Vim, vim, kracht, energie, wilskracht.

Vinaceous, v(a)ineišəs, tot den wijnstok behoorend, wijn...;

wijnkleurig.

Vinaigrette, vinəgret, lodderein-doosje.

Vinaigrous, vinəgrɐs, vineigrəs, zuur; zuurmuilig, brommerig.

Vincent, vins’nt, Vincentius; Vincentian, vinsenš’n, van den H.

Vincentius.

Vincibility, vinsibiliti, subst. v. Vincible, vinsib’l, verwinlijk,

verwinbaar; subst. Vincibleness.

Vinculum, viŋkjulɐm, band, verbinding.

Vindicability, vindikəbiliti, subst. van Vindicable, vindikəb’l,

rechtvaardigbaar, verdedigbaar; Vindicate, vindikeit, handhaven,

verdedigen, rechtvaardigen: I will vindicate my right = mijne rechten

verdedigen; Vindication = rechtvaardiging, verdediging: I did it in

vindication of my liberty = ter verdediging; Vindicator = verdediger,

beschermer; Vindicatory = verdedigend, rechtvaardigend, wrekend,

straffend.

Vindictive, vindiktiv, wraakgierig; subst. Vindictiveness.

Vine, vain, wijnstok, wingerd, wijnrank; Vine-clad = met

wijngaardranken begroeid; Vine-culture = wijnbouw; Vine-disease =

druifluisziekte; Vine-dresser = wijngaardenier; Vine-fretter =

druifluis; Vine-grower = eigenaar van een wijnberg; Vine-grub =

Vine-fretter; Vine-shoot = wijngaardrank; Vine-yard, vinjəd, wijngaard;

Vinery = broeikas voor druiven.

Vinegar, vinəgə, subst. azijn; adj. zuur, Vinegar verb. zuur maken, met

azijn wrijven: His temples were vinegared = zijne slapen werden met

azijn gewreven; Vinegar-bottle, Vinegar-cruet = azijnfleschje;

Vinegar-sauce = zure saus; Vinegar-works = azijnmakerij; Vinegary =

zuur, gemelijk.

Vinose, vainous, vainous, wijnachtig: subst. Vinosity; Vinous, vainəs:

Vinous flavour = wijnsmaak; Vinous loquacity = spraakzaamheid door den

drank; Vintage, vintidž, wijnoogst, wijn van een bepaalden oogst;

Vintner, vintnə, wijnhandelaar, wijnhuishouder; Vintry = wijnkelder,

wijnhuis.

Viol, vaiəl: Viol-de-gamboys = een vroegere groote viool; Viola,

vaiələ, altviool; viooltje.

Viola, vaiələ.

Violable, vaiələb’l, schendbaar; Violate, vaiəleit, schenden, onteeren,

verkrachten, ontheiligen, verbreken, ontwijden; Violation, vaiəleiš’n,

schending, verkrachting, inbreuk, ontwijding; Violative = schendend,

onteerend; Violator, vaiəleitə, schender, verkrachter, verbreker:

Violator of repose = rustverstoorder.

Violence, vaiəlens, geweld, hevigheid, geweldadigheid, verkrachting,

ontheiliging, inbreuk: It was done by violence = met geweld,

gewelddadig; He was done violence to = hem werd geweld aangedaan; To

offer violence = verkrachten; He put a violence on himself = deed

zichzelf geweld aan, sloeg de hand aan zichzelf; To use personal

violence to = (iemand) persoonlijk geweld aandoen; Violent, vaiəlent,

adj. geweldig, hevig, driftig, schril, buitengewoon, gewelddadig: To

die a violent death.

Violescent, vaiəles’nt, paarsachtig: Violet, vaiəlit, subst. viooltje;

adj. paars, violetkleurig.

Violin, vaiəlin, vaiəlin, viool: He played (on) the violin = speelde

viool; Violin-bow = strijkstok; Violin-case = vioolkist; Violinist,

vaiəlinist = vioolspeler; Violoncellist, vaiəlontšelist, viəlonšelist,

violoncellist; Violoncello = violoncel.

Viparious, vaipêriəs, levenwekkend; taai: A cat is viparious = heeft

een taai leven.

Viper, vaipə, adder (ook fig.): I have nurtured a viper in my bosom =

een adder aan mijn borst gekoesterd; Viper’s bugloss = slangenkruid;

Viper’s grass = schorseneer; Viperine, vaipər(a)in, adderachtig,

vergiftig, kwaadaardig = Viperous, vaipərɐs.

Virago, v(a)ireigou, manwijf, helleveeg.

Virescent, vaires’nt, groen (wordend).

Virgate, vɐ̂git, roedevormig.

Virgil, vɐ̂džil, Vergilius; Virgilian, vədžilj’n, van V.

Virgin, vɐ̂džin, maagd, kuische man; adj. maagdelijk, rein, onbevlekt,

ongerept, ongeploegd: The (Blessed) Virgin = de Maagd Maria, de H.

Maagd; Virgin-born = uit eene maagd geboren; Virgin metal = gedegen,

zuiver; Virgin’s-bower = boschdruif; Virginal = maagdelijk, rein: (Pair

of) virginals = spinet; Virginhood = Virginity.

Virginia, vɐ̂džinjə, Virginia (tabak): Virginia creeper = wilde wingerd;

Virginian = (bewoner) van V.

Virginity, vɐ̂džiniti, maagdelijke staat, kuischheid, etc.; Virgo,

vɐ̂gou, Maagd (Dierenriem).

Viridness, viridnəs, Viridity, viriditi, groenheid, groen, frisch

groene kleur.

Virile, vir(a)il, vairil, mannelijk, manbaar: Virile age; Virility,

viriliti, mannelijkheid, manbaarheid.

Virtu, vət(j)û, vɐ̂t(j)u = Vertu.

Virtual, vɐ̂tjuəl, krachtig, werkzaam, wezenlijk: Virtual focus =

virtueel brandpunt; Virtual velocity = onderstelde snelheid;

Virtuality, vɐ̂tjualiti, vermogen, kracht; That is virtually the same

thing = feitelijk of practisch hetzelfde.

Virtue, vɐ̂tju, deugd, kracht, werkzaamheid, wezen, kern, vermogen,

reinheid, kuischheid, voortreffelijkheid: He did it in (by) virtue of

his office = krachtens zijn ambt; Cardinal virtues, zie Cardinal;

Virtueless = zonder deugd of uitwerking, waardeloos.

Virtuosity, vɐ̂t(j)uositi, meesterschap in de kunst; de gezamenlijke

virtuozen; Virtuoso, vɐ̂t(j)uousou (Meerv. Virtuosi, vɐ̂t(j)uousai),

virtuoos, kenner van oudheden, etc.

Virtuous, vɐ̂tjuəs, deugdzaam, krachtig, deugdelijk; subst.

Virtuousness.

Virulence, vir(j)ulens, venijnigheid, kwaadaardigheid, bitterheid; adj.

Virulent.

Virus, vairəs, vergif, giftigheid (fig.).

Vis, vis, kracht, macht, energie.

Visage, vizidž, gelaat, gezicht: An honest, strongly marked,

scoundrelly, wan, visage; adj. Visaged.

Viscera, visərə, ingewanden: Visceral = tot de ingew. behoorende, de

ingew. bevattende, ingewands...; innerlijk, inwendig.

Viscid, visid, kleverig, lijmerig; subst. Viscidity, visiditi =

Viscosity, viskositi.

Viscount, vaikaunt, adellijke titel tusschen earl en baron in;

Viscountess = echtgenoote van een viscount; Viscountship.

Viscous, viskəs, kleverig, taai; subst. Viscousness.

Viscum, visk’m, marentak, vogellijm.

Visibility, vizibiliti, subst. v. Visible, vizib’l, zichtbaar,

duidelijk; subst. Visibleness.

Visigoth, visigoth, West Goth; adj. Visigothic.

Vision, viž’n, het zien, gezicht, visioen, verschijning; Visional =

ingebeeld, hersenschimmig; Visionariness, subst. v. Visionary =

hersenschimmig, droomerig, fantastisch; subst. dweper, droomer,

fantastisch mensch.

Visit, vizit, subst. bezoek, visitatie; Visit verb. bezoeken,

inspecteeren, straffen, betaald zetten: A domiciliary visit =

huiszoeking; I was on a visit there = op bezoek; He made a visit to his

birthplace = bracht; He paid me a visit and I returned it = bracht mij

een bezoek en ik bracht hem een tegenbezoek; A visit from his Majesty =

door; I never visit at his house = maak nooit visites bij hem; We

should not visit those measures with a return in kind = die maatregelen

niet met gelijke munt betalen; His offences against decorum were

visited with rigour = werden gestreng gestraft; We do not visit = zien

elkaar niet; He visits there = komt er vaak; Visitant = bezoeker;

Visitation, viziteiš’n = bezoek, visitatie, (periodieke) inspectie,

bezoeking Gods: Visitation of the sick = ziekentroost; Visitation of

the Virgin Mary = Maria Boodschap; Visitatorial, vizitətôriəl:

Visitatorial power = recht van visitatie; Visite, vizît, visite

(manteltje); Visiting: Visiting-card = visitekaartje;

Visiting-commissioner = maandcommissaris, commissielid dat dienst

heeft; Visiting-governess = onderwijzeres (extern); Visitor = bezoeker,

inspecteur, visiteur: Visitor’s room = logeerkamer.

Visor, vizə, masker, vizier; Visored = met een vizier, gemaskerd,

vermomd.

Vista, vistə, uitzicht of verschiet door eene laan of rij boomen, laan,

rij boomen: This book opens splendid vistas to the intelligent reader =

opent een heerlijk verschiet.

Vistula, vistjulə, Weichsel.

Visual, vižuəl, gezichts - -: Visual angle = ooghoek; Visual nerves =

gezichtszenuwen; Visual point = oogpunt; Visual signalling = optische

telegraphie; Visualization, subst. v. Visualize = verzinnelijken voor

het oog, zichtbaar maken.

Vital, vait’l, levens..., onmisbaar, onheilspellend: Vitals = Vital

organs; His Vital forces ebbed = zijne levenskracht begaf hem; Vital

organs, Vital parts = edele deelen; Vital power = levenskracht; We

tried to revive this Vital question = levensvraag; Vital spirits =

levensgeesten; Vital thread = levensdraad; Vital statistics =

statistiek over levensduur; That is vital to our cause = eene

levenskwestie voor; Vitality, v(a)italiti, leven, levenskracht, duur,

levensvatbaarheid; Vitalization = bezieling, etc; Vitalize = bezielen,

leven geven.

Vitellus, v(a)iteləs, dooier.

Vitiate, višieit, bederven, ontwijden, schenden, vernietigen; subst.

Vitiation.

Viticulture, vitikɐltjə, wijnbouw; Viticulturist = wijnbouwer; Vitis,

vaitis, wijnstok.

Vitreo, vitriou: Vitreo-electric = positief-electrisch; Vitreous,

vitriəs, van glas, glasachtig, glazen: Vitreous electricity =

glas-electriciteit; subst. Vitreousness; Vitrifaction, vitrifakš’n,

verglazing; Vitrifiable, vitrifaiəb’l, verglaasbaar; Vitrification,

subst. v. Vitrify, vitrifai, verglazen.

Vitriol, vitriəl, vitriool: Oil of vitriol = zwavelzuur; Vitriol of

copper = kopervitriool; Vitriol-throwing = het gooien van vitriool in

iemands gezicht; Vitriolate, vitriəleit, in vitriool veranderen;

Vitriolic, vitriolik, vitrioolachtig, scherp, kwaadaardig.

Vituperate, v(a)itjûpəreit, berispen, laken, uitschelden; subst.

Vituperation; adj. Vituperative.

Vitus, vaitəs: St. Vitus dance.

Vivacious, v(a)iveišəs, levendig, opgewekt, overblijvend, vast; subst.

Vivaciousness; Vivacity, v(a)ivasiti, levendigheid, vlugheid,

opgewektheid.

Vivarium, vaivêriəm, plaats waar dieren in zoo mogelijk natuurlijken

toestand in leven worden gehouden.

Vivat, vaivət, dat hij (zij) leve!

Viva Voce, vaivə vousi, mondeling; subst. mondeling examen.

Vive, vîv, leve!

Vivian, vivj’n.

Vivid, vivid, levendig, helder, treffend, realistisch; subst.

Vividness; Vivification, vivifikeiš’n, verlevendiging, weder-opleving;

Vivify, vivifai, leven wekken, bezielen: The air was vivifying = de

frissche lucht schonk nieuw leven.

Viviparous, vaivipərɐs, levende jongen ter wereld brengend.

Vivisect, vivisekt, levend ontleden; Vivisection, vivisekš’n,

vivisectie; Vivisectionist, vivisekšənist, = Vivisector = ontleder van

levende dieren of voorstander dier methode.

Vixen, viks’n, wijfjesvos, helleveeg; Vixenish = twistziek, kijfachtig.

Viz. (= Videlicet), uitgespr. neimli.

Vizard, vizəd: A vizard mask = masker voor ’t gelaat.

Vizi(e)r, vizîə, vizier; Vizi(e)rate = vizierschap.

Vocable, voukəb’l, woord; Vocabulary, vəkabjuləri, woordenlijst,

woordenboek, woordenschat, spraakgebruik; Vocal, vouk’l, stem - -,

vocaal, mondeling, hardop, stemhebbend: Vocal c(h)ords, Vocal ligaments

= stembanden; Vocal music = gezang; Vocalic, vəkalik, uit klinkers

bestaande; Vocalism = gebruik der stemorganen; Vocalist = zanger(es);

Vocalization, voukəl(a)izeiš’n, het uitspreken, het vormen van klanken;

Vocalize = uitspreken, stemhebbend maken; Vocalness = stemvermogen, het

uitgesproken kunnen worden.

Vocation, vəkeiš’n, roeping, neiging, aanleg, beroep: Reading is not

much in my vocation = tot lezen voel ik mij niet zeer aangetrokken.

Vocative, vokətiv, subst. vocatief; adj. vocatief.

Vociferate, vəsifəreit, luide schreeuwen, uitroepen: Vociferation =

geschreeuw, luid geroep; Vociferous, vəsifərɐs, schreeuwend, uitbundig

juichend.

Vocule, vokjûl, zwakke aspiratie achter p, t, k.

Voe, vou, baai, kreek.

Vogue, voug, zwang, mode, algemeene roep: Writers of lesser vogue =

minder populaire; That is much in vogue now = erg in zwang; To bring

into vogue = in zwang brengen.

Voice, vôis, subst. stem, geluid, taal, vorm (v. een werkw.); Voice

verb. uitdrukking geven aan, uiten, stemhebbend maken: (Not) in voice =

(niet) bij stem; He was elected without a single dissentient voice =

zonder ééne stem tegen; He was chosen with one voice = eenstemmig

gekozen; She has not much of a voice = niet veel stem; He lifted up his

voice = hief zijne stem op; To raise one’s voice = verheffen; Active,

Passive voice = bedrijvende, lijdende vorm; To voice a grievance =

uiten; This article voices the public sentiment = geeft de openbare

meening weer; The organ-pipes were voiced = het orgel werd gestemd;

Voiced = met stem gesproken: This is a voiced s = deze s wordt met

stemtoon gesproken; Voiceful = luid klinkend, bruisend; Voiceless =

zonder stemtoon: A voiceless consonant = stemlooze medeklinker.

Void, vôid, subst. ledig(e ruimte); adj. ledig, vacant, ontbloot,

nutteloos, nietig; Void verb. ledigen, ontruimen, ruimen, leeggooien,

ontlasten, opheffen, vernietigen: That loss made a void in my life,

which can never be filled up = bracht eene leemte; It is null and void

= van nul en geener waarde; Void of learning = zonder geleerdheid; Void

of pity; That sentence is void of reason, of sense = heeft geen zin;

The law was made void = werd terzijde gesteld; Void space = ledige

ruimte; Voidable = wat ontruimd, geledigd of vernietigd kan worden;

Voidance = lediging, ontzetting, verwijdering; Voidness = ledigheid,

nietigheid.

Volant, voul’nt, vol’nt, vliegend (herald.), vlug, snel.

Engelsch woordenboek. Eerste deel: Engelsch-Nederlandsch (met uitgeschreven verkortingen) · 第 144 / 152 段