Vacuous, vakjuəs, ledig, zonder uitdrukking; subst. Vacuousness;
Vacuum, vakjuəm, (lucht)ledige ruimte: Vacuum-brake = luchtrem;
Vacuum-cleaner = stofzuiger; Vacuum-tubes = luchtledige buizen.
Vade, veid, verwelken, verdwijnen.
Vade-mecum, veidîmîk’m, vademecum, leiddraad, gids.
Vagabond, vagəbond, subst. landlooper, zwerver, luie vent; adj.
rondzwervend, vagebondeerend, doelloos; Vagabondage, vagəbondidž,
landlooperij: To live in vagabondage = vagebondeeren; Vagabondism =
Vagabondage; Vagabondize = rondloopen, rondzwerven.
Vagary, vəgêri, subst. kuur, gril.
Vagina, vədžainə, vagina, bladscheede; Vaginal, vadžin’l, vədžain’l,
scheedeachtig, scheede ...; Vaginate(d), vədžainit (vədžaineitid), met
een scheede, scheedevormig.
Vagrancy, veigr’nsi, landlooperij; Vagrant, subst. landlooper; adj.
zwervend, zonder vaste woonplaats.
Vague, veig, vaag, onbepaald, onduidelijk; subst. Vagueness.
Vails, veilz, fooi(en).
Vain, vein, ijdel, nutteloos, waardeloos, vergeefsch, bedriegelijk,
lichtzinnig, dwaas: Vain hope = ijdele hoop; It was all in vain =
vergeefsch; Don’t take God’s name in vain = gebruik Gods naam niet
ijdellijk; Vainglorious, veinglôriəs, opgeblazen, verwaand, blufferig;
subst. Vaingloriousness = Vainglory.
Vakeel, Vakil, vəkîl, speciaal gezant, (inlandsch) advocaat (Brit.
Ind.).
Val, val, Valentijn.
Valance, val’ns, subst. soort damast, valletje of franje om
bedgordijnen, enz.; Valance verb. met franje of draperie versieren.
Vale, veil, vallei.
Valediction, validikš’n, afscheid, vaarwel; Valedictory, validiktəri,
afscheids ...: Valedictory address = een gewoonlijk Latijnsche
afscheidsrede in Amer. colleges; de houder dier rede wordt
Valedictorian, valədiktôriən, genoemd.
Valence, valəns, persoonsn.; valentie (= veil’ns).
Valencia, vəlenšiə = Valance.
Valentia, vəlenšiə; Valentine, val’ntain, Valentijn, liefje op St.
Valentine’s day (14 Febr.) gekozen, briefje of cadeautje door
jongelieden van beide seksen op dien dag elkander gezonden; Valentinus,
valəntainəs; Valentio, vəlenšiou; Valeria, vəlîriə.
Valerian, vəlîriən, valeriaan (plant).
Valet, valət, valei, subst. bediende; Valet verb. als kamerdienaar
dienen of begeleiden.
Valetudinarian, valitjûdinêriən, ziekelijk of zwak; ook subst.;
Valetudinarianism = zwakke gezondheid, ziekelijkheid.
Valhalla, valhalə, Walhalla.
Valiant, valj’nt, moedig, dapper, heldhaftig, onverschrokken; subst.
Valiantness.
Valid, valid, krachtig, sterk, geldig, deugdelijk, bindend; Validate,
valideit, geldig maken, legaliseeren; Validity, vəliditi, kracht,
geldigheid = Validness.
Valinch(e), vəlinš, (zuig)hevel.
Valise, vəlîs, reistasch, mantelzak.
Valkyr, valkə, walkure; adj. Valkyrian, valkîriən; Valkyrie, valkîriə,
walkure.
Vallancy, val’nsi, vəlansi, soort pruik uit de 17 eeuw = Vallancy wig.
Valley, vali, dal: Valley of a roof = dakhoek; Valley of tears =
tranendal.
Valorous, valərɐs, dapper, moedig, onverschrokken; Valour, valə,
dapperheid, moed, onverschrokkenheid.
Valparaiso, valpəraizou.
Valuable, valjuəb’l, adj. kostbaar, dierbaar; ook subst.: All the
valuables were saved = de kostbaarheden; A valuable friend;
Valuableness = kostbaarheid; Valuation, valjueiš’n, schatting,
waardeering; Valuator, valjueitə, schatter, taxateur; Value, valju,
subst. waarde, prijs, valuta, gewicht, beteekenis; Value verb. waard
zijn, achten, schatten, waardeeren: For value received = waarde
ontvangen, genoten; To the value of = ter waarde van; The value was
depreciated = de waarde werd gedrukt of verminderd; To get (have) value
(a good value) = waar voor zijn geld krijgen; To rate at its true value
= schatten op (ook fig.); To set much value upon = veel waarde hechten
aan; To value dearly (highly) = op hoogen prijs stellen; The goods were
valued at half the original cost = geschat op; You may value on us two
months after date of invoice = disponeeren op twee maanden dato der
factuur; Valueless shares = waardelooze aandeelen, effecten; Valuer =
schatter, taxateur: Eminent valuers = bekende taxateurs.
Valvate, valvit, met eene klep, klepvormig; Valve, valv, vleugel,
ventiel, klep: Safety-valve = veiligheidsklep; Valved, valvd, v.
kleppen voorzien; Valvelet = klepje; Valvular, valvjulə, met kleppen,
kleppen betreffend: He died of valvular disease of the heart = aan eene
hartziekte; Valvule, valvjul, klepje.
Vambrace, vambreis, armscheen (v. een wapenrusting).
Vamose, vəmous, vâmous, er van doorgaan, afzien van: He vamosed the
claim = deed afstand van zijn recht (eisch) (Amer.).
Vamp, vamp, subst. bovenleer, nieuwe lap op iets ouds om dit schoon te
doen schijnen; geimproviseerd accompagnement; Vamp verb. oplappen, een
lied accompagneeren op ’t gehoor af: To vamp up an excuse = verzinnen;
He has a knack of vamping up forgotten operettas = weer op te lappen;
Vamper = (schoen)lapper; Vampers = kousen.
Vampire, vampaiə, vampier (ook een soort vleermuis = Vampire-bat),
uitzuiger; adj. Vampiric; Vampirism = geloof in vampires; het
bloedzuigen of afpersen.
Vamplate, vampleit, vroeger metalen plaatje aan eene lans ter
bescherming van de hand.
Van, van, voorhoede, wan, reiswagen, goederen- of conducteurswagen,
baard (van een veer); Van verb. vooropgaan, in een van vervoeren,
wasschen, zuiveren: Furniture-(Removing-)van = verhuiswagen;
Luggage-van = goederenwagon; To lead the van = vooropgaan.
Vanbrugh, vanbrû, vanbrû; Vancouver, vankûvə.
Vandal, vand’l, vandaal (ook fig.); Vandalic, v’ndalik, ruw,
barbaarsch; Vandalism = vandalisme.
Vandyke, vandaik, subst. kanten puntkraag (= Vandyke collar); adj. als
in de portretten v. Van Dijck (1599–1641) gekleed; Vandyke verb. den
rand schulpen of punten.
Vane, vein, weerhaan, windvaan, wiek (v. een windmolen), baard (van een
veer), diopter.
Vanellus, vəneləs, kievit.
Vanguard, vangâd, voorhoede.
Vanilla, vənilə, vanille.
Vanish, vaniš, verdwijnen, wegsterven: He vanished from the sight =
verdween uit het gezicht.
Vanity, vaniti, ijdelheid, ijdel genot; vruchtelooze poging, schijn.
Vanquish, vɐŋkwiš, overwinnen, weerleggen: Though vanquished he could
argue still = al had hij het afgelegd, hij redeneerde toch maar door;
Vanquisher = overwinnaar.
Vansire, vansaiə, manguste.
Vantage, vântidž, voordeel, gunstige, schoone gelegenheid: He got
vantage of me = behaalde een voordeel op mij; I spied him from a coin
of vantage = van eene geschikte plaats; So much to the vantage =
zooveel te goed, daarenboven; Vantage-ground = gunstige plaats of
ligging.
Vapid, vapid, flauw, verschaald, geesteloos; subst. Vapidity, vəpiditi
= Vapidness.
Vaporability, veipərəbiliti, verdampbaarheid; Vaporable of Vaporable,
verdampbaar; Vaporific, veipərifik, vapərifik, verdampend; Vaporizable,
veipəraizəb’l, vapəraizəb’l, in damp veranderbaar; Vaporization,
veipər(a)izeiš’n, vapər(a)izeiš’n, verdamping; Vaporize of Vaporize,
verdampen, in damp verdwijnen; Vaporous, veipərɐs, dampvormig,
opgeblazen, winderig, vol dampen of uitwasemingen; subst. Vaporousness;
Vapour, veipə, subst. damp, wasem, ijdele waan; Vapour verb. verdampen,
“geuren” of bluffen, droevig stemmen: Vapours = vapeurs, luimen,
grillen; Vapour-bath = damp- of stoombad; Vapouring = blufferig,
snoevend: Vapourish = dampig, nevelig, winderig, mistroostig,
melancholiek = Vapoury.
Vaquero, vəkêrou, veehoeder (Mexico).
Variability, vêriəbiliti, subst. v. Variable, vêriəb’l, veranderlijk,
ongedurig; subst. veranderlijke grootheid of wind; subst. Variableness.
Variance, vêriəns, subst. verandering, verschil, geschil, twist: To be
at variance = het oneens zijn; They were set at variance = tegen elkaar
opgezet; Variant, subst. variant; adj. verschillend, veranderlijk,
ongedurig; Variate, vêrieit, varieeren; Variation, vêrieiš’n,
verandering, wijziging, afwijking, variatie; Varicoloured (tinted) =
van verschillende kleuren of tinten; Variformed = van verschillende
vormen.
Varicella, variselə, waterpokken.
Varicose, varikous, Varicous, varikɐs: Varicous stocking = kous voor
lijders aan Varicous veins = aderspatten.
Varied, vêrid, afgewisseld, gevarieerd; Variegate, vêri(ə)geit,
schakeeren, bespikkelen, afwisselen; Variegation, vêriəgeiš’n,
schakeering, bontheid; Variety, vəraiiti, verscheidenheid,
veelzijdigheid, verschil, varieteit: Variety-entertainment =
varieteitenvoorstelling; Variety-hall = zaal voor dergelijke
voorstellingen.
Variola, vəraiələ, kinderpokken; Variolar = Variolous, vəraiəlɐs, tot
de kinderpokken behoorende.
Variorum, vêriôrəm, van de aanteekeningen van verschillende uitgevers
voorzien, b.v. Variorum edition of Shakespeare’s works.
Various, vêriəs, verschillend, verscheiden; subst. Variousness.
Varix, vêriks, aderspat, krampader.
Varlet, vâlit, page, bediende; schurk; Varletry = het grauw of gespuis.
Varmin(t), vâmin(t) = Vermin.
Varnish, vâniš, subst. vernis (ook fig.), verlak, glazuur; koolteer (=
Black varnish); Varnish verb. vernissen, verlakken, verglazen,
verschoonen: A varnish of civilisation = vernisje; Varnisher.
Varsal, vâs’l (= universal), erg groot, sterk, etc.
Varsity, vâsiti = University (Oxf. en Cambr.).
Vary, vêri, veranderen, wijzigen, verschillen, afwijken, veranderlijk
zijn, varieeren.
Vascular, vaskjulə, vaat - -, vaatrijk; Vascularity, vaskjulariti,
toestand der vaten, rijkheid aan vaten.
Vase, vâz, veiz, veis, vaas, kelk.
Vaseline, vasəlin, vasəlîn, vaseline.
Vassal, vas’l, subst. vazal, onderdaan, slaaf; adj. slaafsch;
Vassalage, vasəlidž, leenmanschap, de leenmannen, dienstbaarheid;
Vassaled = geknecht.
Vast, vâst, groot, uitgestrekt, veelomvattend, veelzijdig, grenzenloos,
onmetelijk; subst. grenzenlooze vlakte of ruimte: Watery vast = de
oceaan; That is a Vast project = veelomvattend, grootsch plan; He
squandered away vast sums of money = onmetelijke geldsommen; subst.
Vastness.
Vat, vat, vat, kuip; Vat verb. in een kuip doen.
Vatican, vatik’n, vaticaan, pauselijke regeering of macht: The thunders
of the Vatican = de pauselijke banbliksems.
Vaticinate, vətisineit, voorspellen; Vaticination = voorspelling;
Vaticinator = profeet.
Vaud (Pays de), (peiîdə)vou, Waadland; Vaudois = Waldenser(s).
Vaudeville, voudvîl, vaudeville.
Vaughan, vôn, vôən.
Vault, vôlt, subst. (graf)gewelf, hol, kerker, kelder, hemelgewelf,
gewelfd vertrek; sprong, volte; Vault verb. verwulven, overwelven;
voltigeeren: He vaulted into the saddle = sprong in den zadel; Vaulter
= springer, voltigeur; Vaulting-horse = paard (gymn.).
Vaunt, vânt, vônt, subst. gebluf, pocherij; Vaunt verb. bluffen,
snoeven op, zich beroemen: To make a vaunt of; Vaunter.
Vauntlay, vôntlei, vooroploopende troep honden.
Vaux, vôks; Vauxhall, vôkshôl: Vauxhall Gardens.
’Ve = have.
Veal, vîl, kalfsvleesch (Veals = kalfsvellen); Veal-cutlet; Veal-tea =
kalfsbouillon; adj. Vealy = jong, kalverachtig.
Veda, veidə, vîdə, Veda, heilig boek (Hindoes).
Vedette, vədet, ruiterwacht.
Vedic, veidik, vîdik, adj. Zie Veda.
Veer, vîə, draaien, wenden, vieren, van koers veranderen, laten vallen
(scheepst.): The wind veered to the north = liep om naar het N.; Veer
and haul = beurtelings vieren en aanhalen; Veer away = Veer out =
vieren; Veering, subst. het veranderen of draaien; adj. veranderend,
veranderlijk.
Vegetable, vedžitəb’l, subst. plant (Vegetables = groente); adj.
plantaardig, planten....: Vegetable earth (Vegetable mould, Vegetable
soil) = plantenaarde, humus; Vegetable kingdom = plantenrijk; Vegetable
marrow (cucurbita pepo) = mergpompoen; Vegetal, vedžit’l, subst. plant;
adj. plantaardig; Vegetarian, vedžitêriən, vegetarisch; subst.
vegetariër: Vegetarian diet = plantaardige voeding of voedsel;
Vegetarianism, vegetarisme; Vegetate, vedžiteit, vegeteeren; Vegetation
= plantengroei, de plantenwereld; Vegetative = als planten groeiend,
den plantengroei bevorderend.
Vehemence, Vehemency, vîhimens(i), hevigheid, vuur, drift,
onstuimigheid; Vehement = hevig, geweldig, vurig, onstuimig.
Vehicle, vîhik’l, voertuig (ook fig.), geleimiddel (om geneesmiddelen
in te nemen): The printing-press has become the vehicle of ideas = het
voertuig der denkbeelden; Vehicular(y), vîhikjulə(ri), voertuig....
Vehmic, feimik, vîmik, veimik: Vehmic court = Veemgericht.
Veil, veil, subst. sluier, dekmantel, masker; Veil verb. sluieren,
verbergen, vermommen, bewimpelen: We don’t wish to raise the veil,
which was cast over this scene = den sluier op te lichten; To take the
veil = den sluier aannemen: You have veiled your looks from your
friends = u aan het oog uwer vrienden onttrokken; Veiled voice =
gedempte stem.
Vein, vein, subst. ader, eigenaardige neiging of aanleg, stemming,
luim; Vein verb. aderen, marmeren: In the giving vein = in goedgeefsche
stemming; There is a grating vein in him = hij heeft iets onaangenaams
over zich; He was in a rattling vein = zat op zijn praatstoel; I am not
in the vein for it = voel er thans geen trek of neiging toe; I hope it
will put you in the vein to do it = u aanleiding zal geven; Vein of
thinking = gedachtengang; Veinlet = kleine ader; Veiny = vol aderen,
aderrijk.
Velar, vîlə, met behulp van de huig voortgebracht (phonet.); Velarium,
vilêriəm, groot zeil boven Romeinsche (amphi)theaters.
Veld, felt, boomlooze streek (Z.-Afr.).
Vellicate, velikeit, krampachtig samentrekken, prikkelen; subst.
Vellication; adj. Vellicative.
Vellum, vel’m, perkament (uit kalfsvel); Vellum-paper, Vellum-post =
velijnpapier; adj. Vellumy.
Velocimeter, veləsimətə, snelheidsmeter; Velocipede, vəlosipîd,
rijwiel; Velocipedist, vəlosipîdist, wielrijder; Velocity, vəlositi,
snelheid, vlugheid: Accelerated, decreasing, final, initial, mean,
retarded, uniform, virtual velocity = toenemende, afnemende, eind-,
begin-, gemiddelde, vertraagde, gelijkmatige, virtueele snelheid.
Velutinous, vəl(j)ûtinɐs, fluweelig.
Velvet, velvət, fluweel; ook adj.: You have been on velvet all your
life = hebt altijd een leven op een bordje gehad; To be (stand) upon
(the) velvet = een voordeelige weddenschap aangegaan hebben; Velveteen,
velvətîn, katoenfluweel = Cotton velvet; Velvets = jachtopziener (naar
zijne kleeding); Velveting = de fijne nopjes van fluweel: Velvetings =
fluweelen stoffen; Velvety = fluweelachtig.
Venal, vîn’l, aderlijk; omkoopbaar, veil; Venality, vinaliti =
omkoopbaarheid, veilheid.
Vend, vend, verkoopen, te koop bieden; Vendee, vendî, kooper; Vender =
verkooper; Vendible = verkoopbaar; Vendibles = verkoopbare goederen;
Vendibleness = verkoopbaarheid; Street vendors = venters.
Vendace, vendeis, soort v. houting (zalmvisch).
Vendetta, vəndetə, bloedwraak.
Veneer, vənîə, subst. fineer(bladen), vernis (fig.); Veneer verb.
opleggen, een vernisje geven (fig.): If they are not good form, they
are at least lacquered with the veneer of it = hebben ze toch allemaal
het uiterlijk voorkomen ervan; Veneer-moth = snuitmot.
Venerable, venərəb’l, eerwaardig (titel van archdeacons); subst.
Venerableness; Venerate, venəreit, vereeren; Veneration, ontzag,
vereering: Venerator = vereerder.
Venereal, vinîriəl: Venereal desire = geslachtsdrift; Venereal disease
= venerische ziekte.
Venery, venəri, jacht(vermaak).
Venetian, vinîš’n, Venetiaansch; subst. Venetiaan, jaloezie (= Venetian
blind); Venetian boat = gondel; Venetian chalk = talkpoeder; Venetian
door = deur met langwerpige ruiten op zijde (om b.v. een ingang te
verlichten); There were Venetian masts along the route, from which
streamers of bunting were festooned = kokanjemasten welke door
guirlandes van vlaggedoek verbonden waren; Venetian weight =
“presse-papier” van glas.
Venezuela, venəzuelə, venəzuîlə.
Vengeance, venž’ns, wraak: With a vengeance = met buitengewone kracht
of hevigheid; To cry for vengeance; They wreaked their vengeance on me
= koelden hun wraak; Vengeful = wraakgierig.
Venial, vîniəl, vergeeflijk: Venial sin = vergeeflijke zonde; Veniality
= Venialness.
Venice, venis, Venetië.
Venison, ven(i)z’n, wildbraad.
Venom, ven’m, subst. vergif, venijn (ook fig.); Venom-mouthed = giftig,
kwaadaardig; Venom-tooth; Venomous, venəmɐs, vergiftig, venijnig;
subst. Venomousness.
Venose, vînous, vinous = Venous, vînəs, geaderd, aderlijk.
Vent, vent, subst. opening, luchtgat, zundgat, uitweg, uiting,
bekendmaking, vrije loop; Vent verb. een opening maken, uitlaten, lucht
geven, uiting geven, slaken: To find vent = een uitweg vinden; He gave
vent to his anger = gaf lucht aan; It has taken vent = is ruchtbaar
geworden, uitgelekt; To vent oneself = zijn hart lucht geven; To vent
one’s wrath upon = lucht geven aan zijn toorn; Vent-hole = luchtgat;
Vent-peg, Vent-pin = zwikje; Vent-plug = prop of plug voor het laadgat;
Ventage, ventidž, luchtgaatje; Ventilate, ventileit, ventileeren,
luchten, opperen, vrijelijk bespreken: Several questions were
ventilated = werden geopperd en behandeld; subst. Ventilation =
luchtverversching, etc.; Ventilator = luchtververscher, ventilator.
Ventral, ventr’l, buik..: Ventral fins = buikvinnen; Ventricle,
ventrik’l, holte, hartkamer, hersenkamers = Ventricles of the heart
(brain); Ventriloquism, ventriləkwizm, buikspreekkunst; Ventriloquist =
buikspreker; Ventriloquize, ventriləkwaiz, buikspreken.
Venture, ventjə, subst. waagstuk, waaghalzerij, risico, speculatie,
inzet, kans; Venture verb. wagen, ondernemen, op het spel zetten: I did
it at (for) a venture = op goed geluk af; To put a thing to a (the)
venture = iets op goed geluk wagen; I advise you not to run the venture
= de kans niet te loopen, het niet te wagen; I do not like to venture
at (upon) it = er mij in te begeven; To venture out = zich buiten
wagen; Nothing venture nothing have = die niet waagt die niet wint;
Venturesome, Venturous = stoutmoedig, onverschrokken, gevaarvol,
gewaagd.
Venue, venjû, plaats der handeling, plaats waar iets plaats vindt of
berecht moet worden (Jur.): To change (transfer) the venue = naar een
ander (rechts)college overbrengen.
Venus, vînəs, Venus; Venus-hair = venushaar; Venus-shell = venusschelp.
Veracious, vəreišəs, waarheidlievend, geloofwaardig; Veracity,
vərasiti, waarheid, waarheidsliefde: Unquestioned veracities =
onbetwijfelde waarheden.
Veranda(h), vərandə, veranda.
Veratrine, vəreitrin, verətrain = Veratrum, vəreitr’m, nieswortel.
Verb, vɐ̂b, werkwoord; Verbal = woordelijk, mondeling, letterlijk, van
een werkwoord afgeleid: Verbal agreement, message; Verbal quibbling =
ijdel woordenspel; A Verbal translation = mondelinge; Verbalism = iets
mondeling uitgedrukt, letterzifterij; Verbalization, vɐ̂bəl(a)izeiš’n,
verandering tot een werkwoord; Verbalize = in een werkwoord veranderen;
Verbatim, vɐ̂beitim, woordelijk: Verbatim report.
Verbena, vɐ̂bînə, ijzerkruid.
Verbiage, vɐ̂biidž, woordenvloed, bombast; Verbose, vɐ̂bous, woordenrijk,
wijdloopig, bombastisch; subst. Verbosity.
Verdancy, vɐ̂d’nsi, groenheid; onervarenheid; Verdant = groen, bloeiend,
onervaren; Verd-antique, vɐ̂dəntîk, patina, groene roest op oud koper;
slangenmarmer.
Verderer, vɐ̂dərə, houtvester, jachtopziener.
Verdict, vɐ̂dikt, uitspraak, vonnis, beslissing, oordeel: To bring in
(deliver, give, return) a verdict = uitspraak doen; To pass one’s
verdict upon = zijn oordeel uitspreken over.
Verdigris, vɐ̂digrîs, kopergroen.
Verdure, vɐ̂djə, groen(heid), frissche plantengroei.
Verge, vɐ̂dž, subst. roede, staf, spil, rand, zoom, omvang,
gezichtskring; Verge verb. naderen, nabij komen, grenzen, neigen,
overgaan in: He is on the verge of ruin, of madness = aan den rand des
ondergangs, op de grens van den waanzin; Such a deed verges on madness
= grenst aan waanzin; We stood upon a hill which verged to the south =
die naar het zuiden afhelde.
Verger, vɐ̂džə, stafdrager, kerkdienaar.
Veriest, veriəst, Zie Very.
Verifiable, verifaiəb’l, wat bewezen, gestaafd of bevestigd kan worden;
Verification = bevestiging, staving, verificatie: In verification of =
ten bewijze waarvan; Verifier; Verify, verifai, bewijzen, verifieeren,
vervullen, waar maken.
Verily, verili, waarlijk, waarachtig; Verisimilitude, verisimilitjûd,
waarschijnlijkheid; Veritably, veritəbli, waarlijk; Verity, veriti,
waarheid, werkelijkheid, feit: Their despatches do not come up to the
standard of verity = beantwoorden niet aan den eisch van waarheid.
Verjuice, vɐ̂džûs, sap van onrijpe appels, druiven enz.: Every word and
look of his smacks of verjuice = heeft iets zuurs (onaangenaams).
Vermeil, vɐ̂mil, vermiljoen.
Vermicelli, vɐ̂miseli, vermitšeli, vermicelli.
Vermicide, vɐ̂misaid, wormkoekje, wormmiddel; Vermicular, vɐ̂mikjulə,
wormachtig, wormvormig: Vermicular-work = kronkelende versiering in
mozaïekwerk; Vermiculate, vɐ̂mîkjuleit, kronkelend of wormvormig
inleggen, kronkelen, zich in alle bochten wringen (fig.); vɐ̂mikjulit,
kronkelend, wormstekig; subst. Vermiculation; Vermiculose, vɐ̂mikjulous,
Vermiculous, vɐ̂mikjulɐs, vol wormen of maden, gelijk wormen; Vermiform,
vɐ̂miföm, wormvormig; Vermifugal = wormafdrijvend; Vermifuge, vɐ̂mifjûdž,
wormmiddel.
Vermilion, vɐ̂milj’n, subst. en adj. vermiljoen: The Vermilion Sea =
Golf van Californië; Vermilioned = vermiljoen-rood geverfd.
Vermin, vɐ̂min, schadelijke dieren, ongedierte; gebroed, tuig:
Vermin-destroyer = Vermin-killer = vergift voor het dooden van
ongedierte; Verminous = wat ongedierte voortbrengt, door wormen
veroorzaakt.
Vermont, vɐ̂mont.
Verm(o)uth, vɐ̂mûth, vermouth.
Vernacular, vɐ̂nakjulə, inheemsch, eigen, vaderlandsch; subst.
taaleigen, moedertaal: Vernacular disease, idiom, language, tongue;
Vernacularism = idioom, dialect; Vernacularize = inburgeren.
Vernal, vɐ̂n’l, lente - -, jeugd - -: Vernal equinox = dag- en
nachtevening; Vernal signs = lenteteekens (Dierenriem); Vernation =
bloeiwijze.
Vernon, vɐ̂n’n; Veroles, vəroul; Verona, vərounə, Verona; Veronese,
verənîz, verənîs, subst. en adj. (bewoner) van Verona; Veronica,
vəronikə, Veronica.
Verruca, vərûkə, wrat; Verrucose, verukous, Verrucous, verukɐs, vol
wratten.
Versailles, vɐ̂seilz.
Versatile, vɐ̂sət(a)il, veranderlijk, onvast, handig, veelzijdig: A
versatile talent; subst. Versatileness = Versatility, vɐ̂sətiliti.
Verse, vɐ̂s, subst. vers, poëzie, versregel, strofe: A poem in six
stanzas, each of eight verses = in zes verzen, elk van acht regels;
Blank verse = rijmlooze vijfvoetige jamben; Verse-maker, Verse-monger =
rijmelaar.
Versed, vɐ̂st, bedreven, ervaren (met in); omgekeerd.
Verset, vɐ̂sət, bijbelvers; Versicle, vɐ̂sik’l, klein vers door den
priester opgezegd met een antwoord van de gemeente; klein dichterlijk
produkt; Versification, vɐ̂sifikeiš’n, verskunst, versbouw; Versifier,
vɐ̂sifaiə, verzenmaker; Versify, vɐ̂sifai, berijmen, bezingen, verzen
maken.
Version, vɐ̂š’n, vertaling, overzetting, voorstellingswijze, lezing,
redactie.
Verst, vɐ̂st, werst (1,066 KM.).
Versus, vɐ̂səs, tegen, tegenover.
Vert, vɐ̂t, (verkorting van convert), subst. iemand die van de Anglik.
naar de R. Kath. kerk is overgegaan; Vert verb. overgaan.
Vert, vɐ̂t, alles wat groeit en groene bladeren draagt in een woud;
recht om groen hout te snijden; groen (herald.).
Vertebra, vɐ̂tibrə, rugwervel; adj. Vertebral: Vertebral animals =
gewervelde dieren; Vertebral column = wervelkolom; Vertebrata,
vɐ̂tibreitə, gewervelde dieren; Vertebrate, vɐ̂tibrit, gewerveld dier;
adj. gewerveld = Vertebrated, vɐ̂tibreitid.
Vertex, vɐ̂teks, (Meerv. Vertexes, of Vertices, vɐ̂tisîz), hoogste punt,
toppunt, zenith.
Vertical, vɐ̂tik’l, loodrecht, verticaal, staande; Verticality =
loodrechte stand = Verticalness.