opslag, mars, hemel, bovenste kant, tol; adj. hoogste, grootste,
voornaamste, uiterste; Top verb. uitsteken, overtreffen, bedekken, zich
verheffen, de toppen of koppen afsnijden of afslaan, toppen (van ra’s),
bestijgen, van kappen voorzien, mesten, hoog zijn, vallen, eindigen,
voltooien, etc.: He is at the top of his class = nummer één; To be at
the top of the tree = op de bovenste sport (fig.); He cried at the top
of his voice = zoo hard hij kon; From top to bottom = van onder tot
boven; I have slept like a top = als eene roos, als een otter; On the
top of = op den top van, daarop, boven en behalve: It is no joke to go
tramping to the poll on the top of a day’s work = na eene harde
dagtaak; Inside or on the top, sir? = binnenin of bovenop (de omnibus),
mijnheer? They are stories without top or tail = verhalen zonder kop of
staart; The top of a loaf = bovenste, kapje; The top of the morning to
you! = ik wensch je een goeden morgen (Iersch); The top (bottom, lower
end) of a hall = vóórin (achterin) de zaal; Top value = hoogste prijs
of noteering; This trip tops and caps all others = overtreft
(bekroont); Top-boots = laarzen met gekleurde kappen; Top-branch =
hoogste tak; Top-cloth = vinkennet (zeeterm); Top-coat = overjas;
Top-draining = droogleggen van de oppervlakte van land; Top-dress,
subst. bovenmest; Top-dress verb. de oppervlakte bemesten; Top-dressing
= bovenmest: To put a fair top-dressing of gentility on a person = een
aardig vernisje van beschaving; Topgallant, subst. bramsteng, toppunt;
adj. van de bramsteng, voornaamste, uitstekend; Top-heavy = topzwaar,
dronken; Top-hole = prima; Top-knot = kuif, strik op het hoofd;
Top-knotted = verwaand, pedant; Top-lantern; Top-light = toplicht;
Top-mast = steng; Top-sail = marszeil; Top-sawyer (-man) = bovenste van
twee zagers, bovenste-beste, man van voorname familie (of veel geld);
Top-soil = bovengrond; Top-stone = deksteen; The haystack was Topped
off = voltooid; Topped off with gold and silver = versierd met; They
topped up with that work = zij eindigden met; Some cream to top up with
= nu nog wat room na; Zie Topper.
Topaz, toupəz, topaas; Topazolite, təpazəlait, gele granaat.
Tope, toup, subst. boschje of groep boomen; Tope verb. zuipen, veel
drinken; Toper = zuiplap.
Topee, təpî, helm(hoed) (Br. Ind.).
Topeka, təpîkə; Tophet, toufət (2 Kon. 23, 10).
Topi, təpî = Topee.
Topiary, toupjəri: Topiary work = kunstmatig en tot bepaalde vormen
snoeien v. boomen, heggen, enz.
Topic, topic, onderwerp (van gesprek); plaatselijk geneesmiddel;
Topical song = gelegenheidsgedicht of -lied; There is no topical
interest whatever in the paper = niets actueels.
Topmost, topmoust, hoogste.
Topographer, təpogrəfə, topograaf; Topographic(al), topəgrafik(’l),
topographisch; Topography, təpogrəfi, topographie.
Topper, topə, voortreffelijk persoon, uitstekend iets, cylinderhoed: A
topper for you = dat is een beste, die kun je in je zak steken;
Topping, verheven, uitstekend, fijn, voornaam: A topping passion =
alles beheerschende hartstocht.
Topple, top’l, (voorover) tuimelen, neervallen: My airy castle toppled
to the earth = viel in.
Topsyturvy, topsitɐ̂vi, onderstboven; subst. chaos; Topsyturvy verb.
onderstboven keeren: To turn everything topsyturvy; Topsyturvyfication
= omvergooiing: The book is a regular topsyturvyfication of morality =
gooit alle moraliteit omver.
Toque, touk, Toquet, təkei, toque.
Tor, tö, steile rots, spitse heuvel.
Torch, tötš, toorts; Torch-bearer = fakkeldrager; Torch-dance,
fakkeldans; Torch-light, subst. fakkel- of toortslicht: Torch-light
procession = fakkeloptocht; Torch-race = fakkelwedloop; Torch-thistle,
fakkeldistel.
Tore, tö, imperf. van to tear.
Toreador, toriədö, toreador.
Torment, töm’nt, kwelling, marteling, plaag.
Torment, töment, martelen, pijnigen; Tormenter, Tormentor = kwelgeest,
soort eg, lange vork; Tormentress = kwelster.
Torminal, tömin’l, Torminous, töminɐs, erge krampen hebbend.
Tormintil, töm’ntil, tormentil, bloedroode ooievaarsbek.
Torn, tön, part. perf. van to tear.
Tornado, töneidou, tornado.
Torose, tôrous, tôrous, Torous, tôrəs, gezwollen, knobbelig.
Torpedist, töpîdist, torpedist; Torpedo, töpidou, torpedo; knalpatroon;
sidderrog; Torpedo verb. torpedeeren; Torpedo-boat = torpedoboot;
Torpedo-catcher, Torpedo(-boat) Torpedo-destroyer = torpedojager;
Torpedo-net = torpedonet.
Torpid, töpid, verstijfd, bewegingloos, langzaam, traag; subst.
tweedeklasse giek (Oxford), de bemanning daarvan: Torpids =
roeiwedstrijden in het voorjaar (Oxf.); Torpidity = Torpidness =
verstijfdheid, bewegingloosheid, winterslaap = Torpor, töpə.
Torquay, tökei, töki.
Torrefaction, torifakš’n, uitdroging; Torrefy, torifai, drogen,
uitdrogen.
Torrent, tor’nt, subst. hevige stroom, vloed: Torrent of lava; The rain
came down in torrents = in stroomen; Torrential, tərenš’l, krachtig,
stormachtig: Torrentential applause, enthusiasm.
Torricellian, toritšelj’n, van Torricelli.
Torrid, torid, verzengd, brandend: Torrid zone; subst. Torridness.
Torse, tös, romp; gevlochten krans (herald.); Torsion, töš’n, draaiing,
terugdraaiing; adj. Torsional.
Torsk, tösk, dorsen (visch).
Torso, tösou, romp.
Tort, töt, onrecht, nadeel: The Law of Torts, or: a Treatise on the
Principles of Obligations arising from Civil Wrongs in the Common Law.
Tortile, töt(a)il, spiraalvormig gewonden; subst. Tortility.
Tortoise, tötəs, (land)schildpad; Tortoise-shell, subst. en adj. (van)
schildpad; Tortoise-shell cat = geelbruine.
Tortuose, tötjuous, gekronkeld, gedraaid; Tortuosity, tötjuositi,
kronkeling, kromming, slinkschheid.
Tortuous, tötjuəs, gekronkeld, gedraaid, krom, slinksch; subst.
Tortuousness.
Torture, tötjə, subst. marteling, zielsangst, pijniging: Torture verb.
kwellen, martelen, verdraaien: To put to the torture; Torture of
animals = dierenmishandeling; Torturer.
Torulose, tor(j)ulous, Torulous, tor(j)ulɐs, met knoopen.
Tory, tôri, subst. en adj. Tory, conservatief; Toryism = de beginselen
der conservatieve partij.
Tosh, toš, onzin.
Toss, tos, subst. opgooien, worp, onrust, angst; Toss verb. werpen,
opgooien, slingeren, verontrusten, woelen, dobbelen (door het opgooien
v. geldstukjes): In a toss = erg gejaagd; To win the toss = winnen bij
het opgooien; To toss the oars = loodrecht opheffen als teeken van
begroeting; To toss pancakes = bakken en omgooien in de pan; He could
not toss away the image of his love = van zich afzetten; I tossed it in
my mind = overlegde het; We tossed him in a blanket = we hebben hem
“gejonast”; Toss off your glass = sla’m eens om; We will toss up for
it, head or tail = er om opgooien: kruis of munt: To toss up the head =
het hoofd in den nek gooien; Toss-up = risico, onzekerheid: It is a
regular toss-up = ’t hangt geheel van het toeval af; Toss-pot =
zuiplap; The ship was tempest-tossed, tempest-tost = werd door den
storm heen en weer geslingerd; Tosser; Tossy = trotsch, met het hoofd
in den nek.
Tot, tot, subst. kleine peuter; borreltje: I have drunk your health in
a tot of rum = met een glaasje rum.
Tot, tot, som, post; Tot verb. optellen: The Highlander knows how to
tot you up a high bill = weet te rekenen; To tot up profits and losses.
Total, tout’l, subst. en adj. (het) geheel, totaal; Total verb.
gezamenlijk bedragen: Their number totals 20.000; Total-abstinence =
geheelonthouding; Totalisator, toutəlizeitə, totalisator; Totality,
tətaliti, de geheele som, het totaal; Totalize = aanvullen; Totalizer =
totalisator.
Tote, tout, het geheel (The whole tote); dragen (Amer.): You must tote
fair = ge moet eerlijk en billijk handelen; Tote-load = vracht.
Totem, tout’m, totem; Totem-clan = familiestam, met een
gemeenschappelijken totem als familiewapen; Totemic, tətemik, tot een
totem behoorende; Totemism = gebruik om familiën en stammen een zeker
symbool te geven.
Tother, t’other, tɐdhə, samentr. van that (the) other.
Totter, totə, waggelen, wankel loopen: The baby is at the tottering and
tumbling age = de kleine begint alléén te loopen; Tottery = bevend,
waggelend.
Tottie, toti, kleine of jonge Hottentot.
Totty, toti, subst. kleine “hummel”; adj. waggelend; Totty-headed =
lichtzinnig.
Touch, tɐtš, subst. aanraking, voeling, gevoel, lichte aanval, aanslag
(van piano of orgel), streek, toetssteen, proef, trek, smaakje, wenk,
toespeling, een ietsje, etc.; Touch verb. aanraken, raken, reiken tot,
bereiken, voelen, betasten, aanroeren, betreffen, roeren, bedroeven,
aannemen, innen, schetsen, schilderen, aanslaan, pakken, beleedigen;
bedriegen (Austr.), etc.: To be in touch with = voeling houden met; He
came into touch with his century = kreeg voeling met; To establish (Get
into) touch with = voeling krijgen met; I have found touch of my
fellows = heb voeling gekregen met; I gave my work the finishing touch
= heb de laatste hand gelegd; You must keep in touch with us = moet
voeling met ons houden; To put to the touch = op de proef stellen; To
stand the touch = de proef doorstaan; He has a touch of the gout =
aanval van jicht; “No,” he said, with a touch of temper = eenigszins
geraakt; It was touch-and-go = het was op het kantje af, er aan toe,
het kon weinig lijden; Cold to the touch = op het gevoel; He would
touch no food = niet aanraken; Shall we touch glasses = eens klinken;
That does not touch the question = raakt; To touch the (touch on the
tenderest) spot = den vinger op de wonde plek leggen; We touched the
wind = hielden het schip zoo dicht mogelijk aan den wind; Nobody can
touch him = bij hem halen; It touched me to the quick = trof mij diep;
It touches you more than any of us = raakt u meer; The ship touched =
stootte; We sighted an island, but did not touch at it = deden het niet
aan; Two of the characters were excellently touched in = uitmuntend
geschetst; We will touch of that next time = behandelen; To touch off =
vluchtig schetsen, verbeteren, afvuren, geducht raken; Let me just
touch on it = het even aanroeren; We shall touch it up = het wat
repareeren, opknappen, opfrisschen, retoucheeren; Touch-hole = zundgat;
Touch-me-not = kruidje-roer-me-niet; Touch-needle = toetsnaald,
proefnaald; Touch-pan = kruitpan; Touch-paper = met salpeter gedrenkt
en als lont gebruikt papier; Touchstone = toetssteen: Irish touchstone
= basalt van den Giant’s Causeway; Touchwood = zwam; Touchable = raak-
of voelbaar; subst. Touchableness; I can do it in four minutes, as near
as a toucher = op den kop af; A near toucher = op ’t kantje af;
Touching, adj. roerend, treffend; prep. betreffende, aangaande;
Touchiness, subst. v. Touchy = knorrig, lichtgeraakt.
Tough, tɐf, taai, hard, streng, vasthoudend; subst. verloopen vent,
vechtersbaas (Amer.): Oh, say now! This is tough = kras; He is a tough
customer = laat niet los; I had a tough time with Pa = had heel wat met
Pa te stellen; That is a tough piece of work = moeilijk werk; Toughen =
taai worden of maken; Toughish = ietwat taai; Toughness = taaiheid.
Toupee, tûpî, Toupet, tupei, pruikje.
Tour, tûə, subst. rondreis, uitstapje, toer, volgorde; Tour verb. een
rondreis doen, rondgaan, een uitstapje doen; Tourist = tourist: Tour
ticket = rondreisbiljet.
Tournament, tûənəment. Zie Tourney.
Tournay, tûənei, Doornik.
Tourney, tûəni, tournooi, steekspel.
Tourniquet, tûəniket, draaikruis, haspel.
Tournure, tûənjûə, tournure, houding, omtrek, vorm.
Tousle, tauz’l, in wanorde brengen; adj. Tousy.
Tout, taut, subst. klantenlokker, spion die inlichtingen geeft omtrent
voor wedrennen geoefend wordende paarden; Tout verb. spionneeren,
beloeren, klanten lokken: A money-lender’s tout = de handlanger van een
geldschieter; What can be got by touting among the critics is not worth
the ignominy = wat men bij de critici wint door ze achterna te loopen;
To tout for applause, custom, orders = bedelen om, zoeken te lokken;
Touter = Tout.
Tow, tou, sleeptouw; Tow verb. boegseeren, sleepen: To take in tow = op
sleeptouw nemen (ook fig.); Towboat = sleepboot; Tow-car = volgwagen
(tram); Tow-line = sleeplijn = Tow-rope; Towage, touidž, het sleepen,
sleeploon; Towing-path = jaagpad; Towing-vessel = sleepboot.
Tow, tou, werk, touw; Tow-cloth = paklinnen; Tow-head = vlaskop; adj.
Tow-headed.
Toward, touəd, aanstaande, nabij, gewillig, gehoorzaam, leergierig: A
battle is toward = op til; What is toward? = wat is er aan de hand;
Toward(li)ness = bereidwilligheid, leergierigheid; adj. Towardly;
Towards, touədz, tödz, naar toe, in de richting van, tegenover, ten
opzichte, bijna, omtrent.
Towcester, taustə.
Towel, tauəl, handdoek, doek; Towel verb. afwrijven, ranselen: Oaken
towel = knuppel; Towel-horse = rekje; Towelling = linnen voor
handdoeken, pak ransel.
Tower, tauə, subst. toren zonder spits, burcht, kasteel, hoog kapsel;
Tower verb. zich verheffen, uitsteken boven, hoogvliegen: Tower of
silence = ronde toren, waarin de Perzen (in Indië) hunne dooden (tot
aas voor de gieren) leggen; Tower-bastion = kleine toren in den vorm
van een bastion; Towering = zeer hoog of groot, buitengewoon hevig:
Towering rage.
Town, taun, subst. stad: Town and gown = de stedelingen tegenover
professoren en studenten; He is a man about town = roué, viveur,
iemand, die veel uitgaat; A man on town = een “city”-man; A girl of the
town = prostituée; Town clerk = gemeente-secretaris en archivaris; Town
council = gemeenteraad; Town councillor = gemeenteraadslid; Towncrier =
stadsomroeper; Townhall = gemeentehuis, raadhuis; Townhouse = raadhuis,
huis “in stad”; Townland = land nabij eene stad; Town-major =
plaatscommandant; Town-talk = praatje van de stad; Town traveller =
stadsreiziger; Town-wall = stadsmuur; Townsfolk = stedelingen; Townsman
= stadgenoot, stedeling; Townspeople = stedelingen; Township =
gemeente, stadsgebied.
Townshend, taunz’nd.
Towser, tauzə, groote hond (gew. hondennaam).
Toxic(al), toksik(’l), vergiftig; Toxicological, toksikəlodžik’l,
toxicologisch; Toxicology = toxicologie.
Toxophilite, toksofilait, subst. boogschutter; adj. tot de
boogschutterskunst behoorende.
Toy, tôi, subst. (stuk) speelgoed, kleinigheid, beuzelarij; Toy verb.
dartelen, stoeien; spelen, beuzelen; Toy-book = prentenboek; Toy-box =
speelgoeddoos; Toy-dog = schoothondje; Toy-drum = kindertrom; Toyman =
speelgoedkoopman; Toy-pistol = kinderpistooltje; Toy-shop =
speelgoedwinkel; Toy tea-things = kinderserviesje; Toy-trade =
speelgoedhandel; Toy-watch.
Trace, treis, subst. spoor, teeken, voetspoor, streng, kleine
hoeveelheid; Trace verb. opsporen, precies nagaan, uitvorschen,
trekken, traceeren, doorkruisen, aanspannen (up): All boys are inclined
to kick over the traces = uit den band slaan; Traceability, subst. v.
Traceable = naspeurbaar, vervolgbaar: Traceable to temporary conditions
= terug te brengen tot; subst. Traceableness; Traceless = spoorloos;
Tracery = de ornamenten van den Gothischen bouwstijl.
Trachea, treikjə, luchtpijp; adj. Tracheal; Trachitis, trəkaitis,
luchtpijpontsteking.
Tracing, treisiŋ: Tracing-paper = calqueerpapier.
Track, trak, subst. spoor, voetindruk, weg, begaan pad, baan,
spoorlijn, zeegat; Track verb. het spoor volgen, opsporen, nagaan:
Bicycle track = wielerbaan; Double track = dubbel spoor; He followed in
your track = drukte uwe voetstappen; The carriage left the track =
dérailleerde; The old gentleman has made tracks = is er haastig vandoor
gegaan; The track and rolling-stock = tractie en rollend materieel; We
tracked the deer = wij volgden het spoor van het hert; The tiger was
tracked down = werd opgespoord; Track-road = jaagpad; Track-rope =
jaaglijn; Trackage = het boegseeren of trekken; Tracker = speurhond;
Trackless = onbetreden, onbegaan, spoorloos; subst. Tracklessness.
Tract, trakt, verloop, uitgestrektheid, streek, korte verhandeling,
tractaatje.
Tractability, traktəbiliti, subst. v. Tractable, traktəb’l, handelbaar,
volgzaam, leerzaam; subst. Tractabilityness.
Tractarian, traktêriən, subst. lid der High Church beweging (1833–41);
adj. tot de High Church-beweging behoorende; Tractarianism = de
herleving van den ritueelen eeredienst in de E. kerk.
Traction, trakšn, rekking, (aan)trekking, voorttrekking: Electric
traction = electr. trek- of beweegkracht; Traction-engine = niet op
rails loopende straatlocomotief; Tractive power = trekkracht; Tractor =
wat trekt of tot trekken wordt gebruikt.
Tracy, treisi, Treesje.
Trade, treid, subst. handel, zaken, beroep, bedrijf, ambacht; Trade
verb. handel drijven, verhandelen, verruilen: The trade = handel in
sterke dranken; Domestic (Inland, Home) trade; Foreign trade; To do a
roaring trade = drukke zaken doen; He follows the trade of a smith = is
smid van zijn ambacht; She practised all the tricks of her trade =
bracht al de slimme zetten van haar beroep in practijk; Two to a trade
never agree = concurrenten zijn het nooit eens; I will trade this for
something better = verruilen, verhandelen; You have traded on me = mij
geëxploiteerd; This country trades to Turkey = drijft handel met
Turkije; I will trade watches with you = met u ruilen; Trade-card =
adreskaart; Trade-guild = handelsgilde; Trade-list = prijscourant;
Trade-mark = handelsmerk; Trade-price = engrosprijs; slijtersprijs;
Trade-winds = passaatwinden; Trade’s-folk (= Trades-people) =
neringdoenden; Tradesman = handelaar, handelsman, neringdoende,
winkelier, handwerksman; Trade(s)-union = vakvereeniging;
Trade(s)-unionism = de beginselen of het stelsel der vakvereenigingen;
Trader = koopman, handelaar, koopvaardijschip; Trading: Trading-vessel;
The Trading-and-Profit-and-Loss account = Inkomsten- en Winst- en
Verliesrekening.
Tradition, trədiš’n, overlevering; adj. Traditional; Traditionalism =
gehechtheid aan de overlevering, het stelsel dat alle menschelijke
kennis door God geopenbaard en zoo overgeleverd is; Traditionary =
Traditional.
Traduce, trədjûs, lasteren, smaden; subst. Traducement; Traducer.
Trafalgar, trəfalgə.
Traffic, trafik, subst. (koop)handel, (handels)verkeer; Traffic verb.
(ruil)handel drijven, omzetten: Carrying traffic = goederendienst;
Vehicular traffic = rijtuigverkeer = Wheeled traffic; Traffic in white
slaves = blanke-slavinnenhandel; Traffic-manager = chef van den
goederendienst; Trafficker = handelaar.
Tragacanth, tragəkanth, Tragant gom.
Tragedian, trədžîdj’n, treurspelspeler of -dichter; Tragedienne,
tradžîdjen, treurspelspeelster; Tragedy, tradžədi, treurspel; adj.
Tragic(al); The old French tragics = treurspeldichters; Tragi-comic(al)
= tragi-comisch; Tragi-comedy, tradžikomədi, tragi-comisch stuk.
Tragopan, tragəpan, gehoornde fazant.
Trail, treil, subst. sleep, staart, spoor, pad (gemaakt door reizende
N.-Amer. Indianen); Trail verb. langs den grond sleepen, het spoor
volgen, opsporen, het geweer met de rechterhand horizontaal dragen,
kruipen, rekken: I commanded them to carry their arms at a trail =
commandeerde: “Omlaag ’t geweer”; She trailed off into a howl = hief
een langgerekt gejammer aan; Trail-net = sleepnet; Trailer =
kruipplant, mandenwagentje achter een fiets; slingerplant =
Trailing-plant.
Train, trein, subst. trein, reeks, stoet, voortgang, loop, sleep,
staart, soort v. slede (Canada), spoortrein, loopvuur (lijn v.
buskruit), stel van beweging overbrengende raderen, reeks, lokaas, val,
krijgslist; Train verb. sle(e)pen, lokken, africhten, oefenen, drillen,
richten, leiden, blokken, met den trein reizen: Down-train, Up-train =
afgaande, opkomende trein; Freight train; Goods train; Train of
Artillery = artillerie-trein; The train of his thoughts, of thought =
gang; Everything is in train = in gang; He left the town on a regular
train = met een gewonen trein (Amer.); The gun was trained = het kanon
werd gericht; He was trained up for it = er voor opgeleid; Train-band
(Trained band) = een vroegere schutterij of weerbaarheidskorps;
Train-bearer = sleepdrager; Train-oil = traan(olie); Train-road =
hulpspoorweg; Train-service = spoorweg-postdienst; Trainable = wie of
wat geoefend of opgeleid kan worden; Trained dresses = sleepjaponnen;
Trained nurse = ervaren; Trainer = africhter, oefenaar, drilmeester;
Training = opvoeding, oefening, exercitie; het leiden van leiboomen;
Training-course = cursus; Training-school = kweekschool; Training-ship
= oefeningsschip, opleidingsschip.
Traipse, treips; zie Trapes.
Trait, trei(t), eigenaardige en kenmerkende trek, streek, haal, toets.
Traitor, treitə, verrader; Traitorous = verraderlijk; subst.
Traitorousness; Traitress, treitrəs, verraderes.
Trajan, treidž’n, Trajanus.
Tram, tram, rail van een paardespoor, paardespoor, tramwagen, karretje;
ook verb.: To tram it = trammen; Tram-car; Tram-line = tramweg;
Tramroad = tramweg = Tramway; Tramway-car = tramwagen.
Tramble, tramb’l, wasschen (v. tinerts).
Trammel, tram’l, subst. (sleep)net, kluister, vuurhaak (in een
schoorsteen), hinderpaal, boei, ovaalpasser; Trammel verb. belemmeren,
beperken, boeien; Trammel-net = sleepnet.
Tramontane, trəmontein, traməntein, trâmontein: Tramontane-wind,
noordenwind in de Middellandsche Zee.
Tramp, tramp, subst. gestamp, getrappel, voetreis, landlooper, schip
dat “op avontuur” vaart (Tramp-steamer); Tramp verb. (ver)trappen,
stappen, treden, zwerven, vagebondeeren: To go on the tramp = den boer
op gaan; Tramp-colony = bedelaarskolonie; Tramper = landlooper,
rondzwerver.
Trample, tramp’l, subst. getrappel, gestap; Trample verb. vertreden,
vertrappen, trappelen: To trample under one’s feet (under foot) = met
voeten treden (fig.); Trampler.
Trampoos, trəmpûz, rondzwerven (Amer.).
Trance, trâns, subst. verrukking, geestvervoering, bezwijming,
schijndood; Trance verb. = Entrance; To lie in a trance.
Traneen, trənîn, kamgras: It is not worth a traneen = geen lor waard.
Tranquil, traŋkwil, rustig, kalm, ongestoord; Tranquillity,
traŋkwiliti, kalmte, gerustheid, rust = Tranquilness; Tranquillization,
subst. v. Tranquillize = tot bedaren brengen, kalmeeren; Tranquillizer.
Transact, transakt, volbrengen, doen, verrichten: To transact business
with = zaken doen met; He transacted with his political convictions =
transigeerde met; Transaction = verrichting, uitvoering, transactie,
zaak, handel: Transactions of the Philological Society = Handelingen
van het Philologisch Genootschap; During these transactions =
middelerwijl; Transactor = volbrenger, handelaar.
Transalpine, transalpain, transalpijnsch.
Transatlantic, transətlantik, transatlantisch.
Transcend, transend, te boven gaan, overtreffen; Transcendence,
Transcendency = voortreffelijkheid; Transcendent = zeer voortreffelijk,
transcendentaal = Transcendental, trans’ndent’l; Transcendentalism,
trans’ndentəlizm.
Transcribe, transkraib, overschrijven, afschrijven; Transcriber =
copiïst; Transcript, transkript, copie; Transcription.
Transept, transept, kruisvleugel.
Transfer, transfɐ̂, overdracht, overbrenging, verplaatsing,
overschrijving, overdruk, overstapkaartje; pont; Transfer-paper =
overdrukpapier.
Transfer, transfɐ̂, overbrengen, overdragen, verplaatsen, afdrukken;
Transferability, transfɐ̂rəbiliti, transferəbiliti, subst. v.
Transferable, transfɐ̂rəb’l, transferəb’l = verhandelbaar,
overdraagbaar; Transferee, transfərî, wien iets overgedragen wordt;
Transference, transfərens, overdracht; Transferrer, transfɐ̂rə,
transferə, overdrager.
Transfiguration, transfigjureiš’n, verheerlijking (Matth. XVII, 1–9),
feest ter gedachtenis daaraan (6 Aug.); Transfigure, transfigjə, het
uiterlijk voorkomen veranderen, verheerlijken.
Transfix, transfiks, doorboren, doorsteken: I stood transfixed = als
aan den grond genageld.
Transform, transföm, vervormen, hervormen, van vorm veranderen,
herleiden; Transformable = veranderbaar, herleidbaar; Transformation,
transfömeiš’n, gedaanteverandering of -verwisseling, herleiding,
hervorming: Transformation-scene = het tooneel in de pantomime, waarbij
de voornaamste personen in de personen der harlekinade overgaan;
Transformative = vervormend; Transformator = Transformer =
transformator.
Transfuse, transfjûz, overgieten, overstorten, overbrengen van bloed,
zoutoplossingen inspuiten, overdragen; adj. Transfusible; Transfusion,
transfjûž’n, overgieting, etc.
Transgress, transgres, te buiten gaan, overtreden, schenden, zondigen;
Transgression = overtreding, schennis; Transgressive = zondig;
Transgressor = overtreder, zondaar.
Tranship, tranšip, overladen; Transhipment = overlading.
Transient, tranš’nt, vergankelijk, kortstondig; subst. Transientness.
Transit, transit, doorgang, transito, vervoer, overgang, verkeersweg:
They went there to observe the transit of Venus; Transit goods; Permit
of transit = geleibiljet; To pass in transit = transiteeren;
Transit-duty = transitorecht; Transit-instrument = instrument, om den
overgang van eene planeet over den meridiaan of de zon waar te nemen;
Transition, transiš’n, transiž’n, verandering, overgang(speriode); adj.
Transitional = overgangs...; Transitive = overgaande, overgankelijk;
subst. Transitiveness; Transitoriness, subst. v. Transitory =
vergankelijk, vluchtig, kortstondig.