Thresh, threš; Thresher. Zie Thrash.

Threshold, threšould, drempel, ingang, begin.

Threw, thrû, imperf. van to throw.

Thrice, thrais, driemaal; Thrice-blest = overgelukkig; Thrice-favoured

= buitengewoon begunstigd.

Thrid, thrid, doorsteken. Zie Thread.

Thrift, thrift, zuinigheid, spaarzaamheid, voorspoed; anjelier;

Thriftiness = spaarzaamheid, voorspoed; Thriftless = verkwistend;

subst. Thriftlessness; Thrifty = spaarzaam, voorspoedig.

Thrill, thril, subst. siddering; drilboor; Thrill verb. doordringen,

doorboren, trillen, rillen; kweelen: This sent a thrill of horror

through the world = deed van afgrijzen rillen; It thrilled him with a

vague dread = eene onbepaalde vrees doortrilde hem; He thrilled at

hearing this = sidderde; Thrillers and curdlers = sensatie-romans.

Thrive, thraiv, bloeien, vooruitkomen, gelukkig zijn, gedijen,

toenemen: He that will thrive Must rise at five, He that has thriven

May lie till seven = Zal het u goedgaan, Wil dan vroeg opstaan, Hebt ge

’t geld verdiend, Lig dan langer, vriend; Ill weeds are sure to thrive

= onkruid vergaat niet; Thriven, thriv’n, p.p. van Thrive; Thriver =

voorspoedig man; Thriving = voorspoedig, bloeiend; subst. Thrivingness.

Thro’, thrû = Through.

Throat, throut, keel, strot, stem, ingang, nauwe doorgang: To clear

one’s throat = schrapen; These two merchants are cutting each other’s

throats = werken elkaar er onder; You cut your own throat by doing this

= benadeelt uzelf; I was down her throat in a moment = hield haar

onmiddellijk aan haar woord; Don’t jump down my throat = stuif niet zoo

op tegen me; I felt a ball rising in my throat = ik kreeg een prop in

de keel; He lied in his throat = loog schandalig; It still sticks in my

throat = zit me nog hoog (fig.); He held a knife to my throat = hij

zette mij het mes op de keel; I have the exhibition up to my throat =

de tentoonstelling hangt me de keel uit; Throat-band = Throat-latch =

keelriem (v. een paard); Throat-wort = halskruid (soort v. klokje); A

full-throated song = lied uit volle borst; Throaty = gutturaal, uit de

keel; vraatzuchtig.

Throb, throb, subst. klopping; Throb verb. kloppen: My heart throbs.

Throe, throu, subst. hevige pijn; Throe verb. in barensnood verkeeren,

groote pijn lijden; Throes = barensweeën: Last throes = doodstrijd.

Throne, throun, subst. troon; Throne verb. zie Enthrone; Speech from

the throne = troonrede; To ascend (mount) the throne = bestijgen; To

come to the throne; Throne-room = troonzaal.

Throng, throŋ, subst. gedrang, groote menigte; Throng verb. verdringen,

opdringen, toestroomen: The people came thronging in = stroomden naar

binnen; Thronged-out streets = schoongeveegde straten; Thronged with =

vol.

Throstle, thros’l, zanglijster.

Throttle, throt’l, subst. luchtpijp, keel; Throttle verb. smoren,

(ver)stikken: Throttled to death; Throttler.

Through, thrû, door, doorheen, geheel, wegens: To be wet through =

doornat zijn; Through and through = door en door; It’s all through you

= ’t komt al door u; Through the year = het geheele jaar door; To be

through = klaar zijn; My intention will be carried through = doorgezet

worden; The plan has fallen through = viel in duigen; To get (go)

through = te boven komen, ten einde brengen, komen door (een examen); I

read it through from cover to cover = las het heelemaal door; He saw

through my intentions = doorzag; Through-carriage = doorgaand rijtuig;

Through-line = doorloopend spoor; Through-passenger = doorgaand

passagier; Through-ticket; Through-traffic = transitohandel;

Through-train = doorgaande; Through-waybill = dóorbevrachting v. het

continent naar eenig deel van Engeland; Throughout: Throughout the day

= den geheelen dag lang; All of a through piece = geheel uit één stuk.

Throve, throuv, imperf. van to thrive.

Throw, throu, subst. gooi, worp; Throw verb. werpen, smijten,

slingeren, in haast aan- of omdoen, afwerpen, slaan, opwerpen,

dobbelen, verliezen, etc.: To throw light on = licht werpen op; I

wrestled with my pride and threw it = en overwon hem; They have thrown

stones at us = ons met steenen gegooid; She threw herself away on a

drunken baronet = verslingerde zich aan; That’s throwing money away =

geld in ’t water gooien; Good advice is thrown away upon him = is niet

aan hem besteed; The reflectors threw back the light = kaatsten terug;

To throw by = ter zijde werpen, verwerpen; To throw down = neergooien,

omgooien, tegen den grond gooien; He threw himself down = ging liggen;

Allow me to throw in a word = mag ik ook een woordje meespreken? I was

thrown into enthusiasm = gebracht tot; I have thrown him off = wil

niets meer met hem te maken hebben; I threw on my trousers = schoot

mijne broek aan; I throw myself on your mercy = geef me over; He threw

it out quite suddenly = kwam er in eens mee voor den dag; The bill was

thrown out = werd verworpen; We find ourselves thrown out =

teleurgesteld; She has thrown him over = de bons gegeven; To throw to

the winds = de brui geven van; Her jet ornaments threw up the whiteness

of her skin = deden uitkomen; He has thrown up the sponge = heeft zich

gewonnen gegeven; He was thrown with that girl = verkikkerd op; I had

never thought I should be thrown much with such people = aangehaald

worden, veel omgang hebben met; A throw-down cracker = voetzoeker;

Thrower = werper, gooier, draaier, twijnder; Throwing back = atavisme;

Thrown = getwijnd, gedraaid; Throwster = twijnster (v. zijde).

Thrum, thrɐm, subst. zelfkant, kwast, meeldraad (Thrums = grof garen,

garenafval); Thrum verb. (eene mat) spekken; krassen, tjingelen,

trommelen (op piano): The thrumming of an old guitar = het tjingelen

op.

Thrush, thrɐš, zanglijster; spruw.

Thrust, thrɐst, subst. stoot, steek, aanval, horizontale drukking;

Thrust verb. stooten, drijven, duwen, steken, indringen: He thrust

(made a thrust) at me = stiet naar mij; He thrust himself in(to) our

society = drong zich; Thruster = doorsteker.

Thud, thɐd, slag, plof, bons; Thud verb. dreunen, kloppen: He fell with

a dull thud on the path = met een doffen slag; A dull, thudding pain =

drukkende, zware pijn.

Thug, thɐg, sluipmoordenaar, lid v. een vroegere moordenaarsbende

(Brit. Indië); Thuggee = mysteriën of bedrijf der thugs = Thuggery =

Thuggism.

Thule, thjûli: Ultima Thule = het einde der wereld.

Thumb, thɐm, subst. duim; Thumb verb. beduimelen, betasten, met de

vingers trommelen, onhandig doen: Tom Thumb = Klein Duimpje; His

fingers are all thumbs = zijne handen staan hem verkeerd; To have

(hold) under one’s thumb = onder den duim houden; I was left to twirl

my thumbs = ik kon op mijn duim zuigen; Thumb-lock = drukslot;

Thumb-mark; Thumb-nail, subst. nagel van den duim, penkras; adj. klein:

I dashed off a thumb-nail on the envelope = gooide een schetsje op de

enveloppe; Thumb-nail sketches = penkrassen; Thumb-screw = duimschroef;

Thumb-stall = duimeling; Thumbkins = duimschroeven.

Thump, thɐmp, subst. zware slag, bons, plof; Thump verb. stompen,

ploffen, zwaar neerkomen: It is a downright thumping lie = een groote

leugen; That thumping rascal = die vervloekte schurk; Thumper = iets

kolossaals, een groote leugen.

Thunder, thɐndə, donder, donderslag, onweer, banbliksem; Thunder verb.

donderen, bulderen, slingeren: By thunder = voor den donder; What in

thunder do you want = wat donder wil je eigenlijk? Rolling peals of

thunder = ratelende donderslagen; It is the thunder that strikes, but

the lightning that smites = de donder ratelt, de bliksem slaat in (=

groote woorden zijn maar wind); We shall have thunder to-day = krijgen

onweer; Thunder of applause; Thunder of cannon; Thunder and lightning

trousers = broek van donkergrauwe stof met witte spikkels; To thunder

out an excommunication; Thunderbolt = bliksemstraal, donderslag,

banbliksem: Like a (thunder)bolt from the blue = gelijk een donderslag

uit onbewolkten hemel; Thunder-clap = donderslag = Clap of thunder;

Thunder-cloud = onweerswolk; Thunder-dart = bliksemschicht;

Thunder-peal = slag; Thunder-pick = pijlsteen, dondersteen;

Thunder-storm = onweer; Thunder-struck = (als) door den bliksem

getroffen; Thunderer = donderaar (naam van “The Times”); Thunderous:

Thunderous roar = donderend geraas.

Thurible, thjûrib’l, wierookvat; Thurifer, thjûrifɐ̂, wierookvatzwaaier;

Thuriferous, thjurifərɐs, wierook bevattend of voortbrengend;

Thurification = bewierooking.

Thuringia, thjurinžiə, Thuringen; Thuringian, (bewoner) van Th.;

Thuringsch.

Thursday, thɐ̂zdi, Donderdag: Holy Thursday = Hemelvaartsdag; Maundy

Thursday = Witte Donderdag.

Thus, dhɐs, subst. wierook.

Thus, dhɐs, aldus, dientengevolge, dus, tot aan: Thus far = tot

hiertoe; As thus = als volgt; I told you thus much = dit (alles) heb ik

u gezegd.

Thwack, thwak, subst. harde slag, stomp; Thwack verb. slaan, stompen;

Thwacking = pak slaag.

Thwart, thwöt, subst. doft; adj. dwars, schuin; adv. dwars; prep.

dwarsover; subst. tegenstand, belemmering; Thwart verb. kruisen,

dwarsboomen; Thwartness = dwarsheid, weerbarstigheid; Thwartships =

dwarsscheeps.

Thy, dhai, bez. vnw.: uw; Thyself = uzelf.

Thylacine, thailəsain, buidelwolf.

Thyme, taim, tijm; Thymy, vol tijm, geurig.

Thyroid, thairôid, schildvormig; Thyroid-cartilage = schildvormig

kraakbeen.

Thyrse, thɐ̂s (Thyrsus, thɐ̂səs), Bacchusstaf; Thyrsoid, thɐ̂sôid, in den

vorm van een B.

Tiara, taiêrə, taiârə, tiara, driedubbele pausenkroon, pausel.

waardigheid, soort v. diadeem: Tiaraed, taiêrad met een tiara getooid.

Tib, tib: St Tib’s Eve = Juttemis; Tib-cat = kat.

Tib, tib: Tib out = uitknijpen (Schoolslang).

Tibald, tibəld; Tiber, taibə, Tiber; Tiberius, taibîriəs; Tibet, tibət,

tibet.

Tibia, tibiə, scheenbeen, adj. Tibial.

Tic, tik, neuralgie, aangezichtspijn.

Tichborne, titšbən.

Tick, tik, subst. teek, tijk, tikje, teeken, stip, getik; crediet,

rekening; Tick verb. tikken, borgen, crediet geven of krijgen, ter

contrôle aanschrappen op een lijst: He that has no money, needs no

purse, but tick = heeft crediet en geene beurs noodig; A state of tick

= toest. v. geldgebrek; He buys everything on tick = op den pof, op

crediet; To give one no end of tick; You cannot tick a man off into

columns in a parliamentary return = men kan een mensch niet in

rubrieken verdeelen in eene regeeringsstatistiek; Tick-bean =

paardeboon; Tick-tack of the clock; Ticker = horloge.

Ticken, tik’n, stof voor beddetijk.

Ticket, tikət, kaartje, biljet, lot, toegangsbewijs, plaatskaartje,

lommerdbriefje, etiket, mandaat, gedrukte candidatenlijst bij

verkiezingen, stembiljet (Am.): That’s the ticket = dat is je ware; To

buy one’s ticket (Am. voor Eng.: To take one’s ticket) een kaartje

nemen; He was elected on the radical ticket = op het radicale program;

Ticket-collector (-examiner) = controleur; Ticket-day = eerste dag der

rescontre; Ticket-of-leave = bewijs van voorwaardelijke

invrijheidstelling; Ticket-of-leave-man = voorwaardelijk vrijgelatene;

Ticket-night = soort benefice voorstelling; Ticket-office =

plaatskaartenbureau; Ticket-porter = gepatenteerd of door eene

maatschappij aangestelde kruier; Ticket-window = loket.

Ticking = Ticken.

Tickle, tik’l, kietelen, streelen: That tickled them = dat deed hun

aangenaam aan; He tried to tickle my palm = mij duimzalf te geven;

Tickler = netelige vraag, raadsel; stok, pak slaag; Ticklish,

wankel(moedig), onvertrouwbaar, netelig, lastig; subst. Ticklishness.

Tidal, taid’l, wat tot ebbe of vloed behoort: Tidal service =

stoombootdienst in verband met het getij; Tidal wave = vloedgolf; I

leave by the tidal (train) for France = met den trein, die op het getij

rijdt.

Tidbit, tidbit = Titbit.

Tiddler, tidlə: Tom Tiddler’s ground = luilekkerland.

Tide, taid, subst. tijd, tij, getij, hooge stand, vloed, stroom, loop

der omstandigheden; Tide verb. met het getij een haven binnenvallen of

verlaten, met tij zeilen of drijven: Outgoing tide = ebbe; The tide of

fortune (success) was flowing = was met ons (hem, etc.); The tide was

going at a strong (great) rate = er liep een zwaar tij; We leave at the

shifting of the tide = bij het kenteren van het getij; We are sailing

with the tide = met den stroom; We could hardly stem the tide = haast

niet doodzeilen; He took fortune at the tide = Took the tide at the

flood = smeedde het ijzer toen het heet was; We tided over those days =

zijn gelukkig te boven gekomen; It remains to be seen whether you can

tide over the difficulties = of gij er u doorheen kunt slaan; Tide-gate

= sluis v. een kanaal dat den invloed v. het tij ondervindt; Tide-gauge

= peilschaal; Tidesman, Tide-surveyor = kommies te water; Tide-table =

tafel der hoogwatergetijden; Tide-waiter = Tidesman; Tide-water = water

dat den invloed van ebbe en vloed ondervindt; Tide-wave = vloedgolf; In

the tide-way = op stroom; Tideless = zonder tij.

Tidiness, taidinəs, subst. v. Tidy.

Tidings, taidiŋz, tijding, bericht: To bring (receive, send) tidings.

Tidy, taidi, netjes, proper, zindelijk; subst. gehaakt kleedje,

anti-macassar, morsschortje; Tidy verb. opruimen, in orde brengen,

opknappen: It cost me a tidy penny = een mooien duit; I must tidy away

all the memories of yore = moet verdrijven; To tidy up = zich

opknappen.

Tie, tai, subst. band, knoop, haarband, gelijk aantal punten,

onbesliste wedstrijd, gelijk aantal stemmen, verbindingsbalk,

verbindingsteeken, strikje; Tie verb. binden, verbinden, onderbinden,

knoopen, beperken, precies gelijk zijn (bij een wedstrijd): White

evening tie = strikje; Final tie = eindwedstrijd; The ties of

friendship, love, kindred = banden van vriendschap, liefde,

bloedverwantschap; He is a tie on me = is mij tot last, bindt mij de

handen; To do up one’s tie = (hals)strikje knoopen; This poet scores a

tie with Tennyson in the collection = van beiden zijn evenveel stukken

opgenomen; To tie a knot = een knoop leggen; I am tied down to my work

= gebonden aan; Tie it in a bow = maak er een strik van; I have tied it

up = heb het dicht gebonden; She tied up her money that her husband

could not get at it = zij zette haar geld vast.

Tier, tîə, reeks, rij, rang; Tier verb. in rijen rangschikken: The

cells were built in tiers, one over the other.

Tierce, tîəs, maat, gewicht (Zie Terce); volgkaarten, terts,

drielingsbalk (Herald).

Tiercel, tîəs’l, mannetjesvalk.

Tiercet, tîəsət, tɐ̂sət, terzet, drieregelig gedicht.

Tiff, tif, subst. booze bui, kleine ruzie; slokje: She was in a tiff =

had eene kwade bui; The two lovers have had a tiff = hebben standjes

gehad; To take tiff = zich beleedigd gevoelen; She is a little tiffed,

and thinks we have treated her ill = boos; Tiffish = prikkelbaar.

Tiffany, tifəni, dun zijden gaas.

Tiffin, tifin, lunch of kleine maaltijd.

Tig, tig, vangspelletje (met tikjes).

Tiger, taigə, tijger, opsnijer, livreiknecht(je); extra luid applaus

(Amer.): Three cheers and a tiger; They were fighting the tiger = zij

waren aan het dobbelen (Am.); Tiger-cat = tijgerkat; Tiger-lily =

tijgerlelie; Tiger-spotted = getijgerd; Tiger-wood = tijgerhout;

Tig(e)rish = tijgerachtig; opsnijerig.

Tight, tait, (lucht)dicht, strak, dicht, nauwsluitend, sterk,

goedgebouwd, keurig, net, hevig, benauwd, schaarsch, gierig, dronken;

(Tights = nauwsluitend tricot, zooals van acrobaten, etc.; spanbroek):

Tight as a drum = smoordronken; Money is tight = ’t geld is krap;

That’s an uncommonly tight fit = dat sluit zeer nauw, dat moet er

buitengewoon precies ingepakt worden, dat kan er nauwelijks in; I found

myself in a very tight place = benarde positie; The tight and the slack

rope = het gespannen en het slappe koord; He keeps his children tight =

kort; proper; Everything on the deck was set tight = vastgezet,

vastgesjord; Sit tight = houd je vast; Air-tight = luchtdicht;

Tight-fisted = gierig; Tight-fitting = nauwsluitend; Tight-laced =

bekrompen; Tighten = aanhalen, spannen, zich samentrekken; Tightness =

dichtheid, etc.

Tigress, taigrəs, tijgerin.

Tigris, taigris, Tiger.

Tigrish, taigriš = Tigerish.

Tilbury, tilbəri, tilbury.

Tile, tail, subst. (dak)pan, aarden deksel, hoed, deur v. eene

vrijmetselaarsloge; Tile verb. met pannen dekken, zorgen dat geene

oningewijden binnenkomen: Ridge tiles = vorstpannen; He has a tile

loose (off) = het mankeert hem in zijn bovenste verdieping; We are

tiled = de loge is gedekt, we zijn onder ons = This is a tiled meeting;

Tile-burner = pannenbakker; Tile-drain = afvoerbuis; Tile-kiln =

pannenbakkersoven; Tile-work(s) = pannenbakkerij; Tiler = pannendekker,

dekker van de loge (vrijmetselaars); Tilery = pannenbakkerij.

Tilia, tiliə, linde(boom); Tiliaceous, tilieišəs, gelijkende op of

verwant met de tilia.

Till, til, lade, winkellade.

Till, til, beploegen, bebouwen; Tillable = bebouwbaar; Tillage, tilidž,

akkerbouw; Tiller = akkerman, boer.

Till, til, tot, tot aan (alléén van tijd): It is not more than two

hours till dinner time = vóór; He did not come home till five = eerst

om vijf uur; Till now = tot nu toe; Till then = tot dien tijd toe.

Tiller, tilə, subst. handvat, roerpen, helm(stok), schoot, uitlooper,

jonge tak; Tiller verb. uitloopen, nieuwe takken krijgen; Tiller-chain

= stuurketting; Tiller-rope = stuurtouw, stuurreep. Zie Till.

Tilt, tilt, subst. tent, huif, zonnetent, dekzeil; steekspel (= Tilts),

smeehamer, vooroverhelling (van vaten); Tilt verb. met een tent of een

zeil bedekken, met een lans stooten, naar een ring steken, eene lans

breken, vechten (voor), overhellen (van vaten), scheef staan, kenteren,

hameren, wiegelen of dansen (op de golven): He ran full tilt at his

enemy = liep met alle kracht (pardoes) aan op; He sat tilting his chair

= zat te wiegelen met; He tilted himself on tiptoe = ging op de teenen

staan; To tilt at windmills = vechten tegen; The hat was tilted over

her ear = stond op haar ééne oor; Tilt-boat = tentboot; Tilt-cart =

kipkar; Tilt-hammer = smeehamer; Tilt-roof = koepeldak; Tilt-waggon =

met een kap bedekte wagon; Tilt-yard = tournooiveld;

Tilting-competition = ringsteken.

Tilth, tilth: The land is in good tilth = goed bebouwd.

Tim, tim, verk. van Timothy.

Timbal, timb’l; Zie Tymbal.

Timber, timbə, subst. timmerhout, boomstam, boomen, bouwmateriaal,

hout, spant, barrière, woud (Amer.); adj. houten; Timber verb. met hout

beschieten, van hout bouwen: Shiver my timbers = de drommel hale mij;

He had a well-timbered frame = goed gebouwd en krachtig lichaam;

Timber-forest = hoogstammig woud; Timber-lesson = het afranselen en uit

de stad jagen van vagebonden (Amer.); Timber-merchant = houtkooper;

Timber-ship = houtschip; Timber-trade = houthandel; Timber-tree = boom

die timmerhout oplevert; Timber-work = houtwerk, timmerwerk;

Timber-yard = houtstek, houtloods; Timbered = van hout gemaakt, met

hout beschoten, bedekt met boomen voor timmerhout, massief, krachtig.

Timbre, timbə, timbre.

Timbrel, timbr’l, soort van tamboerijn.

Engelsch woordenboek. Eerste deel: Engelsch-Nederlandsch (met uitgeschreven verkortingen) · 第 133 / 152 段