Team, tîm, span, bespanning, toom, vlucht, groep v. elf personen

(cricket of voetbal); Team-work = veldarbeid door trekvee (Amer.);

Teamster = voerman; Teamwise = als een span.

Tear, tîə, subst. traan: Her tears started unbidden = schoten haar in

de oogen; The tears trickled down her cheeks = biggelden langs; To be

all in tears (= To be drowned in tears) = in tranen baden; He burst

into tears = barstte in schreien uit; To draw tears from = ontlokken;

To shed tears = storten; Tear-drop = traan; Tear-stained = beschreid;

Tearful = tranen stortend, treurig.

Tear, têə, subst. scheur, spleet; Tear verb. scheuren, trekken,

losrukken, openrijten, tieren, vliegen: The donkey ran away full tear =

ging ervan door; To be on a tear = aan den rol zijn; The wear and tear

of the engine = de slijtage; He tore his hair and clothes = rukte zijne

haren uit en verscheurde zijne kleederen; He could not tear himself

away from his wife = kon zich niet losrukken; The flesh was torn from

the bones = gescheurd van; All at once the children came tearing in =

binnenstormen; He tore through the pages = vloog er doorheen; Don’t

tear it to pieces, rags = scheur het niet aan stukken of flarden; The

cloth was torn up into several pieces = werd gescheurd; He went up and

down, tearing and swearing = tierend en vloekend; To be in a tearing

passion = woest zijn; A tearing old Tory = vurige, felle.

Tease, tîz, subst. plager, plaaggeest; Tease verb. plagen, sarren,

kwellen, kaarden: What a tease you are = wat ben je een plaaggeest;

Teaser = plager, lastig geval: That’s a teaser = daar zitten we mee

verlegen.

Teat, tît, tepel, uier.

Teazel, Teazle, tîz’l, weverskaarde (plant).

Tebeth, tîbeth, tebeth, tiende maand van het godsdienstige jaar der

Joden.

Tec, tek, samentr. van Detective.

Technic, teknik, subst. techniek, kunstvaardigheid; adj. Technic(al) =

technisch: Technical education = vakonderwijs; Technical classes =

cursussen voor vakonderwijs; Technical instruction act = wet op het

vakonderwijs; Technicality, Technicalness = technische eigenaardigheid

of uitdrukking; Technics = techniek; Technique, teknîk, de techniek of

methode eens kunstenaars; Technological, teknəlodžik’l, technologisch;

Technology, teknolədži, technologie.

Techy, tetši, knorrig, gemelijk, lichtgeraakt.

Tectrices, tektrisîz, dekveeren.

Ted, ted, keeren (van gemaaid gras); Tedder = machine om het pas

gemaaide gras te keeren.

Teddy, tedi: Teddy Bear = beertje (kinderspeelgoed).

Te Deum, tîdîəm, Te-Deum.

Tedious, tîdjəs, vervelend, saai, verdrietig, lastig; subst.

Tediousness = Tedium, tîdj’m.

Tee, tî, doel, aardhoopje, vanwaar de bal geslagen wordt bij het

Golfspel; doel waarnaar quoits of curling-stones worden geworpen; Tee

verb. den bal daar van af slaan.

Teem, tîm, zwanger zijn van, werpen, zich voortplanten, vol zijn,

overvloed hebben van: This part of the country teems with gold = bevat

veel goud.

Teens, tînz, de jaren v. dertien tot negentien: In her teens = beneden

twintig (maar minstens twaalf); Out of her teens = boven de negentien;

Since his middle teens = sedert zijn 14de, 15de jaar.

Teeter, tîtə, wippen (Am.).

Teeth, tîth, Meerv. van Tooth = tand; Teeth verb. (tîdh) = tanden

krijgen: From one’s teeth = niet van harte; In the teeth of the

westerly gale = vlak tegen in; He did it in the teeth of opposition =

trots allen tegenstand; In the teeth of the doctor’s prohibition =

geheel in tegen; He cast those reproaches in my teeth = wierp mij voor

de voeten; He escaped by the skin of his teeth = ontsnapte

ternauwernood (Job. XIX, 30); Teeth-drawing (fig.) = bellen moeren;

Teething, tîdhiŋ, het tanden krijgen.

Teetotal, tîtout’l, onthoudend: Teetotal drinks = alcoholvrije;

Teetotalism = geheelonthouding; Teetotaller = geheelonthouder.

Teetotum, tîtout’m, A-al tolletje: To spin a teetotum.

Tegument, tegjument, omhulsel, huid, zaadhuid, vleugeldeksel; adj.

Tegumentary.

Tehee, tîhî, subst. gegichel; Tehee verb. gichelen; interj. hihi.

Teheran, tehərân; Teignmouth, teinməth, tînməth.

Teil, tîl, lindeboom (= Teil-tree).

Teind, tînd = Tithe (Schotl.).

Teith, tîth; Telamon, teləm’n, mannenfiguur als zuil, At as.

Teledu, telədû, Javaansche bunzing.

Telegram, teləgram, telegram; adj. Telegrammic; Telegraph, teləgraf,

subst. telegraaf; Telegraph verb. telegrafeeren, seinen:

Telegraph-cable; Telegraph-operator = Telegrapher, təlegrəfə,

teləgrafə, telegrafist; Telegraphic, teləgrafik, telegrafisch:

Telegraphic address = telegramadres; Telegraphist, təlegrəfist,

teləgrafist, telegrafist(e); Telegraphy, təlegrefi, teləgrafi,

telegraphie.

Telemachus, təleməkɐs.

Teleological, teliəlodžik’l, tîliəlodžik’l, teleologisch; Teleology,

teliolədži, tîliolədži, teleologie.

Telepathic, teləpathik, telepathisch: Card-guessing, bank-note-finding

and the various other forms of telepathic hide and seek; Telepathy,

təlepəthi, teləpathi, telepathie.

Telepheme, teləfîm, telephonisch bericht; Telephone, teləfoun, subst.

telephoon; Telephone verb. telephoneeren; Telephonic = telephonisch;

Telephonist, təlefənist, teləfounist, telephonist(e); Telephony,

təlefəni, teləfouni, telephonie.

Telescope, teləskoup, subst. telescoop, verrekijker; soort van

langwerpige spiraalschelp; Telescope verb. in elkander schuiven, zooals

een telescoop: The book tries to be an encyclopaedia, telescoped into a

dictionary = in een woordenboek saamgevat; The first and the second

carriage were telescoped (into each other) = werden in elkander

geschoven; Telescope-table = uittrektafeltje; Telescopic(al),

teləskojpik(’l), telescopisch, in- en uitschuifbaar.

Telesia, təlîžə, varieteit van saffier.

Tell, tell, vertellen, mededeelen, melden, berichten, bevelen,

optellen, onderscheiden, uitwerking hebben, indruk maken, klikken: I

can tell = ik kan je verzekeren; Who can tell? = wie weet; Never tell

me = maak me niet wijs; Can you tell the clock yet? = kun je al op de

klok kijken; I had my fortune told by an old gipsy = liet me

waarzeggen; Don’t tell stories (fibs) = jok nu niet; Every shot told =

was raak; He never preached “I told you so” = hij zanikte nooit van

“Dat heb ik je wel gezegd”; They numbered 100 all told = met hun allen;

That tells against you = pleit tegen je; You can tell this wine from

vinegar only by the label = slechts onderscheiden van; It is difficult

to tell good paste from diamonds = simili van diamant te onderscheiden;

That tells for something = dat is lang niet mis, telt mee; You can tell

them off by hundreds = aanwijzen bij honderden; One of the clerks was

always told off to sleep in the house = werd aangewezen; I shall tell

the priests on you = u verklappen aan; The heavy work has told on his

constitution = zijn gestel aangegrepen; His troubles have told on him =

hem erg aangegrepen; The speech told on the hearers = maakte indruk; To

tell out = uittellen; Told out = op, blut; This told with him = dit

hielp (bij hem); Tell-tale, subst. babbelaar, verklikker, klikspaan;

adj. babbelziek, lasterend, verraderlijk; They are tellable on the

fingers = die kan je op de vingers tellen; Teller = verteller, teller,

stemopnemer, klerk in een bank die met de klanten rekent; harde slag.

Zie Telling.

Tellina, təlainə, platschelpen.

Telling, teliŋ: With telling effect = met goed gevolg, krachtige

uitwerking; A telling phrase = kernachtig; A telling speech = een rede,

die pakt; That’s telling(s) = dat mag ik niet zeggen.

Tellurian, təl(j)ûriən, aardsch —; bewoner der aarde; Telluric =

tellurisch; Tellurion, təl(j)ûriən, tellurium; Tellurium, təl(j)ûriəm,

tellurium (Chemie).

Telotype, telətaip, druktelegraaf.

Telpher, telfə, subst. inrichting voor electrisch kabelvervoer; adj.

behoorende tot Telpherage, telfəridž, vervoer door electriciteit;

Telpher-line = electr. kabelspoorlijn.

Temerity, təmeriti, vermetelheid, roekeloosheid.

Temper, tempə, subst. aard, natuur, temperament, humeur, gemoed,

prikkelbaarheid, opvliegendheid, hardheid (v. metaal); Temper verb.

matigen, regelen, verzachten, doen bedaren, temperen, harden: Equal,

Even temper = gelijkmatig humeur; Hot temper = drift; The temper of the

nation = stemming; Your friend is not a good (is a horrid) temper =

heeft geen gemakkelijk (een vreeselijk) humeur; He kept his temper

better than we had supposed = bleef bedaarder; He lost his temper =

raakte uit zijn humeur, verloor zijn geduld; He was in a black temper =

verschrikkelijk slecht gehumeurd; What a temper you are in! = hè, wat

ben jij knorrig; You must keep him in temper = hem in zijn humeur

houden; He was out of temper this morning = uit zijn humeur;

Temperament = gestel, geaardheid, temperament; Temperance = matigheid,

gematigdheid, onthouding: Temperance-bar = koffiehuis voor onthouders;

Temperance-meeting; Temperance-society = matigheids- of

afschaffersgenootschap; Temperate, tempərit, bedaard, kalm, gematigd:

Temperate zone = gematigde luchtstreek; subst. Temperateness;

Temperature, tempərətjə, temperatuur: To take one’s temperature =

opnemen; Tempered: Good-, Ill-tempered; Even-tempered = van gelijkmatig

humeur; Quick-tempered = opvliegend; A sweet-tempered girl = zacht.

Tempest, tempəst, hevige storm, orkaan, zwaar weer: Tempest-beaten =

door de stormen gebeukt; Tempest-tossed = door de stormen geslingerd;

Tempestuous, tempestjuəs, stormachtig, hevig; subst. Tempestuousness.

Templar, templə, tempelier; student in de rechten, advocaat of jurist:

Order of “Good Templars” = vereeniging tot het verleenen van

wederzijdschen steun bij ouderdom, etc.

Temple, temp’l, tempel, godshuis, slaap (van het hoofd): Inner-temple,

Middle-temple (Londensche colleges voor opleiding van juristen).

Templet, templət, schabloon, vormhout.

Tempo, tempou, tempo, maat (Meerv. Tempi).

Temporal, tempər’l, tijdelijk, tijds - -, wereldlijk; slaap - -:

Temporal bone = slaapbeen; Temporal Lords = wereldlijke, ter

onderscheiding v. geestelijke, pairs van Engeland; Temporality =

tijdelijk of wereldlijk bezit; Temporalities = temporaliën, inkomsten

der geestelijken uit land, tienden, enz.; Temporariness, subst. v.

Temporary = tijdelijk, niet duurzaam; Temporize, tempəraiz, zich naar

de omstandigheden schikken, den gunstigen tijd afwachten, trachten tijd

te winnen: Temporizer = iemand die met de wolven meehuilt, de huik naar

den wind hangt, etc.

Tem(p)se, tems, zeef, vergiet(test); Tem(p)se-bread = brood van

fijngebuild meel.

Tempt, tem(p)t, verleiden, verlokken, in verzoeking brengen: He tempted

me into giving up my plan = verlokte mij; Temptable = te verlokken;

Temptation, tem(p)teiš’n, verlokking, verzoeking, aanvechting: To lead

into temptation; He yielded to temptation = bezweek voor; Tempter =

verleider: The Tempter = de duivel; Tempting = verleidelijk; subst.

Temptingness; Temptress = verleidster.

Ten, ten, tien: There were ten of them = They were ten = ze waren met

hun tienen; The ten Tribes = tien stammen Israëls; Nine in ten = negen

van de tien; Ten to one = tien tegen een; Tenfold = tienvoudig; Ten-pin

= kegel: Ten-pin alley = kegelbaan (Amer.); Ten-spot = een tien

(kaartspel); He made many ten-strikes = gooide dikwijls alle tien;

Ten-seater = fiets voor tien; Tenner = bankbiljet van 10 £; Tenth =

tiende (deel).

Tenability, tenəbiliti, subst. v. Tenable, tenəb’l, houdbaar,

verdedigbaar: The scholarship is tenable for one year = de beurs geldt

voor; subst. Tenableness.

Tenace, tenis, de “fourchette” (de hoogste en op twee na de hoogste

kaart) in handen van den vierden speler (Whist); Tenace-minor = kleine

“fourchette” (de hoogste en op drie na de hoogste kaart).

Tenacious, təneišəs, vasthoudend, sterk, hardnekkig, kleverig, taai: He

has got a tenacious memory = sterk geheugen; He is tenacious of

whatever he gets = houdt vast; To be tenacious of life = taai zijn;

Tenaciousness = Tenacity, tənasiti, vasthoudendheid, kleverigheid,

getrouwheid.

Tenail(le), təneil, tangwerk ter dekking v. een courtine (Vestingb.);

Tenaillon, təneiljon, klein tangwerk.

Tenancy, ten’nsi, subst. huur, pacht; Tenant, subst. huurder, pachter,

bewoner; Tenant verb. in pacht of huur hebben, bewonen: Tenant at will

= opzegbare huurder; Tenant for life; Tenant in capite, Tenant in chief

= huurder direct van de kroon; Tenant in tail = houder van een

pachthoeve, die bij versterf op bepaalde erfgenamen (in pacht)

overgaat; Tenantable = geschikt om ge- of verhuurd te worden,

bewoonbaar; subst. Tenantableness; Tenantless = onverhuurd, leeg;

Tenantry = de gezamenlijke pachters of huurders.

Tench, tenš, muithond, zeelt.

Tend, tend, bewaken, verzorgen, letten op, denken om; strekken,

streven, zich richten; bijdragen, om het anker zwaaien: That way

instruction ought to tend = dien kant moet het onderwijs uit; Tendency

= strekking, neiging, aanleg voor.

Tender, tendə, aanbod, offerte, inschrijving; betaalmiddel (Legal

tender); Tender verb. aanbieden, inschrijven: He made a tender of his

friendship, services = bood aan; Private tender = onderhandsche

inschrijving; To let by public tender = publiek uitbesteden; To tender

cordial thanks = hartelijk dank zeggen; To tender for the dredging of a

harbour = inschrijven op; To tender and contract for = aannemen (v. een

werk).

Tender, tendə, teeder, zwak, zacht, malsch, teergevoelig, vriendelijk,

zorgvuldig; Tender verb. zacht maken, hoogschatten: At a tender age =

op jeugdigen leeftijd; The tender passion(s) = de liefde; He was still

tender of her, though she had betrayed him = hij hield nog van haar;

Tender-foot = gevoelige voet; nieuweling (Australië); Tender-hearted =

teergevoelig; subst. Tender-heartedness; Tender-loin = filet;

Tender-minded = teerhartig; Tenderling = vertroetelde lieveling; een

van de eerste hoorns van een hert; Tenderness = teederheid,

vriendelijkheid, bezorgdheid voor (met of).

Tender, tendə, tender (v. een locomotief), (sleep)bootje, oppasser.

Tendon, tend’n, pees: Tendon of Achilles.

Tendril, tendril, rank (van klimplanten).

Tenebrae, tenəbrî, donkere metten, die op Woensd., Donderd. en Vrijdag

van de week vóór Paschen tegen den avond gezongen worden; Tenebrosity =

duisternis; Tenebrous = duister.

Tenement, tenəment, woning, huis, stel vertrekken door één gezin

bewoond, pachthoeve; Tenement-house = huis, dat bij gedeelten aan

verschillende gezinnen verhuurd wordt; Tenemental, tenəment’l, verpacht

of verhuurbaar, huur ... = Tenementary, tenəmentəri.

Tenerife, tenərif.

Tenet, tenət, leerstuk, beginsel.

Tennessee, tenəsî.

Tennis, tenis, tennis; Tennis-ball; Tennis-court = tennisbaan;

Tennis-net; Tennis-racket.

Tennyson, tenis’n.

Tenon, tenən, subst. pen, pin, tap, neut ter verbinding; Tenon verb.

met een tenon verbinden.

Tenor, tenə, subst. gang, loop, richting, inhoud, geest, wezen,

afschrift, tenor, altviool: The tenor of this man’s life = de richting

van zijn leven; The tenor of this work = bedoeling of hoofdgedachte:

The even tenor of the session was never ruffled = de gelijkmatige gang.

Tense, tens, tijd (gramm.).

Tense, tens, streng. strak, gespannen; subst. Tenseness; Tensibility =

rekbaarheid; adj. Tensible; Tensile, tens(a)il, rekbaar, spannings - -:

Tensile force = spankracht; Tension, tenš’n, spanning, gespannenheid,

spankracht, groote inspanning; Tensive, spannend; Tensor, tensə,

spanspier.

Tent, tent, subst. tent, kap, overtrek, wiek (om eene wond open te

houden), donkerroode Spaansche wijn; Tent verb. van tenten voorzien,

tenten opslaan, onder tenten wonen; sondeeren, peilen of openhouden van

eene wond; Tent-bed = ledikant met hemel; Tent-cloth; Tent-maker =

tentenmaker; Tent-pin; Tent-pole; Tent-rope.

Tentacle, tentək’l, zuig- of tastorgaan; Tentacular, tentakjulə, zuig

..., tast ...; Tentaculate(d), tentakjulit(-eitid), van zuigorganen

voorzien.

Tentative, tentətiv, subst. proeve, proef, poging; adj. pogend,

beproevend.

Tenter, tentə, subst. spanraam, spanhaak, voeldraad; Tenter verb.

opspannen, rekken: To be on the tenter(s) = op heete kolen zitten; To

keep on the tenter(s) = in angstige spanning houden; Tenter-ground =

plaats voor het stellen van spanramen; Tenter-hook = spanhaak: We are

on (the) tenter-hooks = on the tenter(s).

Tenuifolius, tenjuifouljəs, met fijne en smalle bladen; Tenuity,

tənjûiti, fijnheid, dunheid, ijlheid; Tenuous, tenjuəs, dun, ijl, fijn,

klein.

Tenure, tenjə, eigendomsrecht, leendiensten, bezit: Tenure of life =

levenstijd; Tenure of office = diensttijd.

Tepefaction, tepifakš’n, matige verwarming; Tepefy = matig verwarmen,

lauw worden; Tepid, tepid, lauw; subst. Tepidity = Tepidness.

Teraph, terəf (mv. Teraphim), huisgod der oude Israëlieten.

Terce, tɐ̂s, ± 190,830 L. (wijn, brandewijn, azijn, olie, etc.) ook ±

158,963 L.; ± 137,892 of ± 152,407 K.G. (vleesch voor schepen);

Terce-major = de drie hoogste kaarten.

Tercel(et), tɐ̂səl(et), mannetjesvalk.

Tercentenary, tɐ̂sentənəri, subst. en adj. driehonderdjarige

(gedenkdag).

Tercet, tɐ̂set, drieregelig gedichtje.

Terebinth, terəbinth, terpentijnboom: Oil of Terebinth =

terpentijnolie; Terebinthine, terəbinthin, terpentijn ....

Teredine, terədin, Teredo, tərîdou, paalworm.

Tergiversate, tɐ̂dživəseit, uitvluchten zoeken, draaien; Tergiversation,

draaierij, uitvlucht, afvalligheid.

Term, tɐ̂m, subst. grens, beperking, termijn, vervaldag, betaaldag,

collegetijd, berechtingstijd, lid, uitdrukking, bewoording (In plain

terms); Terms = voorwaarden, condities, honorarium, prijs, schoolgeld;

stonden (med.); Term verb. noemen, benoemen, uitdrukken: A naval term =

zeemansuitdrukking; To bring to terms = tot toegeven noodzaken;

Couldn’t you come to terms? = het eens worden; Why don’t you express

yourself in more definite terms = niet juister; I got on terms with him

= kwam op goeden voet; They married on equal terms = in gemeenschap van

goederen; To be on even terms = gelijk staan; To be on good terms =

goed met elkaar; They are on intimate terms, terms of intimacy = zeer

intiem met elkaar, op intiemen voet; To be on poor terms = niet al te

best met elkaar; What are your terms? = wat vraagt u daarvoor? Term of

life (of a person’s natural life) = levensduur; Term of office =

diensttijd; Term of payment = betalingstermijn.

Termagant, tɐ̂məg’nt, subst. helleveeg; adj. kijfachtig.

Terminable, tɐ̂minəb’l, begrensbaar; subst. Terminableableness;

Terminal, subst. einde, grens, uiterste; adj. eindigend, begrenzend:

Terminal station = kopstation; Terminate, tɐ̂minit, begrensd, beperkt;

Terminate verb. tɐ̂mineit, begrenzen, eindigen, een einde maken aan: I

shall soon be terminated with you = tusschen ons beiden zal het gauw

uit zijn; Termination = grens, einde, begrenzing: To draw to a

termination = ten einde loopen; Terminative = begrenzend, uitsluitend;

Terminology, terminologie; Terminus = grenssteen, eindstation.

Termite, tɐ̂mait, witte mier.

Ternary, tɐ̂nəri, subst. drietal, groep van drie; adj. van of bij

drieën, drietallig.

Terpsichore, tɐ̂pksikərî, Terpsichore; Terpsichorean, tɐ̂psikərîən, dans

—.

Terra, terə, de aarde: Terra del Fuego, terədelfjûgou, Vuurland; Terra

alba = pijpaarde; Terra-cotta = terracotta; Terra firma = vaste grond;

Terra incognita = onbekend land.

Terrace, teris, subst. terras, plat dak; Terrace verb. tot terrassen

vormen.

Terrapin, terəpin, moerasschildpad (Amer.).

Terraqueous, təreikwiəs, tərakwiəs, uit land en water bestaande.

Terrestrial, tərestriəl, ondermaansch, aard—, land—; subst.

aardbewoner: Terrestrial animal; Terrestrial globe.

Terret, terət, de ring waar doorheen de leidsels worden gestoken.

Terrible, terib’l, verschrikkelijk, ontzagwekkend, ijselijk, kolossaal;

subst. Terribleness.

Terrier, teriə, terrier.

Terrific, tərifik, schrik- of ontzagwekkend; Terrify, terifai, doen

verschrikken, schokken: I was terrified to death = schrikte me dood.

Territorial, teritôriəl, territoriaal; subst. soldaat behoorende bij

het Territorial Army (Territorial Force) i e. een corps van

vrijwilligers, dat in 1908 de oude Volunteers verving; Territorialize =

vergrooten; tot een territory maken (Amer.); Territoried, teritərid,

land in eigendom hebbende; Territory, teritəri, gebied, (ook fig.),

landstreek, bereik; gebied met minder dan 60.000 inwoners en zonder

vertegenwoordiging in het Congres (Amer.).

Terror, terə, schrik, ontsteltenis: The King of Terrors = de Dood; The

Reign of Terror = het Schrikbewind; I am struck with terror,

terror-struck, terror-stricken = van schrik verpletterd; Terrorism =

schrikbewind; Terrorist = lid van het schrikbewind, terrorist;

Terrorize, terəraiz, schrik aanjagen, door schrik dwingen.

Terry, teri, soort van pluche; Terry-velvet = soort katoenfluweel.

Terse, tɐ̂s, beknopt, kort en bondig; subst. Terseness.

Tertian, tɐ̂š’n, derdedaagsch: Tertian fever; Tertiary, tɐ̂šəri,

tertiair: Tertiary epoch, formation.

Tertullian, tɐ̂tɐlj’n, Tertulianus.

Terza-rima, tɐ̂tsə-rîmə, tercine; Terzetto, ter-tsətou, terzet (muz.).

Tessellar, tesələ, geruit; Tesselated, tesəleitid, geruit, als mozaïek;

Tessellation = ruit- of mozaïekwerk; Tessera, tesərə, klein kubusje van

marmer, etc. voor mozaïekwerk; Tesseral = Tessellar.

Test, test, subst. toets, toetssteen, onderzoek, proef, reagens,

oordeel, kroes tot zuiveren van metaal; Test verb. toetsen, beproeven,

keuren, onderzoeken, attesteeren: Crucial test = vuurproef (fig.);

That’s a fair test = een geschikte opgaaf (bij een examen, b.v.); To

apply a severe test to = aan een streng onderzoek onderwerpen; To put

to the test = op de proef stellen; To stand the test = de proef

doorstaan; Test Act = Eng. wet van 1678–1828, die voor ambtenaren een

eed voorschreef waarbij ze betuigden niet Katholiek te zijn; State

tested unadulterated liquor = van rijkswege gekeurde, onvervalschte

sterke drank; Test-paper = lakmoespapier; Test-tube = reageerbuisje;

Test-types = letters om de gezichtsscherpte te keuren; Testable = wat

geattesteerd kan worden, in staat een testament te maken of getuigenis

af te leggen; Tester = toetser. Zie Tester.

Testacea, testeišə, schelpdieren; Testacean, subst. schelpdier; adj.

tot de schelpdieren behoorende; Testaceous, testeišəs, schaal - -;

bruingeel: Testacean animals = schaaldieren.

Testament, testəment, testament, verbond: New Testament; Old Testament;

Testamental, Testamentary, testəment’l, testəmentəri, testamenteel;

Testamur, təsteimə, testimonium; Testate, testit, subst. die een

testament gemaakt heeft; adj. een testament nalatend: To die testate;

Testator, testeitə, Testatrix, testeitriks, erflater, erflaatster.

Tester, testə, oude shilling (onder Henry VIII); vierkante

ledikantshemel, plat klankbord (kansel): Tester-bed = met een hemel.

Zie Test.

Testicle, testik’l, zaadbal; Testiculate, təstikjulit, Testicular,

təstikjulə, gelijk een bal.

Testification, testifikeiš’n, getuigenis; Testifier = getuige; Testify,

testifai, plechtig verklaren, getuigen, getuigenis afleggen: I shall

never testify against you = tegen u getuigen; He testified to my good

conduct = hij gaf getuige van.

Testimonial, testimounj’l, subst. getuigschrift, verklaring,

attestatie, hulde, huldeblijk; ook adj.: Testimonial dinner =

feestmaaltijd ter eere van; Testimonial letter; Testimony, testiməni,

getuigenis, betuiging, openbaring, Gods woord: In testimony whereof =

ten bewijze waarvan; To bear testimony = getuigenis afleggen; To call

in testimony = tot getuige roepen.

Testiness, testinəs, subst. v. Testy, testi, eigenzinnig, knorrig,

gemelijk, prikkelbaar.

Tetchiness, tetšinəs, subst. van Tetchy = knorrig, gemelijk.

Engelsch woordenboek. Eerste deel: Engelsch-Nederlandsch (met uitgeschreven verkortingen) · 第 131 / 152 段