Take, teik, subst. ontvangst, trek, haal, stuk kopij; Take verb. nemen,

aannemen, grijpen, pakken, betrappen, meevoeren, aanvallen, vatten,

gevangen nemen, huren, zich toeëigenen; begrijpen, onderstellen,

gelooven, zich wenden tot, uitkiezen, gewoonlijk gebruiken,

aanteekenen, verduren, etc.: This is my take = dit moet ik “zetten”; To

take advantage of = ge(mis)bruik maken van; To take advice = raad

aannemen, inwinnen; To take an affront (a denial) = zich beleedigd

gevoelen (eene weigering accepteeren); To take aim = mikken, aanleggen;

To take the air = een luchtje scheppen = To take an airing; The thing

took air = is ruchtbaar geworden; He takes airs = geeft zich airs; To

take (up) arms = de wapenen opnemen; He took a backseat = bakte zoete

broodjes; He took me a box of cigars = bracht; To take breath = adem

scheppen; take care my boy = pas op jongen; To take good care not to be

ensnared = goed oppassen er niet in te loopen; To take care of an

ailing child = oppassen; You must take your chance = de kans wagen,

afwachten wat de kans je brengt; To take cold = kou vatten; The wound

took cold = er kwam koud vuur bij; What course have you taken? = (tot)

welke maatregelen hebt gij (uwe toevlucht genomen); To take credit for

= zich beroemen op; To take one’s departure = afscheid nemen; To take a

dislike to = een afkeer opvatten tegen; To take a drive (a ride) =

rijtoer (ritje); To take effect = treffen, uitwerking hebben; To take

exception to = protest aanteekenen tegen; To take a fancy to = met iets

op krijgen; To take as a great favour = beschouwen als; The horse took

the fences = nam de hindernissen; The army took the field = trok te

velde; To take fire = in brand vliegen, opvliegen (fig.); Do not take

God’s name in vain = gebruik niet ijdellijk; Take a good heart = vat

moed; Take heed = wees op uw hoede; To take hold of = vastgrijpen; To

take horse = opstijgen, uitrijden; You took such hours = het duurde zoo

lang voor je er mee klaar was; Can’t you take a jest? = verstaat ge

geen scherts; To take (a hearty) leave = (hartelijk) afscheid nemen; To

take medicine = gebruiken, innemen; To take measure = de maat nemen; To

take (no) notice = (geen) notitie nemen, (niet) letten op; To take an

(the) oath = een eed afleggen, beëedigd worden; To take offence at =

zich beleedigd gevoelen over; To take the (first) opportunity that

offers = de (eerste de beste) gelegenheid aangrijpen; To take (great)

pains = zich (veel) moeite getroosten; To take part in = deelnemen in;

To take part with (= To take a person’s part) = partij kiezen voor; To

take pity on = medelijden hebben met; To take place = plaats hebben; To

take a person’s place = iemands plaats innemen; To take much pleasure

in = iets gaarne doen, behagen scheppen in; They take their pleasures

sadly = het zijn droefgeestige pretmakers; To take a pride in = trotsch

zijn op; To be taken prisoner = gevangen genomen worden; To take root =

wortel schieten; Take a seat = neem plaats; To take the shilling =

onder dienst gaan; Take your own time about it = neem er zooveel tijd

voor als ge verkiest; Tom Thumb was taken an English tour = de

ondernemer maakte met T. T. een reis door Engeland; To take a turn =

een wandeling doen; To take turns in doing = om de beurt iets doen; To

take umbrage at = kwalijk nemen, zich beleedigd gevoelen; He will take

the voyage shortly after his marriage = aanvaarden; To take the water =

afloopen (schip); er van door gaan (Amer.); To take the waters = de

baden gebruiken; You have taken us a long way about = ons een omweg

laten maken; The bird took wing = vloog heen; I was taken aback = stond

versteld; Will you take me across? = naar de overzijde brengen; He

takes after his father = aardt naar; I take you at your word = houd u

aan; It has taken my breath clean away = deed me perplex staan; Take

that back = neem uwe woorden terug; I will take down your pride a peg

or two = je een toontje lager doen zingen; To take down = opschrijven,

noteeren; They took down our names = schreven op; I took you for your

brother = hield u voor; To be taken in = beetgenomen worden; To be

taken in the very act = op heeterdaad betrapt; To take in hand =

aanpakken; He was taken in stone = gehouwen; To take in tow = op

sleeptouw nemen; To take in to dinner = naar tafel leiden; To take in a

paper = geregeld ontvangen; To take into consideration = in aanmerking

nemen; To take into business, partnership = in de zaak opnemen; To take

off = afnemen, uittrekken, nadoen, photografeeren; He can take off a

person’s peculiarities admirably = wonderlijk goed nadoen; He took

himself off = ging heen; Take off your glass = drink eens uit; He was

taken off his legs in no time = in minder dan geen tijd lag hij op den

grond; To take on = aannemen, etc.; To take on oneself = zich vermeten;

She has taken on with another chap = heeft een anderen vent aan den

haak geslagen; He took on much from the language of his own age = nam

veel over ... uit; Don’t take on so = trek het je niet zoo aan, ga niet

zoo te keer; He took her out = danste met haar; I will take it out of

you = zal het je wel inpeperen, afleeren; His kindliness took me a bit

out of myself = verzette mij wat, gaf mij wat afleiding; The boy took

out the physic = bracht rond; It rather takes it out of me = pakt me

nogal aan; She had teeth that take out and put in again = die je er uit

kan nemen en weer inzetten; He took over the business, command = heeft

overgenomen; To take to = ophebben met; zich overgeven aan: He took to

me very kindly = trok zich mijner vriendelijk aan, kreeg met me op; He

took to drinking = raakte aan den drank; Don’t take it too much to

heart = trek het u niet te zeer aan; To take up = ter hand nemen, etc.:

She took my sister up very strongly, and invited her to spend a few

days at her country-seat = zij interesseerde zich zeer voor mijne

zuster; We took him up on the road = pikten hem op onderweg; Will you

take me up at the station = opvangen, meenemen; Small girls took her up

in class = streefden haar voorbij op school; He was taken up by me =

werd doorgehaald; He took me up very sharp over that point = maakte mij

een erg standje; He took up the word = nam; That will take up all my

time, too much room = al mijn tijd kosten, te veel plaats innemen; The

public has taken up with a new favourite = heeft een nieuwen lieveling

gekozen; You must take up with plain fare = voor lief nemen; She took

up with him = bemoeide zich; She was glad to take up with it = ze was

er erg blij mee; I am much taken up with your affairs = uwe zaken

boezemen mij veel belang in; He took upon himself the right to do this

= hij matigde zich het recht aan; His speech took with the House =

pakte, maakte indruk; I am taken with that picture = die schilderij

valt in mijn smaak; That won’t take = dat gaat niet aan (op); I take it

that he will come = ik houd het er voor; Do you take me? = snap je mij?

He didn’t take it = hij snapte het niet; The vaccination has taken

beautifully = de pokjes hebben mooi “gevat”; I hope you don’t take it

ill = het kwalijk neemt; He was taken ill = werd ziek; I was frequently

taken like that = ik ben er ook vaak zoo aan toe geweest; The patient

was taken much worse = werd veel erger; Take-in = misleiding,

beetnemerij; bedrieger; Take-off = nabootsing: Did you ever see such a

take-off = zulk eene caricatuur; Taker = nemer, aannemer, etc.; Taking

= inneming, ontroering, besmetting, schadelijke invloed, verlegenheid,

angst; innemend, boeiend, aantrekkelijk, besmettelijk: He was in a

pretty taking = vreeselijk ontroerd of geagiteerd, zat er leelijk in; A

taking weekly = gewild weekblad; Takings = recette (aan de kas): The

takings of the drama were simply tremendous = de ontvangsten (recette);

Taking-off = uit den weg ruiming, moord; Takingness =

aantrekkelijkheid.

Talaria, təlêriə, vleugeltjes aan de enkels van Hermes (Mercurius).

Talbot, tôlbət, soort van jachthond.

Talc, talk, talk (min.): Earthy talc = talkaarde = Talcite, talsait;

Talcose, talkous, talkous, talkachtig (-houdend).

Tale, teil, subst. verhaal, vertelsel, sprookje; (ge)tal of rekening,

aantal, bedrag: To finish one’s tale of work = taak; They are all in a

tale about him = over hem zijn ze het allen eens; They are both in a

(one) tale = slapen onder één deken (fig.); Thereby hangs a tale = daar

zit heel wat meer aan vast; I will pay you full tale for this = betaald

zetten; To tell (To Bear) tales = klikken, uit de school klappen;

Tale-bearer: He stooped to be a tale-bearer = verlaagde zich tot de rol

van klikspaan, verklikker; Tale-teller = verteller, leugenaar.

Talent, tal’nt, talent (gewichtseenheid van verschillende zwaarte;

rekenpenning van verschillende waarde); gave, vermogen, begaafdheid;

Talented = begaafd.

Tales, teilîz, plaatsvervangende juryleden.

Talfourd, tôlfəd.

Talion, teiliən, taliən, wet der vergelding.

Taliped, taliped, horrelvoet.

Talipot, talipot, waspalm.

Talisman, talizm’n, talisman; Talismanic, talizmanik, met tooverkracht

begaafd.

Talk, tôk, subst. gesprek, praatje, gerucht, onderhandeling; Talk verb.

praten, keuvelen, vertellen: Tall talk = gesnoef, hoogdravende taal;

That is the common talk = het algemeene praatje; The series will

consist of original talks and sketches = oorspronkelijke “praatjes over

allerlei” en schetsen; To have a talk with = gesprek; Talk is talk, but

money buys land = praatjes vullen geen gaatjes; It made plenty of talk

= er werd druk over gepraat; He was talking big = aan het “opsnijden”;

To talk nonsense; Let us talk sense for once = verstandig praten; Don’t

talk shop = praat niet over het vak, over je zaken; To talk turkey =

onzin praten; They were talking horses, law, finance, dinners,

billiards, etc. = zij hadden het over...; We talked about the plan, and

he talked me into taking some shares, though my better half tried to

talk me out of it = wij praatten over het plan, en hij bepraatte mij

eenige aandeelen te nemen, ofschoon mijne wederhelft het mij trachtte

te ontraden; She was talking to her friend at her husband = zij praatte

tegen hare vriendin op onaangename wijze over haar (aanwezigen)

echtgenoot; We talked the matter over = bespraken de zaak: To talk out

= de discussies rekken tot stemming onmogelijk is; He wants a good

talking to = eens onder handen genomen worden; Talkative = babbelziek;

subst. talkativeness; Talkee-Talkee = gewauwel; Talker = prater,

babbelkous, bluffer; Talking: Talking of travelling = van reizen

gesproken; Talky = praatziek.

Tall, tôl, lang. slank, groot, hoog, kras; buitengewoon (Amer.); Tall

men = valsche dobbelsteenen (fig.); Tall talk = bluf; subst. Tallness.

Tallow, talou, subst. talk, kaarsvet; Tallow verb. met talk besmeren,

mesten; Tallow-candle = vetkaars; Tallow-chandler = vetkaarsenmaker of

handelaar; Tallow-chandlery; Tallow-face = bleekneus; Tallow-faced =

bleek; Tallow-keech = klomp talk; Tallowish, Tallowy = talk- of

vetachtig.

Tally, tali, subst. kerfstok, inkeping, pendant, tegenhanger; Tally

verb. op den kerfstok zetten of aanstrepen, controleeren, sluiten,

passen, overeenstemmen: Your experiences do not tally with mine =

strooken niet met; The tally-keeper tallied one for our opponents = de

aanschrijver noteerde er een voor onze tegenpartij; Tally-man = houder

van een Tally-shop = winkel waar crediet, met wekelijksche afbetaling,

gegeven wordt; het stelsel heet Tally-system; Tally-woman = vrouw die

een Tally-shop houdt.

Tallyho, talihou, halali; soort rijtuig.

Talmage, ta(l)midž.

Talmud, talməd, Talmud; Talmudic(al), talmɐdik(’l), talmudisch;

Talmudist = talmudist.

Talon, tal’n, klauw (van roofvogels), kornis; Taloned = met klauwen.

Talook, təlûk, een bepaald (belasting)gebied in Br. Ind.; Talookdar,

tâlûkdâ, bezitter van een Talook, of Inlandsch belastingambtenaar.

Talpa, talpə, mol.

Talus, teiləs, voetgewricht; talud.

Tamability, teiməbiliti, subst. v. Tamable, teiməb’l, tembaar; subst.

Tamableness.

Tamarack, tamərak, Amer. lorkenboom.

Tamarin, tamərin, grootoorige aap.

Tamarind, tamərind, tamarinde; ingemaakte tamarindevrucht.

Tamarisk, tamərisk, tamariskboom.

Tambour, tambûə, subst. tamboereerraam, borduurwerk daarop vervaardigd;

trom; Tambour verb. tamboereeren; Tambour-frame = tamboereerraam;

Tambourine, tambərîn, tambourijn.

Tame, teim, adj. tam, getemd, mak, gedwee, suf, vervelend, saai,

moedeloos; Tame verb. temmen, onderwerpen; Tameless = ontembaar, wild;

subst. Tamelessness; Tameness = tamheid, geesteloosheid; Tamer =

temmer, veroveraar.

Tamil, tamil, bewoner en dialect van Madras en Ceylon.

Tamin(e), tamin, Taminy, tamini, étamine.

Tamkin, tamkin = Tampion.

Tammany Hall, taməni-hôl = (Hall van) die leden der democratische

partij in New-York, die de verkiezingen trachten te beheerschen in hun

eigen belang; ook: Tammany Hall Ring.

Tammy, tami = Tamin(e).

Tam O’Shanter, taməšantə, ronde wollen muts met knoop in ’t midden.

Tamp, tamp, opvullen, dichtstampen.

Tampan, tamp’n, Z. Afr. insect met vergiftigen beet.

Tamper, tampə, zich bemoeien met, ergens aankomen, kwakzalven,

intrigeeren, trachten om te koopen; verknoeien: Don’t tamper with what

I have written = blijf af van; He tampered with the enemies = hij

heulde met de vijanden; Tamperer.

Tampion, tampiən, prop.

Tamtam, tamtam = Tom-tom.

Tan, tan, subst. run; adj. runkleurig, geelbruin; Tan verb. looien,

bruin maken (worden), tanen, bont en blauw slaan: To tan a person’s

hide; Tan-house = runmagazijn; Tan-pit = looikuip; Tan-spud =

instrument om eikeboomen van de schors te ontdoen; Tan-vat = looivat;

Tan-yard = looierij; Tanner = looier; Tannery = looierij; Tannic:

Tannic acid = Tannin = looizuur, tannine.

Tancred, taŋkrəd.

Tandem, tand’m, subst. rijtuig met twee paarden achter elkander,

rijwiel voor twee achter elkander zittende rijders; adv. met twee

paarden achter elkander: To drive tandem.

Tang, taŋ, “smaakje”, bijsmaak, eigenaardige lucht of geur; klank,

toon; doorn (van mes, beitel, degen, etc.); tong (van eene gesp),

angel; Tang verb. (doen) klinken, weerklinken; van een tang voorzien.

Tangent, tanž’nt, subst. tangens; adj. rakend: Tangent compass =

tangenten-boussole; He went (flew) off at a tangent = hij begon

plotseling over wat anders; Tangential, təndženš’l, tangens...

Tangerine, tandžərîn, tandžərîn, (bewoner) van Tanger.

Tangibility, tanžəbiliti, subst. v. Tangible, tanžib’l, voel- of

tastbaar; subst. Tangibleness.

Tangier, tandžîə, Tanger.

Tangle, taŋg’l, subst. verwikkeling, verwarde knoop, klit, zeewier;

Tangle verb. verwarren, verward zijn: My hair is all of a tangle =

geheel in de war; To get tangled = in de war raken; Tangle-foot

(Tangle-leg) = whisky (Am.); Tangly = verward, met zeewier bedekt.

Tank, taŋk, water- of regenbak, reservoir.

Tankard, taŋkəd, drinkkan, kan (met deksel).

Tansy, tanzi, boerenwormkruid, reinvaren: Tansy-puddings = met

reinvaren toebereide.

Tantalization, tantəl(a)izeiš’n, subst. v. Tantalize, tantəlaiz,

tantaliseeren; Tantalus, tantəlɐs.

Tantamount, tantəmaunt, gelijkwaardig, equivalent (met to).

Tantivy, tantivi, tantivi, spoorslag; subst. snelle galop: We rode

tantivy.

Tantrum, tantr’m, kwade luim of woede: She got into a tantrum about

nothing.

Tap, tap, subst. tik; kraan, zwik, tap, drank, gelagkamer, tapperij;

Tap verb. zachtjes slaan of tikken, pikken; opensteken, aanbreken,

aftappen, doen vloeien, iets uit iemand zien te krijgen: We have no ale

on tap just now = aangestoken; That’s the same tap you gave me just now

= hetzelfde “spul”; Taps = taptoe (signaal); I heard a soft tapping on

the window = zacht getik; He tapped me on the shoulder = hij klopte mij

op den s.; The book is interesting, wherever we tap it = waar we het

ook opslaan; Let us tap a fresh bottle = opentrekken; He tried to tap

my brains = mij uit te hooren; To tap a mine = bewerken; Open the

picture-galleries on Sunday, and you’ll tap the public-houses = en de

kroegen loopen leeg; Tap-room = gelagkamer; Taproot = hoofdwortel eener

plant; Tapster = tapper.

Tape, teip, lint, band, strook papier, telegr. koersbericht:

Announcements of large orders for iron appeared on the tapes of the

thousands of stock-indicators throughout New-York = op de telegrafische

koersberichten v. de duizenden beursklikkers (openbare toestellen, die

den stand der beurs, zoolang deze open is, aangeven); He is a slave of

the stock-tape = slaaf van de telegraf. koersberichten (en bouwt daarop

speculaties); Betting on the tape is going on in New-York in every

street; The tape was originated to inform the public how securities

were going = oorspronkelijk dienden de telegraf. beursberichten;

Tape-line, Tape-measure = maatlintje; Tape-worm = lintworm.

Taper, teipə, subst. waskaars, toorts; adj. lang en spits uitloopend;

Taper verb. zachtjes aan smaller of dunner worden, punten, scherpen:

Taper nails, fingers; Taperness = spitse vorm.

Tapestry, tapəstri, subst. bepaald soort (wand)tapijt; Tapestry verb.

met tapestry versieren of behangen; Tapestry-carpet = kleed van

tapestry; Tapestried chambers = kamers met behangsels van geweven stof.

Tapioca, tapioukə, tapioca.

Tapir, teipə, Z. Am. tapir, waterzwijn.

Tapis, tapis, teipis, of Fr. uitspr., tapijt, tafelkleed: To bring on

(upon) the tapis = op het tapijt brengen (fig.); Tapiser, teipisə,

behanger, maker van tapijtwerk.

Tar, tâ, subst. teer, pikbroek; Tar verb. teren; Mineral tar =

koolteer; Vegetable tar = houtteer; They are tarred with the same brush

= met hetzelfde sop overgoten; To light tar-barrels; Tar-oil;

Tar-water; Tarry, târi, teerachtig, geteerd.

Tarantass, tarantas, Russische reiswagen.

Tarantella, tarəntelə, soort van Napelsche dans.

Tarantula, tərantjulə, tarantula.

Tarboosh, tâbûš, soort fez, vaak het binnenste gedeelte van een tulband

vormend.

Tardigrade, tâdigreid, subst. luiaard; adj. zich langzaam bewegend of

gaande; Tardiness, subst. v. Tardy, tâdi, traag, langzaam, dralend,

laat, weerstrevend; Tardigrade verb. uitstellen, beletten.

Tare, têə, subst. tarra; voeder-wikke; onkruid; Tare verb. de tarra

bepalen van.

Targe, tâdž, klein rond schild, schietschijf = Target, tâgit: They were

practising at the target = oefenden zich in het schijfschieten; The

bull’s eye of the target = het hart of de roos van de schijf;

Target-practice = schijfschieten.

Tariff, tarif, subst. tarief, toltarief; Tariff verb. een tarief

opmaken, belasten: Every vehicle is provided with a tariff of charges =

tarief; Tariff-union = tolverbond; Tariff-war.

Tarin, tarin, sijsje.

Tarlatan, tâlətən, tarlatan.

Tarn, tân, klein meer op een berg, poel, moeras (Schotland).

Tarnal, tân’l, verbastering van Eternal (Amer.) = vervloekt.

Tarnish, tâniš, bezoedelen, bevlekken, bezwalken, dof of mat maken of

worden.

Tarot, tarət, tarok, een zeker kaartspel.

Tarpaulin(g), tâpôlin, presenning, matrozenhoed, matroos, dekkleed voor

wagens.

Tarpeyan Rock, tɐ̂pîənrok, Tarpejische rots; Tarquin, tâkwin.

Tarradiddle, tarədid’l, jokkentje, praatje.

Tarragon, tarəgon, dragon (plant).

Tarriance, tariəns, draling, uitstel; Tarrier, tariə, draler; Tarry,

tari, dralen, toeven: I’ll not tarry to come back = ik kom gauw terug.

Tarsal, tâs’l, tot den voetwortel of tot de kraakbeenderen der oogleden

behoorende.

Tarse, tâs, Tarsus, tâsəs, voetwortel, kraakbeenderen der oogleden;

laatste segment v. insectenpooten.

Tart, tât, subst. pasteitje, vruchtentaart; Tartlet = taartje.

Tart, tât, wrang, scherp, zuur, bits: A tart reply; Tartish =

eenigszins wrang; Tartness = wrangheid, etc.

Tartan, tât’n, subst. Schotsch geruit wollen goed, kleed van deze stof;

ook adj.

Tartar, tâtə, Tartaar, driftkop, woesteling; adj. Tartaarsch: I have

caught a tartar = mijn man gevonden, den verkeerde bij den kop.

Tartar, tâtə = Tartarus; Tartarean, tâtêriən, behoorende tot de hel.

Tartar, tâtə, wijnsteen; Tartareous, tatêriəs, wijnsteenachtig;

Tartaric, tâtarik, wijnsteen: Tartaric acid; Tartarous, tâtərɐs =

Tartareous.

Tartarous, tâtərɐs, wreed; Tartarus, tâtərɐs, hel; Tartary, tâtəri,

Tartarije.

Tartuffe, tâtuf, tâtûf, tâtɐf, huichelaar; adj. Tartuffish.

Task, tâsk, subst. taak, les, bezigheid, arbeid; Task verb. eene taak

opgeven, afbeulen, op de proef stellen: He was taken to task for it =

werd onder handen genomen; Task-master = werkgever, opzichter,

onderdrukker: They rose against their taskmasters = kwamen tegen hunne

onderdrukkers in opstand; Task-work = opgelegd werk, karwei, werk bij

’t stuk.

Tasmania, tazmeinjə, van Diemensland; Tasmanian = bewoner van T.

Tassel, tas’l, kwast, franje, lint, bladwijzer; mannetjesvalk;

Tasselled, tasəld, met kwasten of franjes behangen.

Tastable, teistəb’l, smakelijk; Taste, teist, subst. smaak, het

proeven, proef, proefje, voorliefde, lust; Taste verb. proeven, een

proefje nemen, keuren, smaken, smaak vinden aan: That’s in good (bad)

taste = smaakvol, netjes (onnet, smakeloos); The furniture was innocent

of taste = volkomen smakeloos; I am out of taste = kan niet proeven,

heb geen smaak; Isn’t this to your taste? = naar uw zin; To my taste

claret is not in it = naar mijn smaak haalt Bordeaux er niet bij; Every

one to his taste, my boy = ieder z’n smaak, baasje; That’s a matter of

taste = eene kwestie van smaak; Many readers, many tastes; Other times,

other tastes = de smaak is veranderlijk; There is no accounting for

tastes = over den smaak valt niet te twisten; I never tasted of

Champagne but once = heb geproefd; He tasted of everything on the table

= gebruikte van; The wine tastes of the cork = smaakt naar den kurk;

These fruits are better tasted = smaken beter; Tasteful = smakelijk,

smaakvol; subst. Tastefulness; Tasteless = smakeloos; subst.

Tastelessness; Taster, teistə, voorproever, proefglas: The literary

tasters of the day = de letterkundige fijnproevers of toongevers; Tasty

= smaakvol, naar de mode, smakelijk, lekker.

Tat, tat, frivolité maken; subst. paatje; peuter: Tiny tats = kleine

peuters; To give tit for tat = met gelijke munt betalen; Tatting =

frivolité.

Ta-ta, tâtâ, Zie Ta.

Tatar, tâtâ, Tatarian, Tatary, tâtəri = Tartaar, Tartaarsch, Tartarije.

Tatta, tatə, scherm v. bamboesmat voor deuren en ramen (Indië).

Tatter, tatə, subst. vod, lap, lomp, flard; Tatter verb. in flarden

scheuren: All in tatters; Tatterdemalion, tatədimeilj’n, tatədimalj’n,

havelooze kerel.

Tattersall’s, tatəsôlz, Tattersall’s stallen in Londen met clubgebouw

voor ’t afrekenen van weddingschappen.

Tattie, tati = Tatta.

Tattle, tat’l, subst. gebabbel, gesnap; Tattle verb. babbelen, snappen:

So runs the tattle = zoo loopt het praatje; Tattler = snapper; Tattling

= babbelziek.

Tattoo, tətû, subst. taptoe; tatoueering; Tattoo verb. tatoueeren: To

beat the devil’s tattoo = (van ongeduld) met de vingers op de tafel

trommelen (ook trappelen van ongeduld).

Taught, tôt, imperf. en p.p. van to teach.

Taunt, tônt, tânt, subst. schimp, hoon, smaad, schamper gezegde; adj.

hoog (van masten); verb. hoonen, beschimpen; Taunt-masted; Taunter.

Taunton, tônt’n.

Tauriform, tôriföm, als een stier gevormd of gebouwd; Taurine,

tôr(a)in, runderachtig, tot een stierengevecht behoorend; Taurus,

tôrəs, stier (Dierenriem).

Taut, tôt, strak, gespannen, vol dienstijver, keurig: I hope these

lines will find you pretty taut = in goeden welstand; Taut and trim =

in vol ornaat (fig.); Tauten = strak worden, aanhalen; mooi maken;

Tautness = strakheid, etc.

Tautologic(al), tôtəlodžik(’l), tautologisch; Tautology, tôtolədži,

tautologie.

Tavern, tavən, herberg, wijnhuis, kroeg; Tavern-bush = de krans of

struik (vroeger als uithangteeken van herbergen): Good wine needs no

(tavern-)bush = goede wijn behoeft geen krans; Tavern-keeper =

logementhouder, etc.

Tavistock, tavistok.

Taw, tô, subst. knikker, knikkerspel; Taw verb. witlooien: To play at

taw; To taw a person’s hide = afranselen; Tawer, Tawyer = witlooier.

Tawdriness, tôdrinəs, subst. v. Tawdry, tôdri, smakeloos, bont,

opzichtig, waardeloos: The Tawdry binding detracts somewhat from the

value of the work = de smakelooze en opzichtige band; Tawdry dress =

opgedirkte kleeding.

Tawniness, tôninəs, subst. van Tawny, tôni, taankleurig, getaand.

Taws(e), tôz, soort karwats: I was thrashed with the eight-tongued taws

= met de karwats met acht riemen; “Getting the taws” means: Thrashing

(in een Schotsche school).

Tax, taks, subst. belasting, schatting, tol, requisitie, zware plicht

of taak, proef; Tax verb. belasten, afpersen, beschuldigen, berispen,

vragen, op de proef stellen: Graduated income tax = progressieve

inkomstenbelasting; Inheritance tax = successie belasting; Poll tax =

hoofdelijke omslag; The tax on his patience = de proef waarop zijn

geduld werd gesteld; A tax on profits and incomes = belasting

opbedrijfs-, en andere inkomsten; Heavy taxes were levied = er werden

zware belastingen geheven; I was taxed with having offended him = werd

beschuldigd; Tax-collector = Tax-gatherer = belastingontvanger;

Taxpayer = belastingschuldige; Taxability = belastbaarheid; adj.

Taxable; Taxameter, taksamətə, afstandswijzer (for indicating cab

fares); Taxation, takseiš’n, belasting, het belasten. Zie Taxer.

Taxel, taks’l, Am. das.

Taxer, taksə, zetter (v. de belastingen), vroeger ambtenaar aan de

hoogeschool te Cambridge, die bij de uitdeeling, voor goede maat en

juist gewicht zorgde.

Taxicab, taksikab, autotax (atax).

Taxidermist, taksidɐ̂mist, opzetter; Taxidermy = de kunst dieren op te

zetten.

Taxin, taksin, harsachtige stof uit taxusbladeren; Taxus, taksəs,

taxus.

Tea, tî, thee, aftreksel, een maaltijd, avondeten der kinderen; Tea

verb. de tea gebruiken: Beef tea = bouillon; Five o’clock tea; High,

Meat tea = thee, souper met allerlei vleezen; Sweet tea = thee met

gebak, vruchten, sandwiches; Will you make (the) tea? = thee zetten; To

take tea = drinken; Tea-board = theeblad; Tea-caddy = theekistje;

Tea-cake = theekoekje; Tea-canister = theebus; Tea-chest = theekist;

Tea-cloth = theekleedje; Tea-cosy = theemuts; Tea-cup = theekopje: The

tea-cup and saucer school in literature and art = de peuterige,

burgerlijke methode in letteren en kunst; A storm in a tea-cup,

(tea-pot) = een storm in een glas water; Tea-dealer = theehandelaar;

Tea-equipage, ekwipidž, theeservies; Tea-fight = theevisite; Tea-garden

= theetuin; Tea-gown = japon bij Afternoon Tea; Tea-kettle = theeketel;

Tea-peg = koude thee met soda water (Br. Ind.); Tea-pot = trekpot;

Tea-rose; Tea-service (Tea-set); Tea-shrub; Tea-spoon = theelepeltje;

Tea-taster = theeproever; Tea-table; Tea-things = theegoed; Tea-towels

= theedoeken; Tea-tray = theeblad; Tea-urn = theeurn; Tea-water.

Teach, tîtš, onderwijzen, leeren: I’ll teach you manners = zal je mores

leeren; To teach a person wit = door schade en schande leeren;

Teachable = wat te onderwijzen is, leerzaam; subst. Teachableness;

Teacher = onderwijzer: Assistant teacher = hulponderwijzer; Pupil

teacher = kweekeling; Teachership = onderwijzers- of

leeraarsbetrekking; The teaching profession = de onderwijzers (als

corps).

Teague, tîg, Ier (spottend) = Teaguelander.

Teak, tîk, teakhout = Teak-wood.

Teal, tîl, wintertaling.

Engelsch woordenboek. Eerste deel: Engelsch-Nederlandsch (met uitgeschreven verkortingen) · 第 130 / 152 段