Success, səkses, gunstige uitslag, voorspoed: Success to trade! = leve

de handel; He is a social success = hij is zeer gewild in

gezelschapskringen; To meet with bad success = mislukken; Successful =

gelukkig, subst. Successfulness; Succession = (erf)opvolging, volging

op, volgreeks, nakomelingschap; Law (Right) of succession; War of

Succession = successieoorlog; By order of succession = het rijtje

langs; In succession = achtereenvolgens; Succession-duty =

successierecht(en); Succession-sale = verkoop van eene nalatenschap

(Amer.); Successional = achtereenvolgend, opvolgend; Successive =

achtereenvolgend: On three successive nights = drie avonden achter

elkaar; Successor = opvolger, nazaat.

Succination, sɐksineiš’n, het vasten (schertsend van Succi, den

Italiaanschen vaster).

Succinct, sɐksiŋkt, kort, bondig, beknopt; subst. Succinctness.

Succinic, sɐksinik: Succinic acid = barnsteenzuur.

Succory, sɐkəri, suikerij, cichorei.

Succotash, sɐkətaš, gerecht van jonge maïs en boonen (Amer.).

Succour, sɐkə, subst. hulp, bijstand, steun, ontzet(ter); Succours =

hulptroepen; Succour verb. te hulp snellen, steunen, ontzetten: He ran

to my succour = snelde mij te hulp; Succourer; Succourless = zonder

hulp; subst. Succourlessness.

Succulence, Succulency, sɐkjulens(i), sappigheid; adj. Succulent.

Succumb, səkɐm(b), bezwijken.

Succursal, səkɐ̂s’l: Succursal church = hulpkerk.

Succussion, səkɐšən, schok.

Such, sɐtš, zoodanig, zulk, zóó: Such a one = zoo een, zoo iemand; Such

and such = die en die, eenige: Mr. such a one = mijnheer zoo-en-zoo; No

such thing = niets daarvan; Such is life = zoo gaat het in het leven;

Such was her virtue, that = zoo groot was; Such as won’t believe me =

zij, die; Take such measures as will be effective = neem uwe

maatregelen zoodanig, dat ze; Suchlike = dergelijke.

Suck, sɐk, subst. het zuigen, sterke drank, parasiet, kokinje; Suck

verb. inzuigen, zuigen, uitzuigen (ook fig.), bedriegen (Amer.), zich

vleiend indringen bij (up to): To give suck = zoogen; To suck at a

cigar = zuigen aan; Suck in = inzuigen, opslorpen, beetnemen: It was a

suck-in = het was beetnemerij; To suck up = opzuigen; Sucker, subst.

zuiger (ook van een plant), zuigleer; Suck verb. zuigers uitsnoeien;

Sucket = suikerballetje: Sucking: Sucking-bottle; Sucking-bag = dot;

zuigflesch; Sucking-calf; Sucking-pig = speenvarken; Sucking-pump;

Sucking-valve; Suckle = zoogen; Suckling = zuigeling; Suction, sɐkš’n,

zuigen, zuipen, drank: Sucktion-pipe = zuigpijp, zuigbuis;

Sucktion-pump = zuigpomp; Suctorial, sɐktôriəl, zuig - -.

Sudan, sûdân; Sudanese.

Sudatorium, siudətôriəm, zweetbad; Sudatory, siûdətəri, zweetkamertje,

zweetbad; adj. zweetafdrijvend.

Sudden, sɐd’n, plotseling, onverwacht, snel, vlug: On a (the) sudden,

All of a sudden = plotseling, in eens, onverhoeds; subst. Suddenness.

Sudermania, siûdəmeinjə, Sudermanland;

Sudetic, siudetik: Sudetic Mountains.

Sudor, siûdə, zweet; Sudoriferous, zweetverwekkend; Sudorific,

zweetafdrijvend (middel).

Suds, sɐdz, zeepsop: We are in the suds = zitten er leelijk in; To

leave in the suds = in den steek laten; To make some soapsuds = wat

zeepsop.

Sue, sjû.

Sue, siû, aanzoek doen om of dingen naar (de hand), recht of

schadevergoeding zoeken, eischen, in rechten vervolgen, smeeken: The

wife sued her husband on the plea of non-support = diende een aanklacht

in op grond, dat de man haar niet onderhield of kon onderhouden; He

sued us for damages = eischte schadevergoeding van ons; He sued out a

pardon for us = verzocht en verkreeg.

Suet, siûət, nierenvet; adj. Suety.

Suez, sûəz: Suez Canal.

Suff, sɐf = Suffragette.

Suffer, sɐfə, lijden, dragen, dulden, uithouden, toestaan, laten, straf

ondergaan, boeten: We suffered chains for religion’s sake = we droegen

ketenen; To suffer a change = ondergaan; To suffer losses = lijden; To

suffer punishment = ondergaan; To suffer a reverse = tegenspoed hebben;

To suffer wrong = lijden; You will have to suffer for it = er voor

moeten boeten; Don’t suffer yourself to be fooled = laat je niet

versukkelen; Sufferable = draagbaar, toelaatbaar; Sufferance = smart,

ellende, lijden, dulden, toestemming of verlof: He is here on

sufferance = wordt hier geduld; Sufferer = lijder, dulder, die toelaat:

You’ll be the sufferer = zult er het slachtoffer van worden; To be a

sufferer by = bij iets verliezen, te kort komen; Suffering = het

lijden, verlies.

Suffice, səfais, səfaiz, genoeg of voldoende zijn, voldoen: Suffice it

to say = het zij voldoende te zeggen; Sufficiency, səfiš’nsi,

voldoendheid, genoegzaamheid, voldoende voorraad, voldoende

geschiktheid; Sufficient = voldoende, genoegzaam, ruim, geschikt,

deugdelijk: Sufficient in law = rechtsgeldig; Sufficient reason =

voldoende reden; You have done sufficient to deserve a dinner = genoeg;

Sufficient unto the day is the evil thereof = elke dag heeft genoeg aan

zijn zelfs kwaad (Matth. VI, 34).

Suffix, sɐfiks, achtervoegsel.

Suffix, səfiks, achtervoegen; subst. Suffixion.

Suffocate, sɐfəkeit, (doen) stikken, smoren: It was suffocatingly hot

there = stikkend heet; Suffocation = verstikking: Crammed to

suffocation = stikvol; Suffocative = stikkend.

Suffolk, sɐfək.

Suffragan, sɐfrəgan, subst. en adj. suffragaan: Suffragan bishop =

onderbisschop, wijbisschop.

Suffrage, sɐfridž, stem; kiesrecht, stemming, goedkeuring: Extension of

the suffrage = uitbreiding; Female suffrage; Household suffrage =

huismanskiesrecht; Universal suffrage; An advocate of woman (women’s)

suffrage = voorstander van het vrouwenkiesrecht; Suffragette,

sɐfrədžet, (hartstochtelijke) voorstandster v. het kiesrecht v.

vrouwen; Suffrage verb. manifesteeren; Suffragist = voorstander van

vrouwenkiesrecht.

Suffuse, səfjûz, overgièten, spreiden over: She was all suffused with

blushes = blosjes kleurden hare kaken; Suffusion = verspreiding over,

overgièting, blos.

Sugar, šugə, suiker, vleierij, geld; adj. van suiker; Sugar verb.

besuikeren, vergulden (fig.): Powdered sugar = poedersuiker; Refined

sugar; A glass of sugar and water = suikerwater; Sugar of lead =

loodsuiker; I am not made of sugar (-plums) = niet poeslief; We sugared

the trees = bestreken de boomen met een mengsel van rum en stroop (om

daardoor de nachtvlinders te lokken en te vangen); Sugar-baker =

suikerwerker; raffinadeur; Sugar-basin = suikerpot; Sugar-beet =

suikerbiet; Sugar-candy = kandijsuiker; Sugar-cane = suikerriet;

Sugar-caster = strooier; Sugar-house = suikerraffinaderij; Sugar-loaf =

suikerbrood; Sugar-loaf hat = hoed in den vorm van een suikerbrood;

Sugar-loaf waves = korte golven; Sugar-louse = Sugar-mite; Sugar-maple

= suikerahorn; Sugar-mill = suikerfabriek, suikermolen; Sugar-mite =

suikerworm; Sugar-orchard = aanleg van Sugar-maples; Sugar-planter =

suikerplanter; Sugar-plantation = suikerplantage; Sugar-plum =

suikerboon; vleierij, lievigheid; Sugar-refiner = suikerraffinadeur;

Sugar-refinery = suikerraffinaderij; Sugar-spirit = rum; Sugar-tongs =

suikertangetje; Sugariness, subst. v. Sugary = zoet, suikerachtig;

Sugarless.

Suggest, sədžest, ingeven, aan de hand doen, inblazen, opperen,

suggereeren; Suggestion = ingeving, wenk, aansporing, inblazing,

suggestie: At this suggestion the man immediately withdrew = toen hij

dit hoorde (toen dit geopperd werd); I did it on your suggestion = op

uw wenk of raad; Suggestive = opperend, een wenk gevend, wijzend

(duidend) op, veelbeteekenend: Yours is a very suggestive present =

veelbeteekenend, toepasselijk; To be suggestive of = wijzen op; In a

French comedy suggestiveness is expected = kan men gewaagde

toespelingen verwachten.

Suicidal, siûisaid’l: Suicidal problem = zelfmat (schaakspel); Suicidal

thoughts = gedachten van (aan) zelfmoord; Suicide, siûisaid, zelfmoord

(ook fig.), zelfmoordenaar: To suicide oneself (= To commit suicide);

To be suicided = zelfmoord laten begaan; Suicidism, siûisaidizm,

neiging tot zelfmoord.

Suit, siût, subst. rechtsgeding, verzoek, hofmakerij, aanzoek, stel,

kleur (in het kaartspel), pak kleeren, kleeding; Suit verb. passen,

voegen, betamen, geschikt zijn, overeenkomen, schikken: Civil suit =

civiel proces; Criminal suit = strafzaak; A suit of armour = complete

wapenrusting; A suit of mourning = rouwpak; The housemaid gave notice,

and the cook followed suit = en de keukenmeid eveneens; I played

diamonds, and he could not follow suit = kon niet bekennen; Suit

yourself = zooals je wilt; That will exactly suit me, suit me down to

the boots (ground) = dat is net wat ik hebben moet; He suited the

action to the word = voegde de daad bij het woord; Such a behaviour

does not suit you = voegt u niet; Suitability, subst. v. Suitable =

gepast, voegzaam, geschikt; subst. Suitableness.

Suite, swît, gevolg, reeks, stel: Suite of furniture = ameublement; A

suite of rooms = eene suite.

Suitor, siûtə, verzoeker, vrijer, minnaar, partij in een proces.

Suk(e)y, s(i)ûki, theeketel; ook verk. van Susan.

Sulcate(d), sɐlkit (sɐlkiteitid), gegroefd, gespleten; Sulcus, sɐlkəs,

voor, groef.

Sulk, sɐlk, subst. booze luim: Sulk verb. in kwade luim zijn, pruilen:

To be in a sulk (the sulks) = uit zijn humeur; He stood out against her

sulks and pouts = gaf niet toe aan hare luimen en haar pruilen;

Sulkiness, subst. v. Sulky = gemelijk, pruilend.

Sulky, sɐlki, licht tweewielig karretje bij wedrennen: Sulky harrow =

eg met zitplaats voor bestuurder.

Sullen, sɐl’n, gemelijk, knorrig, norsch, naargeestig, vijandig,

onaangenaam, eigenzinnig, halsstarrig, langzaam, traag, onheilspellend:

Sullens = kwade bui; subst. Sullenness.

Sully, sɐli, subst. smet, vlek; Sully verb. besmetten, bemorsen,

bezoedelen, bezwalken: That sullies your honour = bezoedelt uwe eer.

Sulphonal, sɐlfən’l, sulfonal.

Sulphur, sɐlfə, zwavel; Sulphur verb. met zwavel verbinden

(bestrooien), zwavelen; Sulphur-springs = heete zwavelbronnen;

Sulphurate, sɐlfjureit, met zwavel verbinden, zwavelen; subst.

Sulphuration, sɐlfjureiš’n; Sulphureous, sɐlfjûriəs, zwavelig,

zwavelhoudend; subst. Sulphureousness; Sulphuretted = gezwaveld:

Sulphuretted-hydrogen = zwavelwaterstof; Sulphuric, sɐlfjûrik,

zwavel...: Sulphuric acid = zwavelzuur; Sulphurization, subst. v.

Sulphurize, zwavelen, vulcanizeeren.

Sultan, sɐlt’n, Sultan; Sultana, sɐltânə, sɐlteinə, sultane; Sultanate,

sɐltənit, sultanaat; Sultaness = Sultana; Sultanic, sɐltanik, van een

sultan; Sultanship.

Sultriness, sɐltrinəs, subst. v. Sultry, sɐltri, drukkend, zwoel.

Sum, sɐm, subst. som, geheel, bedrag, inhoud, rekenvoorstel, toppunt;

Sum verb. optellen, opsommen, resumeeren (up): Gross (Round) sum =

ronde; The civil engineer’s advances are great in the sum = de

vooruitgang van den civiel-ingenieur is te zamen genomen groot; That is

the total sum of my experiences = het totaal; The sum and substance =

korte inhoud; To do (make, work) a sum = maken; He is good at sums =

kan goed sommen maken; He could not do a sum in large divisions, in

multiplication = geene groote deelingen en vermenigvuldigsom maken; It

can’t be summed up in two words = laat zich niet zeggen; The judge’s

summing-up was lucid and impartial = ’s rechters resumé van het verhoor

en de pleidooien.

Sumac(h), siûmak, sumak, pruikenboom.

Sumatra, sumâtrə; Sumatran = (bew.) van S.

Summarily, sɐmərili, in ’t kort, summier; Summarize = resumeeren;

Summary, sɐməri, subst. korte inhoud, kort begrip, resumé; adj.

beknopt, kort, snel, afgedaan: The judge gave a summary of the case =

summing-up.

Summation, səmeiš’n, het samentellen.

Summer, sɐmə, subst. zomer; horizontale balk, kalf of bovendrempel,

groote steen over zuilen en pilaren, waarop de bovenbouw rust; adj.

zomer...., zomersch; Summer verb. den zomer doorbrengen, den zomer door

laten weiden: We went for a brief summering in the country = voor een

kort tijdje in den zomer buiten wonen; To summer and winter a person =

van haver tot gort kennen; Indian summer = nazomer (in N. Amer.); St.

Luke’s summer = St. Martin’s summer = zacht en mooi najaarsweer,

voorspoed na ongelukken en rampen; One swallow does not make a summer;

Summer-colts = golvende trillingen van heete lucht nabij den grond;

Summer-fallow, subst. braakliggend land in den zomer; Summer verb. in

den zomer braak laten liggen; Summer-house = tuinhuisje, zomerverblijf;

Summer-lightning = weerlichten; Summer-time = zomertijd; Summer-wheat =

zomertarwe; Summering = vroege appel of peer; Summery = zomersch.

Summerset, sɐməset, Summersault, sɐməsôlt, buiteling.

Summit, sɐmit, top, kam, kruin, hoogste punt; Summit-level = hoogste

punt van eene spoorbaan, een kanaal, etc.

Summon, sɐm’n, oproepen, dagvaarden, opeischen, zenden om; Summon verb.

dagvaarden: Summons, subst. dagvaarding; A summons was issued (taken

out) against him = hij werd voor het gerecht gedaagd; To serve a

summons on = een dagvaarding beteekenen; Summons me for that if you

like = dagvaard me hiervoor; To summon up one’s courage = zich

vermannen; Summoner = deurwaarder.

Sump, sɐmp, poel, mijnput, smeltkroes.

Sumph, sɐmf, domkop; plof.

Sumpter, sɐmptə, subst. pakpaard = Sumpter-horse.

Sumptuary, sɐm(p)tjuəri, de uitgaven betreffende: Sumptuary edict, law

= wet tegen te groote weelde; Sumptuous, sɐm(p)tjuəs, kostbaar, duur,

weelderig, prachtig; subst. Sumptuousness.

Sun, sɐn, subst. zon, zonneschijn, zonsopgang(ondergang); Sun verb. in

de zon warmen, drogen of zitten: The sun rises, declines, sets, goes

down = de zon gaat op, daalt, gaat onder; He had the sun very much in

his eyes = was erg dronken; I have got a touch of the sun = lichte

zonnesteek; There is no new thing under the sSun = niets nieuws onder

de zon; Sun-beam = zonnestraal; Sun-bird = zonnevogel; Sun-blind =

zonneblind; Sun-bonnet = dames zomerhoed; Sun-bronzed; Sun-burn = roode

vlek van het verbranden door de zon; Sun-burnt = door de zon verbrand,

met sproeten; Sun-clad = in stralen gehuld; Sun-dew = zonnedauw;

Sundial = zonnewijzer; Sundown = zonsondergang (Amer.) = Sunset(ting);

Sun-dried = in de zon gedroogd; Sunfish = zonne(maan)visch; Sun-flower

= zonnebloem; Sun-glass = brandglas; Sun-god; Sun-hat; Sun-heat;

Sunlight = zonnelicht; Sunlit = verlicht door de zon; Sun-myth =

zonnemythe; Sun-ray; Sunrise, Sunrising = zonsopgang, Oosten; Sun-rose

= zonnekruid; Sunset gun = het avondschot; Sunshade = parasol, zeil of

scherm; Sunshine = zonneschijn, voorspoed, opgewektheid: To be in the

sunshine = beneveld zijn; Sunshiny = zonnig, schitterend; Sun-spot =

zonnevlek; Sunstricken, Sunstruck = door een zonnesteek getroffen;

Sunstroke = zonnesteek; Sun-up = zonsopgang (Amer.); Sunless = zonder

zon, beschaduwd; Sunlike; Sunniness, subst. v. Sunny = zonnig,

opgewekt, blijde: Sunny eyes = vriendelijke oogen; I am on the sunny

side of fifty = ik ben nog geen vijftig.

Sunday, sɐnd(e)i, Zondag: A month of Sundays = lange en onbepaalde

tijd; He was dressed in his Sunday best = in zijne mooie Zondagsche

kleeren; Sunday citizen = zondagswandelaar; Sunday-out =

uitgaanszondag; Sunday-school = Zondagsschool.

Sunder, sɐndə, verb. scheiden, verdeelen; subst. slechts in de

uitdrukking: In sunder = vanéén, in tweeën.

Sundified, sɐndifaid, op zijn Zondags.

Sundries, sɐndriz, diversen: Dealer in sundries = in galanterieën;

Sundry = verscheidene, verschillende: All and sundry = alle

gezamenlijk.

Sung, sɐŋ, part. perf. van to sing.

Sunk, sɐŋk, part. perf. van to sink; Sunken battery = verdekt

opgestelde; Sunken face = ingevallen; Sunken rock = blinde klip.

Sun(n), sɐn, Indische hennepplant; Sunn-hemp.

Sunna, sɐnə, alle voorschriften van Mohamed die niet in den Koran

staan; Sunnites, sɐnaits, orthodoxe Mahomedanen.

Sup, sɐp, subst. slokje; Sup verb. slurpen, soupeeren, een avondmaal

verschaffen: I supped and dined them for several weeks = ik zorgde voor

hun avond- en middagmaal; We supped on cold beef = wij hadden koud

rundvleesch voor het avondeten.

Super, siûpə, verk. van Supernumerary.

Superable, siûpərəb’l, wat te overkomen is, overwinbaar.

Superabound, siûpərəbaund, ruim, overvloedig zijn (met with);

Superabundance = groote overvloed; Superabundant = meer dan genoeg.

Superadd, siûpərad, nog eraan toevoegen; Superaddition = het bijvoegen

of bijgevoegde.

Superannuate, siûpəranjueit, door ouderdom en zwakheid ongeschikt

maken, zijn of verklaren, pensionneeren; Superannuated = verjaard,

uitgediend, gepensionneerd: Superannuated officer; Superannuated

spinsters = oude vrijsters; Superannuation, siûpəranjueiš’n,

ongeschiktheid, pensionneering, pensioen; Superannuation act;

Superannuation fund; Superannuation money (allowance).

Superb, siupɐ̂b, grootsch, prachtig, rijk, voortreffelijk; subst.

Superbness.

Supercargo, siûpəkâgou, supercargo (scheepsterm).

Superciliary, siûpəsiljəri, boven de wenkbrauw(en); Supercilious,

siûpəsiljəs, trotsch, aanmatigend, verwaand; subst. Superciliousness.

Supereminence, siûpəreminens, buitengewone voortreffelijkheid; adj.

Supereminent.

Supererogation, siûpərerougeiš’n: Doctrine of Supererogation = leer,

dat de goede werken van den eenen Christen aan de gezamenlijke

Christenen ten goede komen; Works of supererogation = vrijwillige

werken (boven hetgeen God van den Christen eischt), die den

medechristenen ten goede komen; Supererogatory = meer dan de plicht

eischt.

Superexcellence, siûpəreksəlens, buitengewone voortreffelijkheid; adj.

Superexcellent.

Superficial, siûpəfiš’l, oppervlakkig, ondiep: Superficial measure =

vlaktemaat; Superficiality, siûpəfišaliti = Superficialness;

Superficies, siûpəfišîz, oppervlakte, buitenkant.

Superfine, siûpəfain, allerfijnst; subst. Superfineness.

Superfluity, siûpəflûiti, overtolligheid, overdaad; Superfluous,

siupɐ̂fluəs, overtollig, overdadig; subst. Superfluousness.

Superfrontal, siûpəfrɐnt’l, altaarlaken dat over het frontaal hangt.

Superheat, siûpəhît, oververhitten.

Superhuman, siûpəhjûm’n, bovenmenschelijk.

Superincumbent, siûpərinkɐmb’nt, liggende op.

Superinduce, siûpərindjûs, bij- of toevoegen; subst. Superinduction.

Superintend, siûpərintend, het toezicht hebben op, controleeren;

Superintendence, Superintendency = oppertoezicht; Superintendent =

opzichter, inspecteur, directeur: Lady Superintendent = directrice;

Superintendentship.

Superior, siupîriə, subst. meerdere, superieur; adj. hooger, boven,

opper, meer, verhevener: Superior courts = opperste gerechtshoven

(Common Pleas, Exchequer en Queen’s Bench); Superior force (strength) =

overmacht; Superior planets = planeten verder van de zon dan de aarde;

To be superior to = staan boven; Superiority, siupîrioriti,

meerderheid, voorrang, overmacht: Air of superiority.

Superjacent, siûpədžeis’nt, liggende op (Geol.).

Superlative, siupɐ̂lətiv, overtreffende, ongemeen, zeer voortreffelijk;

subst. overtreffende trap; subst. Superlativeness.

Supernacular, siûpənakjulə, heerlijk, lekker; Supernaculum,

siûpenakjul’m, voortreffelijke drank, nagelproef: To drink supernacular

= een nagelproef doen.

Supernal, siupɐ̂n’l, bovenste, hemelsch: She was supernal in

intelligence = haar geest was superieur.

Supernatural, siûpənatšər’l, bovennatuurlijk, supernaturalistisch;

Supernaturalism = bovennatuurlijke toestand, supernaturalisme;

Supernaturalist; Supernaturalistic; Supernaturality = Supernaturalness.

Supernumerary, siûpənjûmərəri, subst. ambtenaar of officier boven de

formatie; figurant; adj. boven een bepaald getal.

Superpose, siûpəpouz, leggen op; adj. Superposition.

Superroyal, siûpərôiəl, formaat papier (49 bij 70 cM.; Amer. 56 bij 71

cM.).

Supersaturate, siûpəsatjureit, oververzadigen; subst. Supersaturation.

Superscribe, siûpəskraib, schrijven op of boven, adresseeren;

Superscription = opschrift, adres.

Supersede, siûpəsîd, afschaffen, opschorten, ter zijde stellen,

vervangen, noodeloos maken: To be superseded in the command = van het

bevel worden ontheven; Supersedeas, siûpəsîdias, bevel tot opschorting

of schorsing; Supersedure, siûpəsîdjə, opschorting, afschaffing,

schorsing.

Supersensible, siûpəsensib’l, bovenzinnelijk = Supersensual,

siûpəsenšuel.

Supersession, siûpəseš’n = Supersedure.

Superstition, siûpəstiš’n, bijgeloof, bijgeloovigheid, òverpreciesheid;

Superstitious = bijgeloovig, overprecies, nauwgezet: Superstitious

practices, uses = bijgeloovige praktijken; subst. Superstitiousness.

Superstratum, siûpəstreit’m, bovenste laag.

Superstructure, siûpəstrɐktjə, bovenbouw.

Superterrestrial, siûpətərestriəl, bovenaardsch.

Supervene, siûpəvîn, bijkomen, onverwacht gebeuren of er tusschen

komen, verrassen; Supervenient, siûpəvînj’nt, bijkomend; subst.

Supervention.

Supervise, siûpəvaiz, het toezicht hebben of houden op, inspecteeren;

Supervision, siûpəviž’n, opzicht, toezicht: Under police supervision

(Supervision of the police) = onder voortdurend politietoezicht;

Supervisor, siûpəvaizə, opziener, inspecteur; Supervisory power =

bevoegdheid om toezicht te houden.

Supination, siûpineiš’n, achteroverligging, ligging v. de hand met de

palm naar boven.

Supine, siûpain, supinum (gramm.).

Supine, siupain, achteroverliggend, hellend; onverschillig, werkeloos;

subst. Supineness.

Supper, sɐpə, subst. avondeten, avondmaal: We have partaken of the

Lord’s Supper = aan het Avondmaal deelgenomen: Supper-time = tijd van

avondeten; Supperless: To go supperless = geen avondeten krijgen.

Supplant, səplânt, verdringen, verdrijven, den voet lichten; subst.

Supplantation; Supplanter.

Supple, sɐp’l, adj. buigzaam, lenig, meegevend, meegaande, vleierig,

kruipend; Supple verb. buigzaam en lenig maken of worden, buigen

(fig.), afrijden, zich schikken; Supple-jack = gladbladige paulinia;

sterke en lenige wandelstok; subst. Suppleness.

Supplement, sɐpliment, subst. toevoegsel, aanvulling, supplement,

toelage; Supplement verb. aanvullen (sɐpliment); Supplemental,

Supplementary, sɐpliment’l, sɐplimentəri, aanvullend, bijvoegend,

bijgevoegd.

Suppliant, sɐpliənt, Supplicant, sɐplikn’t, subst. smeeker, nederig

verzoeker; adj. smeekend, verzoekend; Supplicate, sɐplikeit, smeeken,

vragen, bidden: Supplication = smeeking, smeekgebed; Supplicatory =

smeekend.

Supplier, səplaiə, verzorger, leverancier; Supply, səplai, subst.

aanvulling, bijdrage, aanbod, voorziening, voorraad, versterking,

vervanger; Supply verb. aanvullen, verschaffen, voorzien, leveren,

verzorgen, de plaats vervullen van: Demand and supply = vraag en

aanbod; Supplies = benoodigdheden, versterking, toevoer, voorraad, de

door het parlement aan de regeering toegestane gelden: The supplies

were voted = de gelden werden toegestaan; They were supplied with the

necessaries of life = voorzien van; Will you supply my place for a

while? = mij vervangen; To supply a (felt) want = in eene (gevoelde)

behoefte voorzien.

Support, səpöt, subst. ondersteuning, onderstand, hulp, steun,

onderhoud, verzorging, stut, onderstel, statief, voet, begeleiding;

Support verb. steunen, onderhouden, stutten, helpen, uithouden,

volhouden, verdedigen, (goed) spelen, begeleiden, leven, lijden,

dulden: He cannot support himself = zichzelf niet onderhouden; Sugar

supports itself = is vast; I won’t support such insults = niet

verdragen; Support arms = schouder ’t geweer; Supportable =

verdraagbaar, steunbaar, houdbaar; subst. Supportableness; Supporter =

steuner, helper, verdediger, voorspraak, aanhanger, verband,

schilddrager (Herald).

Supposable, səpouzəb’l, onderstelbaar, vermoedelijk; subst.

Supposableness.

Suppose, səpouz, onderstellen, vermoeden, voor waar aannemen,

onderstellingen maken: Let it be supposed that... = laten we aannemen,

dat...; Supposing this to be true = aangenomen dat dit waar is; Suppose

we go = zouden we niet eens gaan?; That being supposed = in deze

veronderstelling; They are soldiers, I suppose = het zullen wel zijn; I

suppose = niet waar?

Engelsch woordenboek. Eerste deel: Engelsch-Nederlandsch (met uitgeschreven verkortingen) · 第 127 / 152 段