Suppositional, sɐpəzišən’l, vermoedelijk; Supposititious, səpozitišəs,
ondergeschoven, onecht, nagemaakt, valsch: Supposititious case =
aangenomen of ondersteld geval; A supposititious child =
ondergeschoven; The supposititious joys of basking in luxury = het
twijfelachtig genot; subst. Supposititiousness; Suppositive, səpozitiv,
subst. onderstellend woord; adj. ondersteld, onderstellend.
Suppository, səpozitəri, zet- of steekpilletje.
Suppress, səpres, onderdrukken, dempen, verhelen, weglaten, stelpen,
stoppen, opheffen: The circulation of the letters was suppressed = werd
verhinderd; Suppresser; Suppressible = onderdrukbaar; Suppression =
onderdrukking, weglating, verheling, stopping: The suppression of one
letter may give an entirely different sense = het weglaten van eene
letter; Suppressionist = voorstander van onderdrukking (van den handel
in sterke dranken); Suppressive = onderdrukkend, verbergend;
Suppressor.
Suppurate, sɐpjureit, zweeren, etteren; Suppuration = het etteren,
etter; Suppurative, subst. en adj. ettering bevorderend (middel).
Supra, siûprə, (in samenst.) boven, aan de andere zijde: Supra-axillary
= boven den oksel; Supraclavicular = boven het sleutelbeen; Supracostal
= boven of op de ribben; Supralapsarian = voorstander van een
Calvinistische leer die de verkiezing vóór den zondenval stelt;
Supramaxillary = boven de kaken; Supramundane = bovenaardsch, hemelsch;
Suprarenal = boven de nieren; Suprascapular(y) = boven het
schouderblad.
Supremacy, siupreməsi, oppermacht: Oath of Supremacy = eed waarbij de
oppermacht van den Engelschen souverein in geestelijke zaken erkend
wordt.
Supreme, siuprîm, hoogste, opperste: The Supreme = de Allerhoogste; His
will ought to be supreme = zijn wil moet het hoogste zijn; Supreme
command = opperbevel; Supreme Court of Judicature = het in 1875
gevestigde hof, waarin de High Court of Chancery, Courts of Queen’s
Bench, Common Pleas, Exchequer en het High Court of Admiralty, Court of
Probate for Divorce and Matrimonial Cases en London Court of Bankruptcy
werden vereenigd; het bestaat uit twee afdeelingen: het High Court of
Justice en het Court of Appeal; Supreme folly = grootste dwaasheid; To
rule supremely = de opperheerschappij hebben.
Sura, sûrə, hoofdstuk van den koran.
Surah, s(j)ûrə, soort van zijden stof.
Sural, siûr’l, kuit...
Surat, sûrat, sûrât, grof katoen (Voor-Indië).
Surbase, sɐ̂beis, lijstwerk langs een zuilvoet; Surbased, sɐ̂beist:
Surbased arch = elliptisch gewelf.
Surcease, sɐ̂sîs, subst. ophouding, dood, staking; Surcease verb.
ophouden, een einde maken aan.
Surcharge, sɐ̂tšɐ̂dž, overladen, te veel vragen, oververhitten; subst.
overlading, overvraging, strafport, oververhitting, 2de of 3de
hypotheek; Surcharger.
Surcingle, sɐ̂siŋg’l, sɐ̂siŋg’l, zadelgordel, riem; Surcingle verb. met
een gordel(riem) bevestigen.
Surcoat, sɐ̂kout, overjas, wapenrok.
Surd, sɐ̂d, subst. onmeetb. grootheid, zooals √ 2; adj. stemloos (van
medeklinkers), onmeetbaar.
Sure, šuə, zeker, ongetwijfeld, onfeilbaar: As sure as death and taxes
= zoo zeker als 2 × 2; As sure as a gun = zoo zeker als wat = As sure
as can be; He is a good fellow to be sure = buiten kijf; I am sure I
shall not go = ik ga bepaald niet; I am sure I don’t know = ik weet het
heusch niet; I won’t be sure = ik durf het niet zeker zeggen; He is
sure not to come = hij komt bepaald niet; Be sure not to forget = denk
er om; That’s sure enough = dat is vast en zeker; That’s him, sure
enough = hij is het waarachtig; I will make sure where he is = mij
vergewissen; Surefooted = vast van voet, stevig op de beenen,
vertrouwbaar; subst. Surefootedness; I can do that surely = dat mag ik
toch wel doen, he? Sureness = zekerheid; Surety = veiligheid,
zekerheid, pand, borgtocht, gerustheid: Of a surety = zeer zeker; I’ll
be surety for you, be your surety = voor u instaan, borg voor u zijn;
To stand surety = borg blijven; Suretyship = het borg zijn, borgschap.
Surf, sɐ̂f, branding; Surf-boat = boot om mee door de branding te varen;
Surf-duck (-scoter) = brileend; adj. Surfy.
Surface, sɐ̂fis, subst. oppervlakte, buitenkant, uiterlijk, vlak; adj.
oppervlakkig (= Surface-deep); Surface verb. eene zachte oppervlakte
geven, glad wrijven: Her information is of the most surface kind = is
zoo oppervlakkig mogelijk; Surface-man = wegwerker, lijnopzichter;
Surface-survey = landmeten; Surface-water = overdag van de oppervlakte
der aarde in een mijn dringend water.
Surfeit, sɐ̂fit, subst. overlading, walging; Surfeit verb. (zich) de
maag overladen; oververzadigd zijn: Surfeited with too much appetite =
overladen (volgepropt) door.
Surge, sɐ̂dž, subst. groote golf, stortzee; Surge verb. golven, hooge
baren vormen, een touw laten schrikken (scheepst.): The audience surged
down the corridors = stroomde.
Surgeon, sɐ̂dž’n, heelmeester, chirurg: Royal College of Surgeons =
Surgeons’ Hall = Kon. Instituut ter examineering van chirurgen;
Surgeoncy = betrekking van arts (in leger of vloot); Surgery =
heelkunde, operatiekamer, spreekkamer en apotheek van een dokter;
Surgical, sɐ̂džik’l, heelkundig: Surgical instruments = chirurgische
instrumenten.
Suricate, siurikeit, palm eekhorentje.
Surinam, sûrinâm, Suriname.
Surliness, sɐ̂linəs, subst. v. Surly, sɐ̂li, norsch, knorrig, gemelijk,
afsnauwend.
Surmise, sɐ̂maiz, subst. vermoeden, gissing, argwaan; Surmise verb.
vermoeden, onderstellen; Surmiser.
Surmount, sɐ̂maunt, te boven komen, overwinnen: A heavy gilt club
surmounted by a crown = met een kroontje er op; A
weathercock-surmounted cupola = koepeltje met een weerhaan er op;
Surmountable = overkomelijk, verwinbaar; Surmounter.
Surmulot, sɐ̂mjulot, groote woudrat.
Surname, sɐ̂neim, subst. familienaam, bijnaam; Surname verb. ook sɐ̂neim,
een bijnaam geven, bij een bijnaam noemen.
Surpass, sɐ̂pâs, overtreffen, te boven gaan: Surpassable = overtrefbaar;
Surpassing = uitstekend, buitengewoon: A maiden of surpassing beauty =
van weergalooze schoonheid.
Surplice, sɐ̂plis, koorhemd, stool.
Surplus, sɐ̂pləs, subst. overschot, toegift; adj. overtollig: In surplus
= bovendien; Surplusage, sɐ̂pləsidž, overschot, groot aantal,
overtolligheid: He has a surplusage of daughters = eene heele
collectie.
Surprise, sɐ̂praiz, subst. verrassing, overrompeling; Surprise verb.
overrompelen, verrassen, ontstellen, verlegen maken: By surprise = bij
verrassing; That was a surprise to me = dat verraste me zeer; I am
surprised at what you say = ik ben getroffen; The beggars surprised
Brielle = verrasten; To surprise oneself = zich betrappen op;
Surprise-party (in Amerika) = een troepje personen, dat ongenood in het
huis van een gemeenschappelijken vriend komt, en waarvan ieder zijne
bijdrage voor een souper levert; Surprise-visit = onverwacht
(inspectie)bezoek; Surpriser; Surprising = verbazingwekkend,
buitengewoon; subst. Surprisingness.
Surrebut, sɐ̂ribɐt, voor de vijfde maal repliceeren (jur.); Surrebutter
= vijfde wederantwoord; Surrejoin, sɐ̂ridžôin, voor de derde maal
repliceeren; Surrejoinder = derde wederantwoord.
Surrender, sərendə, subst. overgave, uitlevering; Surrender verb.
overgeven, uitleveren, afstaan, afstand doen, zich overgeven (aan): The
town surrendered to the enemy at discretion = gaf zich over; To
surrender upon terms = op voorwaarden; surrenderer.
Surreptitious, sɐrəptišəs, op slinksche wijze, bedriegelijk, heimelijk:
Surreptitious edition = nadruk.
Surrey, sɐri.
Surrogate, sɐrəgit, subst. plaatsvervanger; Surrogateship.
Surround, səraund, subst. soort buffeljacht door omsingeling, de keten
van jagers die omsingelt; Surround verb. omringen, omsingelen,
insluiten: Surrounding country = Surroundings = omgeving: London and
its surroundings = zijne omgeving.
Sursolid, sɐ̂solid, vijfde macht v. een getal.
Surtax, sɐ̂taks, extra belasting.
Surtax, sɐ̂taks, extra belasten.
Surtout, sɐ̂tût, overjas.
Surveillance, sɐ̂veil(j)’ns, toezicht.
Survey, sɐ̂vei, overzicht, inspectie, taxatie, meting; douanedistrict
(Amer.): He took a survey of the matter = nam op, onderzocht.
Survey, sɐ̂vei, overzien, het toezicht houden op, nauwkeurig opnemen,
scherp onderzoeken, meten (van land), peilen; Surveying-chain =
meetketting; Surveyor = opziener, opzichter, administrateur, landmeter;
verificateur (Amer.); Surveyorship.
Survival, sɐ̂vaiv’l, het overlèven, het blijven bestaan, in leven
blijven, laatst overgeblevene, overblijfsel: Survival of the fittest =
het overlèven van de krachtigste individuen.
Survive, sɐ̂vaiv, overlèven, nog leven, in leven blijven: He will
survive his next birthday = zal nog halen; They are all dead, but he
survives = hij is er nog; Those who survive = de overlèvenden;
Surviver, Survivor = langstlevende: The survivors of the wreck = zij
die er het leven hebben afgebracht; Survivorship = voordeel, dat den
langstlevende toevalt.
Susan, sûz’n, siûz’n, Suzanne, Suze; Susanna, s(j)uzanə, Susanna.
Susceptibility, səseptibiliti, subst. v. Susceptible, səseptib’l,
vatbaar, toegankelijk, gevoelig, teeder; Susceptibleness =
teergevoeligheid; Susceptive, səseptiv, vatbaar, toegankelijk; subst.
Susceptiveness.
Suspect, səspekt, vermoeden, verdenken, wantrouwen, achterdocht
koesteren, vreezen; subst. een verdacht persoon; Suspected = verdacht;
subst. Suspectedness; Suspecter.
Suspend, səspend, ophangen, hangen aan, opschorten, schorsen, doen
ophouden, staken, suspendeeren, stremmen: The lamp was suspended by a
chain to the ceiling = hing; To suspend hostilities = schorsen; I wish
to suspend my judgment = op te schorten; The officer was suspended = de
ambtenaar werd geschorst; The firm suspended payment = staakte hare
betalingen; To stand suspended = weifelen, in tweestrijd zijn;
Suspenders = kous-ophouders, bretels: Suspenders they were called,
braces not being a parliamentary word = ze werden suspenders genoemd,
aangezien braces niet fatsoenlijk is; Suspense, səspens, onzekerheid,
besluiteloosheid, uitstel: He was in a mortal suspense = in doodelijken
angst; To keep in suspense = in spanning of onzekerheid laten;
Suspensible = zwevend; Suspension, səspenš’n, (op)hanging, ophouding,
opschorting, uitstel, onzekerheid, schorsing, stremming, staking:
Suspension of arms, of hostilities = eene staking der vijandelijkheden,
een wapenstilstand; Suspension of pain; Suspension of payment;
Suspension-bridge = hang- of kettingbrug; Suspensive = twijfelachtig,
onzeker; Suspensor = breukband; suspensoir, zaadstreng; Suspensory =
hangend, dragend.
Suspicion, səspiš’n, achterdocht, vermoeden, verdenking, “schijntje” of
kleinigheid; Suspicious, səspišəs, achterdochtig, verdacht: A
suspicious frame of mind = achterdochtige aard; subst. Suspiciousness.
Suspiration, sɐsp(a)ireiš’n, diepe ademhaling; Suspire = diep
ademhalen.
Susquehanna, sɐskwəhanə; Sussex, sɐsəks.
Sustain, səstein, dragen, ondersteunen, schragen, volhouden, handhaven,
lijden, dragen, helpen, bijstaan, onderhouden, verdedigen, beweren,
aanhouden, verdragen: To sustain authority = het gezag hoog houden; To
sustain a loss = lijden; To sustain one’s part = zijn rol volhouden;
This admirable spirit is sustained throughout the work = wordt het
geheele werk door volgehouden; Sustainable = wat volgehouden, enz. kan
worden; Sustainer; Sustainment = ondersteuning, etc. Sustenance,
sɐstən’ns, onderhoud, levensmiddelen; Sustentation, sɐst’nteiš’n,
steun, onderhoud: Sustentation fund = fonds ter verbetering van de
traktementen der bedienaren van den godsdienst (vooral in de Free
Church of Scotland).
Susurrant, siusɐr’nt, fluisterend, zacht ruischend; Susurration,
siûsəreiš’n, gefluister, geritsel; Susurrus, siusɐrəs, geruisch,
gefluister.
Sutherland, sɐdhəland.
Sutler, sɐtlə, zoetelaar; Sutlership; Sut(t)ling, sɐtliŋ:
Sut(t)ling-wench = marketentster, zoetelaarster.
Suttee, sətî, verbranding der weduwe met haren overleden echtgenoot,
weduwe die met haar overleden echtgenoot verbrand wordt; Sutteeism =
vrijwillige vuurdood der weduwe.
Suttle, sɐt’l: Suttle weight = netto gewicht.
Sutural, siutjûr’l, naad..; Suture, siûtjuə, het naaien, zoom, naad.
Suzerain(e), siûzərən, subst. leenheer, opperheer; adj. heerschend,
machtig; Suzerainty.
Swab, swob, subst. zwabber, wisscher; zuiplap; Swab verb. dweilen,
zwabberen, afwisschen: You drunken swab = jij drankorgel; He swabbed
the perspiration from his face = veegde zich het zweet af; Swabber =
zwabber (scheepst.).
Swabia, sweibjə, Zwaben; Swabian = Zwaab(sch).
Swad, swod, kort en dik persoon; pummel; klomp, massa (Amer.).
Swaddle, swod’l, zwachtelen, inbakeren; Swaddler = scheldnaam aan
Methodisten gegeven; Swaddling: Swaddling-bands = Swaddling-clothes =
Swaddling-clouts = luren, pak (waarin een klein kind gewikkeld wordt).
Swag, swag, subst. ongelijke of hortende beweging, doorzakking,
gestolen goed, buit; ransel (Austral.); Swag verb. los en zwaar hangen,
heen en weer slingeren; Swag-belly = iemand met een hangbuik; swagman =
reizend gezel; houder van een Swagshop = uitdragerij; Swagsman = heler.
Swagger, swagə, subst. gebluf, ijdel snoeven, zwaaiende gang, rottinkje
der Engelsche militairen (= Swagger-cane); Swagger verb. snoeven, met
gemaakte gewichtigheid rondstappen, schetteren: Swagger houses = huizen
der “groote lui”; Swaggerer = bluffer, grootspreker, tiran.
Swain, swein, jonge man, boerenknecht, (landelijk) minnaar.
Swale, sweil, laag gelegen land (Amer.).
Swallow, swolou, subst. zwaluw; keel, afgrond, vraatzucht, groote hap
of slok; Swallow verb. verzwelgen, doorslikken, opslorpen, verteren,
slikken (ook fig.): At one swallow = in één slok, hap; I won’t swallow
such insults = zulke beleedigingen slik ik niet; He swallowed all this
nonsense like gospel-truth = slikte; The poor fellow was swallowed by
the waves = werd verzwolgen; Swallow-fish = groote zeehaan;
Swallow-tail = zwaluwstaart, rok, wimpel, vooruitgeschoven bastion;
Swallow-tailed = met een zaluwstaart, gevorkt, met smal uitloopende
slippen (als een rok): Swallow-tailed butterfly = koninginnepage;
Swallower = verzwelger, gulzigaard.
Swam, swam, imperf. van to swim.
Swamp, swomp, subst. moerassig of drassig land; Swamp verb. in een
moeras zinken, vol water loopen (van eene boot), doen zinken,
overstroomen, overtreffen, het overwicht hebben, ruïneeren; in
onoverkomelijke moeilijkheden geraken, ondergaan: The Chinaman swamps
the labour-market of America = overstroomt; We got swamped = wij kwamen
er leelijk in te zitten, waren geruïneerd; Swamp-fever = moeraskoorts;
Swamp-hickory = Noord-Amerik. hickory-noot; Swamp-honey-suckle =
kleverige azalea; Swampy = moerassig, drassig.
Swan, swon, zwaan: A black swan = een witte raaf (fig.); Swan-down,
Swan’s down = zwanendons; Swanherd = hoeder; Swan-hopping (Swan-upping)
= het merken van zwanen; Swan-shot = ganzenhagel; Swanskin = soort van
gekeperd flanel, zwanevel; Swan-song = zwanenzang; Swanwort = soort van
orchidee.
Swang, swaŋ, laag gelegen grasland.
Swank, swaŋk, bluf, opsnijderij.
Swansea, swonsî.
Swap, swop, subst. slag; ruil; Swap verb. neerploffen; ruilen,
wisselen: I had a swap with him = ruilde; We fell to swapping notes
about customs in Germany = onze bevindingen uit te wisselen (te
vergelijken); We smoked a final pipe, and swapped a final yarn =
vertelden nog een laatst verhaal; To get swapped = de bons krijgen.
Swape, sweip, lang roer (bij een vlot); zwengel eener pomp; Swape-well
= pomp.
Sward, swöd, grasveld; huid, bast; Sward-cutter = ploeg (voor
grasvelden), grasschaar.
Sware, swêə, imperf. van to swear (dichterl.).
Swarm, swöm, subst. zwerm, dichte menigte; Swarm verb. zwermen (van
bijen), krioelen, wemelen, zich verdringen; in een boom of mast klimmen
(gew. met up): Swarming time (van bijen).
Swarry, swori, verbastering van soirée.
Swart(h), swöt(h), zwart, donker; Swarth(i)ness, subst. v. Swarthy =
getaand, bruin.
Swash, swoš, subst. gepoch, gezwets, het “geuren” of bluffen;
watergeklots of -gekabbel; adj. dronken; overrijp, murw; ovaal; Swash
verb. klotsen, kabbelen; bluffen, zwetsen; Swash-buckler = schetteraar,
bluffer, vechtersbaas = Swasher; Swashing = bluffend, zwaar
neerploffend, verpletterend; Swashy = papperig.
Swath, swôth, zwad, rij gemaaid en bijeengelegd gras of koren, wat eene
zeis of maaimachine bereikt: To cut a swath = gewichtig doen.
Swathe, sweidh, subst. zwachtel; Swathe verb. zwachtelen, bakeren;
Swathing-clothes = luren, pak (zie Swaddle).
Sway, swei, subst. zwaai of slag, overwicht, overmacht, heerschappij,
invloed, het doorslaan (van den balans); Sway verb. zwaaien, slingeren,
hanteeren, overhellen, neerdrukken, richten, (be)heerschen, invloed
oefenen: He was swayed by my advice = liet zich leiden; Sway on =
vooruit maar; Swayed (in the back) = lendenlam (van paarden).
Sweal, swîl, afloopen (van een kaars), walmen, schroeien van een dood
varken.
Swear, swêə, subst. eed, vloek; Swear verb. zweren, vloeken, bezweren,
beëedigen, onder eede bevestigen: The jury was sworn = werd beëedigd;
To swear an oath = een eed doen; To swear the peace against a person =
iemand bij den vrederechter aanklagen wegens bedreiging; To swear false
= een meineed doen; He swore by all that is holy = (be)zwoer bij al wat
heilig is; I swear by you for the best of friends = ik vertrouw u; The
new mayor was sworn in = werd beëedigd; I swear off lying = ik beloof
plechtig niet meer te zullen liegen; They were sworn to silence =
moesten onder eede beloven te zullen zwijgen; Swearer = vloeker, hij
die een eed doet.
Sweat, swet, subst. zweet, zware arbeid, het bezweet zijn; Sweat verb.
zweeten, uitbuiten, huiden zweeten: In the sweat of thy face shalt thou
eat bread; It gave him (put him in) a cold sweat = maakte dat hem ’t
koude zweet uitbrak; You’ll sweat for it = er voor bloeden; The sweated
carry on their miserable lives = de slachtoffers van hongerloon voor
harden arbeid; Sweater, swetə, zweeter, uitbuiter; dikke wollen trui;
Sweating: Sweating-bath = zweetbad; Sweating-house = zweethuis;
Sweating-iron = roskam; Sweating-room = zweetkamer, droogkamer (kaas);
Sweating-sickness = zweetziekte; Sweating-system = hongerloon voor hard
werk (vooral bij thuiswerkende arbeiders); Sweatiness, subst. v. Sweaty
= zweeterig, bezweet, zwoegend, zwaar.
Swede, swîd, Zweed, Zweedsche raap; Sweden = Zweden.
Swedenborgian, swîd’nbödžiən, subst. en adj. (volgeling) van
Swedenborg; Swedenborgianism = leer van de Swedenborgians.
Swedish, swîdiš, subst. en adj. Zweedsch(e taal).
Sweep, swîp, subst. het vegen, veger, veeg, zwaai, draai, omvang,
uitgestrektheid, vluchtige blik, sleep, schoorsteenveger, ploert, lang
roer, zwengel, half cirkelvormig oprijpad van een buiten; Sweep verb.
vegen, wegvegen, even aanraken, voorbij vliegen of schieten, langs
schuren, zwaaien, reiken, zich uitstrekken, dreggen, bestrijken, snel
overzien: We heard the sweeps of the oars = de riemslagen; He killed
them at one sweep = met éénen slag; Give this room a sweep = veeg eens
aan; To make a clean sweep = schoon schip maken, een flinke opruiming
houden; Lamp-chimney sweep = lampeglasveger; Sweep before your own door
= veeg uw eigen pad schoon; Our cannon swept the walls = veegde(n)
schoon; Everything was swept away = werd weggevaagd; He was swept from
our sight = plotseling aan ons oog onttrokken; The waves sweep (over)
the deck = slaan over het dek, vegen het dek schoon; Sweep-net =
sleepnet; Sweep-stakes = spelen of wedstrijden waarbij de prijzen
hoofdzakelijk bestaan uit de inleggelden; die prijzen zelf: They got up
sweep-stakes = zij zetten samen geld in, dat den winner tebeurt zou
vallen; Sweep-washings = afval in goud en zilversmederijen; Sweeper =
wie of wat veegt; Sweeping: Sweeping assertions = algemeene; The motion
was carried by a sweeping majority = met eene verpletterende
meerderheid; A sweeping reduction = kolossale prijsvermindering;
Sweepings = op- of uitvaagsel, vuilnis: His troops were the sweepings
of the galleys = uitvaagsel der galeien; Sweepy = voorbijsnellend,
trotsch stappend, met kleine golven, kronkelend.
Sweet, swît, subst. zoetigheid, liefelijkheid, lieverd; adj. zoet,
geurig, welluidend, schoon, lief, aangenaam, frisch, bevallig: A dear
little sweet = lieve snoes = Dearest sweet; My sweet; Have a sweet? =
wil je een zoetigheidje; The sweet of the district = de bekende
snoeperij van het district; The sweets and bitters of life = het zoet
en zuur des levens; Sweets to the sweet = het lieve voor de lieve;
Sweets = bonbons, lekkernijen, suikerwerken, enz.; Sweet airs = lieve
melodiën; Sweet corn = soort Turksche maïs; Sweet herbs = tijm en
marjolein; Sweet manners = zachte, vriendelijke manieren; Sweetmouth =
lekkerbek; Sweet oil = olijfolie; Sweet orange = sinaasappel; He has a
sweet tooth = hij is een zoetekauw; Sweet violet = welriekend viooltje;
At your sweet will = naar uw welbehagen; No sweet without sweat =
kermis is een bilslag waard, voor wat hoort wat; He is sweet on her =
verliefd, dol op; Sweetbread = zwezerik; Sweet-briar = eglantier,
hondsroos; Sweet-broom = priemkruid; Sweetheart, subst. minnaar,
minnares, lieveling; Sweetheart verb. het hof maken: My master is
sweet-hearting inside = aan het vrijen; Sweetmeat = suikerwerken,
bonbons, gecandeerde vruchten; Sweet-pea = pronkerwt; Sweet-potato =
bataat; Sweet-scented = geurig, welriekend = Sweet-smelling; Sweet-tea
= thee, waarbij brood, jams, etc. wordt gepresenteerd; Sweet-william =
duizendschoon, ruwe anjer; Sweetwort = elke plant van zoeten smaak;
Sweeten = verzoeten, parfumeeren, verzachten, aangenaam maken,
zuiveren, reinigen, ontsmetten: She Sweetened up the apple-sauce =
zoette aan; Sweeting = St. Jansappel; lieveling; Sweetish = tamelijk
zoet; subst. Sweetishness; Sweetly pretty = snoezig; Sweetness =
zoetheid, welluidendheid, geurigheid, wellevendheid; The sweetness of
his manners was only equalled by his liberality = de vriendelijkheid
zijner manieren; Sweety = ulevelletje, bonbon.
Swell, swel, subst. zwelling, gezwel, aanzwellen, stijging, hoogte,
deining; groote heer, “heele piet”, fat, bram; crescendo- of
decrescendoteeken; adj. fijn, chique, fatterig; Swell verb. zwellen,
opzwellen, toenemen, zich verheffen, opgeblazen zijn, buiken,
vergrooten, vermeerderen: You are quite a swell with your new suit =
een heele piet; He does the swell = hij hangt den fijnen meneer uit;
What was called a swell 25 years ago is a dude or an effete youth now;
He has swelled all expenses = alle uitgaven vermeerderd; The wind had
swelled the sails = doen zwellen; My book swells to an unexpected size
= groeit aan tot; He was swollen with pride = opgeblazen van trots;
Swell-mob = bende van als heeren gekleede gauwdieven of zakkenrollers;
Swell-mobsman = fortuinzoeker, oplichter; Swelldom = nageaapte
voornaamheid: An ounce of comfort is worth a pound of swelldom =
zoogenaamde “chic”; Swelling: The swelling of the sea = het deinen der
zee; Swellish = als een fatje.
Swelter, sweltə, smoren of braden van de hitte, in zijn zweet baden,
verdorren, verzengen: It was a sweltering morning = een smoorheete
morgen.
Swept, swept, imp. en p.p. van to sweep.
Swerve, swɐ̂v, subst. beweging naar ééne zijde; Swerve verb. afdwalen,
afwijken: He never swerved from the path of duty = verliet nooit.
Swift, swift, subst. gierzwaluw; adj. vlug, snel, kort, geneigd tot:
Swift of foot = rap van voet; Swift to mischief = geneigd tot; subst.
Swiftness.
Swifter, swiftə, boomtouw, zwichtlijn; Swifter verb. sjorren, zwichten.