Strive, straiv, streven, zich inspannen, pogen, kampen, strijden,
wedijveren (with): He strove against his weakness = streed tegen;
Striver.
Stroke, strouk, subst. slag, streep, trek, haal, zet, stoot,
plotselinge ziekteaanval, beroerte, achterste roeier in een boot: With
(At) a stroke = met één slag; This is a good (capital) stroke = een
goede zet, stoot, enz.; I have done a good stroke of business = een
goeden slag geslagen; Stroke of fate = slag van het noodlot; Stroke of
the sun = zonnesteek; Not a stroke of work = geen slag werk; It was on
the stroke of eleven = op slag van; He has had a stroke = beroerte; He
fetched me a back stroke = gaf mij een slag in ’t geniep, steek onder
water; To give (set) the stroke = den slag aangeven; To keep stroke =
slag houden; He rowed stroke in our boat = hij roeide slag in onze
boot; Stroke-oar = Strokesman = slagroeier.
Stroke, strouk, streelen, strijken, glad strijken, liefkoozen: You do
not know how to stroke him the right way = gij weet niet met hem om te
gaan; You stroke him the wrong way = irriteert hem, jaagt hem ’t land
op.
Stroll, stroul, subst. wandeling; Stroll verb. slenteren, wandelen,
ronddwalen: To go for (To take) a stroll; Stroller = zwerver,
rondreizend acteur; Strolling actors = rondreizende tooneelisten;
Strolling-booth = kermistent.
Strong, stroŋ, sterk, krachtig, zwaar, hevig, vurig, flink, gezond,
talrijk, hel, schel: He is a little too strong = hij overdrijft wat al
te zeer; To come (go) it strong = boud spreken, zwetsen, opsnijden; By
the strong arm = met geweld; To take a strong line = flink aanpakken;
Strong box = cassette; Strong breeze = krachtige bries; Strong cigar =
zware; Strong faith; Strong injunctions = nadrukkelijke bevelen; He
used strong language = hij vloekte; Strong memory; Grammar is not her
strong point; Strong pulse = krachtige; Strong room = safe, kluis;
Strong verbs; Strong wall = brandmuur; Strong waters = spiritualiën;
Strong-bodied = sterk, pittig; Stronghold = vesting; bolwerk (fig.);
Strong-minded = flink, onvrouwelijk; Strong-set = krachtig, stevig.
Strontium, stronšiəm, strontium.
Strop, strop, subst. scheerriem, strop voor een blok; Strop verb.
aanzetten, scherpen: The bird stropped his beak upon the tree.
Strophe, stroufî, strophe; Strophic, stroufik, strophisch.
Stroud, straud.
Strouding, straudiŋ, een grove warme stof, ook gebruikt als ruilmiddel
met de Roodhuiden.
Strove, strouv, imperf. van to strive.
Strow, strow; Zie Strew. Strown, stroun, p.p. van to strow.
Struck, strɐk, imperf. en p.p. van to strike: Struck-measure =
Strike-measure.
Structural, strɐktšur’l, den bouw betreffend, organisch; Structure,
strɐktšə, bouw, structuur, gebouw.
Struggle, strɐg’l, subst. worsteling, strijd, nood; Struggle verb.
worstelen, spartelen, zwoegen, strijden (Struggles = trekkingen): The
struggle for life (existence) = de strijd om het bestaan; The struggle
of life = levensstrijd; He Struggled hard to get out of it = spande
zich zooveel mogelijk in; Struggler.
Strum, strɐm, hameren, rammelen, tjingelen: I strum a little = speel
een beetje; I heard the strumming all the evening = dat getjingel; She
was strumming her music-lesson = studeerde voor.
Struma, strûmə, kropgezwel, halskliergezwel; Strumose, strûmous,
Strumous, strûməs, klierachtig.
Strumpet, strɐmpət, subst. slet.
Strung, strɐŋ, imperf. en p.p. van to string.
Strut, strɐt, subst. trotsche majestueuse gang, gemaakte deftigheid by
het loopen; stut; Strut verb. trotsch en gemaakt deftig stappen,
stutten; Strutter.
Struthious, strûthiəs, gelijk een struisvogel.
Strychnine, striknin, strychnine.
Stuart, stjûət.
Stub, stɐb, subst. stomp, stompje, eindje; souche; oude hoefnagel; Stub
verb. uitroeien, de wortels uitrukken; stooten tegen (Amer.): To buy at
the stub = op stam koopen; To stub one’s foot (toe) = met den voet
stooten tegen (Amer.); Stub-nail = kopspijker.
Stubbiness, stɐbinəs, subst. v. Stubby.
Stubble, stɐb’l, stoppel: Stubblefield; Stubbly = stoppelig.
Stubborn, stɐb’n, hardnekkig, koppig, halsstarrig, weerspannig,
volhardend; subst. Stubbornness.
Stubby, stɐbi, vol stubs, kort en dik, stekelig, stijf.
Stucco, stɐkou, subst. gips of gipswerk; Stucco verb. stukadoren:
Stucco-ornaments; Stuccoer.
Stuck, stɐk, imperf. en p.p. van to stick: He stares like a stuck pig =
hij kijkt of hij het in Keulen heeft hooren donderen; A stuck-up fellow
= een pedant of trotsch kereltje.
Stud, stɐd, subst. stoeterij, dekhengst; knop, paal, zuil, nagel,
overhemds- of manchetknoopje; Stud verb. met knopjes of spijkertjes
beslaan of versieren, bezaaien: A high studded room = eene hooge kamer
op pilaren; The entrance of the house was low studded = laag onder
verdieping; The studding had already given shape to the building = het
paal- en balkwerk deed den vorm van het gebouw reeds onderkennen;
Studded with quotations = vol; Stud-bolt = schroefbout; Stud-book =
paarden- of hondenstamboek; Stud-farm = stoeterij; Stud-horse =
stamboekpaard, dekhengst.
Studding, stɐdiŋ: Studding-sail = lijzeil.
Student, stjûd’nt, student, beoefenaar, kenner, vorscher: Student of
nature; We don’t call them students at Oxford or Cambridge, we call
them ‘undergraduates’; Studentship = beurs; Studied, stɐdid,
bestudeerd, vormelijk, wel overwogen, gestudeerd: He did it studently =
met voordacht; Studio, stjûdjou, atelier; Studious, stjûdiəs, vlijtig,
ijverig, leergierig, overlegd, zorgvuldig: He is studious of performing
your wishes = doet zijn best om; subst. Studiousness; Study, stɐdi,
studie, nadenken, ijver, leergierigheid, onderzoek; studie, étude;
studeervertrek; Study verb. studeeren, bestudeeren, nadenken; zich
beijveren, rekening houden met: He is a quick study = kan vlug leeren;
His face was quite a study = het was de moeite waard om te zien wat
gezicht hij zette; He was in a brown study = in somber gepeins
verzonken; I’ll make it my study to please you = mijn best doen; Her
understudy = de actrice die voor haar invallen moet in geval van nood;
I have studied you in everything = ik heb steeds getracht al uwe
wenschen te voorkomen.
Stufa, stûfə, dampwolk die in vulkanische streken uit den grond komt.
Stuff, stɐf, subst. stof, materie, hoofdzaak, het wezenlijke, goederen,
rommel, goed(je), dwaasheid; Stuff verb. farceeren, opvullen,
volproppen, volstoppen, opzetten (van dieren), overladen, wijsmaken: He
had the stuff of a statesman in him = was geknipt voor; What you say
there is stuff and nonsense = klinkklare onzin; This poetry is stuff
and trash = armzalige rijmelarij; Food stuffs = levensmiddelen; The
stuff = “duiten”; A stuffed tiger = opgezette; Stuff a cold and starve
a fever = bij een verkoudheid moet men veel, bij koorts weinig
gebruiken; The birds had stufffed their nests in all corners = hadden
gestopt; Stuffing = werk, bladvulling, pakking, vulsel; Stuffing-box =
werkbus, pakkingbus; Stuffiness, subst. v. Stuffy = benauwd, benepen,
volgepropt; nijdig, eigenzinnig (Amer.): A hot and stuffy theatre = een
heete en benauwde schouwburgzaal.
Stulm, stɐlm, galerij, gang in een mijn.
Stultification, stɐltifikeiš’n, subst. v. Stultify, stɐltifai,
verdwazen, zich belachelijk maken; voor ontoerekenbaar verklaren; zich
zelf tegenspreken (reflex.); Stultiloquence, stɐltiləkw’ns, ijdel
gesnap, zotternij; adj. Stultiloquent.
Stumble, stɐmb’l, subst. struikeling, domheid, vergissing, bok; Stumble
verb. struikelen, strompelen, knoeien, met den voet tegen iets stooten,
zich stooten aan (fig.), een bok schieten (fig.), toevallig treffen:
Many stumble at a straw and leap over a block = vele menschen zijgen
(zuigen) de mug uit en zwelgen den kemel door; It is a good horse that
never stumbles = het beste paard struikelt wel eens; I stumbled on it
when looking for something else = trof het toevallig; To stumble over a
thing = struikelen; Stumbler; Stumbling-block (Stumble-stone) =
struikelblok, steen des aanstoots.
Stump, stɐmp, subst. stomp, stronk, politieke tribune, doezelaar,
paaltje van een wicket bij het cricketspel, (Stumps = beenen); Stump
verb. knotten, uitroeien, verbluffen, de stumps aanraken (bij cricket),
doezelen, opdokken (up), strompelen, eruit snijden (it), politieke
redevoeringen houden: I shall make you use your stumps = je beenen
maken; To bestir one’s stumps = beenen maken; To be (go) on the stump =
het land doorgaan om polit. redevoeringen te houden; He has taken to
the stump = houdt verkiezingsredevoeringen; Three candidates went
stumping = hielden verkiezingsredevoeringen; He stumped the country =
reisde al redevoeringen houdende het land af; We have stumped it = zijn
er uitgesneden; Now I am stumped = zit ik er in, ben ik verlegen; To
stump up = opdokken; Stump-foot = horrelvoet; Stump-orator =
verkiezingsredenaar, bombastisch spreker; Stump-oratory =
verkiezingswelsprekendheid; Stump-speaker = Stump-orator; Stump-speech
= verkiezingsrede, bombastische toespraak; Stumpy = vul stompen,
knoestig, kort en dik; subst. geld, “centen”.
Stun, stɐn, verdooven, bedwelmen (door een harden slag), verbazen;
Stunner = harde slag, iets buitengewoons: Isn’t he a stunner? = is hij
niet een kranige, bovenste beste vent; That’s a stunner = dat is een
kolossale leugen, groote opsnijderij; A stunning thing = iets dat
verbazend groot, mooi, enz. is.
Stundist, stɐndist, protestantsch afgescheidene in Rusland.
Stung, stɐŋ, imperf. en p.p. van to sting.
Stunk, stɐŋk, imperf. en p.p. van to stink.
Stunt, stɐnt, subst. belemmering (in den groei), iets dat in den groei
achterlijk is; Stunt verb. belemmeren, den groei beletten; Stunted = in
den groei belemmerd; subst. Stuntedness.
Stupe, stjûp, subst. warme omslag; Stupe verb. zulk een omslag leggen.
Stupefacient, stjûpifeiš’nt, subst. en adj. bedwelmend of verdoovend
(middel); Stupefaction, stjûpifakš’n, subst. bedwelming, verdooving,
gevoelloosheid, verbluftheid; Stupefactive = verdoovend, Stupefier =
verdoovend middel; Stupefy, stjûpifai, bedwelmen, verdooven, gevoelloos
maken, verbluffen; Stupendous, stjûpendəs, verbazend groot, kolossaal,
machtig; subst. Stupendousness.
Stupid, stjûpid, stom, dom, onzinnig, dwaas; subst. domoor; Stupidity,
stjupiditi, domheid, stompheid = Stupidness.
Stupor, stjûpə, gevoelloosheid, stompzinnigheid: Stupor of a limb = het
slapen.
Sturdiness, stɐ̂dinəs, subst. v. Sturdy, stɐ̂di, krachtig, stoer, forsch;
brutaal: Sturdy beggar.
Sturdy, stɐ̂di, subst. draaiziekte (bij schapen).
Sturgeon, stɐ̂dž’n, steur; adj. Sturionian, stûriounj’n.
Stutter, stɐtə, stamelen, stotteren; ook subst.; Stutterer; He brought
it out Stutteringly = kwam er stotterend mee voor den dag.
Sty, stai, subst. varkenshok (ook fig.); stijgje of strontje (op het
oog); Sty verb. in een kot opsluiten, leven.
Stygian, stidžən, tot den Styx behoorende, helsch: Stygian darkness =
helsche duisternis.
Style, stail, subst. stilus, stift, zuil, sonde; stijl, manier,
voornaamheid, titel, naam, tijdrekening; Style verb. betitelen, noemen,
aanwijzen: New style = Gregoriaansche tijdrekening; Old style =
Juliaansche tijdrekening; That is the style = zoo hoort het, zoo is het
naar den aard; He lives in style = voornaam; In bad style =
onbetamelijk; In good style = volgens goeden smaak; Stylet = stilet,
stijl, tentijzer; Styliform = stijlvormig; Stylish = naar de mode,
fijn, chic: A stylish dress = een “chique” japon; subst. Stylishness;
Stylist = stylist; Stylite, stailait, styliet, pilaarheilige;
Stylograph, stailəgraf, stift, vulpen; Stylography, stailogrəfi,
teeken- of graveermethode met de stift; Styloid, stailôid, priemvormig.
Styptic, stiptik, subst. en adj. samentrekkend, (bloed)stelpend
(middel).
Styria, stiriə, Stiermarken; Styrian, subst. en adj. (bewoner) van
Stiermarken; Styx, stiks.
Su, s(j)û, Suabia(n) = Swabia(n).
Suability, siûəbiliti, vervolgbaarheid; Suable, siûəb’l, vervolgbaar
(in civiele zaken).
Suakin, swâkin.
Suave, sweiv, swâv, vriendelijk, minzaam, goedig; subst. Suavity,
swaviti.
Sub, sɐb (= Subaltern, Subordinate, Substitute); in samenst.:
eenigszins, zoowat, onder, lager dan, sub; Subagent; Subbeadle =
onderpedèl; Subcommittee; Subdeacon; Subdean; Sub-distinction;
Sub-editor = tweede redacteur; Sub-genus = onderverdeeling;
Subgovernor; Sub-lieutenant = 2e luitnt. = Second l.; Sub-order =
onderverdeeling; Subprior = onderprior; Subrector = conrector;
Sub-species = tweede soort; Sub-title; Sub-treasury = depart. v.
financiën van sommige Amer. steden; Sub-tutor = ondermeester;
Sub-variety = tweede variëteit; Zie verder de afzonderlijke artikelen.
Subacid, sɐbasid, zuurachtig, bijtend, scherp; ook subst.
Subacrid, sɐbakrid, tamelijk scherp.
Subaerial, sɐbəîriəl, onder de lucht.
Subah, sûbə, provincie (Indië); Subahdar, sûbədâ, sûbədâ, gouverneur
eener provincie; inlander met kapiteinsrang.
Subalpine, sɐbalp(a)in, onderaan de Alpen.
Subaltern, sɐb’ltɐ̂n, sɐbôltən, subst. en adj. ondergeschikt (ambtenaar
of officier onder den rang van kapitein); Subalternate, sɐbəltɐ̂nit,
ondergeschikt, opvolgend, afwisselend.
Subaquatic, sɐbekwatik, Subaqueous, sɐbeikwiəs, onder het water
(gevormd, levend).
Subaxillary, sɐbaksiləri, onder den oksel.
Subclavian, sɐbkleivj’n, onder het sleutelbeen.
Subconscious, sɐbkonšəs, half bewust.
Subcostal, sɐbkost’l, onder de ribben.
Subcutaneous, sɐbkjuteiniəs, onderhuidsch: Subcutaneous syringe =
injectiespuitje.
Subdivide, sɐbdivaid, onder verdeelen; Subdivisible, sɐbdivizib’l,
onderverdeelbaar; Subdivision, sɐbdiviž’n, onderafdeeling.
Subdue, sɐbdjû, onderwerpen, onderdrukken, ten onder brengen,
overwinnen, temmen, kastijden, verzachten, omwerken: Subdued humour =
ingehouden humor; Subduer = overwinnaar, onderwerper.
Suberic, siuberik: Suberic acid, kurkzuur; Suberose, siûbərous,
Suberous, siûbərɐs, kurkachtig, zacht, elastisch.
Subjacent, sɐbdžeis’nt, dieper gelegen.
Subject, sɐbdžəkt, subst. onderdaan, onderwerp, thema, cadaver,
patient, medium; adj. onderworpen, blootgesteld, vatbaar, onderhevig,
genegen: I approached the subject with great predilection = vatte de
taak op; To dwell on a subject = er bij stilstaan; Subject to his
approval = afhankelijk van zijne goedkeuring; Subject to fits of anger
= opvliegend; Subject to my order = te mijner beschikking; To hold
subject to a person = ter beschikking houden; Subject-matter =
onderwerp van gedachte of gesprek, stof.
Subject, səbdžekt, onderwerpen, blootstellen; Subjection =
onderwerping, afhankelijkheid: To bring to subjection; Subjective =
subjectief; Subjectivity, sɐbdžəktiviti, subjectiviteit.
Subjoin, səbdžôin, toevoegen, achteraan voegen: I subjoin the following
remarks = voeg hier aan toe; Subjoined = hiernevens.
Subjugate, sɐbdžugeit, onder het juk brengen, gekluisterd houden;
subst. Subjugation; Subjugator = onderwerper.
Subjunction, səbdžɐŋkš’n, bijvoeging, toevoeging: In subjunction to =
verbonden met; Subjunctive = aanvoegende, onderstellende (wijs).
Sublate, səbleit, wegvoeren, verwijderen.
Sublet, sɐblet, onderverhuren.
Sublimate, sɐblimeit, verb. sublimeeren; veredelen; subst. sɐblimit,
sublimaat: Our time tries to sublimate away many dogmas = vele
leerstukken, al verfijnend en veredelend, te doen verdwijnen; subst.
Sublimation.
Sublime, səblaim, adj. verheven; Sublime verb. sublimeeren,
gesublimeerd worden; verheffen, veredelen: The sublime = het verhevene;
Sublime Porte = de Verheven Porte; From the sublime to the ridiculous
there is but one step; Sublimity, səblimiti, verhevenheid: His
Sublimity = titel van den Sultan.
Sublunary, sɐblûnəri, ondermaansch, aardsch.
Submarine, sɐbmərîn, onderzeesch; subst. zeeplant (zeedier); ook
Submarine boat.
Submerge, sɐbmɐ̂dž, onderdompelen, onder water zetten, overstroomen: The
submerged population = de (in den strijd om ’t bestaan) ondergegane
bevolking; Submergence = Submersion, sɐbmâš’n = onderdompeling,
overstrooming.
Submission, səbmiš’n, onderwerping, onderdanigheid, schulderkenning,
nederigheid; Submissive = onderdanig, onderworpen, nederig; subst.
Submissiveness; Submit, səbmit, (zich) onderwerpen of vernederen,
voorleggen, aanbieden, beweren: He had to submit to that humiliation =
moest zich onderwerpen; I submit this matter to your better judgment =
onderwerp; The Governor submitted my name for appointment to the place
= gaf mij op ter benoeming; To submit a testimonial = overleggen; He
submitted that it was impossible = gaf te kennen, gaf toe.
Submultiple, sɐbmɐltip’l, factor.
Subocular, sɐbokjulə, onder het oog.
Subordinate, sɐbödinit, ondergeschikt, onderhoorig; subst.
ondergeschikte, bijzin; Subordinate verb. (sɐbödineit) onderwerpen,
ondergeschikt maken; Subordinateness = Subordination =
ondergeschiktheid, onderwerping; Breaches of subordination =
insubordinatie.
Suborn, sɐbön, omkoopen, tot meineed verleiden: He was hanged
unlawfully, the evidence being suborned = aangezien de getuigen
omgekocht waren; Subornation = omkooping; gehoorzaamheid: Subornation
of perjury = meineed; Suborner.
Subpoena, sɐbpînə, subst. dagvaarding met strafbedreiging bij
niet-verschijning = Writ of subpoena; Subpoena verb. dagvaarden.
Subramose, sɐb-reimous, Subramous, sɐbreiməs, met weinig takken.
Subreption, səbrepš’n, verkrijging op slinksche wijze of door
misleiding; Subreptitious = op slinksche wijze verkregen.
Subrogation, sɐbrəgeiš’n, in-de-plaats-stelling, onderschuiving.
Subscapular, sɐbskapjulə, onder het schouderblad.
Subscribe, səbskraib, onderteekenen, inwilligen, (zich) abonneeren
(for, to): A gold medal had been subscribed for him by the learned
society in acknowledgment of this treatise = was hem vereerd geworden
...; I cannot subscribe to this = kan niet onderschrijven; Shall we
subscribe to this monthly together? = samen inteekenen op; Subscriber =
onderteekenaar, inteekenaar; Subscript = onderteekend; Subscription,
səbskripš’n, inteekening, inschrijving, contributie, onderteekening:
Subscriptions are invited = inschrijvingen worden ingewacht;
Subscription-list = inteekenlijst.
Subsection, sɐbsekš’n, onderafdeeling.
Subsequence, sɐbsikwens, opvolging; Subsequent (to) = later, volgend,
opvolgend: She subsequencely stated this = vervolgens.
Subserve, səbsɐ̂v, dienen, bevorderlijk zijn: The bane of criticism
frequently is that it subserves interests not its own = dat ze andere
belangen dan hare eigene dient; Subservience, Subserviency,
səbsɐ̂vj’ns(i), dienstigheid, bevorderlijkheid, nut; Subservient =
dienstig, dienstbaar, ondergeschikt: Subservient to your interests =
dienstig voor.
Subside, səbsaid, zinken, zakken, bezinken, inzakken; bedaren,
ophouden: The children went to bed and so subsided = en kwamen zoo tot
rust; He subsided into silence = had niets meer te zeggen; Subsidence,
Subsidency, sɐbsidens(i), səbsaidəns(i), zakken, vermindering: The
subsidence must be shored up somehow = in de vermindering (verzakking)
moet op de eene of andere manier worden voorzien.
Subsidiary, səbsidjəri, hulp..., bijkomend; subst. helper: Subsidiary
troops = Subsidiaries = hulptroepen; Subsidize, sɐbsidaiz,
subsidieeren; Subsidy, sɐbsidi, subsidie; Subsidies = bijdragen in de
oorlogskosten.
Subsist, səbsist, bestaan, leven, bestaan van (on, upon), eigen zijn
aan: Man exists, and must subsist on food which should consist of
nourishing ingredients = bestaan van ... bestaan uit; Subsistence,
Subsistency = bestaan, wezen, onderhoud, middel van onderhoud,
inherentie: To have subsistence = bestaan; To gain one’s subsistence =
den kost verdienen; Subsistent, bestaande, inherent.
Subsoil, sɐbsôil, ondergrond; Subsoil verb. den ondergrond omploegen;
Subsoil-plough = ondergrondsploeg.
Substance, sɐbst’ns, zelfstandigheid, stof, werkelijkheid,
hoofdbestanddeel, vermogen: That is in substance what he told me = de
korte inhoud: Substantial, səbstanš’l, werkelijk, wezenlijk; stevig,
deugdelijk, voedzaam, welgesteld, solied, belangrijk, vrij aanzienlijk
(Substancials = hoofdzaken): Many substancial citizens maintained order
= aanzienlijke burgers; Substancial house = kapitaal huis; Substancial
meal = stevig; Substancially correct = in hoofdzaak juist;
Substantiality = het wezenlijke, hoofdzakelijke; deugdelijkheid,
voedzaamheid, bemiddeldheid = Substantialness; Substantiate,
səbstanšieit, werkelijk maken, bewijzen, bevestigen: He could not
substantiate the charge = de beschuldiging niet bewijzen; Substantival,
sɐbst’ntaiv’l, sɐbst’ntaiv’l, zelfstandig; Substantive, sɐbst’ntiv,
subst. en adj. zelfstandig (naamwoord), onafhankelijk: The several
papers have a substantive unity = vormen op zichzelf eene éénheid,
vormen een onafhankelijk geheel; A substantive post, rank, work =
onafhankelijk, afzonderlijk.
Substitute, sɐbstitjût, subst. plaatsvervanger, surrogaat, remplaçant;
Substitute verb. vervangen; Substitution = (plaats)vervanging; adj.
Substitutive.
Substratum, səbstreit’m, onderlaag.
Substruction, sɐbstrɐkš’n, Substructure, sɐbstrɐktjə, benedenbouw,
fundament.
Subtenant, sɐbten’nt, onderhuurder.
Subterfuge, sàbtəfjûdž, uitvlucht, voorwendsel.
Subterranean, sɐbtəreinj’n, Subterraneous, sɐbtəreiniəs, onderaardsch.
Subtile, sɐ(b)til, fijn, dun, teer, ijl; scherp, sluw, spitsvondig;
subst. Subtileness; Subtilization, subst. v. Subtilize, sɐ(b)tilaiz,
fijne onderscheidingen maken, verfijnen, verdunnen, haarklooven;
Subtilty, sɐ(b)tilti, dunheid, fijnheid, spitsvondigheid,
haarklooverij.
Subtle, sɐt’l, slim, listig; Zie Subtile; Subtle-witted = scherpzinnig;
subst. Subtleness, Subtlety = fijnheid, slimheid, arglistigheid.
Subtonic, sɐbtonik, stemhebbende medeklinker.
Subtract, səbtrakt, aftrekken, verminderen: That does not subtract from
his merit = vermindert niet; Subtracter; Subtraction = aftrekking,
vermindering, onttrekking; Subtractive = verminderend, negatief;
Subtrahend, sɐbtrəhend, aftrekker.
Suburb, sɐbɐ̂b, voorstad; omtrek (gew. Suburbs); Suburban, səbɐ̂b’n, van
de voorstad, plat; subst. bewoner van een voorstad.
Subvene, səbvîn, te hulp komen, bijstaan; Subvention, səbvenš’n, subst.
tusschenkomst, rijksbijdrage; Subvention verb. eene (rijks)bijdrage
verleenen, steunen.
Subversion, səbvɐ̂š’n, omverwerping; Subversive = omverwerpend: That
would be subversive of every rule = zou omvergooien.
Subvert, səbvɐ̂t, omkeeren, het onderstboven keeren, vernietigen,
verwoesten; Subvertant, Subverted = omgekeerd (herald.); Subverter =
omverwerper; Subvertible = wat omvergeworpen kan worden.
Subway, sɐbwei, onderaardsche (door)gang, tunnel.
Subworker, sɐbwɐ̂kə, sɐbwɐ̂kə, helper.
Succade, səkeid, sukade.
Succedaneous, səksideinjəs, plaatsvervangend; Succedaneum = surrogaat.
Succeed, səksîd, opvolgen, komen na, slagen, verkrijgen, goed afloopen:
As darkness succeeds light = zooals de duisternis komt na het licht:
Nothing succeeds like success = wie heeft, dien wordt gegeven: He did
not succeed in getting the place = slaagde er niet in; He succeeded to
the title = volgde op in; That will not succeed with me = gaat niet op
bij mij; Nothing succeeds with him = niets gelukt hem; Succeeder.