Stop, stop, subst. beletsel, hinderpaal, stoornis, ophouding, einde,

leesteeken, toets, klep, register (orgel); Stop verb. verstoppen,

dichtstoppen, stelpen, beletten, verhinderen, belemmeren, weerhouden,

onderdrukken, stoppen, stilstaan, pareeren, besnijden, den toon regelen

met een stop, etc.: Full stop = punt; To come to a stop = blijven

steken, hokken, plotseling blijven staan; Put a stop to his nonsense =

maak een einde aan; I found him on the top of the bus, and pressed him

to stop off = dat hij een tijdje met mij naar huis zou gaan; Stop

thief! = houd den dief; He stopped short = bleef plotseling staan,

hield ineens op; Where are you stopping? = logeert gij; To stop a

neighbour’s light = betimmeren; Will you stop (stay) supper? = blijven

soupeeren; Stop-cock = kraan; Stopgap = noodhulp, bladvulling,

stopwoord, nestkuikentje; Stop-order = opdracht met limitatie;

Stop-watch = subst. horloge dat naar verkiezing kan worden stilgezet;

adj. vluchtig, te hooi en te gras: Most of them are stop-watch

excursionists = het is den meesten om een vluchtig bezoek te doen;

Stoppage, stopidž, het stoppen, tegenhouden, inhouden (v. salaris),

staken van betalingen, stilstand (in handel, etc.); Stopper = subst.

wie of wat stopt of tegenhoudt, stop (van eene flesch), kort eind touw

om vast te maken; Stop verb. een kurk doen op, stoppen, sluiten: A

Stoped bottle; A Stopless cruet = olie- en azijnstelletje zonder stop

of kurk; Stopping: Stopping-place; Stopping-train = boemeltrein;

Stopple, subst. stop, prop; Stople verb. met een stop sluiten.

Storax, stôraks, soort v. welriekende hars.

Store, stö, subst. voorraad, overvloed, groot aantal, pakhuis,

magazijn, proviand; winkel (Am.); adj. opgestapeld, voorhanden; Store

verb. opstapelen, opleggen, opslaan, in het pakhuis bergen, voorzien:

In store = voorhanden; To have (keep) in store; A great pleasure, a

scolding is in store for you = staat je te wachten; I lay great store

on my introduction by you = stel grooten prijs op; To set great store

by = op hoogen prijs stellen; Stores = benoodigdheden; coöperatieve

winkel of bazaar: The army and navy stores = de coöperat. winkels der

ambtenaren van oorlog en marine; Baby stores = magazijnen voor

kindergoed; Commissary of stores = intendant; The ship was stored to

the last scuttle of coals = was van alles tot het geringste toe

voorzien; Storehouse = pakhuis, bergplaats, voorraadschuur, schatkamer:

This booklet is a storehouse of facts = bevat een schat van feiten;

Store-keeper = magazijnhouder, winkelier (Amer.); Store-room =

magazijnkamer, bergplaats; Store-ship = proviandschip; Storage,

stôridž, opberging, bergloon, opstapeling, verzameling; Storage battery

= accumulator.

Storied, stôrid, beroemd, beschreven of versierd met tafereelen uit de

geschiedenis, met eene geschiedenis; (in samenst.: met eene verdieping:

Four-storied = met 4 verdiepingen). Zie Story.

Stork, stök, ooievaar; Stork’s-bill = reigersbek (plant).

Storm, stöm, storm, onweer, regen, hevige stoornis, ontroering; Storm

verb. bestormen, stormen, woeden: A storm of applause = stormachtige

toejuichingen; A storm of bullets = kogelregen; A storm of rain =

plasregen; Storms of fate = levensstormen; The ship was overtaken by a

storm = door een storm overvallen; This raised a storm of indignation =

deed ontstaan; The town was taken by storm = stormenderhand; A period

of storm and stress = tijd van opwinding en onrust; The Storm and

Stress period in German literature = de “Sturm und Drang” periode in de

D. letterkunde; They were stormed at with shot and shell = ontvangen

met een regen van; Storm-beat(en) = door stormen geteisterd;

Storm-bird, Storm-finch = stormzwaluw; Storm-cock = groene specht;

Storm-cone = kegel als stormsignaal; Storm-drum = cylinder als

stormsignaal; Storm-jib = stormstagzeil; Storm-sail = stormzeil;

Storm-signal = stormsignaal; Stormer = bestormer; Stormful = onstuimig;

Storming party = stormloopende troep; Storminess, subst. v. Stormy =

stormachtig, hevig, hartstochtelijk; Stormy-petrel = stormzwaluw.

Storthing, stötiŋ, parlement van Noorwegen.

Story, stôri, subst. verhaal, vertelling, geschiedenis; verdieping;

Story verb. verhalen vertellen, tot onderwerp van een verhaal maken:

But that’s another story = heel wat anders; That is but an idle story =

een praatje; He is wrong in the upper story = het schort hem in de

bovenste verdieping; Here my story ends = nu is mijn verhaal uit; As

the story has it, goes = zooals het verhaal of praatje luidt; To make a

long story short = om kort te gaan; Don’t tell stories = vertel nu geen

leugentjes; Story-book = vertelselboek; Story-teller = verhaler,

verteller; leugenaar; Story-telling = het verhalen, of leugens

vertellen; Story-writer. Zie Storied.

Stot, stot, jonge stier.

Stoughton, stout’n.

Stound, staund, stekende pijn; verwondering; Stound verb. pijn doen;

verdooven.

Stoup, stûp, wijwaterbakje, flesch, kruik.

Stour, stûə, strijd, tumult.

Stourbridge, stɐ̂bridž; Stourford, stûəfəd.

Stout, staut, subst. donker Eng. bier; adj. krachtig, flink, dapper,

sterk, gezet, gewichtig: With a stout heart = moedig, dapper;

Stout-built = krachtig gebouwd; Stout-hearted = moedig, dapper, subst.

Stout-heartedness; Stoutish = vrij gezet; Stoutness = stevigheid,

flinkheid, gezetheid.

Stove, stouv, subst. kachel, fornuis, stoof, broeikas; Stove verb. warm

houden, in een broeikas zetten: Peat stove = theestoof; Spirit stove =

theelichtje; Wooden stove = stoof; Stovepipe hat = kachelpijp, hooge

hoed.

Stove, stouv, imp. en p.p. van Stave: Her bows and bulwarks were stove

in, and her rudder was lost = werden ingeloopen.

Stow, stou, stuwen, bergen, plaatsen, uitscheiden: Stow that = schei

daarmede uit; Stowage = het wegbergen, geborgen zijn, bergplaats,

bewaargeld, pakhuisloon: It is safely stowed, In safe stowage = veilig

geborgen of geplaatst; Stowaway = blinde passagier: iemand die zich om

vrijen overtocht aan boord te verkrijgen, tijdelijk verscholen houdt.

Stowe, stou; Stowel, stouəl.

Strabism, streibizm, het scheelzien; Strabotomy, strəbotəmi, operatie

voor scheelheid.

Strachan, strôn.

Straddle, strad’l, het wijdbeens staan of loopen; afwachtende houding

(Amer.); Straddle verb. wijdbeens staan of loopen, schrijlings staan

boven of zitten op; een afwachtende houding aannemen: Yonder straddle

cannot be the characteristic of the sublime = gindsche wijdbeensche

gestalte; He rode straddle-legged = schrijlings.

Straggle, strag’l, afdwalen, zwerven, verstrooid zijn of liggen, in

ongeregelde orde loopen, ronddwalen, woekeren (van planten); Straggler

= zwerver, landlooper, achterblijver, wilde tak of uitlooper: Some

straggles of the hunting train = eenige achtergeblevenen v. den

jachtstoet; Straggling: Straggling houses = verspreid liggende huizen;

A straggling street = onregelm. straat (vooral als de huizen niet op

eene lijn staan); A straggly beard = een ongelijke, slordige baard.

Straight, streit, recht, direct, rechtop, oprecht, eerlijk, onvermengd,

onmiddellijk: It is as straight as you can go = al maar recht uit; To

do the straight thing = eerlijk handelen; To be in the straight for

home = huistoe gaan; To act (speak) straight from the elbow = ronduit,

royaal; To bring matters straight = in orde brengen; To contradict

straight out = vierkant tegenspreken; Do it straight = direct; I gave

it him straight = heb het hem ronduit gezegd; To lie straight out =

rechtuit; To look straight in the face; We shall make it straight = in

orde brengen, recht maken; To pull straight = terecht trekken; To set

straight = terecht zetten, in orde brengen; He is a straight up and

down man = door en door eerlijke vent; Straight-fronted corset = corset

“droit devant”; Straighten = recht maken: To straighten one’s glasses,

necktie = terecht zetten, trekken; I unconsciously straightened myself

= richtte me op; This mistake ought to be Straightened out = verholpen;

Straightforward = oprecht, ronduit, eerlijk; subst.

Straightforwardness; Straightness = rechtheid, etc.; Straightway =

onmiddellijk, dadelijk.

Strain, strein, subst. inspanning, spanning, druk, krachtige poging,

streven, verstuiking, verdraaiing (fig.), toon, lied, melodie, trant,

stijl, afkomst, ras, karaktertrek; Strain verb. rekken, uitrekken,

verrekken, spannen, zich inspannen (afsloven), overspannen, drukken,

dwingen, verdraaien, filtreeren: His bulldog strain = zijn

bulhondenmanier (toon); He read on in the same strain = op denzelfden

toon; That is rather a strain on me = dat vergt vrij wat inspanning van

mij; There was a great strain on the masts = de masten hadden heel wat

te houden; Expectation is still on the strain = de verwachting is nog

hoog gespannen; To take too high a strain = een te hoogen toon

aanslaan; You strain courtesy = je maakt te veel complimenten; To

strain one’s eyes = erg inspannen; You strain the law and all the rules

in your support = verdraait wet en regel om u te dekken; To strain

every nerve = alle krachten inspannen; To strain a point = te ver gaan:

That would be straining a point = dat zou overdrijving wezen; To strain

one’s voice = uitzetten; Strained interpretation = gewrongen

uitlegging; Strained relations = gespannen verhoudingen; To strain

after novelty by starting paradoxes = uit zijn op iets nieuws; They

strain at (beter: out) the gnat and swallow the camel = zij zuigen

(zijgen) de mug uit en slikken den kemel door; The curtain strained a

restful light into the room = liet doordringen; To strain off the water

= het water afgieten; All the impurities were strained out = het werd

gezuiverd van; We have strained the milk through linen = gefiltreerd;

Strainer = zijgdoek, vergiet; Straining = inspanning, etc.; blikgat.

Strait, streit, subst. bergengte, pas, zeestraat (gew. meerv.);

moeilijkheid, verlegenheid; adj. nauw, beperkt, streng, moeilijk: The

Straits of Gibraltar = de straat van G.; We were in a strait (in great

straits) = zaten “erin”, in de klem; To drive a person (in)to straits =

in ’t nauw brengen; The straitest advocate of popular rights must

acknowledge this = de meest onvervalschte voorstander; Strait formality

= stijve vormelijkheid; In strait of money = in geldverlegenheid;

Strait-jacket (Strait-waistcoat) = dwangbuis; Strait-laced = stijf of

strak geregen, gedwongen, stijf, kleingeestig: We are not so strait =

wij nemen het niet zoo nauw; Straiten = nauw maken, beperken, strak

aanhalen, in verlegenheid brengen: This circumstance has straitened me

in money matters = heeft mij in ongelegenheid gebracht; To be in

straitened circumstances = bekrompen; Straitness = bekrompenheid,

gestrengheid, verlegenheid, moeielijkheid.

Strake, streik, ijzeren hoepel, gangplanken (op een schip), kort

zijspoor.

Stramineous, strəminjəs, van stroo, lichtgeel.

Strand, strand, subst. strand; streng, streen, vlecht; Strand verb. op

het strand (zetten) loopen, stranden: I used my skill in smoothing the

strands of their lives = om voor hen de kinken uit de kabel te slaan;

Stranded goods; Strand-wolf = bruine hyena.

Strange, streinž, vreemd, zonderling, onbekend, ongewoon: Strange to

say, he did not know me = ’t is vreemd; I am strange in London =

onbekend in (met); subst. Strangeness; Stranger = vreemdeling,

onbekende, nieuweling, oningewijde; adj. vreemd: This foreigner is no

stranger here = deze buitenlander is hier goed bekend; He is a stranger

to this business, our plans = eene nieuweling, niet op de hoogte van;

To make a (no) stranger of a person = als (niet als) een vreemde

behandelen.

Strangle, straŋg’l, worgen, onderdrukken, verstikken: To strangle a

bill = een wetsontwerp bij de 1ste of 2de lezing doen vallen; Strangler

= worger, onderdrukker; Strangles = droes bij paarden; Strangulated,

straŋgjuleitid: Strangulated hernia = beklemde breuk; Strangulation,

straŋgjuleiš’n, worging, beklemming.

Strap, strap, subst. riem, drijfriem, beugel, schouderbedekking,

baardschraper; Strap verb. met een riem vastmaken, ermee afranselen,

aanzetten op een riem: Endless strap = riem zonder eind; Straps =

souspieds; Strap-hanger = passagier, die zich aan een strap vast houdt

omdat er geen zitplaats is; Strapper = pootige kerel; manwijf;

Strapping = flink, groot en sterk gebouwd: A strapping young fellow.

Strasburg, strasbɐ̂g.

Stratagem, stratədž’m, krijgslist, sluwe zet, list; Strategic(al),

strətedžik(’l), strategisch; Strategics = strategie; Strategist,

stratidžist, strateeg; Strategy, stratidži.

Strath, strath, riviervallei (Schotl.); Strathmore, strathmö;

Strathspey, strathspei, strathspei = een Schotsche dans.

Stratification, stratifikeiš’n, laagswijze ligging; Stratiform = in

lagen; Stratify, stratifai, in lagen op elkaar liggen; Stratum,

streit’m, laag.

Stratus, streitəs, laag wolken.

Straw, strô, stroo(halm), stroohoed, lange pijp; adj. van stroo,

waardeloos, onecht; Straw verb. met stroo vullen of omwinden: A straw

shows how the wind blows = kleinigheden zijn soms sterke aanwijzingen;

He is a man of straw = stroopop, nietsbeteekenend man, gefingeerde

persoon; Women in the straw = kraamvrouwen (plat); It is not worth a

straw = geen lor waard; I do not care a straw (two straws) = het kan me

geen zier schelen; To condemn to straw = voor stapelgek verklaren; A

drowning man will catch at a straw = zich aan een stroohalm

vastklampen; His eyes draw straws = het zandmannetje komt; We got from

the bed on the straw = wij geraakten van het bed op het stroo; He does

not sit here to pick straws = hij zit hier ook niet om vliegen te

vangen; You have been picking straws = gij zijt aan het stroodorschen

geweest; To split straws = spijkers op laag water zoeken; Straw-bail =

waardelooze borgtocht; Straw-bid = schijnbod, ook verb.; Straw-board =

strookarton; Straw-bonnet = stroohoed; Straw-bottomed = met zitting van

stroo; Straw-built = van stroo gemaakt; Straw-colour = lichtgele kleur;

Straw-cutter = hakselmachine; Straw-hat = stroohoed; Straw-mattress;

Straw-paper = stroopapier; Straw-rope = strootouw; Straw-wisp = wisch;

Straw-yard = asyl voor dakloozen; Strawy = van stroo, als stroo.

Strawberry, strôberi, aardbei; Strawberry-leaf = symbool van

hertogelijke waardigheid: To work for the strawberry-leaf = naar den

hertogstitel streven; Strawberry-tree = aardbeziënboom.

Stray, strei, subst. verdwaald dier; adj. verdwaald, toevallig, los;

Stray verb. zwerven, dwalen, afdwalen, kronkelen: Stray notes on

Pronunciation = losse wenken of aanteekeningen; Stray sheep = verdoold

schaap, verdoolde; Stray visitor = toevallig; He strayed from the right

path = raakte van het goede pad af; Strayer, Strayling = verdwaalde,

afgedwaalde.

Streak, strîk, subst. streep, ader; Streak verb. strepen vormen,

aderen; uitsnijden (= To streak it): I had a streak of luck, and

followed it up = ik had een kansje, en maakte er gebruik van;

Streakiness, subst. v. Streaky = gestreept, doorregen; verontrust

(Amer.).

Stream, strîm, subst. stroom, strooming; Stream verb. stroomen,

uitstroomen, zwemmen, fladderen, wapperen, overboord gooien, wasschen:

Stream of air (light, words); Tributary streams = zijrivieren; To row

against the stream = tegen den stroom op roeien (fig.); To go (float)

with the stream; Up, down the stream = stroom op, stroom af; Streamer =

wimpel, lamfer, serpentine; Streamers = noorderlicht; Streamlet =

stroompje, riviertje; Streamy = rijk in stroomen of lichtbundels.

Streel, strîl, sleepen: Her train streeled after her like the tail of a

comet = sleepte haar na.

Street, strît, straat: In (the middle of) the street = (midden) op

straat: The street was blocked, stopped up = de straat was versperd;

The man in the street = het groote publiek; To be on the streets = op

straat staan (fig.); She is on (walks) the streets, Went upon the

streets = is, ging de baan op (fig.); To turn out into the street = op

straat zetten; Street-arab = verwaarloosd kind; Street-car = tramwagen

(Amer.); Street-door = voordeur; Street-orderly = straatveger,

vuilnisman; Street-sweeper = straatveger; Street-walker = prostituée.

Strength, streŋth, kracht, spierkracht, sterkte, taaiheid,

weerstandsvermogen, krijgsmacht, aantal: He claimed acquaintance with

me on the strength of having seen me there = op grond dat; He recovered

strength very soon = kreeg weldra zijne krachten terug; A

“Try-your-strength” machine = krachtmeter op kermissen; Strengthen =

versterken, bevestigen, doen toenemen; Strengthener = versterker,

versterkend middel; Strengthless.

Strenuous, strenjuɐs, ijverig, krachtig, energiek: Strenuous exertion =

krachtige poging of inspanning; subst. Strenuousness.

Stress, stres, subst. kracht, druk, nadruk, klem, aandrang, hoofdzaak,

gewicht; Stress verb. den nadruk of klem leggen op: Principal, Even

stress = hoofdklem, zwevende klem; Ill through stress of work = door

overwèrken; Under the stress of circumstances = drang; Under a stress

of weather = in zwaar weer; He laid stress upon it = drong er op aan,

legde er nadruk op; The second syllable is stressed = de klem ligt op

de tweede lettergreep.

Stretch, stretš, subst. uitgestrektheid, spanning, inspanning, geval

van nood (On stretch), overdrijving, slag (bij ’t laveeren), recht

einde van een baan, richting; Stretch verb. uitstrekken, uitsteken,

rekken, op de leest slaan, inspannen, overdrijven, met volle zeilen

varen, in gestrekten galop rijden: At (On) a stretch = achtereen,

zonder ophouden; You can get this at a stretch = desnoods, op zijn

hoogst; To keep on (put upon, to) the stretch = in spanning houden,

spannen; We stretched south = voeren naar het Z.; Shall I stretch the

gloves for you? = uwe handschoenen even oprekken; I want to stretch my

legs = ik moet mijne beenen eens wat strekken; To stretch metals =

metaal uitsmeden; To stretch a point = zich bijzonder inspannen, veel

moeite doen; You are stretching the truth = doet der waarheid geweld

aan; He stretched forth his hands = stak uit; Stretcher = rekker,

draagbaar, spoorstok (waar de voet op rust bij het roeien), leugen:

Stretch-bearers = de soldaten aangewezen om gewonden weg te dragen;

Stretching-course = streksche steenen.

Strew, strû, strou, (be)strooien, verspreiden, bezaaien, uitstrooien:

Illustrations strew almost every page = bijna iedere bladzijde is

rijkelijk geïllustreerd; Strewn = gestrooid.

Stria, straiə, groef, fijne streep, cannelure; Striate, straiit,

gegroefd, met fijne lijnen of strepen gemerkt; subst. Striation,

straieiš’n.

Stricken, strik’n, geslagen, vergevorderd: Stricken in age, in years =

hoogbejaard; Stricken down in the full bloom of youth = weggenomen,

gestorven.

Strickle, strik’l, strijkel (bij het graanmeten), wetsteen voor zeisen.

Strict, strikt, precies, nauwkeurig, streng: He kept a strict watch

over us = hield streng toezicht; This won’t do in strict grammar = dat

kan er streng grammatisch niet door; subst. Strictness; Stricture,

striktjə, kritische opmerking, zinspeling (met upon); strictuur: He

passed strictures on me = maakte aanmerkingen op mij.

Stride, straid, subst. groote stap, schrede, klein eindje; Stride verb.

schrijden, groote stappen doen, afstappen: It’s only a cock stride =

het is maar eene haneschree; Giant’s stride = zweef (gymn.); To get

into one’s stride = op streek komen; To take long strides.

Strident, straid’nt, krassend, snijdend; Stridor, straidə, hard

krassend geluid; Stridulation = piepend, snorrend geluid; Stridulous,

stridjulɐs, krassend, piepend, knarsend.

Strife, straif, strijd, twist: To be at strife.

Strike, straik, subst. strijkel (bij het graanmeten), maat van ½ tot 4

bushels; werkstaking; Strike verb. slaan, stooten, botsen, treffen,

strijken, afstrijken (bij het graanmeten), licht aanraken, staken,

munten, stooten op, aanheffen, aannemen, (wortel)schieten: To come, to

go on strike = het werk staken; To declare a strike off = opheffen; To

strike accounts = rekeningen afsluiten, opmaken; To strike an attitude

= zich in postuur stellen; To strike foolish attitudes = dwaze

houdingen aannemen; To strike a bargain = een koop sluiten; To strike a

blow = een slag toebrengen; The camp was struck, marching orders having

been received = het kamp werd opgebroken; To strike coins = munten

slaan; To strike fire = vuur slaan; To strike one’s foot against =

stooten met; We struck hands with them = sloten een verdrag; To strike

a match on one’s sleeve = aanstrijken; To strike oil = een

petroleumbron ontdekken; fortuin maken; We struck the railway and

followed the line = kwamen aan de spoorlijn; The ship struck a hidden

rock = stootte op een blinde klip; To strike sail = strijken; To strike

the sands = op ’t strand loopen; We could strike no soundings there =

konden er geen grond vinden; To strike work = het werk staken; Heaven

has struck him blind (dumb) = heeft hem met blindheid, stomheid

geslagen; It strikes cool after these hot rooms = ’t voelt kil, komt

kil aan; To strike home = raak slaan, gevoelig treffen; An idea strikes

me = daar valt me in; It strikes me that you are pale = het valt mij

op; He struck at my heart = richtte een slag op; The moment he comes

back, I strike for a subscription = zal ik een poging doen om hem te

laten inteekenen; Here the cricket struck in = viel mee in, begon mee

te doen; He died of small-pox struck in = naar binnen geslagen; I’ll

try to strike in with your wishes = te doen overeenkomstig; Let us

strike into that green track = inslaan; Strike off a shilling = doe er

af; He was struck off the roll (list) = geroyeerd; He struck off the

heads of all the poppies = sloeg af; Struck on a girl = verliefd op; He

struck out forcibly = sloeg krachtig armen en beenen uit (bij het

zwemmen); To strike out for oneself = zich zelf een weg banen (fig.);

Why did you not strike out this word? = heb je niet doorgehaald; I have

struck out an entirely new plan = bedacht; To strike to = zich

overgeven, slaan op; The band struck up the national anthem = zette in;

I have struck up a friendship (an acquaintance) with him = heb

aangeknoopt; Strike-measure = strijkmaat; Striker = wie of wat slaat,

treft, enz., handlanger, officiers-oppasser (Amer.); werkstaker,

verouderde term voor Batsman; Striking = treffend, opvallend: A

striking-looking person = met een opvallend uiterlijk; I wind up the

striking-part, striking-work = slagwerk.

String, striŋ, touw of touwtje, snoer, riem, pees, reeks, serie, snaar,

koord, nerf, vezel, spier, zweep (Amer.); String verb. aan een touwtje

rijgen, spannen, besnaren, afhalen, van een pees voorzien, te pakken

nemen: Schubert’s Quartette for strings = voor strijkorkest; Have you

got a bit of string for me = een touwtje; He has two strings to his bow

= meer dan een pijl op zijn boog; A string of endearing names = eene

reeks “lieve” namen; A pretty string of prattling schoolgirls = een

snoezig troepje; In a string = op een rijtje, aan een risje; He has all

the world in a string = alles danst naar zijn pijpen; I have an other

on the string = achter de hand; To have a person on a string = aan ’t

lijntje; All his nerves were strung to the utmost = waren ten hoogste

gespannen; She felt completely strung up = zeer krachtig en vol leven;

To string beads = kralen aanrijgen; To string beans = boonen afhalen;

String-band = strijkorkest; String-beans = snijboonen; Stringed:

Stringed instrument; Stringed quartet = strijkkwartet. Zie Stringiness.

Stringency, strinž’nsi, strengheid, preciesheid, schaarschte,

gedruktheid; Stringent = beperkt, nadrukkelijk, hard, streng, bindend.

Stringiness, striŋinəs, subst. v. Stringy = vezelig, kleverig, vol

pezen; Stringy-bark = soort v. eucalyptus (Austral.); Stringy-barker =

jong kolonist (omdat ze in huizen woonden van Stringy-bark gemaakt).

Strip, strip, subst. reepje, strookje; vernieling (Amer.): Strips =

karwats, tuchtiging; Strip verb. afstroopen, strippen, ontkleeden,

ontdoen, onttakelen, uitmelken, berooven, wegnemen, schillen: He was

stripped of everything = beroofd; She stripped off her gloves = trok

uit; Strip-leaf = strippeling; Stripper = die afstroopt; namelker;

Strippings = de laatste melk uit eene koe.

Stripe, straip, subst. streep, striem, slag, chevron; Stripe verb.

strepen, strepen vormen, striemen: He has got (lost) his stripes = hij

heeft de strepen gekregen (is gedégradeerd); Striped = gestreept.

Engelsch woordenboek. Eerste deel: Engelsch-Nederlandsch (met uitgeschreven verkortingen) · 第 125 / 152 段