vuurstaal; adj. stalen, als staal; Steel verb. stalen, (ver)harden: I
am steeled against adversity = gehard tegen; Steel your heart with
courage = staal uw hart met moed; Steel-clad = gepantserd; Steel
engraving = staalgravure, het graveeren op staal; Steel-headed = met
stalen hoofd (kop); Steel-pen = stalen pen; rok; Steel-plated = met
platen van staal bedekt; Steel-spring = stalen veer; Steel-trap = val
met stalen veeren; Steel-wire = staaldraad; Steelworks = staalfabriek;
Steel-yard = unster; Steely = van staal gemaakt, als staal, hard,
onbuigzaam.
Steep, stîp, subst. steilte, afgrond; loog, vloeibare mest; adj. steil,
moeilijk, onwaarschijnlijk; Steep verb. indoopen, bevochtigen,
doorweken, roten: To put the clothes in steep = in de week; That sounds
very steep; Steeped in blood = in bloed gedoopt; met bloed doorweekt;
Steepen = steil(er) worden; Steepness = steilheid.
Steeple, stîp’l, toren met spits; Steeplechase = wedren met
hindernissen; Steeplechaser = paard of ruiter voor dien wedren;
Steeple-jack = iemand die torens of schoorsteenen repareert.
Steer, stîə, subst. jonge os; Steers = runderen (Amer.); Steer verb.
castreeren.
Steer, stîə, verb. sturen, richten, naar het roer luisteren: It will be
wellnigh impossible to steer clear of all these vessels = om al deze
schepen vrij te loopen; He steered his course for Scotland = zette
koers naar; Steerage, stîridž, stuurmanskunst, het sturen, tusschendek;
Steerage-passenger = tusschendekspassagier; Steerage-way = voldoende
snelheid om te kunnen sturen; Steerer = stuurman, stuur, klantenlokker
(Amer.); Steering = het sturen: Steering-chain, Steering-gear =
stuurketting, stuurtoestel; Steering-handle = stuur; Steering-wheel =
stuurrad; Steersman = roerganger.
Steeve, stîv, hellen (van den boegspriet), stouwen; Steeving = hoek van
den boegspriet met den horizon.
Stellar, stelə, vol sterren, met sterren bezaaid, stervormig,
sterren.... = Stellary; Stellate, stelit, stervormig, gestraald:
Stellate aniseed = steranijs; Stelliferous = vol sterren; Stelliform =
stervormig; Stellular, steljulə, met sterretjes bezet, stervormig.
Stem, stem, subst. stam, stengel, steel, geslacht, tak, loot, buis,
boeg, voorsteven; Stem verb. tegenhouden, zich verzetten, strippen: A
stream of moonlight, no thicker than the stem of an arrow = de schacht
van een pijl; From stem to stern = van vóór- tot achtersteven; To stem
tobacco = strippen; To stem the tide = zeilen tegen tij of stroom;
Stem-leaf = stengelblad; Stem-winder = remontoir-horloge; Stemless.
Stench, stenš, stank; Stenchy = stinkend.
Stencil, stensil, schabloon; Stencil verb. met behulp van een schabloon
merken of verven.
Stenograph, stenəgraf, stenogram, stenograph, teeken; Stenographer,
stənogrəfə, stenograaf; Stenographic, stenəgrafik, stenografisch;
Stenography, stənogrəfi, stenographie.
Stentor, stentö, Stentor; adj. Stentorian, stentôriən: Stentorian
voice.
Step, step, subst. stap, trede, trap, sport, tred, pas, graad (Steps =
stoep, huistrap); Step verb. stappen, voortschrijden, uitsnijden (it),
afstappen, afleggen, inzetten: To follow (walk) in the steps of a
person = iemands voetstappen drukken; To keep step = in den pas
blijven; I cannot keep step with him = hem niet bijblijven; With these
allies ministers have to keep step in the line of march they have
chosen = rekening te houden; To make a false step; To take the
necessary steps = stappen doen (fig.); Step by step = voetje voor
voetje; Flight of steps = bordes, stoep; She could wash steps = de
stoep “doen”; I stepped after him = ging hem achterna; Here my brother
stepped in = kwam tusschenbeide, sprak een woordje mee; He stepped into
his property = aanvaardde; Stepbrother = stiefbroer; Stepchild;
Step-dance = horlepijp, klompendans; Stepfather; Step-girl =
dienstmeisje voor ruw werk, om b.v. de stoep schoon te houden;
Stepmother = stiefmoeder; Stepsister; Stepson; Stepped: Stepped gables
= trapgevels; Stepping: Stepping-stone = steenen in beek of moeras om
op te stappen; middel ter bereiking v. een doel: This post became a
stepping-stone to greater honour = baande den weg tot grootere eer.
Stephano, stefənou. Stephen, stîv’n; Stephenson, stîv’ns’n.
Steppe, step, steppe.
Stercoraceous, stɐ̂kəreišəs, als mest, van mest, mest ...
Stere, stêə, stîə, stère.
Stereo, steriou, stîriou, verk. van Stereotype; Steriometer,
steriomətə, stiriomətə, stereometer; adj. Stereometric(al);
Stereometry, steriomətri, stîriomətri, stereometrie; Stereoscope,
steriəskoup, stîrəskoup, stereoscoop; adj. Stereoscopic; Stereotype,
steriətaip, stîriətaip, subst. steriotiepplaat; Stereotype verb.
stereotiep drukken: Here a man gets soon stereotyped = begint te
vegeteeren.
Sterile, ster(a)il, onvruchtbaar, dor, hol, leeg, steriel; Sterility =
onvruchtbaarheid, armoede van geest, steriliteit; Sterilization, subst.
v. Sterilize, sterilaiz, onvruchtbaar maken, uitputten van land,
steriliseeren.
Sterlet, stɐ̂let, kleine steur (Rusland).
Sterling, stɐ̂liŋ, adj. echt, onvervalscht, zuiver, degelijk: A pound
sterling = 20 shillings.
Stern, stɐ̂n, subst. achtersteven, spiegel, hek, achterschip, achterste
en staart (van dieren): To sit at the stern of state = aan het roer van
staat; Stern-board = achterwaartsche beweging van een schip;
Stern-chase = jacht waarbij twee schepen denzelfden koers volgen;
Stern-chaser = kanon op het achterschip; Stern-fast = meertouw aan den
achtersteven; Stern-port = spiegelpoort; Stern-post = achtersteven;
Stern-sheets = stuurstoel; Stern-way = achterwaartsche beweging van een
schip; Stern-wheel = enkel scheprad aan den achtersteven eener
stoomboot; Stern-wheeler = stoomboot met stern-wheel; Sternmost =
geheel achteraan, het dichtst bij den achtersteven.
Stern, stɐ̂n, ernstig, streng, onstuimig, hardvochtig: To repress with a
stern arm = met den sterken arm (fig.); Stern necessity; subst.
Sternness.
Sternal, stɐ̂n’l, behoorende tot het Sternum, stɐ̂n’m, borstbeen.
Sternutation, stɐ̂njuteiš’n, het niezen; Sternutatory, stɐ̂njûtətəri, het
niezen opwekkend; niesmiddel.
Stethoscope, stethəskoup, stethoscoop; adj. Stethoscopic(al).
Stevens, stîvənz; Stevenson, stîvəns’n.
Steve, stîv, stuwen, stouwen; Stevedore, stîv’dö, stuwadoor: Dockers
and steves = dokwerkers en stuwadoors.
Stew, stjû, subst. dampbad, verlegenheid, oesterbank (Amer.), gestoofd
vleesch of eten, brouwsel (Stews = bordeel); Stew verb. stoven, braden
(het warm hebben), blokken: All that stew of calumny and envy = al dat
brouwsel van laster en nijd; Everything is in a stew = in beroering;
You have made a stew of it = den boel verknoeid, er een “potje” van
gemaakt; Stew-pan; Stew-pot.
Steward, stjûəd, rentmeester, opzichter, hofmeester, bottelier,
ceremoniemeester: Lord High Steward of England = hoog ambtenaar voor
bijzondere gelegenheden (kroning bijv.) benoemd; Stewardess =
hofmeesteres; Stewardship = betrekking van steward.
Steyne, stain.
Stibium, stibiəm, antimonium, spiesglans.
Stick, stik, subst. stok, pijp, hark (fig.), roede, rijsje,
viool(trommel)stok, haak, stoot, stilstand; Stick verb. doorsteken,
steken, vaststeken, prikken, kleven, blijven steken, stokken; plakken,
blijven, getrouw blijven: Rather a stick of a girl = nogal een
houterige meid; A stick of sealing-wax = pijp lak; Composing stick =
zethaak; She was as cross as two sticks = zoo boos als een spin; To
have hold of the stick = het heft in handen hebben; To cut one’s stick
= er uit snijden; It is easy to find a stick to beat a dog; To leave
neither stick nor stone standing = geen twee steenen op elkaar laten;
Stick no bills = verboden hier iets aan te plakken; He sticks the bits
together = lijmt de stukken aan elkander; They stuck their heads (wigs)
together = staken de koppen bij elkaar; Stick a pin there! = steek daar
een speldje bij, onthoud dat; To stick pins upon a person’s sleeves =
iemand likken (fig.); To stick placards on a wall = biljetten op een
muur plakken; We will “stick it”, come what may = ten einde toe
volhouden; He is as clever as he can stick = door en door helder; The
window sticks a bit = klemt; He sticks like a bur = hangt (aan iemand)
als een klis; He sticks at nothing = hij staat voor niets = He is a
stick-at-nothing fellow; He sticks at no scruples = gewetensbezwaren
kent hij niet; He sticks by us = hij steunt ons getrouw; To stick in
the mire = in den modder blijven zitten, in de klem zitten;
Stick-in-the-mud = treuzel; You stick it on rather too stiff =
overvraagt wel wat erg; He sticks out to the last = hij houdt vol,
weigert; I have stuck out an excellent plan = ontworpen; He stuck out
his legs = stak uit; They stick out their stomachs = zetten eene hooge
borst op; His ears stick out = staan ver van het hoofd; He sticks to
his work, and sticks to his friends = volhardt in zijn werk, en blijft
zijnen vrienden getrouw; To stick up = rechtop of overeind staan: I
will stick up for you as long as I possibly can = het voor u opnemen;
Stick-up collar = vadermoorder; Stick and groove = middel om vuur te
maken door een puntigen stok in een gegroefd stuk hout snel op en neer
te bewegen; Stick-fast = soort lijm; plakker, klis; Stick-jaw =
kleverige lekkernijen; Sticker = incourant artikel (Amer.); Sticking:
Sticking-plaster = hechtpleister. Zie Sticky.
Stickle, stik’l, de partij opnemen van, hardnekkig op kleinigheden
staan, aarzelen: Why should you stickle to going to them = waarom zoudt
ge bezwaren maken; You should not be stickling about the rights of
others = bezwaren opwerpen omtrent; Stickler = ijveraar, vormelijk
mensch: He was a stickler for the dignity of the church = hij ijverde
voor; She is a stickler for old-fashioned gallantry = zij is erg
gehecht aan.
Stickleback, stik’lbak, stekelbaarsje.
Sticky, stiki, kleverig: Hints for the sticky season = wenken voor het
natte, vochtige seizoen.
Stiff, stif, stijf, onbuigzaam, vasthoudend, hoog, vast, sterk, flink,
moeielijk, zwaar; subst. papier, wissel, geld: That is stiff at first =
valt eerst niet mee; The arithmetic was pretty stiff = vrij moeilijk; I
gave it him pretty stiff = heb hem duchtig geraakt; He was stiff in
such points = stond hardnekkig op; This is the last glass of grog, but
it shall be a stiff one = maar het zal een sterke grog zijn; They made
their stiff in America = hun geld; Stiff country = taaie, voor paarden
zware bodem; Stiff pace = flinke gang; We sold them at stiff prices =
voor hooge prijzen; Stiff and stark = stijf en strak; He is as stiff as
a poker = zoo stijf als een stuk hout; Stiff-necked = eigenzinnig;
subst. Stiff-neckedness; Stiffen = verstijven, hard worden;
aanwakkeren, vast worden; stijgen, stijf (hardnekkig) maken, stijven:
To stiff cloth with starch = stijven; To stiff one’s neck = halsstarrig
worden; Stiffer = wie of wat stijf maakt; Stiffish = eenigszins stijf;
Stiffness = stijfheid, etc.
Stifle, staif’l, subst. kniegewricht van een paard, gal aan de
knieschijf van paarden.
Stifle, staif’l, verstikken, smoren, uitblusschen, dooden: The air was
stifling = het was om te stikken.
Stigma, stigmə, brandmerk, schandvlek, moedervlek, stigma (bij
insecten); adj. Stigmatic, stigmatik; Stigmatization, subst. v.
Stigmatize, stigmataiz, brandmerken, schandvlekken.
Stile, stail, subst. naald (van den zonnewijzer), opstap (om over
hekken etc. te klimmen): To help a lame dog over the stile = een zetje
geven, een handje helpen.
Stiletto, stiletou, kleine dolk, stilet: The man was all stiletto and
mask = was in geen enkel opzicht te vertrouwen.
Still, stil, subst. kalmte, stilte; distilleerketel, branderij; adj.
stil, zacht, kalm, rustig, niet mousseerend (v. wijnen enz.); Still
verb. stillen, kalmeeren, inhouden, doen bedaren, distilleeren: To lie
(sit, stand) still; I sat as still as still = doodstil; Still waters
run deep = stille waters hebben diepe gronden; Still-born =
doodgeboren, ontijdig, zonder succes; Still-life = stilleven;
Still-room = distilleerkamer; provisiekamer, dienkeuken; Stilliform =
druppelvormig; Stillness = kalmte, stilte.
Still, stil, nog, steeds; conj. toch, intusschen: Is not he a child
still? = is hij niet nog een kind? He was still not coming = hij kwam
nog maar niet.
Stillage, stilidž, stellage, schraag: A bar with counter and stillage =
buffet, met toonbank en stellage.
Stilt, stilt, subst. stelt, steltlooper (= Stilt-bird); Stilt verb. op
stelten zetten, kunstmatig opheffen: On stilts = op stelten;
hoogdravend; To go (walk) on stilts; Stilt-walker = steltlooper;
Stiltedness = hoogdravendheid.
Stilton, stilt’n: It’s not the Stilton = dat past niet; Stilton cheese,
een te St. bereide kaassoort.
Stimulant, stimjul’nt, prikkelend; opwekkend; subst. opwekkend middel,
prikkel; Stimulate, stimjuleit, aansporen, aanzetten, prikkelen; subst.
Stimulation; Stimulative = prikkelend, etc.; subst. prikkel, etc.;
Stimulator = aanzetter, aanspoorder; Stimulus, stimjuləs, prikkel,
opwekkend middel, stekel: To give a stimulus to = aansporen, opfleuren.
Sting, stiŋ, subst. angel, stekel, prikkel, steek, wroeging of knaging
(= Stings of conscience); Sting verb. steken, prikkelen, pijn doen,
pijnlijk treffen: Your narrative stings me to the heart = is me een
steek door het hart; Stung with remorse = vol gewetenswroeging; Stung
with sorrow = smartelijk getroffen; Stinger = stekel, steek, pijnlijke
slag, vorstig weer: He received a stinger in his face = een harden
slag; Sting-bull = pieterman; Sting-fish = kleine pieterman of
steekvischje; Stingray = Stingtail = stekelrog = Stingaree, stiŋgərî;
Stinging: Stinging-nettle = brandnetel; Stingless.
Stinginess, stindžinəs, subst. v. Stingy, stinži, vrekkig, gierig.
Stink, stiŋk, subst. stank, ruzie; Stink verb. stinken, in slechten
reuk staan: It stinks in the people’s nostrils = het is het volk een
walg; Stink-pot = stinkpot; Stinkard = stinkdier.
Stint, stint, subst. grens, perk, maat; zeeleeuwerik, bepaalde
hoeveelheid, toebedeelde taak; Stint verb. beperken, eene bepaalde taak
aanwijzen, stukwerk geven; zich bekrimpen: They stint themselves =
bekrimpen zich; He does not stint his confidence = is niet karig met;
Stinted in growth = in den groei belemmerd; They were stinted to a
certain number of dishes = mochten niet gaan boven, waren beperkt tot;
Stintedness = beperking; Stintless = overvloedig.
Stipe, staip, (Meerv. Stipes, staipîz), stengel, stronk, stam.
Stipend, staip’nd, jaarwedde, bezoldiging; inkomsten van een geestelijk
ambt (Schotl.); Stipendiary, staipendjəri, subst. bezoldigd
politierechter; bezoldigde, loontrekkende; adj. bezoldigd.
Stipple, stip’l, punteeren, stippelen; ook subst.: A bold sketch
without stippling or varnish; Stippler = punteerpenseel.
Stipulate, stipjuleit, stipuleeren, vaststellen, bedingen; adj.
(stipjulit) van steunblaadjes voorzien; subst. Stipulation; Stipulator.
Stir, stɐ̂, subst. beroering, drukte, opwinding, oploop, oproer, leven,
geraas; Stir verb. roeren, omroeren, oprakelen, bewegen, in beweging
brengen, zich bewegen, in beweging zijn, verluiden, gebeuren, opstaan,
op zijn, bezig zijn, uitgaan, etc.: It made quite a stir = baarde veel
opzien; Not a breath is stirring = er beweegt zich geen windje; There
is no money stirring = er komt geen geld onder de menschen; There is no
news stirring = er is niets geen nieuws; Is nobody stirring? = is nog
niemand op? My blood was stirred = raakte aan ’t koken; You shall not
stir abroad (from the house, a step out of this house) to-day = je komt
vandaag de deur niet uit; Something stirred in my memory = kwam op in
mijne herinnering; He stirred the hot mixture round and round = roerde
maar steeds; These measures stirred up the nation = schudden de natie
wakker; Stir-about = haverpap, bedrijvig persoon; Stir-up Sunday = de
26e Zondag na Pinkster.
Stirrup, stirəp, stɐ̂rəp, stijgbeugel: He has his foot in the stirrup =
zijn voet in den beugel; Stirrup-cup = afscheidsglaasje (glaasje op de
valreep); Stirrup-leather (Stirrup-strap) = riem van den stijgbeugel;
Stirrup-oil = flink pak ransel.
Stitch, stitš, subst. steek (Stitch in the side = steek in de zijde);
Stitch verb. naaien, bestikken, innaaien (van boeken), stikken, voren
graven: Without a stitch of clothes = stuk kleeren; A stitch in time
saves nine = werk op tijd maakt welbereid; She made several false
stitches = verkeerde steken; The surgeon stitched up the wound = naaide
de wond dicht; Stitch-wort = sterremuur.
Stive, staiv, smoren.
Stiver, staivə, stuiver, kleinigheid.
Stoat, stout, wezel, hermelijn.
Stock, stok, subst. stam, stengel, stronk, paal, blok, houten klaas;
lade van een geweer of pistool, oorsprong, geslacht, voorraad,
veestapel, kapitaal, fonds, aandeel (kapitaal), effecten, stropdas,
bouillon, voorhanden goederen, gereedschap; adj. voorhanden, lijf - -,
vast, stam - -; Stock verb. opleggen, vullen, verrijken, voorzien, van
vee voorzien, bevolken, opslaan: Dead stock = werktuigen en producten;
Live stock = levende have; Rolling stock = rollend materieel; Working
stock = materiëel; Stocks = blok (strafwerktuig), aandeelen, effecten,
stapelblokken: We must get it on the stocks soon = op stapel zetten; To
put in the stocks = in het blok zetten; He cried his stock = ventte
luide; The clergyman took stock of the young fellow = nam op; The
notary took stock of everything = maakte een inventaris op; He took
little stock in the Franco-Russian alliance = stelde weinig vertrouwen;
To be in stock = goed bij kas zijn; To have in (on) stock = in
voorraad; Stock of learning = schat van kennis; Stock in trade =
bedrijfskapitaal; Stock piece = répertoirestuk; His Stock remarks =
vaste, steriotype aanm.; Being overstocked, we cannot insert your paper
= aangezien we te veel copie hebben; We are well stocked with
everything = ruim van alles voorzien; A garden stocked with raspberries
= vol frambozen; Stock-breeder = veefokker; Stock-broker = makelaar in
effecten; Stock-dove = kleine boschduif; Stock-exchange =
effectenbeurs; Stock-farm = boerderij voor veeteelt; Stock-farmer;
Stock-feeding = mesten; Stock-fish = stokvisch: Mute as a stock-fish =
zoo stom als een visch; Stock-gilliflower = winterviolier; Stock-holder
= aandeelhouder; Stock-jobber = effectenhandelaar of speculant;
Stock-jobbery; Stock-list = koerslijst; Stock-man = veehoeder;
Stock-market = geldmarkt; veemarkt; Stock-pot = pot waarin bouillon
staat te trekken; Stock-raiser = fokker; Stock-rider = bereden
veehoeder (Austr.); Stock-rose = stokroos; Stock-station = fokstation;
Stock-still = bewegingloos; Stock-taking = inventarisatie; Stock-ticker
= instrument, dat den stand der beurs aangeeft; Stock-watering =
nominale vergrooting van kapitaal; Stock-yard = omsloten plaats voor
vee. Zie Stockish.
Stockade, stokeid, subst. omheining, palisadeering; Stockade verb.
omheinen, met palisaden versterken.
Stockinet, stokinet, katoen voor kousen, etc.
Stocking, stokiŋ, kous: He stands six feet in his stockings (in his
stocking-feet) = op zijne kousen is hij zes voet lang; He wants to fill
his stocking = hij wenscht een kous te maken (fig.); To hang up a
stocking = (met kerstmis door kinderen); To make a stocking = een kous
maken; Stocking-frame = machine om kousen, enz. te weven; Stocking-yarn
= breiwol.
Stockish, stokiš, stijf; Stocky = dik, gezet; eigenzinnig.
Stodge, stodž, volstoppen: Schools should not merely stodge us with
information = volproppen met; Stodgy, stodži, adj. dik, gezet,
onverteerbaar.
Stoic, stouik, subst. Stoicijn, adj. stoicijnsch; Stoical =
stoicijnsch; subst. Stoicalness; Stoicism = leer der Stoicijnen,
ongevoeligheid.
Stoke, stouk, stoken: Stoke-hold = Stoke-hole = stookruimte (-gat);
Stoker = stoker: Gas stokes.
Stole, stoul, lang los gewaad, smalle zijden doek waarvan de uiteinden
breed uitloopen, die om den hals gehangen tot aan de knieën reikt;
stola: Groom of the stole = opperkamerheer (in Engeland).
Stole, stoul, Stolen, stoul’n, imperf. en p.p. van to steal.
Stolid, stolid, dom, ongevoelig, stijf, onbehouwen; subst. Stolidity,
stoliditi = Stolidness.
Stomach, stɐmək, subst. maag, (gewoonlijk voor) buik, eetlust, neiging,
moed, toorn, norschheid, aanmatiging; Stomach verb. slikken, verduwen:
To disorder (spoil, upset) one’s stomach = zijn maag bederven; My
stomach rises = ik word misselijk; It goes against the stomach with me
= stuit me tegen de borst; To have little stomach for = weinig trek
hebben in; Such food sticks in the stomach = ligt zwaar op de maag; To
turn a person’s stomach = misselijk maken; He stomached that injury =
slikte die beleediging; Stomach-ache = maagpijn, buikpijn; Stomach-pump
= maagpomp; Stomach-worm: The stomach-worm gnaws = mijn maag jeukt;
Stomacher, stɐməkə, lijfje, borstlap; Stomachic, stəmakik,
maagversterkend, maag...; maagmiddel: Stomachic fever = gastrische
koorts.
Stone, stoun, subst. steen, edelsteen, druksteen, pit, niersteen,
hagelkorrel of strontje op het oog; bij de rensport en bij wol en
haver, gewicht van 14 lbs = ± 6,360 K.G.; bij vleesch en visch in
Londen ± 3,629 K.G.; adj. steenen; Stone verb. steenigen, met steenen
plaveien of omwallen, steenen (pitten) verwijderen uit: The
philosopher’s stone = de steen der wijzen; Stone of offence = steen des
aanstoots; To break stones = steenen kloppen; I will not cast the first
stone at him = den eersten steen niet werpen; You cannot get blood out
of a stone = waar niets is heeft de keizer zijn recht verloren; To kill
two birds with a stone = twee vliegen in één klap slaan; Not to leave a
stone standing = geen twee steenen op elkaar laten; To leave no stone
unturned = niets onbeproefd laten; To mark with a white stone = (als
iets bijzonders) met een krijtje aan de balk schrijven; To walk upon
the stones = rondslenteren; To stone plums = de pitten uit pruimen
verwijderen; Stone-age = steenperiode; Stone-blind = stekeblind;
Stone-bottle = kruik; Stone-break = knollige steenbreek; Stone-broke =
aan lager wal: Your money came in precious handy, for I was close on
stone-broke = want ik was “er aan toe”; Stone-buck = steenbok;
Stone-chat(ter) = roodborst-tapuit; Stone-coal = anthraciet;
Stone-coral = massief koraal (tegenover getakt); Stonecrop = muurpeper;
Stone-curlew (-plover) = griel; Stone-cutter = steenhouwer;
steensnijder; Stone-dead = morsdood; Stone-deaf = stokdoof;
Stone-falcon = steenvalk; Stone-fruit = steenvrucht; Stone-hammer =
steenhamer; Stone-hard = zoo hard als steen, ongevoelig; Stone-hatch =
bontbek-pluvier; Stone-hearted = met een hart van steen; Stone-horse =
hengst; muurpeper; Stone-mason = steenhouwer; Stone-pit = steengroeve =
Stone-quarry; Stone’s-cast, stone’s-throw = steenworp: Within a
stone’s-throw = op den afstand v. een steenworp; Stone-still = volkomen
stil, bewegingloos; Stone-wall = steenen muur; Stone-walling tactics =
parlementaire obstructie; Stone ware = aardewerk of steengoed;
Stonework = metselwerk; Stone-wort = waterhalm; Stoniness, subst. v.
Stony = steenachtig, vol steenen, meedoogenloos, verhard, zonder geld;
Stone-hearted = hardvochtig.
Stood, stud, imperf. en p. perf. v. to stand.
Stook, stuk, subst. 12 schoven; Stook verb. in schoven zetten.
Stool, stûl, kruk; stoel(gang), stomp waaruit takken spruiten (zooals
b.v. bij knotwilgen); Stool verb. uitspruiten: Between two stools we
come to the ground = tusschen twee stoelen zit men in de asch; Stool of
repentance = zondaarsbank (Schotl.); Stool-pigeon = lokduif, lokvogel.
Stoop, stûp, bukken (ook fig.), buiging, kruik of flesch (van 2 quart);
stoep, bordes (Amer.); Stoop verb. bukken (ook fig.), zich vernederen
of verlagen, buigen, neerschieten (van roofvogels), neervallen,
afdalen: His hair is grizzled, and he begins to stoop = gedoken of
gebukt te loopen (= Has a stoop, Walks with a stoop); He stooped to the
meanest measures = verlaagde zich; Stoop-shouldered = met ronde
schouders.