Stale, steil, subst. ier (van paarden en runderen); adj. verschaald,

oud, oudbakken, muf, afgejakkerd, flauw, verzwakt door te sterk trainen

(= Gone stale); Stale verb. waardeloos maken, (laten) bederven,

verflauwen, wateren (van paarden en runderen): Stale joke; Stale news;

Stale wine; To grow stale = zich afsloven, oud worden: The public has

gone stale on party politics = heeft genoeg van; Stalemate, subst.

schaakmat; Stalemate verb. mat zetten, in ’t nauw brengen; subst.

Staleness.

Stalk, stôk, subst. stengel, steel, schacht; trotsche en statige gang;

Stalk verb. voorzichtig besluipen; trotsch stappen, schrijden: We

stalked the deer = beslopen de herten; Stalked plants = stengelplanten;

Stalker = hij die stalks; soort van vischnet; trotsche stapper;

Stalking: Stalking-horse = paard of paardevorm, waarachter de jager

zich met zijn boog verborg; voorwendsel, masker, dekmantel; Stalkless =

stengelloos.

Stall, stôl, subst. stal, stalletje, kraam, afdeeling in een Stable;

stoel van een domheer, stalles in een schouwburg; Stall verb. in een

stal plaatsen, in den modder vastrijden (vastzitten); van zich

afschuiven: Butcher’s stall; To keep a stall = met een stalletje staan;

She would not be stalled off, and contended that her opinion was right

= zich niet laten afschepen; Stall-feed = in den stal (met droog

voeder) voederen; Stall-keeper = houder van een stalletje; Stallage =

recht om met een kraam te staan, staan- of marktgeld (= Stall-money).

Stallion, stalj’n, (dek)hengst; Stallion-fees = dekgelden.

Stalwart, stôlwət, stalwət, stolwət, krachtig, flink, stoer,

stoutmoedig, geducht; subst. kopstuk, hoofdman; subst. Stalwartness.

Stamboul, stambûl.

Stamen, steim’n, meeldraad.

Stamina, staminə, vaste deelen van een lichaam die dit tot steun

dienen, weerstands- en volhardingsvermogen.

Stamin, steimin, etamine.

Staminiferous, staminifərɐs: Staminiferous flower = mannelijke bloem.

Stammel, stam’l, soort v. wollen stof v. hardroode kleur.

Stammer, stamə, subst. gestamel; Stammer verb. stamelen, stotteren,

aarzelend uitbrengen; Stammerer.

Stamp, stamp, subst. stempel, zegel, postzegel, postmerk, merk,

karakter, aard, prent (Stamps = papiergeld, Amer.), het stampen,

ertsstamper; Stamp verb. stempelen, zegelen, inprenten, een postzegel

doen op; stampen, stampvoeten, onderdrukken: Of the right stamp = van

het rechte soort; They are all of the same stamp = van dezelfde soort;

To have (bear) the stamp of = den stempel dragen van; To stamp on the

mind = inprenten; The fire was stamped out = werd uitgetrapt; Their

nationality was stamped out = vernietigd; We must try to stamp these

abuses out = die misbruiken uit te roeien; Stamp Act = zegelwet;

Stamp-album = postzegelalbum; Stamp-collection; Stamp-collector =

(post)zegelverzamelaar; Stamp-duty = zegelrecht; Stamp-office =

zegelkantoor; Stamper = stempel(aar).

Stampede, stampîd, subst. plotselinge schrik, wilde vlucht, groote

beroering; Stampede verb. plotseling op de vlucht (doen) slaan: There

was a regular stampede of teachers to the sea-side = een ware uittocht.

Stanch, stânš; Zie Staunch.

Stanchion, stanš’n, steun, paal, stut, schoor.

Stand, stand, subst. stand, stilstand, ophouding, halt, weerstand,

verlegenheidrang, standertje, statief, onderstel, stomme, knecht,

staanplaats (voor rijtuigen), stalletje, kraam, ton, stel, tribune;

Stand verb. staan, gaan staan, stilstaan, standhouden, bestaan, van

kracht zijn, vast zijn, berusten op, luiden, koersen, verdragen,

dulden, opgewassen zijn tegen, doorstaan, staan voor, van belang of nut

zijn, etc.: Then ministers were at a stand = zaten met de handen in het

haar; To jump at a stand = met gesloten voeten springen; Things came to

a sudden stand = toen stokten plotseling de zaken geheel; The troops

made a stand against the enemies = hielden stand; I take my stand by

you and on my right = sta u ter zijde en houd mij aan mijn recht; A

stand of arms = geweer met toebehooren; Fifty stand of colours were

taken = standaarden (vaandels); A stand for bottles (casks); These

towns are one night stands = in deze steden geven wij maar ééne

voorstelling; Watch stand = horlogestandaard; Stand there = ga (blijf)

daar staan; I take the thing as it stands = zooals het is; I will stand

you a bottle (a treat) = trakteer; He stands six feet in his boots =

hij is 6 voet lang; To stand fire = standhouden onder vijandelijk vuur;

To stand one’s ground = standhouden, volhouden; I will stand you halves

= sta je half; I stood the flowerpot in the window = zette den bloempot

voor het raam; He stood my friend = toonde te zijn; He stood sentence

on that count = had zich te verantwoorden wegens die aanklacht; I have

stood sentry here for ever so long = sta hier ik weet niet hoe lang al

op post; I stood them a supper = onthaalde ze op een souper; I stood a

supper for them = betaalde hun souper; To stand the test = proef

doorstaan; To stand the tooth of ages = den tand des tijds weerstaan;

To stand trial = terecht staan; To stand in awe of = ontzag hebben

voor; That will stand in hand = uwe belangen bevorderen; You stand in

my light = staat me in den weg, werkt me tegen; This passage stands

sorely in need of correction = heeft ernstig verbetering noodig; The

money will stand me in good stead = zal mij goed te pas komen; His

hairs stand on end = rijzen te berge; It stands to reason that you

cannot go there = het spreekt vanzelf: To stand to make a profit on =

kans hebben te verdienen op; He stood to win much in that case = hij

had kans; To stand affected = geneigd zijn; It stands agreed = is

uitgemaakt; Stand aside = ga op zij; Stand clear = uit den weg! To

stand corrected = ongelijk bekennen; He stands fair for (getting) that

place = heeft veel kans; To stand well (ill) with a person = op goeden

(slechten) voet staan met; He stood against fearful odds = had een

enorme overmacht tegen zich; To stand by a person through thick and

thin = met iemand meegaan door dik en dun; I will not stand by and see

you offended = er geen getuige van zijn; You must stand by = u gereed

houden; The witness was told to stand down = naar zijne plaats te gaan,

te gaan zitten; He stood for this borough at the election = was

candidaat voor dit district; He stands for that place = solliciteert

naar; The ship stood for the Atlantic = stak ... in; Stand forth = kom

naar voren; He stood forth against his enemies = bood het hoofd aan; We

stood from the shore = hielden van de kust af; The boats stood in from

sea = koersten naar binnen; He stood in with the thief = maakte gemeene

zaak met; He stands off = houdt zich op een afstand; The ship stood off

and on = hield nu eens van den wal af, en dan er weer op aan; You must

stand on your defence = je flink verdedigen; Don’t stand on ceremonies

= sta niet op; To stand out = naar voren treden, uitsteken, uitkomen,

in ’t oog springen, volharden, standhouden, staan op, uitstaan, zich

terugtrekken: Stand out of my sight = ga uit mijne oogen; To stand out

to sea = zee kiezen; He higgles and stands out till the shopman gives

in = hij dingt en houdt vol; To stand over = blijven staan, blijven

liggen, onbetaald blijven; I stand to (by) what I said = blijf bij

(houd vol); They stood to their guns = wisten van geen wijken; To stand

towards the shore = aanhouden op; He has stood under many troubles =

veel smart geleden; The whole people stood up to a man = stond op als

één man; I stand up for my right = kom op voor; They stood up (for the

dance) = namen hunne plaats in, traden aan; To stand up with a lady =

eene dame ten dans leiden; To stand up to = krachtig weerstand bieden;

She always stood upon her dignity = stond op; Stand-by = toeverlaat; He

is awfully stand-off = erg op een afstand; Stand-offish = op een

afstand (fig.); Stand-ups = Stand-up collars = staande; It was a

stand-up fight = felle strijd; A stand-up supper = loopend souper;

Stand-cask = ligger; Stand-fast = steunpunt; Stand-pipe = standpijp;

Stand-point = standpunt; Stand-still = stilstand: To come to a

stand-still = tot staan komen, stoppen; Stander = wie staat, etc.;

Several Standers-by = omstanders. Zie Standing.

Standard, standəd, subst. standaard, vlag, normaal gewicht (sterkte,

prijs, maat), gehalte, richtsnoer, graad; adj. vastgesteld, standaard -

-: Standard of beauty = ideaal; The standard of length = de

lengtestandaard of -éénheid; Standard-bearer = vaandeldrager; Standard

clock; Standard works = standaardwerken.

Standing, standiŋ, subst. stand, post, plaats, duur, rang, standplaats

(voor rijtuigen, enz.); adj. vast, bepaald, vaststaand, stilstaand: She

took him for his standing = om zijn hoogen rang, positie; A debt of

several years’ standing = die al eenige jaren oud is; Cronies of old

standing = oude kameraden; There’s no standing it = dat is niet uit te

staan; Standing army = staand leger; Standing dish = vaste schotel; He

is a standing question = hij is een echte vraagal, hij vraagt altijd

door; Standing rigging = staand want: I have no Standing room = plaats

om te staan; Standing-stones = vóórhistorische, door menschen

opgerichte steenen; Standing-out debts = achterstallige schulden.

Stang, staŋ, lange paal of schacht: To ride the stang = op een paal

door de plaats gedragen worden (oude straf voor mannen, die hun vrouw

hadden geslagen).

Stanhope, stanhoup, stanəp, licht vierwielig wagentje zonder kap;

Stanhope-press = soort van drukpers.

Stank, staŋk, imperf. van to stink.

Stannary, stanəri, subst. tinmijn; adj. tot tinmijnen behoorende;

Stannary-courts = rechtbank voor de tinmijnwerkers in Cornwall; Stannic

acid; Stanniferous, stənifərɐs, tinhoudend.

Stanza, stanzə, vers.

Staphyle, stafilî, huig.

Staple, steip’l, subst. stapel, vezel of draad van wol, katoen, of

vlas; stapelplaats, markt, voornaamste product of artikel,

hoofdbestanddeel; kram; adj. vast, voornaamst; Staple verb. de

verschillende draden of soorten uitzoeken: That is the staple amusement

of our village = hoofdamusement; Staple goods = hoofdproducten;

Staple-house; Staple-town; Staple-trade; Stapled = met een draad of

vezel.

Star, stâ, subst. ster (ook fig.), sterretje (*); Star verb. met

sterren versieren, een stervormige breuk maken of vertoonen,

gastvoorstellingen geven: Fixed, Falling, Flying, Shooting, Polar star

= vaste (vallende, pool) ster; To be born under a lucky star; He is a

star of the first magnitude = eene ster van de eerste grootte; If you

don’t shut up, you see stars = krijg je er een, dat de vonken je uit de

oogen springen; I thank my star(s) for it = de hemel zij gedankt; Oh,

my stars (and halters) = O goeie genade! The actor was Starring in the

provinces = gaf gastvoorstellingen; Star-blind = halfblind;

Star-Chamber = voormalig gerechtshof te Westminster, dat naar eigen

opvatting in plaats van volgens de wet vonniste, afgeschaft in 1640;

Star-crossed = ongelukkig; Starfinch = roodstaartje; Starfish =

zeester; Star-flower (= Star of Bethlehem) = vogelmelk; Star-fort =

sterreschans; Star-gazer = sterrenwichelaar; Star-gazing =

sterrenkijken; verstrooidheid; Starlight = sterrenlicht; Starlit =

helder, door de sterren verlicht; Star-shoot = lichtbol; aardgelei of

sterrenspeeksel; Star-spangled = met sterren bezaaid: The Star-spangled

(American) banner; Star-stone = variëteit van saffier; Star-trap =

tooneelluik (waardoor een geest plotseling verschijnt en verdwijnt);

Star-like; Starred = gesternd: His ill (evil)-Starred father = zijn

ongelukkige vader; Starriness, subst. v. Starry = met sterren bezaaid,

schitterend, gelijk eene ster.

Starboard, stâböd, subst. stuurboord; adj. aan stuurboordzijde,

rechtsch.

Starch, stâtš, subst. stijfsel; adj. stijf, gemaakt, keurigjes; Starch

verb. stijven: Not a bit of starch left in him = zoo “mak” mogelijk;

Starch respectability = het fatsoen, dat in stijve boorden, manchetten,

enz. zit; Starch-maker (Starch-manufacturer); Starched = stijf (fig.);

subst. Starch(ed)ness; (Clear) Starcher = stijfster; Starchy = van

stijfsel, formeel, precies.

Stare, stêə, subst. starende blik; Stare verb. aanstaren, aangapen,

verschrikt of verbaasd kijken, in ’t oog springen: To give a person a

stare = aanstaren; To take a long stare at; Don’t stand staring at me =

sta mij niet aan te gapen; He stared me down = zijn blik deed mij de

oogen neerslaan; Don’t stare me in the face = kijk me niet zoo strak

aan; It stares you in the face = het is zoo klaar als een klontje, ligt

vlak bij je; The contract is always staring me in the face = staat mij

altijd dreigend voor de oogen; He stared me out of countenance = maakte

me verlegen; Starer; He looked staringly at me = met opengesperde

oogen.

Stark, stâk, streng, stijf, geheel: Stiff and stark = stijf en strak;

Stark nonsense = groote onzin; Stark blind = stekeblind; Stark mad =

stapelgek; He told the stark-naked truth = de naakte waarheid; Starken

= stijf aantrekken.

Starling, stâliŋ, spreeuw; ompaling van een brug, ijsbreker of

stroombreker vóór een brug.

Start, stât, subst. plotselinge beweging (als van schrik of

ontsteltenis), sprong, voorsprong, (punt van) vertrek, begin; Start

verb. opschrikken, opspringen, ontstellen, schichtig worden,

ineenkrimpen, vertrekken, afrijden, beginnen, oprichten, aan den gang

brengen, aanzetten, opjagen, losgaan, losspringen, gapen, losmaken,

uitgieten, ledigen: That’s a queer start = een rare manier van doen

(van aanpakken); By fits and starts = met horten en stooten, bij buien;

He did it with a start = plotseling, met een ruk; He gave a start =

sprong ontsteld op; He gave me a start (started me) in life = hielp mij

aan den gang; To make a new start (in life) = een ander leven beginnen;

Don’t start such arguments on Sundays = werp zulke kwesties niet op; We

started a branch establishment = hebben een filiaal opgericht; He may

be dull at starting game, he is unrivalled in hunting it down = hij mag

niet heel sterk zijn in het opjagen van wild; The table was started at

two guineas = de tafel werd ingezet voor; He fairly started = schrok er

bepaald van; I started at the sight = verschrikte, ontstelde op het

gezicht; We are starting for America = gaan op reis naar A.; He started

from the hideous dream in time = hij ontwaakte verschrikt, schrok

wakker; He often talks and starts in his sleep = en schrikt op in zijn

slaap; Tears would start into her eyes = schoten haar in de oogen; To

start up steam = stoom opmaken; He was ugly to start with = om te

beginnen: hij was leelijk; Starter = opzichter, hij die bij wedrennen,

enz. het teeken van vertrek geeft; opdrijvende jachthond; Starting:

Starting-hole = sluipweg, uitvlucht; Starting-point = punt van vertrek

of uitgang, uitgangspunt; Starting-post = beginpaal (bij een wedren);

Startingly = met rukken en horten; Startish = schuw, schichtig;

Startle, subst. schrik, schok; Startle verb. schrikken, ontstellen,

doen ontstellen, onaangenaam verrassen: He was startled at what he

heard there = ontstelde van; Startling = hoogelijk verbazend, schrik

aanjagend, ontstellend: Startling news.

Starvation, stâveiš’n, hongerlijden, verhongering, gebrek: We were

reduced to a state of starvation = we verhongerden ten slotte; Starve,

stâv, van gebrek en honger (doen) omkomen, gebrek (doen) lijden: He

tried to starve the garrison into surrendering = door honger tot

overgave te dwingen; (= To starve out); They were starving with cold =

kwamen om van koude; Starveling, subst. hongerlijder; kwijnende plant;

uitgehongerd dier; adj. hongerig, ellendig, mager: His own threadbare

and starveling condition = armoedige en ellendige toestand; Starving

system = hongerkuur.

Stash, staš, ophouden: Stash that grin = schei uit met dat gegrinnik;

Stash the glim! = ’t licht uit.

Statant, steit’nt, staande (herald.).

State, steit, subst. staat, toestand, stemming van de markt; rang,

stand, luister, rijk; adj. staats..., officieel, staatsie...; State

verb. vaststellen, de bijzonderheden mededeelen, verhalen: The queen

appeared in state = verscheen officieel, in allen luister; You need not

get into a state over it = je er niet zoo driftig over maken; To lie in

state = op het praalbed liggen; To live in (a) great state = op grooten

voet; States General = de Staten-generaal (Frankr. in 1789; Nederland);

I wish to state this first of all = wensch te constateeren; Let us

state the case lucidly = laat ons het geval duidelijk stellen;

State-affairs = staatszaken; State-ball = hofbal; State-cabin = luxe

hut; State-carriage = staatsierijtuig; State-craft = staatkunde;

State-criminal = politiek misdadiger; State-house = gebouw waarin de

Staten vergaderen (Amer.); State-paper = officieel stuk, staatscourant;

State-prison = staatsgevangenis; State-prisoner = staatsgevangene;

Stateroom = staatsiezaal, kajuit; afdeeling van een slaapwagon; hut (=

State-cabin); State-stroke = staatsgreep; State-trial = politiek

proces; Statesman = staatsman, Amerikaan; Statesmanlike, Statesmanly =

als een staatsman; Statesmanship = staatkunde, beleid; Stated: You

must keep stated hours for your work = bepaalde uren hebben; Stateless

= zonder praal of staatsie; Stateliness, subst. v. Stately = statig,

prachtig, grootsch; Statement = verhaal, stelling, opgave.

Static(al), statik(’l), tot het evenwicht behoorende; Statics =

statica, leer van het evenwicht.

Station, steiš’n, subst. stand, het staan, standplaats, post, rang,

(politie)bureau, station, fokkerij, fokstation; Station verb. plaatsen,

stationneeren: His station in life was exalted = rang in de

maatschappij; I take (up) my station there = plaats mij daar; Policemen

are stationed at streetcorners = staan op post; Station-clerk;

Station-house = politiebureau; station; Station-master (-mistress) =

stationschef; Stationary = stilstaand, vast: Stationary engine =

vaststaande machine; To remain stationary = op dezelfde hoogte blijven;

Stationer = handelaar in schrijf behoeften: Fancy stationer = handelaar

in luxepapier, fantasieartikelen, enz.; Flying stationer = colporteur;

Registered at Stationers’ Hall = copierecht verzekerd door inschrijving

in de registers van deze Hall (gilde); Stationery = schrijfbehoeften.

Statistical, stətistik(’l), de statistiek betreffende; Statistician,

statistiš’n, statisticus; Statistics, statistiek(en).

Statuary, statjuəri, de beeldhouwkunst betreffend; subst.

beeldhouwkunst, beeldhouwer, standbeelden; Statue, statju, subst.

standbeeld: A statue was erected (raised) to him = er werd een

standbeeld voor hem opgericht; Equestrian statue = ruiterstandbeeld;

Statue-like = Statuesque, statjuesk, standbeeldachtig, onbewegelijk;

Statuette, statjuet, beeldje.

Stature, statjə, gestalte, lengte.

Status, steitəs, toestand, stand.

Statutable, statjutəb’l, volgens de wet, wettelijk, normaal: He was not

statutably eligible = volgens de wet verkiesbaar; Statute, statjut,

wet, keur, instelling: Statute law = de geschreven wet; Statute of

limitations = wet omtrent schuldverjaring; Statute-cap = wollen muts,

die onder Koningin Eliz. de burgers Zondags moesten dragen;

Statute-labour = verplichte arbeid door het rijk geëischt voor het

maken van bruggen, wegen, enz. in Schotl.; Statutory, statjutəri,

volgens de wet, wettelijk voorgeschreven: Statutory declaration =

schriftelijk gegeven eerewoord in plaats v. een eed.

Staunch, stânš, stônš, adj. sterk, krachtig, hecht, waterdicht; trouw,

betrouwbaar: Staunch verb. stelpen, tegenhouden: He is a staunch

Catholic = een oprecht Katholiek; To staunch a wound; Stauncher = wie

of wat stelpt; Staunchless = wat niet te stelpen is; subst.

Staunchness.

Staunton, stânt’n.

Stave, steiv, subst. duig; zang van een gedicht; Stave verb. in duigen

slaan, indrukken, barsten, duwen, afweren, verschuiven: The fore

compartment is stove right in = geheel ingedrukt; He contrived to stave

off actual bankruptcy = faillietverklaring af te wenden; He tried to

stave off his perplexities = al wat hem hinderde van zich af te zetten;

Staves = Meerv. van Staff.

Stavesacre, steivzeikə, staverzaad.

Stay, stei, subst. steun, stut, verblijf, stilstand, hinderpaal,

uitstel, stag (scheepsterm); (Stays = keurslijf, korset, etc.); Stay

verb. blijven, steunen, verhinderen, uitstellen, laten liggen, wachten,

logeeren, weerhouden: Will you stay (for) supper? = blijven soupeeren;

We are staying at the sign of the Ship = logeeren in het logement “Het

Schip”; You are stayed for = men wacht op u; To stay in =

binnenblijven, nablijven (op school); If you stay out beyond eleven,

you shall stay in to-morrow = uitblijft, blijft ge morgen thuis; To

stay up at the University = niet met vacantie gaan; I will stay up for

you = voor je opblijven; The ship was in stays, was hove in stays = lag

in de wending; The vessel missed stays = weigerde te wenden; He is a

sad stay-at-home (man) = een echte huishen; Staylace = korsetveter;

Stay-maker = korsetmaker; Stay-sail = stagzeil; Stayer = fietser met

veel Staying-power (= uithoudingsvermogen).

Stead, sted, subst. plaats, plek, stede, nut, voordeel; Stead verb. van

dienst zijn, te stade komen: It has done me stead, stood me in good

stead = heeft mij dienst gedaan, is me goed te pas gekomen; In stead of

= in plaats van; Steadfast, stedfast, standvastig, vastberaden,

onwrikbaar; subst. Steadfastness.

Steadiness, stedinəs, subst. v. Steady.

Steading, stediŋ, hofstede (Schotl.).

Steady, stedi, vast, onveranderlijk, geregeld, oppassend; Steady verb.

geregeld of bestendig maken (houden, loopen, gaan): A steady young man

= soliede jonge man; Steady-going = kalm, bedaard; The prices were

steadying = werden vast.

Steak, steik, runder- of varkenslapje, etc.

Steal, stîl, stelen, wegnemen, steelswijze verkrijgen, sluipen: He

stole a look at her = wierp een steelschen blik op; We have stolen a

march upon you = zijn u vóór geweest, hebben u de loef afgestoken; To

steal a marriage (match) = (schaken, om) in ’t geheim (te) trouwen; He

stole into the house = sloop het huis binnen; He stole upon us =

besloop ons; Stealer; Stealth, stelth: By stealth = ter sluiks,

steelswijze; Stealthiness, subst. v. Stealthy, stelthi, sluipend,

heimelijk.

Steam, stîm, subst. stoom, uitwaseming; Steam verb. stoomen, dampen,

door stoom bewegen, aan de werking van stoom blootstellen, razen:

Within a day’s steam of Madeira = stoomens; At full steam = With all

the steam on = met vollen stoom; To blow off the steam = laten vliegen,

laten uitrazen; You must try to get steam up = stoom zien te maken; op

gang zien te komen; I have got (the) steam up = ik ben klaar, bereid;

To have the steam on = stoom op hebben; To put (turn) on steam =

toelaten; zich inspannen; The potatoes were steamed instead of boiled =

werden gaar gestoomd; Steam-bath; Steamboat = stoomboot; Steam-boiler =

stoomketel; Steam-carriage = stoomwagen; Steam-cylinder; Steam-dome =

stoomhouder; Steam-engine = stoommachine; Steam-gauge = manometer;

Steam-hammer = stoomhamer; Steam-heat = verwarming door stoom: He

intends to put in steam-heat = zijn huis centraal te verwarmen;

Steam-heating = centrale verwarming; Steam-launch = stoombarkas;

Steam-navigation = stoomvaart; Steam-packet = mailboot; Steam-plough;

Steam-press; Steamship = stoomschip; Steam-tug = sleepboot; Steam-valve

= stoomklep; Steam-vessel = groot stoomschip; Steam-whistle =

stoomfluit; Steamer = stoomboot, stoomkoker, stoombrandspuit: Horse

(Motor) steamer = door paarden getrokken (motor) stoombrandspuit;

Steamy = vol stoom, mistig.

Stearin, stîərin, stearine: Stearin candle.

Steatite, stîətait, speksteen.

Steed, stîd, (strijd)ros: While the grass grows the steed starves = al

pratende gaat de gelegenheid voorbij; Iron (Steel) steed = rijwiel.

Engelsch woordenboek. Eerste deel: Engelsch-Nederlandsch (met uitgeschreven verkortingen) · 第 123 / 152 段