Speak, spîk, spreken, uitspreken, klinken, praaien, meedeelen: They do

not speak now = spreken niet meer met elkaar; His life speaks him a man

of sweet temper = zijn leven bewijst, dat; These two facts speak the

whole book to the intelligent = lichten den goeden verstaander omtrent

het geheele boek in; To speak one’s mind = zeggen waar het op staat;

This speaks volumes = dit zegt meer dan boekdeelen vol; He was worth

speaking fair = het was de moeite waard, mooi met hem te praten; He was

a chivalrous man and spoke her fair = en sprak vriendelijk tot haar; He

spoke off-hand = voor de vuist; They speak well of him = gunstig over;

To speak at a person = iemand (in zijne tegenwoordigheid) bespreken; To

speak by word of mouth = zich mondeling uiten; The fact speaks for

itself = is duidelijk genoeg: This wine speaks for itself =

recommandeert zichzelf; He has no fortune to speak of = zijn fortuin is

niet noemenswaard; He spoke of it at some length = er uitvoerig over;

Speak out = spreek vrijelijk; He spoke to me under his breath =

fluisterde met mij; He wants to be spoken to = moet eens een standje

hebben; Speak up = spreek luid, vrij uit; We have always spoken up for

the good qualities in his poetry = hebben het altijd opgenomen voor; We

spoke the ship off Dover = praaiden; Speaker = spreker, voorzitter v.

het House of Commons: He is an excellent public speaker = uitstekend

redenaar; Speakership = voorzitterschap; Speaking: A speaking likeness

= sprekende; Speaking below the mark (within bounds) = ten minste;

Speaking on the outside = ten hoogste; Speaking broadly, generally = in

’t algemeen gesproken; Speaking-trumpet = scheepsroeper; Speaking-tube

= spreekbuis.

Spear, spîə, subst. speer, lans, spriet; Spear verb. met lans of speer

doorboren of dooden, hoog opschieten; Spear-grass = struikgras,

kweekgras; Spear-hand = rechterhand van een ruiter; Spear-head = punt

v. lans of speer; Spearman = lansknecht; Spearmint = groene munt;

Spear-side = mannelijke lijn v. een geslacht; Spear-thistle =

speervederdistel; Spear-wigeon = middelste zaagbek; Greater Spear-wort

= groote boterbloem; Lesser Spear-wort = egelboterbloem.

Spec, spek, verk. v. Speculation; Specs = verk. v. Spectacles; ook:

oogen (schertsend).

Special, speš’l, subst. persoon of zaak voor een bepaald doel

aangewezen, extrablad extratrein; adj. bijzonder, buitengewoon,

speciaal, extra, uitdrukkelijk, voortreffelijk: Extra special =

extratijding; The newspaper specials are not in it with you = de

extratijdingen der couranten halen niet bij u; Special constable =

burger, die bij bijzondere gelegenheden als politiedienaar wordt

beëedigd en in dienst gesteld; Special train; Special verdict = vonnis

der jury omtrent de feiten alleen; Specialist = specialiteit;

Speciality, spešialiti, bijzonderheid, bijzonder geval: Chance brought

him a speciality = het toeval speelde hem de gelegenheid in handen;

Specialization = toewijding aan een bijzonder vak (van studie, etc.),

aanwending of geschiktmaking van een bepaald orgaan voor bepaalde

functiën; Specialize = wijden aan een bepaald vak of eene bepaalde

functie; Specialty = specialiteit, bijzonder contract.

Specie, spîši, baar geld, klinkende munt.

Species, spîšîz, soort, geslacht: Species-monger = peuteraar.

Specific, spəsifik, subst. onfeilbaar middel, middel voor eene bepaalde

ziekte of pijn; adj. soortelijk, bepaald, onfeilbaar: A specific for

the toothache = onfeilbaar middel tegen; Specific gravity = soortelijk

gewicht; Specific name = de naam van het geslacht of de familie;

Specification = specificatie, nauwkeurige opgaaf van bijzonderheden;

Specify, spesifai, in bijzonderheden vermelden, specificeeren.

Specimen, spesim’n, proef, staaltje, exemplaar: Specimen-book =

staalboek; Specimen-page = proefblad; Specimen-scheme of instruction =

ontwerp-leerplan.

Specious, spîšəs, schoonschijnend, plausibel; subst. Speciousness.

Speck, spek, subst. vlek, smet, blaam, deeltje, stip; spek (v.

walvisch); Speck verb. bespikkelen; Speckle, subst. spikkel; Speckle

verb. bespikkelen; Speckled = gespikkeld; subst. Speckledness;

Speckless = vlekkeloos.

Spectacle, spektək’l, schouwspel, vertoon(ing): A pair of spectacles =

een bril; To look through very roseate spectacles = door een erg

rooskleurigen bril kijken (fig.); He wears spectacles = draagt een

bril; Spectacle-case = brillenhuisje; Spectacle-frame = montuur;

Spectacle-glass; Spectacle-snake = brilslang.

Spectacular, spektakjulə, bij wijze van schouwspel of vertooning;

Spectator, spekteitə, toeschouwer; Spectatress, Spectatrix, spekteitrəs

(spekteitriks), toeschouwster.

Spectral, spektr’l, spookachtig, spook...; spectraal: Spectral

analysis; Spectre, spektə, spook, geestverschijning: The spectre of the

salt = het spooksel van rang- en standverschil; The spectre self = de

spookgestalte, het visioen.

Spectroscope, spektrəskoup, spectroscoop; Spectrum, spektr’m, spectrum:

Solar spectrum; Spectrum analysis = spectraal analyse.

Specular, spekjulə, als een spiegel, spiegelend, spiegel...

Speculate, spekjuleit, overpeinzen, bespiegelingen maken; speculeeren;

Speculation, spekjuleiš’n, overpeinzing, bespiegeling; speculatie; een

kaartspel; Speculative, spekjuleitiv, bespiegelend, theoretisch,

speculatief: Speculative beet-market = termijnmarkt v. bietsuiker;

subst. Speculativeness = ondernemingsgeest; Speculator, spekjuleitə,

theoreticus; speculant.

Speculum, spekjulɐm, metalen spiegel: Ear, Nose speculum; Speculum

oculi = oogspiegel; Speculum oris = mondspiegel.

Sped, sped, imperf. en p.p. van to speed.

Speech, spîtš, taal, spraak, redevoering: The parts of speech =

rededeelen: He delivered (made) a brilliant speech = hield eene

schitterende redevoering; No speechmaking, please = houd je

redevoeringen voor je, alsjeblieft; Speech-day = jaarl. prijsuitdeeling

in scholen met de van buiten geleerde lesjes der leerlingen;

Speech-maker = redevoeringenhouder; Speechify = toespraken houden;

Speechless = sprakeloos, stom; Speechless with amazement = stom van

verbazing; subst. Speechlessness.

Speed, spîd, subst. spoed, snelheid, bespoediging, voorspoed; Speed

verb. haast maken, snellen, begunstigen, doen bloeien, uitvoeren, goed

succes, of: het beste wenschen, varen: We were steaming on at full

speed = met volle kracht; The horseman was spurring on at the top of

his speed = spoorslags; Good speed = goed succes! How speeds life under

your roof? = hoe vaar jullie allen; May God so speed me as I wish your

welfare = moge God zóó met mij zijn als ik u het beste wensch; To speed

the parting guest = een heilwensch toebrengen; We sped on through the

forest = snelden voort; Speedwell = eereprijs (plant); Speeder;

Speedily = Speedy; Speediness = spoed; Speedy = spoedig, haastig, snel.

Spell, spel, subst. tooverformule, betoovering; aflossing, hulp, rust,

arbeidsduur, wacht (op het schip), tijdje; Spell verb. betooveren,

beschutten, beteekenen, spellen, ontcijferen; aflossen: Spell and spell

= om de beurt; To take spell and spell = elkaar aflossen; We had a

spell of rainy weather = een tijd van regenachtig weer; He spoke for

some minutes at a spell = achtereen; The birdie was under the serpent’s

spell = kon van angst voor de slang niet weg, was door de slang als

behekst; To cast (lay, set) a spell on = betooveren, beheksen; He had

laid the public mind under a spell = den geest van ’t volk betooverd; I

can spell out this lesson if necessary = dit lesje met wat moeite

lezen; How does it spell? hoe spelt men dat; It has become a proverb

that Shakespeare spells ruin = dat opvoeringen van de stukken van S.

zwaar verlies opleveren; Spell-bound = Spell-stopped = betooverd;

Speller: He is a bad speller = kan niet zonder spelfouten schrijven;

Spelling: Spelling-bee = wedstrijd (gew. voor de aardigheid) in het

spellen; Spelling-book = spelboek; Spelling reform faddists = verwoede

spellinghervormers.

Spellicans, spelik’nz = staafjes van stroo, hout of ivoor, gebruikt bij

het knibbelspel; dit spel zelf.

Spelt, spelt, imperf. en p.p. van to spell.

Spelt, spelt, spelt.

Spelter, speltə, ongezuiverd zink.

Spencer, spensə, spencer.

Spend, spend, uitgeven, verteren, doorbrengen, besteden, afmatten,

uitputten, verliezen: To spend and be spent = geld en krachten

opofferen; To spend one’s breath = te vergeefs praten; We were invited

to spend the evening there, but spending the evening did not begin

until 10 = den avond door te brengen, maar de vroolijkheid begon eerst

tegen 10; To spend money on a garden = besteden aan; The horse had

spent its strength = was doodaf; You spend your words in vain = je

verspilt je woorden te vergeefs; Spender; Spendthrift = verkwister;

adj. verkwistend.

Spenser, spensə, Edm. Spenser; Spenserian, spensîriən: The Spenserian

stanza = bepaalde versbouw van Spenser’s Faery Queene.

Spent, spent, P. Imp. en P.P. van to spend, uitgegeven, afgemat,

doodop: A spent rifle-shot = matte kogel; A horse quite spent = doodop;

Spent with hunger and fatigue = uitgeput.

Sperm, spɐ̂m, zaad, kuit; Sperm-oil = spermaceti olie; Sperm-whale

(Spermaceti-whale) = spermaceti walvisch, cachelot; Spermaceti,

spɐ̂məsîti, spɐ̂məseti, spermaceti; Spermatozoon, spɐ̂mətəzou-on,

spermatozoïde.

Spew, spjû, braken.

Spey, spei.

Sphacelate, sfasileit, door koudvuur aangetast worden, versterven,

wegvreten; subst. Sphacelation; Sphacelus, sfasilɐs, koudvuur, kanker,

beeneter.

Sphagnum, sfagn’m, veenmos.

Sphenodon, sfînədon, hagedis (N.-Zeeland).

Sphenoid, sfînôid, wigvormig: Sphenoid bone.

Sphere, sfîə, subst. bol, hemellichaam, globe, kring, loopbaan, schijf,

omvang, gebied, rang, klasse, lucht, hemelgewelf; Sphere verb. onder de

hemellichamen plaatsen, rood maken: Sphere of action; Sphere of

influence; To be summoned to a wider sphere of usefulness (van

predikanten); That is out of my sphere, within my sphere = ligt buiten

(binnen) mijn gebied of (werk)kring; Sphere-melody, Sphere-music = de

harmonie der sferen; Spherical, sferik’l, bolvormig: Spherical triangle

= boldriehoek; Spherical trigonometry = boldriehoeksmeting; Sphericity,

sfərisiti, bolvormigheid; Spheroid, sfîrôid, spheroïde.

Sphinx, sfiŋks, sfinx.

Spicate, spaikit = Spicous.

Spice, spais, subst. specerij, bijsmaak, zweempje; Spice verb. kruiden:

He has a spice of the wilful in his character = is wat eigenzinnig;

Spice-bush (Spice-wood) = benzoëboom; The Spice Islands = de Molukken;

Spicery = specerijen in ’t algemeen, specerijbergplaats; Spiciness =

kruiderigheid.

Spick, spik, nagel, spijker: Spick-and-span = spiksplinternieuw.

Spicous, spaikəs, arendragend.

Spicular, spikjulə, met scherpe punten, gebaard; Spiculate, spikjulit,

adj. bedekt met fijne punten; Spicule, spikjûl, (ijs)naald.

Spicy, spaisi, geurig, pikant.

Spider, spaidə, spin, driepoot: To step into the parlour of the spider

= in de val loopen; Spider-catcher = muurkruiper; Spider-crab =

zeespin; Spider-web = spinrag; Spider’s web = spinneweb.

Spigot, spigət, zwikje (in een vat).

Spike, spaik, subst. aar; lange spijker, nagel, pin, stekel, doorn;

Spike verb. vernagelen: This argument spiked his battery = bracht hem

tot zwijgen; To spike guns = vernagelen; Spike-lavender = smalbladige

lavendel; Spike-nail = lange nagel; Spike-team = driespan (Amer.);

Spiked: Spiked fence = schutting met spijkers erop; Spiked helmet.

Spikenard, spaiknâd, spaiknəd, nardus(olie).

Spiky, spaiki, met scherpe punten.

Spile, spail, pen, spil, staak, paal.

Spill, spil, subst. fidibus; val, tuimeling; “krach”; Spill verb.

storten, vergieten, morsen, doen vallen, omwerpen; bak brassen

(scheepst.): He twisted a piece of paper into a spill; Spills are of

common occurrence = ongevallen komen vaak voor; Spilling-lines =

geilijnen, gordingen. Zie Spilt.

Spillikins. Zie Spellicans.

Spilt, spilt, imp. en p. perf. van to spill: It is no use crying over

spilt milk = gedane zaken nemen geen keer.

Spin, spin, subst. het spinnen of draaien, snelle, onafgebroken

beweging, snelle rit of loop; Spin verb. spinnen, lang rekken, doen

draaien, snel ronddraaien, zich snel voortbewegen, voortsnorren,

zakken, etc.: Your life is not worth the spin of a farthing = is geen

duit waard; A spin on a bicycle = toertje; He was spun at courting =

liep een blauwtje; He was spun at the examination = hij zakte; I’m glad

that the prig has got spun = dat die verwaande fat den wind van voren

kreeg, zakte; The carriage was seen spinning along the road = zag men

voortsnorren; The blow sent him spinning back = deed hem achteruit

vliegen; The blood spun from the wound = gutste uit; To spin round =

ronddraaien; To spin a top = zetten; I will spin you a yarn = een

verhaal doen (gew. uit het zeemansleven); Spin-drift = nevel van

opgewaaid schuim; Spin-text = langdradig prediker; Spinner = spinner,

spinmachine, spinnekop: A capital spinner of a yarn = verteller;

Spinneret = spinklier; Spinnery = spinfabriek; Spinning: Spinning-jenny

= spinmachine; Spinning-mill = spinfabriek; Spinning-wheel =

spinnewiel.

Spinaceous, spineišəs, tot de spinazieplanten behoorende; Spinach,

Spinage, spinidž, spinazie: All gammon and spinach = allemaal

bedriegerij.

Spinal, spain’l, tot de ruggegraat behoorende: Spinal column =

ruggegraat; Spinal consumption = ruggemergstering; Spinal cord (Spinal

marrow) = ruggemerg; Spinal curvature = verkromming; Spine, spain,

doorn, stekel, ruggegraat, rug.

Spindle, spind’l, spoel, dunne en puntige as, spille-linie, dunne

stengel: Her mouth is a spindle-edition of her uncle’s = de vrouwelijke

pendant van; Spindle-legged, Spindle-shanked = met spillebeenen;

Spindle-legs, Spindle-shanks = spillebeenen; Spindle-shaped = spoel- of

spilvormig; Spindle-side = vrouwelijke (spille) linie.

Spinescent, sp(a)ines’nt, doornachtig; Spiniferous, spainifərɐs,

doornig, doornen hebbend.

Spink, spiŋk, boekvink, schildvink.

Spinnaker, spinəkə, groot bijzeil van yachts.

Spin(n)et, spinət, spinet.

Spinn(e)y, spini, struikgewas, boschje.

Spinose, spainous, spainous, doornig, vol doornen; Spinosity,

spainositi, doornigheid, netelige kwestie; Spinous, spainəs = Spinose.

Spinozism, spinouzism, spainəzizm, wijsgeerig stelsel van Spinoza;

Spinozist = volgeling van S.

Spinster, spinstə, jonge dochter, ongetrouwde vrouw; ook adj.;

Spinsterhood = Spinstership.

Spiny, spaini, doornig, moeielijk, delicaat.

Spiracle, sp(a)irək’l, luchtgat, luchtbuis.

Spiraea, spairîə, spiraea.

Spiral, spair’l, subst. spiraal; adj. puntig, met eene spits,

kronkelend, schroefvormig: Spiral spring = spiraalveer; Spiral

staircase, stairway = wenteltrap.

Spirant, spair’nt, schuringsgeluid.

Spire, spaiə, subst. sprietje, halm, spits toeloopend voorwerp, top,

torenspits, spiraallijn; Spire verb. zich verheffen als eene piramide

of spits, uitspruiten, opschieten.

Spires, spaiəz, Spiers.

Spirit, spirit, subst. geest, leven, levenskracht, geestverschijning,

spook, geestkracht, opgewektheid (gew. meervoud), aard, temperament;

geestrijke dranken (steeds meerv.); Spirit verb. bezielen, aanvuren, in

stilte wegvoeren of doen verdwijnen: The (Holy) Spirit = de H. Geest;

Father, Son and Spirit; Evil (Good) spirit = kwade (goede) geest;

Public spirit = belangstelling in de publieke zaak; Spirit of the age

(time) = tijdgeest; Spirit of turpentine; Spirit of wine; Animal

spirits = opgewektheid; Ardent spirits = spiritualiën; Choice spirits =

buitengewone geesten; To be in spirits = opgewekt, vroolijk; dronken;

He was in low, in high spirits = terneergeslagen, opgewekt; His flow of

spirits was wonderful = zijne vroolijkheid; You cannot raise a person’s

spirits = iemand opmonteren; She recovered her spirits = kreeg haar

bewustzijn terug; It was spirited away = verdween ongemerkt; The

servant was spirited out of the country = in alle stilte buiten het

land gebracht; Spirit-lamp = spirituslamp; Spirit-level =

luchtbelwaterpas; Spirit-license = vergunning; Spirit-rapper = geloover

in Spirit-rapping = spiritistische manifestaties, zooals geklop, het

bewegen van tafels, enz.: She has gone stark mad on the spirit-rapping

imposition = die spiritistische koolverkooperij heeft haar stapelgek

gemaakt; Spirit-trade = handel in spiritualiën; Spirited = bezield,

levendig, opgewekt: Dull-spirit = saai, suf; A high-spirit man = fier;

Low-spirit = terneergeslagen; Mean-spirit = laag; Narrow-spirit =

bekrompen; Spiritism = spiritisme; Spiritist = spiritist; Spiritless =

geesteloos, terneergeslagen, suf; Spiritual, spiritjuəl, geestelijk,

onstoffelijk, verstandelijk: Spiritual adviser = geestelijk adviseur;

Spiritual court = geestelijk gerechtshof; Spiritual wife = elke

volgende vrouw na de eerste, bij de Mormonen; Spiritualism =

geestelijke aard, leer dat geest geheel onderscheiden is van stof,

spiritisme; Spiritualist = spiritist; Spiritualistic, spiritjuəlistik:

Spiritualistic meetings = spiritistische bijeenkomsten; Spirituality,

spiritjualiti, onstoffelijkheid, geestelijke aard; Spiritualities =

inkomsten v. een bisschop; Spiritualization, subst. v. Spiritualize,

spiritjuəlaiz, geestelijk maken, met geest bezielen, eene geestelijke

beteekenis geven; Spirituous, spiritjuəs: Spirituous liquor = sterke

drank; Spiritus = ademhaling; spiritus: Spiritus asper = geaspireerde

letter; Spiritus lenis = niet geaspireerde letter; Spirometer,

spairomətə, spirometer.

Spirt, spɐ̂t. Zie Spurt.

Spiry, spairi, spits.

Spit, spit, subst. (braad)spit, landtong, spadevol (spit), speeksel,

koekoeksspog (v. het schuimbeestje), evenbeeld; Spit verb. aan het spit

steken, doorboren, spuwen: That boy is the (dead) very spit of his

father = evenbeeld zijns vaders; He was spat upon (at) everywhere = men

spuwde op (naar) hem; Spitbox = Spittoon; Spitfire = driftkop.

Spitalfields, spit’lfîldz.

Spitchcock, spîtškok, subst. speetaal; Spitchcock verb. aal in de

lengte splijten en braden.

Spite, spait, subst. spijt, wrok, wrevel, kwaadaardigheid; Spite verb.

kwaadaardig dwarsboomen, krenken, kwellen: I did it (in) spite of

warnings = ten spijt van; I bear you a spite = koester wrevel (wrok)

tegen u; Spiteful = spijtig, kwaadaardig; subst. Spitefulness.

Spittle, spit’l, speeksel; Spittoon, spitûn, spuwbak, kwispeldoor.

Splash, splaš, subst. bemoddering, plons, geplas, geklater; Splash

verb. bespatten, beslijken, plassen, klateren: He made a big splash =

baarde heel wat opzien; The undertaking is sure to make a splash in the

book world = zal heel wat opzien baren; The splash of the great

fountain = het klateren; Splash-board = spatbord; Splasher = spatbord;

Splashy = modderig, slijkerig; chic.

Splatter, splatə, plassen, klateren; Splatter-dash = spektakel.

Splay, splei, subst. binnenwaartsche verwijding v. eene opening; adj.

buitenwaarts gekeerd, lomp, plomp; Splay verb. naar binnen verwijden;

Splay-foot = buitenwaarts gekeerde voet; Splay-mouth = groote mond,

scheeve mond; Splay-shouldered = kreupel.

Spleen, splîn, milt, miltzucht, zwaarmoedigheid, wrok, toorn, haat: To

vent one’s spleen on = zijn wrok koelen aan; Spleen-sick = miltzuchtig,

zwaarmoedig; Spleenful = toornig, gemelijk, zwaarmoedig = Spleenish =

Spleeny.

Splendent, splend’nt, schitterend; Splendid, splendid, prachtig,

luisterrijk, rijk, weelderig, grootsch: We gained a splendent victory

over the enemy = eene glansrijke overwinning; subst. Splendentness;

Splendour, splendə, pracht, praal, glans: Sun in splendour = de zon

voorgesteld met menschengelaat en door stralen omringd (Herald.);

Splendrous, splendrəs, prachtig.

Splenetic, splənetik, gemelijk, slecht geluimd; subst. hypochonder;

Splenic, splenik: Splenetic fever = miltvuur; Splenitis, splənaitis,

ontsteking van de milt.

Splice, splais, subst. splitsing; Splice verb. splitsen, trouwen: He

ran over to England to get spliced = om te trouwen; To splice the main

brace = bezaanschoot aantrekken (een extra oorlam geven).

Splint, splint, splinter, spalk; Splinter, splintə, subst. splinter;

Splint verb. splinteren; Splinter-bar = zwengelhout; Splinter-proof =

bomvrij; Splintery = uit splinters bestaande, als splinters,

schilferig, met schilfers.

Split, split, subst. scheur of barst, scheiding, verdeeling, scheuring,

halve flesch; adj. gescheurd, verdeeld, gescheiden; Split verb.

scheuren, splijten, scheiden, bersten, (ver)klappen, stranden,

mislukken: Split Infinitive = de door een bijw. gescheiden deelen v.

een infinitive, zooals: Allow me to heartily congratulate you; To split

a bottle of wine = met zijn tweeën drinken; Two brandies and a soda

split = en een fleschje soda-water voor 2 personen; To split the

difference = deelen; To split one’s votes = op kandidaten van

verschillende partijen stemmen; We split (our sides) with laughing =

barstten van lachen; The ship split on a rock = werd tegen eene rots

verbrijzeld; He has split on a rock = is niet geslaagd, in zijne

verwachtingen bedrogen; To split upon = een medeschuldige verklappen;

Split-peas(e) = spliterwten; A splitting headache = razende, brekende

hoofdpijn.

Splosh, sploš, geld.

Splotch, splotš, vlek, smet; adj. Splotchy.

Splutter, splɐtə, subst. gespat, gesputter, geraas, drukte; Splutter

verb. spatten, sputteren: My pen spluttered = spatte; Splutterer.

Spoil, spôil, subst. buit, plundering, roof; Spoil verb. rooven,

plunderen, bederven, schaden, verijdelen: The soup would have spoiled =

zou bedorven zijn; A spoiled child; He spoiled me of the best furniture

I had = beroofde mij van; He came in, and was spoiling for a fight in a

minute = en dadelijk jeukten hem de handen om te vechten; Spoil-sport =

spelbederver; Spoiler.

Spoke, spouk, spaak, sport, remketting: I’ll put a spoke in your wheel

= eene spaak in het wiel steken.

Spoke, spouk, Spoken, spouk’n, imp. en p.p. van to speak: To be well

(ill) spoken = zich keurig (slecht) uitdrukken: (on)vriendelijke

woorden gebruiken; Spokesman = woordvoerder, voorspraak.

Spoliate, spoulieit, (be)rooven, plunderen; subst. Spoliation;

Spoliator = roover, plunderaar.

Spondaic, spondeiik, uit een spondeus bestaande; Spondee, spondî,

spondeus.

Sponge, spɐnž, subst. spons, gerezen deeg, spoor v. een hoefijzer,

klaplooper, tafelschuimer, kanonwisscher; Sponge verb. (af)sponzen,

uitwisschen, inzuigen, klaploopen; rijzen (van deeg): He chucked, threw

up the sponge = hij gaf zich gewonnen; Let us pass a sponge over it =

de spons er over halen (fig.); Sponge-cake = een spongieus gebak;

Spongelet = sponsje; That fellow is a downright sponger = een echte

klaplooper; Sponginess = sponsachtigheid; Sponging-house, spɐnžiŋhaus,

huis van een gerechtsdienaar waar gijzelaars 24 uur werden gehouden om

hun vrienden gelegenheid te geven voor hen te betalen; Spongy =

sponsachtig.

Sponsion, sponš’n, borgtocht.

Sponsor, sponsə, borg, peetvader, peetmoeder: The poor child was barely

sponsored = had zoo te zeggen niemand, die het onder zijne vleugels

nam; To stand sponsor = borg (peet) zijn voor; He had stood sponsor for

her dramatic talent = had ontwikkeld; Sponsorial, sponsôriəl, tot een

sponsor behoorende; Sponsorship.

Spontaneity, spontənîiti, vrijwilligheid, eigen aandrift; Spontaneous,

sponteinjəs, vrijwillig, uit eigen beweging, spontaan, in ’t wild

groeiend, zelf...: Spontaneous combustion = zelfont- en

zelfverbranding; Spontaneous generation; subst. Spontaneousness.

Spontoon, spontûn, soort kleine piek.

Spoof, spûf, bedrog: To play spoof = bedriegen.

Spook, spûk, spook; Spook verb. spoken.

Spool, spûl, spoel, klos.

Spoom, spûm, lenzen (scheepst.).

Spoon, spûn, subst. lepel, kolfstok, sukkel; liefje; Spoon verb. met

een lepel eten, vangen (met lepelhaak) “flirten”, vrijen: To be past

the spoon = de kinderschoenen ontwassen; Brought up with a spoon = met

kunstmatig voedsel grootgebracht; Don’t stand staring like a spoon =

sta daar niet zoo ezelachtig te gapen; He is dead spoons on the girl =

hij is “smoorlijk” op het meisje; He is the wooden spoon = hij is de

laagste op de ranglijst bij het wiskundig Honours Exam. voor den B.A.

graad te Cambridge; Dessert-spoon, Gravy-spoon, Table-spoon, Tea-spoon

(in Sport Slang respectievelijk 10, 20, 15 en 5 duizend £); He has

spooned her for ever so long = hij heeft naar haar gevrijd; He had all

the tackle, necessary for spooning pike = om snoek met een lepelhaak te

vangen; Spoon-bill = lepelaar (zwemvogel); Spoon-diet = soep-dieet;

Spoon-meat, Spoon-victuals, spûnvit’lz = lepelkost; Spoon-wort = gewoon

lepelblad; Spoonful; Spoon(e)y, subst. sukkel, hals; adj. sullig,

“smoorlijk”: He is spoon(e)y on her = vol verliefd op haar.

Spoon-drift, spûndrift, opgejaagd, warrelend schuim.

Spoor, spûə, subst. spoor (v. een dier); Spoor verb. een spoor volgen

(Z. Afr.).

Sporadic(al), spəradik’l, verspreid, sporadisch voorkomend: Sporadic

plants, Sporadic disease.

Spore, spö, spoor (bij cryptogamen); Sporiferous, spəriferɐs, sporen

dragend.

Sporran, spor’n, tasch of beurs der Hooglanders.

Engelsch woordenboek. Eerste deel: Engelsch-Nederlandsch (met uitgeschreven verkortingen) · 第 121 / 152 段