Solicit, səlisit, ernstig vragen, bidden, dingen naar: To solicit

attention; I solicit your kind protection = beveel me aan in;

Solicitant, səlisit’nt, subst. vrager, smeeker, dinger; adj. vragend,

verzoekend; Solicitation, solisiteiš’n, verzoek, verlangen,

uitnoodiging; Solicitor, səlisitə, procureur die, behalve bij enkele

lagere (politie)rechtbanken, nooit als pleiter, doch alleen als

raadsman optreedt; Solicitor-general = Procureur-Generaal;

Solicitorship; Solicitous, səlisitɐs, bekommerd, bezorgd: I am

solicitous about (concerning, for) your welfare = bekommerd over;

subst. Solicitousness = Solicitude, səlisitjûd, bezorgdheid, angst.

Solid, solid, vast, massief, soliede, stevig, kubiek, krachtig,

degelijk, eenstemmig (Solids = vaste lichamen): I studied for three

solid hours = drie volle (dikke) uren; To get solid with = tot

overeenstemming komen met; Solidarity = gemeenschap in winst en

verlies, gemeenschap van belangen, éénheid; Solidification =

verdichting; Solidify, səlidifai, vast maken of worden, massief

(degelijk) maken, verdichten: Solidified milk = gecondenseerde;

Solidity, səliditi, vastheid, hardheid, stevigheid, dichtheid,

soliditeit = Solidness.

Soliloquize, səliləkwaiz, eene alléénspraak houden: Soliloquy,

səliləkwi, alléénspraak.

Soliped, soliped, Solipede, solipîd, eenhoevig dier; adj. Solipedous.

Solitaire, solitêə, versiering uit één diamant bestaande (dasspeld,

manchetknoop, etc.), een spel dat men alléén kan spelen; Solitariness,

subst. v. Solitary, solitəri, eenzaam, afgelegen, eenzelvig: Solitary

confinement = eenzame opsluiting; Solitude, solitjûd, eenzaamheid,

verlatenheid.

Solo, soulou, (Meerv. Solos of Soli), solo: The three solo vocalists;

Soloist = solist.

Solomon, soləm’n, Salomo: Solomon’s seal = salomonszegel; Solomonic;

Solon, soul’n.

Solstice, solstis, zonnestilstand; Solstitial, solstiš’l, tot een

solstice behoorende.

Solubility, soljubiliti, oplosbaarheid; Soluble, soljub’l, oplosbaar:

Soluble glass = waterglas; subst. Solubleness; Solute, səl(j)ût,

oplossen; Solution, səl(j)ûš’n, oplossing, verklaring, ontbinding;

Solutive = laxeerend (middel).

Solvability, solvəbiliti, oplosbaarheid: Solvable, solvəb’l, oplosbaar;

subst. Solvableness; Solve, solv, uitleggen, verklaren, oplossen;

Solvency = solvabiliteit; Solvent, subst. oplossende vloeistof; adj.

oplossend, solvent: A solvent estate = goederen waaruit de schulden wel

betaald kunnen worden.

Solway, solwei.

Soma, soumə, soort zwaluwwortel; een Indische plant, uit welker sappen

een bedwelmende drank werd bereid.

Sombre, sombə, somber, zwaarmoedig, dof, duister, donker v. tint;

subst. Sombreness; Sombrous, sombrəs, donker, zwaarmoedig.

Some, sɐm, eenige, zoowat, ongeveer: Some fifty guilders = om en bij

de; Let me have some of this = geef mij hier wat van; Some of these

days = een dezer dagen; Is there any left? Yes, there is some left = is

er wat over? ja, er is wat over; Is he somebody? I tell you he is a

nobody = is hij iemand van beteekenis? Some deal = in zekeren graad

(mate); You must do it somehow = op de een of andere wijze; Some-such =

zulk een, dergelijke; There is something undefinable about him = hij

heeft iets “ik en weet niet wat” aan zich; Sixty something = een dikke

60; You something villain = jij vervloekte schelm; I wouldn’t be you

for something = niet voor nog zooveel in jou plaats zijn; You will

repent of it sometime, I said sometimes to him = er eens (te eeniger

tijd) ... soms; Sometime or other = te een of ander tijd; Sometime

president of = voormalig; That is sometime ago = al wat geleden; Let me

have somewhat = geef mij wat; He is somewhat saucy = vrij brutaal;

Somewhat under 400 pages = iets minder dan; He is somewhere about

sixteen = ± 16; I have laid it somewhere but I cannot find it anywhere

= ergens... nergens; Somewhere and somewhiles = ergens en somtijds.

Somersault, sɐməsôlt (Somerset, sɐməset), salto mortale, duikeling.

Somers, sɐməz; Somersetshire, sɐməsetšə; Somerville, sɐməvil.

Somnambulism, somnambjulizm, slaapwandelen, somnambulisme;

Somnambulist; adj. Somnambulistic(al).

Somniferous, somnifərɐs, Somnific, somnifik, slaapwekkend.

Somnipathy, somnipəthi, magnetische slaap.

Somnolence, Somnolency, somnəlens(i), slaperigheid, slaapdronkenheid,

slaapzucht; Somnolent = slaperig, slaapzuchtig.

Son, sɐn, zoon: Son of a gun = lammeling; leuke baas; The Son of man =

de Zoon des Menschen; Every Mother’s son = iedereen; Son-in-law =

schoonzoon; Sonship.

Sonance, Sonancy, soun’ns(i), klank, toon; Sonant, subst. stemhebbende

letter; adj. klinkend.

Sonata, sənɐ̂tə, sonate; Sonatina, sounətînə.

Song, soŋ, lied, gezang, zang, poëzie, kleinigheid: Song of Solomon =

Hooglied; Sacred song = gewijd gezang: Give us a song = zing eens wat;

I bought the picture for a (mere) song = voor een appel en een ei; It’s

the same song over again = het is altijd het oude liedje; Song-bird =

zangvogel; Song-book = liederenboek; Song-writer = liederendichter;

Songless; The feathered songsters; Songstress = zangeres, zangster.

Soniferous, sənifərɐs, klinkend, klank voortbrengend.

Sonnet, sonət, subst. sonnet; Sonnet verb. sonnetten dichten;

Sonneteer, sonətîə, subst. sonnettendichter.

Sonometer, sənomətə, klankmeter; Sonorific, sounərifik, klank

voortbrengend; Sonorous, sənôrəs, welluidend, hel klinkend; subst.

Sonorousness.

Sonties, sontiz, alléén in: By God’s sonties = waarachtig (veroud.).

Soodan, sûdân; Sooloo, sûlû: Sooloo Islands.

Soon, sûn, weldra, spoedig, vlug: No sooner had he seen me, than =

nauwelijks.... of; The sooner the better = hoe eer hoe liever; Sooner

or later = vroeg of laat; Soon got soon gone = zoo gewonnen zoo

geronnen; I would just as soon be hanged = even lief; As soon as he

came = zoodra; I would sooner = wou liever.

Soosoo, sûsû, dolfijn (van den Ganges).

Soot, sut, subst. roet; Soot verb. met roet besmeren (mesten);

Sootiness = roetachtigheid; Sootish = roeterig; Sooty = roetachtig,

vuil.

Sooth, sûth: For, In sooth = voorwaar; Soothsay = voorzèggen,

voorspellen; Soothsayer = waarzegger; Soothsaying = voorspelling.

Soothe, sûdh, vleien, liefkoozen, verzachten, tevreden stellen:

Soother.

Sop, sop, subst. iets ingedoopts of geweekts, sop(je), lekkerbeetje,

een borrel (om iemand mee om te koopen); iets verzachtends; Sop verb.

doopen, soppen, weeken: It was a sop for the rage of the nation = het

stilde de woede der natie; I must administer a sop to my creditors =

moet zien te bevredigen; Sops-in-wine = soort anjelier; soort

wijnappel; Sopper; Sopping = Soppy = doorweekt.

Soph, sof, verk. van Sophister = student in zijn tweede jaar (= Junior

soph) of derde jaar (= Senior soph) te Cambridge, en Sophomore =

student in zijn tweede jaar (Amer.).

Sophia, səfaiə; səfîə (stad).

Sophism, sofizm, drogrede; Sophist, sofist, sophist; Sophister =

drogredenaar; student te Cambridge, Zie Soph: Sophistic(al),

sofistik(’l), sophistisch; Sophisticate, sofistikeit, vervalschen,

verknoeien; subst. Sophistication; Sophisticator = vervalscher;

Sophistry, sofistri, sophisterij.

Sophocles, sofəklîz.

Sophomore, sofəmö. Zie Soph; Sophy, soufi.

Soporiferous, so(u)pərifərɐs, slaapwekkend: Soporiferous medicine;

Soporific, subst. en adj. slaapwekkend (middel); Soporous, soupərɐs,

Soporose, soupərous, slaapwekkend, slaperig.

Soprano, səprânou (Meerv. Sopranos, Soprani), sopraan.

Sorb, söb, peer, lijsterbes, sorbenboom; Sorb-apple = vrucht daarvan,

sorbepeer.

Sorbet, söbət, sorbet, verkoelende (Oostersche) drank bestaande uit

gestampte rozijnen met citroensap, etc.

Sorcerer, sösərə, toovenaar; Sorceress = toovenares; Sorcery, sösəri,

toovenarij.

Sordes, södiz, uitwerpselen.

Sordid, södid, vuil, laag, vrekkig; subst. Sordidness.

Sordine, södîn, sordine.

Sore, sö, subst. pijnlijke plek, rauwe wond, zweer, éénjarige valk,

vierjarig hert; adj. pijnlijk, zeer, ontstoken, hevig, gevoelig,

scherp; adv. zeer: It opened the old sore = reet de oude wonde open

(fig.); I have got a sore throat = pijn in de keel; Sore against my

will = zeer tegen; The pessimists and sore-heads = pessimisten en

mopperaars; I am sorely (sadly) in want of money = heb groot

geldgebrek; subst. Soreness.

Sorel, sor’l = Sorrel.

Sorex, sôrəks, spitsmuis.

Sorn, sön, zijn anker ergens neerleggen of gaan logeeren zonder

genoodigd te zijn; Sornar = ongenoode gast.

Sororicide, sərorisaid, sərôrisaid, zustermoord(enaar); We have

fraternized or rather sororized = wij hebben ons verbroederd, of liever

verzusterd.

Sorrel, sor’l, subst. (klaver)zuring; rossige of roodbruine kleur, vos

(paard); adj. rossig.

Sorriness, sorinəs, droefheid, ellendigheid.

Sorrow, sorou, subst. diepe smart, droefheid; Sorrow verb. treuren,

smart lijden: The Sorrows of Werther; Every sorrow has its twin joy =

de tweeling der smart is de vreugde; He drowned his sorrow in liquor =

verzette zijne smart door drank; I heard it to my sorrow = tot mijn

leedwezen gehoord; Who goes a-borrowing goes a-sorrowing = borgen baart

zorgen: Sorrowful = treurig, ellendig; subst. Sorrowfulness.

Sorry, sori, bedroefd, armzalig: I am very sorry = het spijt me zéér; I

am sorry to say = het spijt mij te moeten zeggen; I am sorry for what I

have done = wat ik gedaan heb, spijt mij; He made a sorry figure =

maakte eene armzalige figuur; To be in a sorry plight = ellendige

toestand; It was a Sorry sight = een treurig gezicht.

Sort, söt, subst. soort, orde, stel, manier, rang, wijze; Sort verb.

sorteeren, samenvoegen, zich vereenigen, overeenstemmen, passen: He is

a bad sort = hij deugt niet; To be a good sort (Too good a sort for) =

een beste vent (te goed voor); After a sort, In a sort, In some sort =

eenigermate, om zoo te zeggen; All sorts and conditions of men =

menschen van allerlei slag; Gossip of sorts = allerlei onbeduidende

praatjes: A poet of sorts = een “stuk” dichter; I am out of sorts =

voel me niet lekker, ben niet monter, ben wat korzelig; We are out of

sorts = hebben niet meer van die letter; We run upon sorts = wij moeten

kolossaal veel van eene bepaalde lettersoort hebben; He sort of

dumbfounded me = hij deed me zoowat versteld staan; You two are well

sorted = hoort net bij elkaar; I will not sort with such rogues = mij

niet ophouden; Sorter = sorteerder.

Sortes, sötîz, voorspellingen door het openslaan van een boek en ’t

nemen van den eersten zin waarop het oog viel: He used to dip into the

Aeneid, seeking sortes.

Sortie, sötî, sötî, uitval.

Sortilege, sötiledž, waarzeggen door loten.

Sori, sôrai, vruchthoopje op varenbladeren; Enkelv. Sorus.

Sot, sot, versufte dronkaard; Sot verb. zijn verstand verzuipen;

Sottish = zot, verzopen; subst. Sottishness.

Sotheby, sɐthbi, southbi.

Soubrette, sûbret, soubrette.

Souchong, sûšoŋ, sûšoŋ, zwarte thee.

Souchy, sûtši, gekruide peterseliesaus bij visch.

Soudan, sudân; Soudanese.

Sough, sɐf, sau, subst. gesuis, zucht; Sough verb. zuchten, suizen: The

sough of the bellows = het hijgen der blaasbalgen.

Sought, sôt, imperf. en p. perf. van to seek.

Soul, soul, subst. ziel, hart, geest, verstand, neiging, wezen, moed:

He is a good soul = een goeie ziel; The soul of a party = ziel (fig.);

Not a soul can hear us = geen schepsel hoort ons; We never see a soul

here = geen “christenziel”; Cure of souls = zielezorg; I could not for

the soul of me understand = mij ter wereld niet begrijpen; Upon my soul

= bij mijne ziel; With all my soul = van ganscher harte; He is

completely cowed by his wife and dares not (to) call his soul his own =

hij durft geen boe of ba zeggen: God rest his soul = zijne ziel ruste

in vrede; To unburden one’s soul = zijn gemoed uitstorten; Soul-seller

= zielverkooper; Soul-sick = zielsziek; Soulless = zonder hart of ziel.

Sound, saund, subst. geluid, geschal, knal, klank of toon: sond of

zeeëngte, luchtblaas (van een visch), inktvisch; sondeernaald (The

Sound = de Sont); adj. gezond, volkomen gaaf, flink, krachtig, solide,

sterk, gegrond, rechtmatig, onwrikbaar, vast in de leer; Sound verb.

klinken, weerklinken, doen klinken, schallen, uitbazuinen, bekend

maken, peilen, looden, sondeeren, onderzoeken, uithooren: We arrived

safe and sound = gezond en wel; As sound as a (bell, colt) roach = zoo

gezond als een visch; As sound asleep as a church = zoo vast in slaap

als een mol; In sound earnest = in vollen ernst; I feel on sound ground

= op vasten bodem; Sound health = goede; Sound horse = zonder gebreken;

Yours is sound reasoning = gij redeneert gezond; He got a sound

thrashing = een duchtig pak ransel; To sound the charge = blazen tot

den aanval; His praise was sounded all over the country = werd

uitgebazuind; Have you sounded him on (about, as to) that subject yet =

hem daarover al eens gepolst; Sound-board = klankbord; Sound-hole =

klank- of galmgat; Sounding = klinkend, welluidend; subst. klinken,

peilen: Soundings = peilbare plaats(en) in den oceaan, looding; To get

on -s = ankergrond aanlooden; We lost our soundings = wij konden geen

grond meer vinden, waren uit ons vaarwater (fig.); We struck soundings

= Got on soundings; To take soundings = looden; Sounding-board =

klankbord; Sounding-line = schietlood, loodlijn; Sounding-post =

plankje beneden den kam eener viool; Sounding-rod = peilstok; Soundless

= stil, zonder klank, onpeilbaar, diep; Soundness = de gelijkheid,

zuiverheid, gaafheid.

Soup, sûp, soep: Portable soup = soeptablet; Soup-kitchen =

soepkokerij; Soup-maigre, sûpmeigə, magere soep; Soup-plate;

Soup-ticket = soepkaartje; Soup-tureen = soepterrine.

Sour, sauə, adj. zuur, scherp, bitter, norsch, knorrig; Sour verb. zuur

maken, verzuren, knorrig maken: That has soured my joy = mijne vreugde

vergald; Rye-bread sours on my stomach = van roggebrood krijg ik het

zuur; Sour-crout (Sour-krout) = zuurkool; Sour-dock = veldzuring;

Sour-dough = zuurdeeg, gist; Sour-faced = met een zuur gezicht; Sourish

= zuurachtig; Sourness = zuurheid, etc.

Source, sös, bron, oorzaak, oorsprong.

Souse, saus, subst. pekel, de ooren en pooten van varkens in pekel,

onderdompeling, het plotselinge neerschieten op; Souse verb. pekelen,

onderdompelen, neerschieten op (upon) (van roofvogels); adv.

plotseling, hevig.

Soutane, sûtein, toog, soutane van Roomsche geestelijken.

South, sauth, subst. zuiden, zuidelijke streken, zuidenwind; adj. zuid;

South verb. zich naar het Z. bewegen: South of the island = ten zuiden

van het eiland; South-down, subst. en adj. (schaap) uit de duinstreken

van Hampshire en Sussex; South-east = subst. zuidoosten; adj.

zuidoostelijk; South-easterly, South-eastern = zuidoostelijk;

Southerly, sɐdhəli, zuidelijk; Southern, sɐdhən, zuidelijk: Southern

Cross = zuiderkruis (sterrenbeeld); Southernwood = soort alsem;

Southerner, sɐdhənə, bewoner van de Z. Staten der Amer. Unie;

Southernmost = zuidelijkst; Southing, saudhing, subst. richting of

beweging naar het Z.; Southward = sauthwəd, zuidwaarts(ch); Southwest,

subst. zuidwesten; adj. zuidwestelijk; Southwester, southwestə,

zuidwestenwind; zuidwester; South-westerly, South-western.

Southam, saudh’m; Southampton, sauthamt’n, sɐdh(h)am(p)t’n; Southend,

sauthend; Southey, saudhi, sɐdhə.

Southron, sɐdhr’n, subst. bewoner van een zuidelijk gelegen land, naam

door de Schotten aan Engelschen gegeven; adj. zuidelijk.

Southwark, sɐdhək; Southwell, sauthwel, sɐdhəl.

Sovereign, sovərin, sɐvərin, subst. heerscher, opperheer, souverein,

monarch, E. goudstuk van 20 shillings; adj. oppermachtig, heerschend,

onovertroffen, grootste, krachtdadig: Sovereignty = oppermacht.

Sow, sau, zeug; metaalklomp: To have (get, take) the right (wrong) sow

by the ear = den rechte (verkeerde) te pakken hebben (krijgen);

Sow-backed = met krommen rug; Sow-bread = varkensbrood (plant);

Sow-thistle = moes, melkdistel.

Sow, sou, zaaien, verspreiden, uitstrooien: Sowing-machine.

Sowar, souâ, sauâ, inlandsch cavalerist (Brit. Ind.).

Sowerby, sauəbi; Sowter, sautə.

Soy, sôi, soja.

Spa, spâ, minerale bron, badplaats: To go to a spa = naar een badplaats

gaan.

Space, speis, subst. ruimte, wijdte, uitgebreidheid, duur, spatie;

Space verb. spatiëeren (met out): For a space = voor een tijdje; Into

space = in ’t niet; In space comes grace = komt tijd, komt raad;

Spacious, speišəs, ruim, uitgestrekt: A spacious hall = ruime, groote

zaal; subst. Spaciousness.

Spaddle, spad’l, kleine spade, schopje.

Spade, speid, subst. spade, schop (Spades = schoppen in ’t kaartspel),

driejarig hert, ruin, gecastreerd dier; Spade verb. graven, spitten:

Ace, King, Queen, Knave of spades = schoppenaas, heer, enz.; He calls a

spade a spade = noemt het kind bij zijn naam; In his speech he called

spades something more than spades = droeg hij de waarheid wel wat al te

naakt voor; Spade-bayonet = breede bajonet: Spade-guinea =

schopjesguinje van 1787–1799 (wegens het schopvormig schild op de

keerzijde); Spade-husbandry = bebouwing van ’t veld door diep omgraven;

Spadeful.

Spadiceous, spədišəs, kastanjebruin.

Spadill(e), spədil, schoppenaas in omber en quadrille.

Spahee, Spahi, spâhi, ruiter bij de vroegere Turksche lichte cavalerie;

Algerijnsch cavalerist in Franschen dienst.

Spain, spein, Spanje.

Spake, speik, oud imperf. van to speak.

Spalding, spôldiŋ.

Spalt, spôlt, toeslag bij ijzererts.

Span, span, subst. span, korte tijd, span paarden, etc., spanning; Span

verb. spannen, overspannen, afspannen (met de vingers), goed bij elkaar

passen (Amer.): A beautiful span of black oxen = jok zwarte ossen; The

Almighty has seen fit to shorten his span = hem vroeg van ons te nemen;

Long span = 9 inch.; Short span = 7 inch.; Span-long = eene spanne

lang; Span-roof = zadeldak; Spanner = spanner, ratel, schroefsleutel.

Span, span, Imp. van to spin.

Span, span: Span-clean = spiegelglad; Span-new = Spick-and-span-new =

fonkel(splinter)nieuw.

Spancel, spans’l, touw om de achterpooten van koeien of paarden te

binden; ook verb.

Spangle, spaŋg’l, subst. loovertje; Spangle verb. met loovertjes tooien

of versieren: Spangled heavens = sterrenhemel; The sky was spangled

with luminous stars = bezaaid met.

Spaniard, spanjəd, Spanjaard.

Spaniel, spanj’l, subst. patrijshond, Bolognezer (Maltezer)

schoothondje; lage vleier; adj. laag vleiend, kruipend.

Spanish, spaniš, Spaansch: Spanish castle = luchtkasteel; Spanish chalk

= kleermakerskrijt; Spanish fly; Spanish woman = Spaansche.

Spank, spaŋk, subst. klap met de vlakke hand; Spank verb. met de open

hand slaan, klappen; vlug loopen; Spanker = bezaan (scheepsterm); snel

renpaard, iets buitengewoons, groote leugen, lange kerel; Spanker-boom

= giek; Spanking = groot, grof, krachtig, kranig, flink, aanzienlijk,

levendig, vlug: A Spanking breeze = krachtige bries; The grey went at a

spanking pace = liep er vlug over heen.

Spar, spâ, subst. spar, rondhout, spaath, schijnstoot, vuistgevecht;

Spars = rondhouten; Spar verb. de armen uitslaan bij het boksen, met de

sporen slaan, redetwisten: He was sparring away like clockwork = sloeg

er automatisch op los; Sparring-match = bokspartij; Sparry =

spaathachtig.

Sparable, sparəb’l, schoenspijker.

Sparadrap, sparədrap, hechtpleister.

Spare, spêə, adj. schraal, mager, dungezaaid, matig, spaarzaam,

waarloos (scheepst.), overtollig, wat over is; Spare verb. sparen, over

hebben, spaarzaam omgaan met, vergunnen, toestaan, kunnen missen, doen

zonder, schenken, ontzien, nalaten, etc.: There was room enough and to

spare = er was overvloed van ruimte; A spare anchor, sail = reserve

(nood)anker of zeil; I have a spare bedroom = nog eene slaapkamer over;

Spare cash = geld over; A spare guest-bed-chamber = logeerkamer; He

made it in his spare time = in zijne snipperuren; Have you any tickets

to spare? = heb je nog over; Enough and to spare = volop; You need not

spare costs = geene kosten te ontzien; I will spare you the trouble = u

de moeite sparen; I cannot spare this workman = niet missen; Could you

spare (me) your grammar for half an hour? = uwe grammatica missen; He

did not spare himself = ontzag zichzelf niet; The teacher did not spare

for his crying = sloeg maar toe, niettegenstaande zijn schreeuwen;

Spare to speak, and spare to speed = een grienende hond krijgt iets,

een zwijgende niets; Ever spare, ever bare = te veel bewaard is voor de

kat bespaard; Sparerib = ribstuk; Spareness = magerheid. Zie Sparing.

Sparge, spâdž, besprenkelen.

Sparing, spêriŋ: Sparing of time = zuinig op; Sparing of words = karig

met woorden; Sparing dinners = schrale diners.

Spark, spâk, subst. vonk, sprank; vroolijke Frans, bluffer, minnaar;

Spark verb. het hof maken: He is but a dull spark = een echte suffer;

No spark of feeling = geen greintje gevoel; The stone emitted sparks =

spatte vonken; His master was sparking within = zijn heer zat

daarbinnen te “flirten”, te vrijen; Sparkle, spâk’l, subst. gefonkel,

geflikker, glans; Sparkle verb. fonkelen, schitteren; Sparkling =

fonkelend, schitterend, levendig: Sparkling wine = parelende,

mousseerende.

Sparling, spâliŋ, spiering, zeezwaluw.

Sparrow, sparou, musch: Hedge sparrow = bastaard nachtegaal;

Sparrow-bill = snavel van een musch; schoenspijker; Sparrow-grass =

asperge; Sparrow-hawk = sperwer.

Sparse, spâs, dun gezaaid of verspreid: The population is sparse =

woont verspreid; subst. Sparseness.

Sparta, spâtə, Sparta; Spartan, subst. en adj. Spartaan(sch): Spartan

broth; Spartan dog = bloedhond.

Spasm, spazm, kramp, krampachtige poging; Spasmodic, spazmodik,

krampachtig.

Spat, spat, imperf. en p.p. perf van to spit.

Spat, spat, subst. zaad (v. oesters), jonge oesters; Spat verb. zaad

schieten.

Spat, spat, slobkous: He was neatly spatted = had keurige spats aan.

Spatch-cock, spatškok, gedoode en onmiddellijk daarop gebraden haan.

Spate, speit, plotseling opkomende overstrooming: Mountain streams in

spate = bergstroomen die hoog gezwollen zijn.

Spatter, spatə, bespatten, spatten, bekladden, “sputteren” (bij het

praten); Spatterdashes = slobkousen: Spattering-leather = spatkleed.

Spatula, spatjulə (Spatule, spatjûl) spatel; Spatular, Spatulate =

spatelvormig.

Spavin, spavin, spat (bij paarden): Spavined.

Spawn, spôn, subst. kuit, broed, gebroed (fig.); Spawn verb.

kuitschieten, uitbroeden (fig.): This is the latest spawn the press has

cast = het jongste prul dat de pers heeft geleverd; Spawner = kuiter;

Spawning grounds = plaatsen waar de visch kuit schiet.

Engelsch woordenboek. Eerste deel: Engelsch-Nederlandsch (met uitgeschreven verkortingen) · 第 120 / 152 段