in Amerika (1861–65); Secessionist = afgescheidene; iemand die het in
den burgeroorlog met de Zuidelijke staten hield (Amer.); deze wordt ook
kortweg Secesh, siseš, genoemd: The Secession Bauers = de Boeren, die
niet Krügers regeering steunden.
Seclude, siklûd, afsluiten, buitensluiten, afzonderen; Secluded =
afgezonderd: He leads a secluded life = leeft zeer afgezonderd en
eenzelvig; Seclusion, siklûž’n, afzondering, uitsluiting: To live in
seclusion; Seclusive, siklûsiv, afzonderend, uitsluitend.
Second, sek’nd, subst. tweede, secondant, helper, seconde,
secundawissel; adj. tweede, tweede (inferieure) kwaliteit, volgende op,
ondergeschikt, ander; Second verb. steunen, helpen, laten volgen: I can
play a second on the piano = accompagneeren; Second in command =
onderbevelhebber; I am second to none in love of country = doe voor
niemand onder; He got his second breath (wind) = kwam weer op adem;
Every second day = om den anderen dag; To play second fiddle = de
tweede viool spelen; On second thoughts = bij nader inzien; Second
youngest = op een na de jongste; The motion was seconded = werd
gesteund; He came off second-best = was op één na de beste, trok aan ’t
kortste eind; Second-cousin = achterneef (-nicht); Second-hand = uit de
tweede hand, voor oud: A second-hand bookseller =
tweedehandsboekhandelaar; Second-hand witness = getuige, die wat hij
meedeelt, slechts van hooren zeggen heeft; Second-mourning = lichte
rouw; Second-rate = van den tweeden rang: A second-rate actor = acteur
van den 2en rang; Second-sight = vermogen om profetische visioenen te
zien; Secondary, subst. afgevaardigde, gedelegeerde; adj.
ondergeschikt, niet oorspronkelijk, ontleend, bijkomend: Secondary
circumstances = bij-omstandigheden; Secondary colours = secundaire
kleuren; Secondary tints = zachte, grijze tinten; Seconder = steuner,
bevestiger.
Secrecy, sîkrisi, geheimhouding, eenzaamheid, omzichtigheid: In secrecy
= in ’t geheim, stilletjes; I bound them over to secrecy, enjoined
secrecy on them = legde hun geheimhouding op; I trusted to (relied on)
your secrecy = vertrouwde (rekende) op uwe geheimhouding: Secret,
sîkrət, subst. geheim, stil gebed (bij de mis); adj. geheim, verborgen,
stil, vertrouwelijk: The great secret = het hiernamaals; Official
secret = ambtsgeheim; It was an open secret = publiek geheim; In secret
= stilletjes; Can you keep a secret? Then keep this (a) secret = een
geheim bewaren? Houd dit dan geheim; I would not let him into this
secret = ik wou hem niet in dit geheim inwijden; To let out a secret =
verklappen; subst. Secretness.
Secretariat(e), sekrətêriat, secretariaat; Secretary, sekrətəri,
secretaris, minister, secretaire, secretarisvogel: The Home, Colonial,
Foreign secretary = de Minister van Binnenl. Zaken, van Koloniën, van
Buitenl. Zaken; The Secretary of War = Minister van Oorlog; Private
secretary = particulier secretaris; Secretary of an embassy (legation)
= gezantschapssecretaris; Secretaryship.
Secrete, sikrît, verbergen, verhelen, afzonderen, afscheiden (uit het
bloed, enz.); Secretion, sikrîš’n, afscheiding; Secretive = afscheiding
bevorderend; geheim, heimelijk; subst. Secretiveness; Secretory of
Secretory = afscheidend.
Sect, sekt, sekte; Sectarian, sektêriən, subst. afgescheidene; ook
adj.: Sectarian school = confessioneele school; Sectarianism =
sektegeest; Sectarianize = van sektegeest doortrekken; Sectary =
aanhanger eener sekte.
Sectile, sektil, splijtbaar.
Section, sekš’n, snijding, doorsnede, sectie (med.), afdeeling,
paragraaf, stuk (staats)land van 640 acres (Amer.); Section verb. in
secties verdeelen: Longitudinal section = overlangsche doorsnede;
Transverse section = dwarse doorsnede; Sectional = tot eene section
behoorende, uit sections bestaande; Sectionalism = particularisme;
Sector = sector; Sectorial, sektôriəl, subst. snijtand; adj. snijdend.
Secular, sekjulə, subst. wereldlijk priester; adj. wereldlijk,
honderdjarig, wat men slechts na groote tijdsruimten kan waarnemen,
seculair: Secular clergy = seculieren; Secularism = naam van een
ethisch stelsel op de natuurlijke zedeleer gegrond; Secularist, subst.
aanhanger van Secularism; adj. tot Secularism behoorende; Secularity,
sekjulariti, wereldsgezindheid; Secularization = secularisatie;
Secularize = seculariseeren.
Secundine, sekəndain, nageboorte.
Secure, sikjûə, adj. veilig, vertrouwend op, zeker, verzekerd; Secure
verb. beveiligen, vastmeeren (van schepen), verzekeren, beschermen,
beperken, zich verzekeren van, pakken, opsluiten: The name of a great
man is already secure to him = hem al gewaarborgd; I have secured two
seats in the stalls = twee plaatsen genomen; In this way you will be
secured against such mistakes = zult gij u hoeden of bewaren voor;
Amply secured = voldoende gewaarborgd; Security = veiligheid,
verzekerdheid, pand, borg(tocht), waarborg, obligatie: Government
securities = staatspapieren; Security is mankind’s greatest enemy = het
zich veilig weten of wanen met daaruit voortspruitende zorgeloosheid is
’s menschen grootste vijand.
Securiform, sikjûriföm, bijlvormig.
Sedan, sidan, draagstoel = Sedan-chair.
Sedate, sideit, kalm, rustig, bezadigd; subst. Sedateness.
Sedative, sedətiv, subst. en adj. pijnstillend of kalmeerend (middel).
Sedentariness, sed’ntərinəs, subst. v. Sedentary, sed’ntəri, zittend:
Mine is a sedentary life = ik heb een zittend leven.
Sederunt, sidîr’nt, zitting van een hof; uitdrukking om aan te wijzen
wie ter zitting waren.
Sedge, sedž, zegge, rietgras.
Sedgemoor, sedžmûə; Sedgwick, sedžwik.
Sedgy, sedži, met sedge begroeid.
Sedilia, sidailjə, officieele zitplaats van den celebreerenden priester
aan de rechterzijde van het altaar = Sedile, sədaili.
Sediment, sediment, bezinksel, neerslag, ketelsteen; Sedimentary =
sedimentəri, sedimentair: Sedimentary rocks.
Sedition, sidiš’n, opstand; Seditious, sidižəs, oproerig, muitziek;
subst. Seditiousness.
Seduce, sidjûs, verleiden, verlokken; subst. Seducement; Seducer =
verleider, lokmiddel; Seducible = verleidbaar; Seduction, sidɐkš’n,
verleiding; Seductive = verleidend, verleidelijk, verlokkend;
Seductress = verleidster.
Sedulity, sidjûliti, naarstigheid; adj. Sedulous, sedjulɐs; subst.
Sedulousness.
See, sî, subst. rechtsgebied of waardigheid van een (aarts)bisschop:
Apostolic (Holy, Papal) See = de Heilige Stoel.
See, sî, zien, aanschouwen, ondervinden, bezoeken, spreken, omgaan met,
geleiden, zorgen voor, oppassen, inzien, doorzien: That’s the truth,
see! = snap je; Don’t you see = zie je wel? I See = jawel; He came to
see my daughter (Amer.) = maakte het hof; See that everything is in
order = zorg dat alles in orde is; I’ll see you paid = zorgen, dat je
je geld krijgt; We don’t see much company, much of him = ontvangen
weinig bezoek, zien hem niet vaak; Will you see him to bed? = te bed
brengen; To see to the door = uitlaten; He saw me downstairs = ging met
mij de trap af en liet mij uit; I have seen quite enough of him = ik
ben hem moe; He wanted to see all fair = dat alles in den haak was;
I’ll see you home, (to the station) = u thuis, naar het station
brengen; I will see you somewhere first = vóór dit gebeurt mag jij naar
den duivel loopen; I will see about it = er voor zorgen, het overwegen;
To see after = zorgen voor, toezien op; I see into your plans = ik
doorzie uwe plannen; I will see you off = naar trein of boot brengen;
He soon saw round their plans = doorzag, begreep geheel; I will see you
through = er doorhelpen; Will you see to it? = er voor zorgen; I will
see to your dinner = zorgen dat je wat te eten krijgt; Let me go and
see = eens gaan kijken; Seeing, subst. gezichtsvermogen; conj.
aangezien, voor zoover; Seer, sîə, ziener, profeet; Seeress = profetes.
Seed, sîd, subst. zaad, nakomelingschap, afstamming; Seed verb. zaaien,
zaad schieten: The few seed = de weinige zaadjes; The seed of David =
Davids nageslacht; The flowers have run to seed = hebben zaad
geschoten; The business has run to seed = is verloopen,
achteruitgegaan; To sow the seeds of discord; Seed-basket = zaaikorf; A
seed-bed of crime = broeinest van misdaad; Seed-bud = zaadknopje;
Seed-cake = kruiderig gebak, kruidkoek; Seed-coat = zaadbolster,
zaadomhulsel; Seed-corn, Seed-grain = zaaikoren; Seed-leaf, Seed-lobe =
zaadvlies, zaadlob; Seed-pearl = stofpareltje; Seed-plat, Seed-plot =
kweekerij, zaaibed; Seed-seller, Seedsman = zaadhandelaar; Seed-time =
zaaitijd; Seed-trade; Seeded = zaaddragend, bezaaid; Seedling, subst.
zaaiplant; adj. uit zaad ontsproten; Seediness, subst. v. Seedy = vol
zaad, kruiderig; kaal, schabbig; “katterig”.
Seek, sîk, verb. zoeken, doorzoeken, begeeren, zijne toevlucht nemen
tot, pogen, etc.: In his knowledge of men and things he is sadly to
seek = is hij al bitter slecht op de hoogte; A man so much to seek is
ill qualified for that post = iemand die zóó slecht op de hoogte is; To
seek every possible means = beproeven; You must seek after truth = naar
waarheid streven; I have sought for it = ik heb er om gezocht; To seek
a lady in marriage = dingen naar de hand van; Seeker = (onder)zoeker.
Seem, sîm, schijnen, lijken, doorgaan voor: I seemed to see him = ik
meende, dat; Things are not what they seem = de schijn bedriegt; It
would seem that he has been slandered = het schijnt wel; It seems to me
that you are right = het schijnt mij toe; Seeming, subst. schijn,
voorkomen; adj. schijnbaar, oogenschijnlijk; He is seemingly virtuous =
in schijn; subst. Seemingness, Seemliness = fatsoen, aangenaam
voorkomen; Seemly = betamelijk, geschikt, gepast: It is not seemly for
you to be present = het past u niet.
Seen, sîn, p. part. van to see.
See-saw, sîsô, subst. wip(plank), wippen, schommelen; adj. op en neer
(heen en weer) gaand; See-saw verb. op en neer (heen en weer) gaan,
wippen: Life is a see-saw between gravity and jest = beweegt zich
tusschen; To have a game (To play) at see-saw = wippen.
Seethe, sîdh, koken, zieden; Seether = kookketel.
Seg(g), seg, os.
Segment, segm’nt, subst. segment; Segment verb. in s. verdeelen:
Segment of a circle (sphere); Segmental, segment’l, segməntəl,
segment....; Segmentation = verdeeling (verdeeld zijn) in segmenten.
Segregate, segrigit, adj. afgescheiden, afgezonderd, uitgelezen;
Segregate verb. segrigeit, afzonderen, afscheiden; subst. Segregation,
segrigeiš’n.
Seid, sîd, sei-id, sî-id; Seidlitz, sedlits: Seidlitz powder =
bruispoeder; Seidlitz water.
Seignior, sînjə, subst. heer: Grand seignior =
grootwaardigheidsbekleeder, de sultan van Turkije; Seigniorage,
sînjəridž, regaal, muntloon, winstaandeel van uitvinder of schrijver;
Seigniorial, sinjôriəl, heeren - -.
Seine, sein.
Seine, sîn, zegen (vischnet); Seiner.
Seize, sîz, grijpen, vatten, confisqueeren, beslag leggen op, in ’t
bezit stellen, aantasten, bevangen: I will seize the very first
opportunity = de eerste de beste gelegenheid aangrijpen; We were
landowners now duly seized and possessed = behoorlijk in genot en bezit
van land gesteld = We had been duly seized of our property; To be
seized with a cramp = kramp krijgen; Seizer; Seizin, sîzin, bezit,
inbezitneming; Seizor = beslaglegger.
Seizure, sîžə, inbezitneming, beslaglegging, arrestatie, plotselinge
aanval (van eene ziekte, b.v.), overrompeling: I told her the cause of
her father’s seizure = haar vaders aanval van beroerte; To take seizure
of = in bezit nemen.
Sej(e)ant, sîdž’nt, zittend met recht vooruitstekende voorpooten
(Herald.).
Seldom, seld’m, zelden: Seldom or never = zelden of nooit; Seldom if
ever = zoo ooit.
Select, silekt, adj. uitgelezen, keurig; Select verb. uitkiezen: The
company is small but select = klein maar rein; Select committee =
speciale parlementaire commissie; Select writers = uitgelezen
schrijvers; Select-man = jaarlijks gekozen ambtenaar om de belangen der
stad en de naleving der wetten te bevorderen (Amer.); Selection,
silekš’n, keuze, keur: He formed a choice selection of pictures = eene
keurige verzameling; Natural selection = natuurlijke teeltkeus;
Selective, silektiv, nauwkeurig uitkiezend; Selectness, silektnəs,
uitgelezenheid; Selector, silektə, uitkiezer.
Selene, səlîni, Selene, de maan.
Self, self, subst. en pron. persoon, ik(heid), bloem of bloesem van
uniforme kleur: I am not myself = mezelf niet; Scrooge saw his former
self = zijn vroeger ik; He is my other self = mijn tweede ik; He leads
a life for self = is een egoist; The thing speaks for itself = is
duidelijk genoeg; The love of self is innate to man = de eigenliefde is
den mensch aangeboren; He did it of himself = uit eigen vrijen wil;
Self do, self have = niets gaat boven den man zelf; Self-abasement =
zelfverlaging, zelfvernedering; Self-absorption = het opgaan in
zichzelf; Self-abuse = misbruik van eigen vermogens, zelfbevlekking;
Self-acting = zelfwerkend; Self-annihilation = zelfvernietiging;
Self-assertive = aanmatigend; subst. Self-assertion; Self-command =
zelfbeheersching; Self-communing = te rade gaan met zichzelf;
Self-complacency = zelfingenomenheid; Self-conceit = ingebeeldheid;
Self-conceited = ingebeeld; Self-confidence = zelfvertrouwen;
Self-conscious = zelfbewust; Self-consumer = haard met rookverbranding;
Self-contained = eenzelvig, zichzelf meester, afgesloten:
Self-contained flats = bovenhuizen met aparten opgang; Self-control =
zelfbeheersching; Self-denial = zelfverloochening; Self-destruction =
zelfmoord; Self-effacing = zichzelf wegcijferend; Self-esteem = achting
voor zichzelf; Self-evident = klaarblijkelijk, zoo klaar als de dag;
Self-existence = zelfstandig bestaan; Self-feeder = zich zelf voedende
(regelende) machine; Self-fertilization = zelfbevruchting;
Self-glorification = zelfverheerlijking; Selfgovernment =
zelfregeering, eigenbestuur; Self-importance = eigendunk; Self-interest
= eigenbelang; Self-love = eigenliefde; Self-made = door zichzelf
gebracht waar men is, door eigen inspanning geslaagd; Self-moved =
automatisch; Self-possessed = kalm, bedaard; To regain one’s
self-possession = zelf beheersching; Self-registering; Self-reliance =
zelfvertrouwen; Self-reproach = zelfverwijt; adj. en subst;
Self-reproving; Self-respect; Self-righteous = eigengerechtigd; subst.
Self-righteousness; Selfsame = precies dezelfde; Self-seeker = egoïst;
Self-seeking = zelfzuchtig; Self-sufficiency = zelfgenoegzaamheid,
eigenwaan; adj. Self-sufficient; Self-supporting = in eigen behoeften
voorziend; Self-trust = zelfvertrouwen; Self-will = eigenzinnigheid,
koppigheid; Self-willed = koppig, zelfstandig, onafhankelijk; Selfish =
zelfzuchtig; subst. Selfishness.
Sell, sel, subst. bedrog, beetnemerij; Sell verb. verkoopen, handelen,
aftrek vinden, verkocht worden; bedriegen, beetnemen: An awful (No end
of a) sell = een gemeene beetnemerij; To sell cheap, dear; To sell
one’s life dearly; The article sells rapidly (readily) = gaat grif van
de hand; My description of the earthquake sold twenty thousand = er
werden 20000 exemplaren verkocht van; The paper sells thousands in the
capital = in de hoofdstad worden duizenden exemplaren verkocht; I
discovered he had sold me = dat hij mij “verlakt” had; I sold it for a
song = voor een appel en een ei; The selling off had begun = uitverkoop
(liquidatie); He sold out = verkocht zijne officiersplaats (zijn
aandeel in de zaak); To sell up = de eigendommen van een debiteur laten
verkoopen; Seller.
Seltzer water, seltsəwôtə, Selterswater.
Selvage, Selvedge, selvidž, zelfkant, geweven rand: Selvaged = met een
zelfkant.
Semaphore, seməfö, optische telegraaf; Semaphoric(al), seməforik(’l):
Semaphoric sign; Semaphorist = bediener van een semaphoor.
Semblance, sembl’ns, gelijkenis, schijn, voorkomen; adj. Semblant.
Semen, sîm’n, zaad; meerv. Semena, seminə; Seminal, zaad.., kiem...
Semi, semi, half, gedeeltelijk; Semi-annual(ly) = halfjaarlijks(ch);
Semi-annular = halfrond; Semi-breve = heele noot = vier crotchets;
Semicircle = halve cirkel; Semicircular = halfrond; Semicolon =
komma-punt; Semi-detached houses = aan één kant vrijstaande;
Semi-diameter = halve middellijn; Semi-fluid, subst. en adj. taai
vloeibaar (iets); Semi-lunar = als een halve maan; Semi-metal =
halfmetaal; Semi-official = officieus; Semiped = halve voet (in
prosodie); Semipedal, semipîd’l, een halven voet hebbend; Semi-quaver =
zestiende noot; Semi-tone = halve toon; Semitonic, semitonik, van een
halven toon; Semi-spheric(al) = half bolvormig; Semi-vocal = onvolkomen
klinkend; Semi-vowel = halfklinker, vloeiletter.
Seminarian, seminêriən, seminarist = Seminarist; Seminary, seminəri,
kweekschool, seminarium: Elementary, Superior seminarian = klein, groot
seminarie.
Semite, semait, Semiet; adj. Semitisch: An Anti-Semite; Semitic,
səmitik, Semitisch: The Anti-Semitic party; Semitic Languages =
Semitische talen.
Semola, semələ, Semolina, seməlînə, Semolino, seməlînou, griesmeel.
Sempervive, sempəvaiv, huislook.
Sempiternal, sempitɐ̂n’l, eeuwigdurend, eindeloos.
Sempstress, semstrəs, naaister.
Senary, senəri, zes bevattend, zestallig.
Senate, senit, senaat, hoogerhuis (Amer.); Senate-house =
senaatsgebouw; Senator, senətə, senator; Senatorship; Senatorial,
senətôriəl, senaat of senator behoorende (eig. Am.); Senatus, səneitɐs,
academische senaat.
Send, send, subst. beweging der golven; Send verb. zenden, verzenden,
werpen, schieten, voortplanten, etc.: Born on the send of the sea = op
de bewegelijke golven; This sent him mad = maakte hem razend; God send
that all may be right = God geve dat; They sent the hat round =
collecteerden; I will send you word as soon as I know it = bericht
zenden; I have sent him about his business = ik heb hem de laan
uitgestuurd (= I have sent him packing); They have sent for him = He
was sent for = er werd om hem gestuurd; Will you send the servant for
cigars? = de meid sigaren laten halen; He sent forth light
tobacco-clouds = dampte uit; To send in = inzenden; I sent in (up) my
name = liet me aandienen; To send off = wegzenden, expedieeren; You
will have a good send-off = we zullen je een “zetje” geven; een
afscheidsfuif geven; They gave him a send-off = deden hem uitgeleide;
We have sent him to Coventry = wij hebben hem dood verklaard; He was
sent to Botany Bay = hij werd naar de strafkolonie gezonden; To send up
= opzenden, naar den directeur zenden, omhoog drijven, zich aangeven
(for examination); This measure sent up the price = deed stijgen;
Sender.
Sendal, send’l, lichte, dunne zijde.
Seneca, senəkə; Senegal, senəgôl, senəgəl: Senegal gum; Senegambia,
senəgambiə.
Senescence, sines’ns, veroudering; adj. Senescent.
Seneschal, senəš’l, hofmeester, ceremoniemeester, baljuw;
Seneschalship.
Sengreen, sengrîn, huislook.
Senile, sîn(a)il, den ouden dag eigen; Senility, siniliti, ouderdom.
Senior, sîniə, subst. oudere of hoogere in rang, chef, primus; adj.
ouder, oudste, hooger in rang: He is my senior by four years = vier
jaar ouder; Senior clerk = eerste klerk; Senior counsel = voornaamste
raadsman in eene rechtszaak; Seniority, sînioriti, voorrang of
superioriteit door rang, diensttijd: To be promoted by seniority =
volgens ancienniteit.
Senna, senə, senebladeren.
Sennight, sen(a)it, acht dagen; This day sennight (ago) = vandaag voor
eene week; This day sennight (to come) = vandaag over eene week.
Sennit, senit, platting (scheepst.).
Sensate, sensit, met de zinnen waargenomen; Sensation, sənseiš’n,
gewaarwording, gevoel, aandoening, sensatie: It caused quite a
sensation = bracht heel wat opschudding teweeg, baarde heel wat opzien;
Sensational, senseišən’l, gevoels...; sensationeel: Sensational novels
= sensatie-romans; Sensationalism = opgewonden taal of geschrijf; leer
dat de kennis het resultaat van zinnelijke indrukken en gewaarwordingen
is.
Sense, sens, zin, gevoel (of = voor), gewaarwording; begrip, besef,
rede, oordeel, meening, beteekenis: The eye of sense = het zinnelijk
oog; Common sense = gezond verstand; Figurative, Literal, Proper,
Strict sense; In a sense = in zekeren zin; In every sense = in ieder
opzicht; Any man in his senses = die zijn zinnen bij elkaar heeft; He
is not in his senses = bij zijne zinnen = Out of his senses; That is
visible to the sense = waarneembaar voor het oog; To bring a person to
his senses = iemand aan zijn verstand brengen, dat hij verkeerd deed;
He has a keen sense of right and wrong = een fijn gevoel voor; To take
the sense of a meeting = een vergadering door stemming zich laten
uitspreken; He had taken leave of his senses = was gek geworden; To
talk sense = verstandig praten; To recover one’s senses = tot bezinning
komen; Senseless = gevoelloos, onzinnig, dwaas; subst. Senselessness.
Sensibility, sensibiliti, vatbaarheid, gevoeligheid, ontvankelijkheid:
His quick sensibilities = zijne ontvankelijkheid; Sensible =
waarneembaar, gevoelig, verstandig, merkbaar, teeder, fijngevoelig: He
is a sensible man = verstandig; Are you sensible? = ben je wel wijs; I
am sensible of your considerate kindness = gevoelig voor; That is not
sensible to sight or feeling = niet waarneembaar voor; She was sensible
to the end = tot het laatst bij kennis; subst. Sensibleness; He was
sensibly affected by your words = zicht- of merkbaar aangedaan.
Sensitist, sensitist: Louis Couperus the Sensitist = de sensitieve.
Sensitive, sensitiv, (fijn)gevoelig, licht geraakt of aangedaan:
Sensitive plant = kruidjeroermeniet; Sensitive to an affront = gevoelig
voor; subst. Sensitiveness = Sensitivity = (teer- of fijn)gevoeligheid;
Sensitize, sensitaiz, gevoelig maken.
Sensorial, sensôriəl, tot het Sensorium behoorende; Sensorium,
sensöriəm, zetel der gewaarwordingen; grauwe hersenen = Sensory,
sensəri.
Sensual, senšuəl, zinnelijk, vleeschelijk, wellustig; Sensualism =
zinnelijkheid, wellust; Sensualist = wellusteling, zinnelijk mensch;
Sensuality, senšualiti = Sensualism; Sensualize, senšuəlaiz,
verzinnelijken, zinnelijk maken; Sensualness = zinnelijkheid; Sensuous,
senšuəs, tot de zinnen sprekend, zinnelijk; subst. Sensuousness.
Sent, sent, imperf. en part pert van to send.
Sentence, sent’ns, subst. vonnis, oordeel, beslissing, zin; Sentence
verb. vonnissen, veroordeelen: To carry a sentence into execution = een
vonnis voltrekken; To pass (pronounce) (a) sentence upon = vellen; This
sentence makes no sense = deze zin heeft geen zin: The “long
sentencers” are, as a rule, the best behaved = de levenslang
veroordeelden gedragen zich gewoonlijk het best; He was sentenced to
death, but the sentence of death was commuted into lifelong
imprisonment = ter dood veroordeeld, maar het doodvonnis etc.;
Sententious, səntenšəs, rijk aan kernachtige gezegden, spreuken en
maximen; bondig, krachtig; subst. Sententiousness.
Sentience, Sentiency, senš’ns(i), waarnemingsvermogen, gevoelsvermogen;
Sentient, senš’nt, waarnemend, gevoelend.
Sentiment, sentiment, gevoel, aandoening, gewaarwording, gevoelen,
idee, gedachte, toast: The sentiment of a religion of sorrow has an
advantage over the sentiment of a religion of pleasure = de grondslag;
They are my own sentiments = dat’s ook mijn idee; John proposed a
sentiment: “The important day” = Jan stelde een dronk in op den
gewichtigen dag; You cannot prove truths of sentiment =
gevoelswaarheden laten geen bewijs toe; Sentimental, sentiment’l,
(overdreven) gevoelig, sentimenteel: That is a sentimental question =
kwestie van gevoel, gevoelsvraag; Sentimentalism = (overdreven)
gevoeligheid; Sentimentalist = (overdreven of gemaakt) gevoelsmensch;
Sentimentality, sentimentaliti, sentimentaliteit; Sentimentalize =
overdreven of gemaakt gevoelig zijn.