Scoot, skût, voortsnellen, vliegen (Amer.).

Scope, skoup, doel, voornemen, gezichtskring, speelruimte, vrijheid: I

gave him free (full) scope = liet hem vrij spel; That’s not within our

scope = in ons bereik.

Scorbutic, skobjûtik, aan scheurbuik lijdend; subst. iemand, die aan

scheurbuik lijdt.

Scorch, skötš, zengen, verschroeien, geeselen (fig.), woest rijden;

Scorcher = een woest fietsrijder, enz.: To-day has been a scorcher = ’t

was om te stikken; That critique as a scorcher = dat was een venijnige

kritiek.

Score, skö, subst. keep, insnijding, gelag, rekening, aantal behaalde

punten, twintig, partituur, etc.; Score verb. inkerven, schrammen,

opschrijven, aanteekenen, op muziek zetten, een voordeel behalen,

succes hebben: Four score = 80; All the score in the debate was to him

= het succes in het debat; That was his first and only score = zijn

eerste en éénig succes; That’s your score = uwe rekening; uw aantal

punten; The stamping of the foot and the beating of the score were

irritating = en dat slaan op de partituur; The dancers went off at

score = dansten er flink op los; His little errors in the score of

veracity = op het punt der waarheid; On a new score = van nieuws; On

that score = wat dat betreft, in dat opzicht; On what score? = waarom?

On the same score = om dezelfde reden; By scores = bij hoopen; Scores

of time = vele malen; Set it down on the score of my headache = schrijf

het toe aan; Put it down to my score = op mijne rekening; To pay off

old scores = oude schulden betalen; To run up a score = een rekening

laten oploopen; To rake up old scores = oude koeien uit de sloot halen;

It scores one for you that you did not get angry = het pleit voor u; He

scored heavily = maakte veel punten, had veel succes; I felt that I had

scored = dat het raak was geweest, dat ik succes had; His scored Greek

testament was always beside him = zijn met aanteekeningen voorzien

(bekrabbeld) Gr. testament; I have scored them off a bit = hun “hun

vet” gegeven, heb ze geraakt: To score out a sentence = een zin

uitkrassen; He scored over me = was mij de baas af; Scored through =

doorgehaald; Score up this glass for me = schrijf dit glas voor mij op;

Scorer.

Scoria, sköriə, metaalschuim, slak; Scoriac, sköriək, Scoriaceous,

skörieišəs, slakachtig; Scorify = tot slakken worden.

Scorn, skön, subst. hoon, verachting, versmading, (voorwerp van)

bespotting; Scorn verb. verachten, hoonen, versmaden: To laugh to scorn

= bespotten; I scorn it = dat is beneden mijne waardigheid; Scorner;

Scornful = verachtelijk, etc.; subst. Scornfulness.

Scorpion, sköpiən, schorpioen; schorpioenvisch; waterschorpioen

(insect).

Scorzonera, sközənîrə, schorseneeren.

Scot, skot, aanslag, belasting: To pay scot and lot = gemeentelijke

belasting betalen, tot den laatsten cent betalen; Scot-free = vrij van

belasting; ongedeerd, veilig: He came off scot-free = hij kwam er

heelhuids af.

Scot, skot, Schot: To be in a Scot = toornig zijn; Great Scot = groote

goedheid; Scotland = Schotland; Scotland Yard = het hoofdbureau van

politie in London.

Scotch, skotš, Schotsch: The Scotch = de Schotsche natie; Scotch barley

= ongepelde gerst; Scotch cap = muts (linten achter, knoop bovenop);

Scotch-hoppers = hinkebaan; Scotch mist = zeer zware mist; Scotchman =

Schot; stuk van twee shillings (Z.-Afrika).

Scotch, skotš, subst. kerf, snede, schram; Scotch verb. kerven,

schrammen: Scotched collops = soort kalfskarbonade.

Scotsman, skotsm’n, Schot; Scotticism = Schotsch taaleigen; Scottish =

Schotsch.

Scoundrel, skaundr’l, subst. schurk, fielt; adj. laag, schurkachtig;

Scoundrelism = laagheid, gemeenheid, schurkerij.

Scour, skauə, schuren, afwrijven, varen, gaan, of strijken langs, erg

purgeeren, zuiveren (van vijanden), met vuur uit de flank bestrijken,

doorzoeken, trekken door, rondzwerven; subst. snelle strooming,

spoeling, sterke purgatie: The admiral scoured the seas = veegde de zee

schoon; He was as courageous a dog as ever scoured the woods = door de

bosschen zwierf; Scourer = sterk purgeermiddel, roover; Scouring:

Scour-drops = vlekkenwater; Scour-paper; Scour-sand = schuurzand.

Scourge, skɐ̂dž, subst. geesel, roede, zweep, plaag; Scourge verb.

geeselen, kastijden, teisteren: Disease scourged the country = ziekte

teisterde het land; Scourger.

Scout, skaut, subst. verkenner, padvinder (= Boy Scout); oppasser

(Oxford), een “fielder” bij cricket; Scout verb. verkennen, bespieden;

bespotten, verachtelijk afwijzen: He scouted that idea = wierp dat

denkbeeld ver van zich.

Scow, skau, subst. schouw, praam; Scow verb. vervoeren in een scow.

Scowl, skaul, subst. boos gezicht, zuur gezicht; Scowl verb. fronsen,

zuur of boos kijken: He scowled at me = keek mij toornig aan.

Scrabble, skrab’l, krabbelen; subst. gekrabbel.

Scrag, skrag, subst. kromme, dorre tak; mager, schraal persoon;

halsstuk (= Scrag-end): Scrag of mutton; Scraggy = mager, gerimpeld,

ruw: Horses with Scraggy necks.

Scramble, skramb’l, subst. geklauter, gegrabbel, vechtpartij; Scramble

verb. klauteren, grabbelen: There was a scramble for it = men vocht er

om; I have scrambled through my work = heb afgeroffeld; Scrambler;

Scrambling = haastig, slordig.

Scranch, skranš, kraken.

Scrap, skrap, subst. brokje, stukje, uitknipsel; Scrap verb. vechten: A

scrap of a child = kleine peuter; Scrap-book = album met ingeplakte

teekeningen, snippers uit couranten, etc.; Scrap-heap: To go to the

scrap-heap = in verval geraken; Scrap-iron = oudroest; Scrapping about

for food; Scrappiness = onsamenhangendheid: His work’s apparent

scrappiness yet has an inner unity = onmiskenbare onsamenhangendheid;

Scrappy = fragmentarisch, met stukjes en brokjes: In a scrappy

paragraphic form = in telegramstijl.

Scrape, skreip, subst. geschraap, gekras; buiging, dienaresse,

verlegenheid; Scrape verb. schrapen, krassen, afkrabben, wrijven tegen,

bijeenschrapen, buigen: He got into a scrape = kwam in moeilijkheid; He

got himself into a scrape = bracht zichzelf in een moeielijkheid; He

rather left his country in a scrape than be in a scrape himself = liet

liever zijn land in nood dan er zelf in te zitten; He seemed inclined

to scrape acquaintance with me = kennis te willen maken; To scrape

one’s feet; To scrape pigs; The speaker was coughed and scraped down =

het hoesten en geschuifel van voeten belette den spreker voort te gaan;

To scrape up money = bijeenschrapen; Scrape-penny = schraper; Scraper.

Scratch, skratš: Old Scratch = de duivel.

Scratch, skratš, subst. krab, schram; kleine pruik (= Scratch-wig);

beest (biljart); streep (bij wedstrijden); adj. saamgeraapt,

ongelijksoortig; Scratch verb. krabben, schrammen, uitkrassen,

uitvallen, beesten (bilj.): To start at scratch = aan de streep

beginnen (geen voorgift krijgen); To bring to the scratch = een

beslissing doen nemen; To come up to the scratch = aan de streep komen,

zijn man staan, niet mankeeren, toebijten; To toe the scratch = aan de

streep staan; A scratch band = bijeengeraapt muziekcorps; Scratch

company; Scratch crew; All the vehicles were of a scratch description =

een bijeengescharreld spulletje; We sent him a scratch invitation =

voor den vorm eene invitatie; A scratch team = bijeengescharreld

spannetje; To scratch one’s ear = zich achter het oor krabben; Scratch

my head, said the parrot; The plan has been scratched = het plan heeft

men laten varen; I have scratched it out = uitgekrast; Scratchback =

krabber; She was the most obstinate old scratch-cat in the county =

oude kat; Scratch-man = deelnemer aan een wedstrijd, die aan de streep

begint; Scratch-race = wedstrijd waarbij de ploegen door loting worden

geformeerd, of althans niet aan voorwaarden zijn gebonden; Scratch-wig

= kortharig pruikje; Scratcher; Scratchy = geschramd, bekrast, niet met

geregelden slag (bij het roeien): The crew was scratchy and by no means

up to its late form = de bemanning was niet op slag, en volstrekt niet

in zulk een goede “conditie” als in den laatsten tijd.

Scrawl, skrôl, subst. gekrabbel, kattebelletje; Scrawl verb. slordig

schrijven, krabbelen: The paper was Scrawled over = stond vol

hanepooten; Scrawler; Scrawly = krabbelig; slordig,

Scray, skrei, vischdiefje.

Screak, skrîk, subst. gegil, gekrijsch, gekras; Screak verb. gillen,

krijschen, krassen.

Scream, skrîm, subst. gil; Scream verb. gillen; Screamer = iets

ongewoons, iets om je dood te lachen; It was a screaming farce = een

dolle klucht; Screamingly funny = allerdolst.

Screech, skrîtš, subst. geschreeuw, gil, gefluit; Screech verb. gillen,

gieren, fluiten: The whole assembly screeched with laughter = gierde

van lachen; Screech-owl = kerkuil of torenuil.

Screed, skrîd, stuk, brok, lange strook land, langgerekte twist of

redevoering, slecht geschreven artikel; Screed verb. verscheuren.

Screen, skrîn, subst. scherm, schut, maskeering, grove zeef, scheiding;

Screen verb. beschutten, beschermen, verbergen, maskeeren, uitzoeken,

ziften: Fire screen; Folding screen = vouwscherm; He screened us from

injury = behoedde ons voor.

Screw, skrû, subst. schroef, schroefboot, (slecht) salaris, oude knol,

gierigaard, moeielijk examen (Amer.); Screw verb. schroeven,

verdraaien, vertrekken, afpersen; moeielijk vragen (Amer.): All of a

screw = geheel verdraaid; There’s a screw loose (somewhere) = het is

(ergens) niet recht pluis, niet in den haak; Have you got your screw

yet? = hebt ge uw geld al; He put on the screw = zette de duimschroeven

aan; He put screw on = gaf “effect” (bilj.); He screwed it out of me =

is het van mij te weten gekomen; Screw up your courage = verman je; He

screwed up his lips = trok een bedenkelijk gezicht; Screw-blade =

schroefblad: Screw-driver = schroevendraaier; Screw-jack = dommekracht;

Screw-key = schroefsleutel; Screw-nut = moer; Screw-propeller =

schroef; Screw-stairs = wenteltrap; Screw-steamer = schroefboot;

Screw-thread = schroefdraad; He was awfully screwed = hij was

stomdronken; Screwer; Screwy = gedraaid, afgejakkerd, gierig.

Scribble, skrib’l, subst. gekrabbel; Scribble verb. krabbelen: To

scribble off a little note; Scribbler.

Scribe, skraib, subst. schrijver, secretaris, copiëerder,

schriftgeleerde; Scribe verb. merken, lijnen trekken: The present

scribe = schrijver dezes.

Scrimmage, skrimidž, schermutseling, worsteling (om den bal, b.v.).

Scrimp, skrimp, subst. vrek; adj. bekrompen, karig; Scrimp verb.

beperken, bekrimpen.

Scrip, skrip, tasch, ransel, briefje, naamlijst; recepis, voorloopig

bewijs (eig. Scrip certificate); Scrip-holder = houder van een scrip.

Script, skript, geschrift, druk in schrijflettervorm; Scriptural,

skriptjur’l, naar de Schrift: Scriptural passage = bijbelplaats;

Scripturalism = gehechtheid aan de letter van de Schrift; Scripturalist

= die zich letterlijk aan de Schrift houdt, schriftgeleerde; Scripture,

skriptšə, subst. geschrift, de H. Schrift; adj. naar de Schrift:

Scripture History = Bijbelsche Geschiedenis; Scripture reader =

bijbellezer in ziekenhuizen en bij de armen.

Scrivener, skrivənə, opsteller van documenten en contracten,

geldmakelaar: Scrivener’s palsy = schrijfkramp.

Scrofula, skrofjulə, klierziekte; Scrofulous, skrofjulɐs, klierachtig;

subst. Scrofulousness.

Scroll, skroul, rol, lijst, krul, concept, lint voor het devies; Scroll

verb. op een rol zetten, concipieeren, oprollen; Scroll-work = lofwerk.

Scrouge, skraudž, dringen, knijpen, afbeulen; ook Scrowdge.

Scrub, skrɐb, subst. versleten borstel of bezem, struikgewas, vrek,

stumper, blokker, werkezel, dwerg, knol; Scrub verb. hard wrijven of

schuren, schrobben, oppoetsen, hard zwoegen; Scrub-oak = dwergeik;

Scrubber = Scrubbing-brush = luiwagen, boender; Scrubby = klein,

onbeduidend, sjofel, met hakhout bedekt: Scrubby fellows = sjofele lui.

Scruff, skrɐf, nek: He took him by the scruff of the neck = pakte hem

achter bij zijn nek.

Scrumptious, skrɐmšəs, uitstekend, kieskeurig.

Scrunch, skrɐnš, opknabbelen, vertrappen, verpletteren; Scruncher =

slokop.

Scruple, skrûp’l, subst. scrupel; aarzeling, bezwaar; Scruple verb.

aarzelen, bezwaar maken: To have a scruple = bezwaar maken;

Scrupulosity, skrûpjulositi, subst. v. Scrupulous = nauwgezet,

zorgvuldig, schroomvallig; subst. Scrupulousness.

Scrutineer, skrûtinîə, navorscher, stemopnemer; Scrutinize = nauwkeurig

onderzoeken, navorschen; Scrutinizer; Scrutinous, skrûtinɐs,

zorgvuldig, precies; Scrutiny = nauwkeurig en critisch onderzoek,

onderzoek der uitgebrachte stemmen.

Scud, skɐd, subst. vlucht, wolkenjacht; Scud verb. snel loopen,

voortijlen, lenzen (scheepsterm): Showery scuds = regenwolken; We were

scudding under bare poles = lensden voor top en takel.

Scudo, skûdou, naam voor verschillende oude Ital. munten.

Scuffle, skɐf’l, subst. verwarde strijd of worsteling; Scuffle verb.

vechten; Scuffler.

Scull, skɐl, subst. korte roeiriem, soort boot; Scull verb. met korte

riemen roeien, wrikken; Sculler.

Scullery, skɐləri, bijkeuken; Scullery-maid = hulp der keukenmeid;

Scullion, skɐlj’n, vatenreiniger, keukenjongen, asschepoester.

Sculptor, skɐlptə, beeldhouwer; vr. Sculptress; Sculptural = tot de

beeldhouwkunst behoorende; Sculpture, skɐlptšə, subst. beeldhouwkunst,

beeldwerk, graveer(snij)werk; Sculpture verb. beeldhouwen, snijden,

graveeren; Sculpturesque, skɐlptjuresk, van den aard van beeldwerk.

Scum, skɐm, subst. schuim (ook fig.), metaalschuim, afval, heffe,

uitschot; Scum verb. afschuimen; Scummer = schuimlepel; Scummings =

afschuimsel.

Scupper, skɐpə, spie- of spuigat = Scupper-hole; Scupper-hose,

(Scupper-shoot) = goot buiten het spiegat om het water af te voeren;

Scupper-plug = spiegatstop.

Scurf, skɐ̂f, roofje, korst, afval; Scurfiness, subst. v. Scurfy = met

roofjes bedekt, schurftachtig.

Scurril(e), skɐril, laag, vuil, plat; Scurrility, skəriliti, laagheid,

gemeenheid; Scurrilous, skɐrilɐs, laag, gemeen, vuil.

Scurry, skɐri, drukte, haast, verwarring; Scurry verb. voortsnellen,

wegijlen: Then followed a scurry for a good seat = geloop.

Scurviness, skɐ̂vinəs, subst. v. Scurvy, skɐ̂vi, subst. scheurbuik; adj.

aan scheurbuik lijdende, schurftig, laag, gemeen, verachtelijk.

Scut, skɐt, kort staartje, b.v. van haas of hert.

Scutate, skjûtit, met schubben of schildjes.

Scutch, skɐtš, vlasbraken: Scutching-machine (Scutch-mill) =

vlasbraakmachine.

Scutcheon, skɐtš’n, wapenschild; sleutelschild, naamplaatje.

Scutellate(d), skjûtəlit (skjûtəleitid), met schildjes of schoteltjes;

Scutelliform = schildvormig = Scutiform.

Scutter, skɐtə, snel wegloopen.

Scuttle, skɐt’l, subst. breede ondiepe mand, kolenbak, luik; vlugge

tred, hardloop; Scuttle verb. vlug loopen, rennen; gaten boren in bodem

of zijde van een schip om het te doen zinken; Scuttle-butt,

Scuttle-cask = watervat (op schepen); Scuttle-fish = inktvisch.

Scutum, skjût’m, schild der zwaar bewapende Romeinsche soldaten;

schildvormig plaatje.

Scylla, silə: Between Scylla and Charybdis.

Scythe, saidh, zeis.

Scythia, sithiə, Scythië, de Krim; Scythian, subst. en adj. (bewoner)

van Scythië of de Krim.

’Sdeath, sdeth, sapperloot.

’Sdainful, sdeinf’l, verachtelijk.

Sea, sî, subst. zee, oceaan, golf, baar, branding, deining, richting

der golven, groote hoeveelheid: Chopping, Cross sea = holle zee; Pitch

sea = stamp-zee; You are at sea = op zee; glad mis, in de war; Ships

out at sea = in volle zee; Between the devil and the deep sea =

tusschen Scylla en Charybdis; The pockets in my pocket-book are full of

sea = vol zeewater; He was half seas over = “sikker”; On the high seas

= in volle zee; Oversea settlers; The sea was rolling and tossing = de

zee stond zeer hol; Calling of the sea = gonzend geluid, dat van de

kust uitgaat, en soms verscheidene mijlen landwaarts in gehoord wordt;

These fishing-smacks can bow the sea = goed zee bouwen; To go to sea,

To follow the sea = matroos worden, zijn; To go by sea = over zee; When

do they put to sea = steken ze in zee; Sea-acorn = zeepok; Sea-air =

zeelucht; Sea-anemone = zeeanemoon; Sea-bank = zeekust, dijk; Sea-bar =

zeezwaluw; Sea-bathing place; Sea-battle: Sea-beat(en) = door de golven

gebeukt; Sea-board, subst. aan zee grenzend land, zeekust; adj. aan zee

grenzend; Sea-boat = zeeschip; Sea-borne = overzeesch; Sea-bottom;

Sea-boy = scheepsjongen; Sea-breach = doorbraak; Sea-breeze = zeewind;

Sea-calf = zeehond, zeekalf; Sea-captain = scheepskapitein; Sea-change

= verandering door de zee teweeggebracht: The great gift of Thackeray

has suffered a sea-change in a voice which knows few satirical tones =

Th.’s groot talent heeft in dezen (Amerikaanschen) schrijver eene

groote door de zee bewerkte verandering ondergaan in eene stem die

weinig satirieks heeft; Sea-chart; Sea-chest = zeemanskist;

Sea-chestnut = zeeappel; Sea-coal = steenkool; Sea-coast = zeekust;

Sea-cook = scheepskok: Son of a sea-cook = schooier; Sea-cow = zeekoe;

Sea-crow (Sea-cormorant, Sea-drake) = aalscholver; Sea-dog = rob,

waterrat (fig.); Sea-egg = zeeappel; Sea-elephant = zeeolifant;

Seafarer = zeeman; Sea-faring man = varensgezel; Sea-fight =

zeegevecht; Sea-fish = zeevisch; Sea-fowl = zeevogel; Sea-fox = zeevos;

Sea-ga(u)ge = diepgang, toestel om peilingen te doen; Sea-girt = door

de zee omringd; Sea-god = zeegod; Sea-going = zee...; ter zee varend;

Sea-green = zeegroen(e kleur); Sea-hog = bruinvisch; Sea-holly =

zeedistel; Sea-horse = zeepaardje, walrus, fabelachtig dier (half paard

en half visch); Sea-island cotton = katoen van de kusten van Georgia,

Z. Carolina en Florida; Sea-kale = zeekraal; Sea-king = viking;

Sea-legs: I have got my sea-legs now = ik kan me nu vrijelijk op het

dek bewegen; Sea-leopard, zeehond uit de Zuidzee; Sea-letter = zeebrief

(in oorlogstijd aan ieder onzijdig schip uitgereikt); Sea-level =

niveau; Sea-line = kim; lange vischlijn; Seaman = zeeman, matroos;

Seamanlike = als een zeeman; Seamanship; Sea-mark = baken; Sea-mew =

zeemeeuw; Sea-needle = geep; Sea-pad = zeester; Sea-pass = Sea-letter;

Sea-pie = gerecht van groente en vleesch met een korst gebakken;

Sea-piece, (Seascape) = zeegezicht, zeestuk (schilderij); Sea-pike =

geep; Seaport = zeehaven, zeestad; Sea-purse = lederachtig omhulsel

waarin haaien hunne eieren leggen; Sea-risk = zeegevaar; Sea-robber =

zeeroover; Sea-room: To get Sea-room = het ruime sop bereiken;

Sea-rover = zeeschuimer, kaperschip; Sea-serpent = zeeslang; Sea-shell

= zeeschelp; Sea-shore = zeekust; Sea-sick = zeeziek; Sea-sickness =

zeeziekte; Seaside = zee, zeekant: We are going to the seaside this

summer = gaan naar eene (zee)badplaats; Sea-stores = (magazijn van)

scheepsbehoeften; Sea-tang = soort van zeewier; Sea-term = matrozen- of

zeemansuitdrukking; Sea-tossed = door de zee geslingerd; Sea-unicorn =

narwal; Sea-urchin = zeeappel; Sea-view; Sea-voyage; Seaward =

zeewaarts(ch); Seaway = zeeweg; Sea-weed = zeegras, wier; Sea-wind;

Sea-wing = hamdoublet; Sea-wolf = zeewolf, viking; Sea-worthiness =

zeewaardigheid van een schip; Sea-worthy = zeewaardig.

Seal, sîl, subst. rob, zeehond; zegel, lak, bezegeling, bevestiging,

verzekering; Seal verb. zegelen, bezegelen, stempelen, bevestigen,

sluiten, zijn zegel hechten aan: The great seal = ’s rijks zegel; Lord

Keeper of the great seal = grootzegelbewaarder; Writs were issued under

the great seal = met ’s rijks zegel; To affix (put, set) one’s seal to

= zijn zegel hechten aan; A sealed book = een boek met 7 zegelen

(fig.); To seal a letter = lakken; Seal-engraver = stempelsnijder;

Seal-ring = zegelring; Seal skin = robbevel; Sealer = robbenvisscher

(persoon en vaartuig); Sealer of weights and measures = ijker (Amer.);

Sealery = robbenvangst, plaats daarvoor; Sealing = zegel - -; robbe -

-; Seal-vessel = schip voor robbenvangst; Seal-wax = zegellak.

Seam, sîm, subst. zoom, naad; litteeken, laagje, maat van 8 bushels

(290,8 L.); Seam verb. zoomen; met litteekens bedekken; Seamless =

zonder zoom of naad; Seamy = met naden of zoomen: You see only the

seamy side of things = slechts van den ongunstigen kant; Everything has

its fair as well as its seamy side = je kunt de dingen van twee kanten

beschouwen; He wore his coat the seamy side without = het binnenste

buiten.

Seamstress, semstrəs, naaister.

Seance, Fr. uitspr. séance (vooral spiritistisch).

Sear, sîə, adj. droog, dor; subst. dorheid; Sear verb. schroeien,

branden, ongevoelig maken: In the sear of the leaf = in den herfst; The

wound was seared up = dichtgeschroeid; Seared = verdroogd, dor,

verhard, ongevoelig.

Search, sɐ̂tš, subst. het zoeken, onderzoek; Search verb. onderzoeken,

nasporen, sondeeren, visiteeren, fouilleeren, bestrijken (mil.),

doordringen (v. koude): To go in search of (To make search after (for))

= zoeken, navorschen; To institute a strict search into = een

nauwkeurig onderzoek instellen naar; The right of search = het recht

aan bevelhebbers gegeven om schepen en scheepspapieren van andere

naties in oorlogstijd te onderzoeken; In search of = zoekende naar; The

truth was searched out at length = werd uitgevorscht; Search-light =

(electrisch) zoeklicht; Search-warrant = machtiging tot huiszoeking;

Searcher = onderzoeker, visiteur, sonde, boterboor; Searching, subst.

nauwkeurig onderzoek; adj. onderzoekend, nauwkeurig, scherp: There were

searchings of heart over that religious question = die godsdienstvraag

leidde hen er toe tot zichzelven in te keeren; He gave me a searching

look = zag mij doordringend aan; Searching smell = doordringend,

scherp; A searching March-wind = een snerpende Maartsche wind;

Searchingness = doordringendheid.

Season, sîz’n, subst. seizoen, geschikte tijd, tijdperk, jaargetijde;

Season verb. geschikt maken, gewennen, rijp maken of worden, kruiden,

smakelijk maken, uitdrogen (van hout): Oranges were not in season = ’t

was niet de tijd voor; He came in season = hij kwam van pas; Your

remark is out of season = niet op hare plaats; The dead, dull, silly

season = komkommertijd; The London season = de tijd van Maart-Augustus

(in Londen, wanneer het parlement zijne zittingen houdt); The

compliments of the season = gelukwensch met kerstmis en nieuwjaar; The

height of the season = de tijd dat de “season” in vollen gang is;

Season-ticket = maand- of abonnementskaart; Season(-ticket) holder =

houder van eene maand- of abonnementskaart; The meat is not well

seasoned = niet goed gekruid; He is seasoned to it = er tegen gehard;

He seasoned his speech with pleasant anecdotes = kruidde; Seasonable =

geschikt, gepast, gelegen: It is seasonable weather for Christmas = net

weer voor; Seasoner; Seasoning = toebereiding, kruiderij.

Seat, sît, subst. zetel, stoel, bank, zitting, zitplaats, landhuis,

lustslot, tooneel; Seat verb. zetten, plaatsen, inwijden, vaststellen:

A city is or has been the seat of a bishop; The seat of war was

transferred to Bohemia = het tooneel van den oorlog; Keep your seat =

blijf zitten; He resumed his seat = ging weer zitten; Take a seat = ga

zitten; He wanted to vacate his seat = zijn ambt neer te leggen; Pray

be seated, Will you not be seated? = wil u niet gaan zitten; Seating =

stof voor zittingen (van stoelen, enz.).

Sebaceous, sibeišəs: Sebaceous gland = vetklier.

Sebastian, sibastj’n.

Secale, sikeilî, rogge: Secale cornutum = moederkoren.

Secant, sîk’nt, subst. snijlijn; adj. snijdend, verdeelend.

Secede, sisîd, zich afscheiden of terugtrekken: He seceded from the

royal party; Seceder = afvallige, afgescheidene.

Secern, sisɐ̂n, scheiden, afscheiden; Secernent, subst. en adj.

afscheidingsorgaan, afscheiding bevorderend (middel).

Engelsch woordenboek. Eerste deel: Engelsch-Nederlandsch (met uitgeschreven verkortingen) · 第 112 / 152 段