Sentinel, sentinel, subst. schildwacht; adj. wachthoudend; Sentinel

verb. bewaken: To keep, To stand sentinel = op wacht staan; The

sentinel was relieved = werd afgelost; The sentinel stars set their

watch in the sky = de wachthoudende sterren zetten aan den hemel hunne

posten uit.

Sentry, sentri, schildwacht: To be (To stand on) sentry; To come off

(To go on) sentry; To relieve sentry = aflossen; To do sentry go = op

wacht staan; Sentry-box = schilderhuisje.

Sepal, sîp’l, sep’l, kelkblad; Sepalous, sepəlɐs = met kelkblad,

kelkblad ...

Separability, sepərəbiliti, subst. v. Separable, sepərəb’l, scheidbaar,

deelbaar; subst. Separableness.

Separate, sepərit, adj. afgescheiden, afzonderlijk; Separate verb.

(sepəreit) scheiden, verdeelen, afzonderen, heengaan, uiteengaan:

Separate estate = de eigendom van eene getrouwde vrouw onafhankelijk

door haar beheerd en genoten; Separate maintenance = uitkeering aan

eene gescheiden vrouw; They separated without speaking another word =

gingen van elkander; subst. Separateness; Separation, sepəreiš’n,

scheiding, afzondering: Separation of partnership, Separation from bed

and board; Separatism, sepərətizm, zucht tot afscheiding (van kerk of

partij); Separatist = separatist, home-ruler; Separative = scheidend;

Separator = afscheider; Separatory dux = afscheidingskanaal;

Separatrix, sepəreitriks, decimaalpunt; Separatum = afdrukje.

Sepawn, sipôn, maïsmeel in water gekookt.

Sepia, sîpjə, inktvisch, sepia.

Sepoy, sîpôi, sipôi, Indisch soldaat in E. dienst.

Septangular, septaŋgjulə, zevenhoekig.

September, septembə, September.

Septempartite, sept’mpâtait, in zeven deelen verdeeld.

Septenary, septənəri, zeventallig, zevenjarig.

Septennial, septenj’l, zevenjarig, om de zeven jaren.

Septentrional, septentriən’l, noordelijk, middernachts ...

Septfoil, septfôil, tormentilla; zevenblad, d.i. figuur van zeven

gelijke cirkelsegmenten.

Septi, septi (in samenst.), zeven; Septifarious, septifêriəs, naar

zeven verschillende kanten gekeerd; Septiform = zevenvormig.

Septic, septik, subst. en adj. rotting bevorderend(e stof): Septic

tank.

Septillion, septilj’n, 1 + 42 nullen (in Amer. meest met 24).

Septuagenarian, septjuədžənêriən, zeventigjarige, iemand tusschen 70 en

80; Septuagenary, septjuadžənəri, subst. en adj. zeventigjarig(e).

Septuagint, septjuədžint, Septuaginta.

Sepulchral, sipɐlkr’l, tot een graf of eene begrafenis behoorende, graf

...: Sepulchral voice, rites, monument = grafstem,

begrafenisplechtigheden, grafteeken; Sepulchre, sepəlkə, graf;

Sepulture, sep’ltjə, begrafenis; Sepultural = begrafenis ...

Sequel, sîkw’l, vervolg, gevolg(en), resultaat: A sequel to it = een

vervolg er van; The sequel of it = het gevolg er van; Sequela, səkwîlə,

aanhang; gevolgtrekking; Sequence, sîkw’ns, opvolging, reeks, gevolg:

He has a sequence of cards = volgkaarten; The usual sequence of events

= gang van zaken; Sequent = volgend; Sequential = opvolgend.

Sequester, sikwestə, afzonderen, afsluiten, in beslag of bewaring

nemen, sequestreeren; Sequestered = afgezonderd, eenzaam,

gesequestreerd: He ran his course in the sequestered paths of life = in

afzondering; Sequestrate, sikwestreit, sequestreeren; subst.

Sequestration; Sequestrator, Sequestrator = beslaglegger; hij die het

goed waarop beslag gelegd is, beheert.

Sequin, sîkwin, sekin, oud-Venetiaansche munt (± 9 s. 4 d.).

Seraglio, sirâljou, siraljou, harem, paleis (van den Sultan).

Serai, sərâi, paleis, herberg (Perzië).

Seraph, serəf, serafijn (Meerv. Seraphs of Seraphim); Seraphic,

sirafik, verheven; rein, hemelsch; Seraphine, serəfîn, seraphine-orgel.

Seraskier, səraskîə, seraskîə, Turksch opperbevelhebber of minister van

oorlog.

Serb, sɐ̂b, Servisch; Serviër; Servische taal; Serbia.

Sere. sîə, droog, verwelkt, dor.

Serenade, serəneid, subst. serenade; Serenade verb. eene serenade

brengen of geven; Serenader; Serenata, serənâtə, serenade (muziekstuk).

Serene, sərîn, helder, rein, kalm, duidelijk, doorluchtig: All serene!

= in orde! Your Serene Highness = Uwe Doorluchtigheid; The weather was

serene = het weer was helder; Sereneness = Serenity, səreniti,

helderheid, kalmte, doorluchtigheid.

Serf, sɐ̂f, slaaf, lijfeigene; Serfage, Serfdom, Serfhood, Serfism =

lijfeigenschap.

Serge, sɐ̂dž, serge.

Sergeant, sâdž’nt, deurwaarder; sergeant (milit. = serdžant):

Sergeant-at-Arms = soort intendant en ceremoniemeester van het

Lagerhuis; Sergeant-at-Law, i.e. vóór 1873 werd aan sommige Barristers

de rang van Sergeant toegekend; Sergeant-drummer = tamboer-majoor (zoo

ook Sergeant-piper en Sergeant-trumpeter, voor de pijpers en

trompetters); Sergeant-major = sergeant-majoor; Sergeantcy = rang van

sergeant = Sergeantship.

Serial, sîriəl, tot eene reeks behoorende, periodiek, in opvolgende

nummers; subst. tijdschrift, verhaal, dat bij gedeelten (in een

tijdschrift) verschijnt: The novel first appeared in serial = in

afleveringen, als feuilleton; Seriate, sîriit = Serial; Seriatim,

sîrieitim, in geregelde orde of opvolging.

Sericulture, serikɐltšə, zijdewormenteelt.

Series, sîr(j)îz, reeks, opvolging.

Serin, serin, sijsje.

Serio, sîriou (in samenst.), ernstig; Serio-comic(al) = half ernstig,

half komisch.

Serious, sîriəs, ernstig, plechtig, gevaarlijk: I am quite serious = ik

meen het in vollen ernst; You mustn’t take things too seriously = de

zaken niet te ernstig opnemen; subst. Seriousness.

Serjeant, sâdž’nt. Zie Sergeant.

Sermon, sɐ̂m’n, preek, vermaning, leerrede: The Sermon on the Mount = de

Bergrede; To deliver (To preach) a sermon; Sermonize = preeken (ook

fig.).

Seron, səron, Seroon, sərûn, baal Paraguay thee, mand rozijnen, etc.

Serous, sîrəs, waterachtig, dun, als wei; Serosity, sirositi,

waterigheid.

Serpent, sɐ̂pn’t, slang, slanghoorn, soort voetzoeker; Serpent-bearer =

Slangendrager (sterrenbeeld); Serpent-charmer = slangenbezweerder;

Serpent-charming = slangenbezwering; Serpent-worship =

slangenvereering; Serpentarius, sɐ̂p’ntêriəs = Serpent-bearer;

Serpentine, sɐ̂p’nt(a)in, subst. slangensteen; kronkelende vijver (in

Hydepark); adj. kronkelend, sluw en boosaardig; Serpentine verb.

kronkelen: Serpentine verse = versregel, die met hetzelfde woord begint

en eindigt.

Serpiginous, sɐ̂pidžinɐs, lijdend aan Serpigo, sɐ̂paigou, vlecht

(huidziekte).

Serrate(d), serit(id), zaagvormig, getand; Serrature, serətjə, het

getand zijn; Serrulate(d), serjulit (serjuleitid), fijn getand.

Serried, serid, aaneengesloten, dicht samengedrongen: The serried

billows = elkander snel opvolgende baren; The front ranks were close

serried = dicht opeengedrongen.

Serum, sîr’m, serum: Serum treatment.

Serval, sɐ̂v’l, Afrikaansche boschkat.

Servant, sɐ̂v’nt, bediende, knecht, meid, dienaar, dienares: I am, Your

obedient servant = ik heb de eer te zijn, Uw dw. Dienaar; Servant of

all work = meid alléén; Servant-man, Servant-maid = dienstknecht,

dienstmaagd; Servants’ hall = dienstbodenvertrek; Servants’

register-office = verhuurkantoor.

Serve, sɐ̂v, dienen, bedienen, dienst of eer bewijzen, fungeeren,

serveeren, behandelen, helpen, voldoende zijn, beteekenen, invallen,

dekken: I served a five years’ apprentice-ship with that master = ik

diende bij dien baas vijf jaar als leerjongen; To serve an execution =

een exploit van executie beteekenen; The guns were served by picked

gunners = bediend; To serve an interest = een belang dienen; The letter

being marked “immediate”, I served it at once = daar op den brief

“spoed” stond, behandelde ik hem dadelijk; The horse will stand at home

and serve mares at 10 guineas each = zal ter dekking gereed staan; He

served office = bekleedde; He has served his time = uitgediend,

uitgezeten; He serves the time, is a time-server = huilt met de wolven

in het bosch; He served me a bad trick = bakte me een leelijke poets;

That will hardly serve your turn = u wel niet passen; To serve a

warrant = exploit van inhechtenisneming beteekenen; To serve a writ (of

attachment) = exploit ter betaling van schulden (exploit van

beslagneming) beteekenen; If my memory serves me correctly = mij niet

bedriegt; As wind and tide serve = weer en wind dienende; That serves

him right = hij heeft zijn verdiende loon; He serves in Parliament = is

lid van; He has served on a jury = is lid eener jury geweest; The food

was served out = werd uitgedeeld; I have served him out = het hem

betaald gezet; The soup has been served up = staat op tafel; Server =

dienaar, presenteerblad.

Servia, sɐ̂vjə, Servië; Servian, subst. en adj.

Service, sɐ̂vis, dienst, “militair”, bediening, dienstbaarheid,

onderdanigheid, compliment, nut, gang, gerecht, servies, verkeer,

kerkdienst (gebed, gezang, muziek): My service to you! = op uwe

gezondheid; Service is no service = iedereen kan vooruitkomen als hij

wil; Compulsory service = dienstplicht; Universal service = algemeene

dienstplicht; The service for the visitation of the sick = het

formulier van den ziekentroost; To see service = deelnemen aan

gevechten; veel gebruikt worden en de sporen daarvan dragen; The table

had seen service of late = de gerechten op tafel waren zooeven goed

aangesproken geworden; He was attested for, discharged from the service

= voor den dienst aangenomen, uit den dienst ontslagen; I am at your

service = tot uw dienst; His terms were 10 guineas at service = 10

guineas dekgeld; I never was in service before = heb nooit gediend; Can

I be of any service to you? = kan ik u van dienst zijn; On Her

Majesty’s Service = “Dienst”; His daughters went out to service in

respectable families = gingen uit dienen; He put them to hard service =

liet ze hard werken; To retire from (the) service = uit den dienst

gaan; Service-berry = lijsterbes; Service-bush (Service-tree) =

peerlijsterbes; Service-fee = dekgeld; Service-pipe = zijleiding;

Service-reservoir = prise d’eau (v. waterleiding); Serviceable =

dienstbaar, dienstig, voordeelig, dienstvaardig; subst.

Serviceableness; Serving: Service-maid; Service-man.

Servile, sɐ̂v(a)il, slaafsch, kruipend; Servility, sɐ̂viliti,

slaafschheid, onderworpenheid, kruiperij.

Servitor, sɐ̂viə, dienaar, suppoost (in een schouwburg), arm student,

die vroeger de rijkere moest bedienen.

Servitude, sɐ̂vitjûd, dienstbaarheid, slaafschheid, servituut: Penal

servitude = dwangarbeid.

Sesame, sesəmi, sesamplant: Open Sesame = tooverformule (Arab.

Vertellingen); sleutel tot eene moeilijkheid of een geheim.

Sesquipedalian, seskwipideilj’n, v. anderhalven voet: Ubiquitous

sesquipedalian advertisements = overal aangeplakte kolossale

advertenties.

Session, seš’n, zitting, zittingstijd; Sessional = tot eene zitting

behoorende.

Sestet, sestət, sestet, sextet.

Set, set, subst. stel, garnituur, servies, span, troep, bende, kliek,

kring, ondergang, bouw, houding, snit, partij, stekje, richting (v.

getij), vastberaden aanval, etc.; adj. gezet, geplaatst, onbewegelijk,

vastberaden, geregeld, voorgeschreven, ingestudeerd; Set verb. zetten,

plaatsen, inrichten, schikken, planten, versieren, aanstellen,

ondergaan, vast worden, aanhitsen of staan (van een hond), aangeven,

opgeven, uitloopen op, etc.: A set of books = stel boeken; Set of

buttons = garnituur; Set of china = servies; Set of Lancers = quadrille

des Lanciers; Set of rooms = étage; I was tenant of a top set = ik had

kamers op de bovenste verdieping; Girls in her set didn’t think it good

form to do so = uit hare kringen; Things have come to (are at) a dead

set = de boel zit vast, we kunnen niet verder; The dog made dead sets

at my trousers = greep mij bij; vloog aan op; Dead set = vastberaden

tegenstand, het “staan” van een jachthond; The smart set = de toon

aangevende coterie; A set face = strak gelaat; Set oration =

ingestudeerde rede; These are his Set phrases = vaste uitdrukkingen;

Books at set prices = voor vaste prijzen; He did it of set purpose =

met een bepaald doel; A set round of subjects = een vaste reeks; He

made a set speech = eene vooraf geprepareerde redevoering; A set visit

= officiëel; The sun has set = is ondergegaan; The sun is set = is

onder; They set a brand upon his head = zetten een brandmerk; She set

her cap at my uncle = hengelde naar; This set an edge to my energy =

prikkelde; To set a good example = stellen; I shall never set eyes on

him again = hem nooit weerzien; To set fire to (set on fire) = in brand

steken; There was nothing he could not set his hand to = dat hij niet

kon doen; He set his hand to this contract = hij onderteekende; To set

a resolution = nemen; To set each other riddles = opgeven; To set sail

for = onder zeil gaan naar; To set great, little, much store by = veel,

weinig waarde hechten aan; To set a task = opgeven; She set her teeth =

zette op elkaar; He set himself to do so = zette er zich toe; The

barometer points to “set fair” = staat op vast, bestendig weer; To set

free = in vrijheid stellen; To set light by = weinig waarde hechten

aan; The book set him wild to go to America = bracht hem het hoofd op

hol; To set at defiance = trotseeren, negeeren; To set at ease = iemand

op zijn gemak zetten, geruststellen (met on); To set at naught = in den

wind slaan; To set at work; To set in order = in orde, klaarmaken; It

set my teeth on edge = maakte de tanden stomp, deed mij griezelen,

huiveren; The story sets your hair on end = doet uwe haren te berge

rijzen; To set on fire = in brand; The undertaking was set on foot = op

touw gezet; He is set on mischief = is steeds uit op; Set to your

partners = “balancez aux dames!” To set to music; I have set them

together by the ears = op elkaar aangehitst, tegen elkander opgestookt;

We must set about it = er aan beginnen; They set their faces against

the measure = verzetten zich tegen; To set a person against another =

opzetten tegen; The law was set aside = werd buiten werking gesteld,

afgeschaft; The proposal was set before the meeting = werd voorgelegd;

We set it by till the next day = legden het ter zijde; It was set down

for a rule = als regel aangenomen; He sets down the public for an old

woman = beschouwt als; It was set forth publicly = werd openbaar

gemaakt; We set forth (forward) on our journey = gingen op reis; The

cold has begun to set in = is begonnen; A hard frost set in = viel in;

Let us set off for that place directly = vertrekken naar; She set off

her friend’s beauty = deed uitkomen (bij wijze van contrast); Who set

them on? = heeft hen aangehitst; They were set on to violence =

aangespoord tot; The narrative is lucidly set out = helder gesteld; Set

out with pearls and jewels = getooid met; The servant set out my

pistols = legde klaar; We set out for Paris = vertrokken naar P.; He

set out in trade = begon handel te drijven; The two combatants began to

set to = begonnen te vechten; They set to in right earnest = begonnen;

They set to gathering strawberries = begonnen; The currents of people

set towards Trafalgar Square = begaven zich naar, in de richting van;

It was set up for a rule = aangenomen als; He sets up for a clever

fellow = hangt uit (neemt de airs aan van); This windfall set me up

again = heeft mij weer op de been geholpen; Such a nap will set a

fellow up = doet iemand goed; His father set him up in trade = heeft

hem in eene zaak gezet; After some time I hope to set up (in business)

for myself = voor mijzelf te beginnen; How many pages have been set up

now = zijn nu al gezet? A stout well set-up man = forsch en flink

gebouwd; To set upon = aanvallen; Set-back = hinderpaal, instorting; A

terrible set-down = een vreeselijk standje; The set-in of summer = het

begin van den zomer; That is a beautiful set-off = versiering,

tegenstelling, vergoeding; The set-to was undecided = de strijd, het

gevecht; There was an awful set-to about the proposal = het voorstel

werd druk beredeneerd; Setline = zetangel; Set piece = pièce de

resistance, groot stuk (bij vuurwerk bijv.); Setter = zetter, staande

hond; Setter-up = stichter; Setting = montuur, garnituur, régie:

Setting-pole = schippersboom.

Seta, sîtə, borstel; Setacious, borstelig, borstelachtig; Setiferous =

borstels dragend; Setiform = borstelvormig; Setigerous, sitidžərəs, met

borstels of haren bedekt; Setose, sîtous, sitous = borstelig.

Seton, sît’n, seton.

Settee, setî, rustbank; soort Turksch vaartuig; Settee-sail.

Setter-wort, setəwɐ̂t, daslook.

Settle, set’l, subst. lange zitbank met hooge rugleuning; Settle verb.

vestigen, vaststellen, bepalen, bevestigen, beslissen, beslechten,

herstellen, vereffenen, stillen, bedaren, ordenen, bezinken, zich

neerzetten of vestigen, uitmaken: We settled accounts = rekenden af; To

settle a damage = een schade regelen; To settle a dispute = beslechten;

The Europeans settled many parts of the other continents =

koloniseerden; She settled her skirts = trok terecht; That’s settled =

dat is afgedaan, afgesproken; That settled them = zette hen op hunne

plaats; The notary was settled at Z. = had domicilie genomen; At last

the narrative settled down to what I have related = kwam neer op; They

settled down into their places = namen hunne plaatsen in; He has

settled for life = heeft een huishouden opgericht; The fly settled on

his nose = zette zich neer; Settle to one thing at a time = bepaal u

tot; To settle a pension upon a person = vastzetten op; I have settled

with my creditors = een accoord aangegaan met; Settled = vast,

ingeworteld, vastbesloten, rustig, ernstig, vereffend, bestendig:

Settled abode = vaste woonplaats; Settled conviction = vaste

overtuiging; Settled distress = ongeneeslijke droefheid; Settlement =

vestiging, vereffening, liquidatie, schikking; schenking, lijfrente;

volksplanting, domicilie: The Act of Settlement = wet op de

troonopvolging (1701); He made a settlement on me = vermaakte mij iets

(een legaat); They made us an offer of settlement = boden aan de zaak

in der minne te schikken; Settler = kolonist; iets dat beslist; That’s

a settler = dat maakt een einde aan de zaak; Settling = beslissing,

oplossing, regeling, volksplanting; Settling-day = betaaldag,

rescontredag, leveringsdag; Settlings = bezinksel, droesem.

Seven, sev’n, subst. zeven; adj. zeven: The seven deadly sins = de

zeven doodzonden (= Pride, Covetousness, Lust or Lechery, Gluttony,

Anger or Wrath, Envy, Sloth); That noise would rouse the Seven Sleepers

= zou de dooden doen ontwaken; Seven stars = zevenster; Sevenfold =

zevenvoudig = Sevenfolded; Seven-leagued boots = Seven-leaguers =

zevenmijlslaarzen; Sevennight = week; Seven-up = een kaartspel;

Seventeen = zeventien; Seventeenth = zeventiende; Seventh = zevende;

Seventhly = ten zevende; In the Seventies = tusschen 1870–80; tusschen

70 en 80 jaar oud; Seventieth = zeventigste; Seventy = zeventig: The

Seventy = de zeventig vertalers van de Septuagint; de evangelisten door

Jezus uitgezonden (Lucas X, 1–2).

Sevenoaks, sev’nouks, sev’nouks.

Sever, sevə, scheiden of afsnijden, deelen, afscheuren: Remember this

if we should ever be severed = als het lot ons ooit mocht scheiden; His

head was severed from his body = afgehouwen.

Several, sevər’l, onderscheiden, deelbaar, verscheiden; ook subst.:

Four several pillars = elk op zichzelf; Each several part = elk deel

afzonderlijk; Severally: Exeunt severally = gaan af naar verschillende

zijden (Theat.); Take them severally = elk in ’t bijzonder; Severalty =

afgescheidenheid: Held in severalty = in apart bezit; Severance,

sevərn’s, scheiding, afscheuring, verdeeling.

Severe, sivîə, streng, gestreng, ernstig, stipt, kritisch: I have

suffered a severe loss = een ernstig (zwaar) verlies; You are severe

with me = streng jegens mij; We will let him severely alone = hem

totaal voorbijgaan, negeeren; Severity, səveriti, gestrengheid,

strengheid, stiptheid.

Severn (The), dhəsevən; Seville, sevil, sivil.

Sew, sou, naaien, innaaien: To sew on = aannaaien; To sew (up) a wound;

Sewer; Sewing = het naaien, naaiwerk: She plied her sewing = zat druk

te naaien; Sewing-cushion; Sewing-machine = naaimachine; Sewing-party =

naaikrans; Sewing-work = naaiwerk.

Sewage, siûidž, rioolslijk; Sewage verb. van afwateringsgreppels

voorzien, droogleggen; met sewage bemesten; Sewer, siûə, riool: Court

of Commissioners of Sewages = soort van gezondheidsraad die heeft te

waken tegen de vervuiling van rivieren, etc.; Sewerage, siûəridž,

rioolstelsel.

Sewn, soun, part. perf. van to sew.

Sex, seks, geslacht: The fair, gentle, softer, weaker sex = de schoone,

zwakke sekse; The sterner, stronger sex = de mannelijke sekse; The

(dhî) sex = de vrouwen; Sexless = geslachtloos.

Sexagenarian, seksədžənêriən, zestigjarig(e); Sexagenary, seksadžənəri,

seksədžənəri, subst. zestigjarige; adj. uit zestig deelen bestaande,

zestigjarig.

Sexagesima, seksədžesimə, tweede Zondag voor de Vasten = Sexagesima

Sunday.

Sexagesimal, seksədžesim’l, zestigtallig.

Sext, sekst, het derde der zoogenaamde “kleine uurtjes” van het

brevier.

Sextain, sekstein, zesregelig vers.

Sextant, sekst’nt, sextant.

Sextillion, sekstilj’n, 1 met 36 (Amer. meest 21) nullen.

Sexton, sekst’n, koster, doodgraver; Sextonship.

Sextuple, sekstjup’l, zesvoudig.

Sexual, sekšuəl, geslachts ...: Sexual commerce (connection,

intercourse) = geslachtelijke omgang; Sexual disease; Sexual selection

= teeltkeus; Sexuality, sekšualiti, geslachtsonderscheid(ing).

Seymour, sîmə; Seyton, sît’n.

Shabbiness, šabinəs, schunnigheid, kaalheid, etc.; Shabby, šabi, kaal,

haveloos, min, laag: Our shabby genteel people = onze kale chique; I

call that shabby = dat noem ik gemeen; The book is shabby of covering =

heeft een slordigen omslag, band.

Shack, šak, subst. uitgevallen koren; recht van winterweide; vagebond

(Amer.); Shack verb. uitvallen (van rijp koren); op het stoppelland

sturen: To send hogs a-shacking.

Shackle, šak’l, subst. schakel, boei, kluister (ook fig.); Shackle

verb. boeien, ketenen, belemmeren, koppelen (Amer.), hinderen.

Shad, šad, elft.

Shaddock, šadək, pompelmoes.

Shade, šeid, subst. schaduw, schim, schakeering, (lampe)kap, scherm;

Shade verb. beschaduwen, overschaduwen, in de schaduw zetten,

verduisteren; met een shade bedekken, beschermen, verbergen, langzaam

verminderen of overgaan (off): A lamp with a green cardboard shade =

kartonnen kap; A glass shade = stolp; Chinese shades = Chineesche

schimmen; The latest shades of gloves = nuances, kleuren: No shade of

difference = geen zweem; This is a shade stronger = een tikje sterker;

This is, by a shade, not so good = een tikje minder goed; He was

particular to a shade = verschrikkelijk sekuur, tot op een haartje

nauwkeurig; He kept in the shade = bleef op den achtergrond, hield zich

gedekt; To put in (cast, throw into) the shade = in de schaduw stellen;

The (realm of) Shades = het schimmenrijk, Hades; Shadeless; Shadiness =

lommerrijkheid, dubbelzinnigheid. Zie Shady.

Shadow, šadou, subst. (scherp omlijnde) schaduw, schaduwbeeld,

duisternis, donkerheid, mom, aanduiding; geest; Shadow verb. schaduwen,

bewolken, in donkere kleuren schilderen, beschermen, verbergen,

voorstellen, volgen (als eene schaduw): The shadow(s) of death = de

schaduwen des doods; Coming events cast their shadows before; He

wrongly took the shadow for the substance = nam den schijn voor het

wezen; The police are shadowing him = de politie gaat al zijne gangen

na; Shadowiness, subst. v. Shadowy = schaduwrijk, donker, onwezenlijk,

hersenschimmig: A shadowy idea = vaag idee.

Shady, šeidi, lommerrijk, beschaduwd, dubbelzinnig, verdacht: A shady

business = zaak die geen licht kan verdragen; On the shady (sunny) side

of seventy = boven (onder) de 70 jaar.

Shaft, šâft, pijl, schacht, werpspies, steel, as, disselboom, deel van

een zuil tusschen voetstuk en kapiteel, mijnput (schacht): Shaft-horses

= de achterste (aan den disselboom loopende) paarden van een vierspan;

Shafted = door zuilen gedragen; gesteeld (herald.).

Shaftesbury, šâftsb’ri.

Shag, šag, subst. pluis, ruw haar, nop (van laken, enz.) soort van

tabak; adj. ruig; Shag verb. ruig maken; Shaggedness, Shagginess =

ruigheid; Shaggy = ruig, met lang, wollig haar: A shaggy pony, bear =

ruige hit, beer.

Engelsch woordenboek. Eerste deel: Engelsch-Nederlandsch (met uitgeschreven verkortingen) · 第 114 / 152 段