Sat, sat, imperf. en p.p. van to sit.

Satan, seit’n, Satan: Satan finds some mischief still for idle hands to

do = ledigheid is des duivels oorkussen; Satanic(al), sətanik(’l),

Satansch, helsch, duivelsch; subst. Satanicalness.

Satchel, satš’l, schooltasch.

Sate, sat, seit, P. Imp. v. to sit.

Sate, seit, verzadigen.

Sateen, sətîn, satinet.

Satellite, satəlait, satelliet, trawant.

Satiability, seišiəbiliti, verzadigbaarheid; Satiable, seišəb’l,

verzadigbaar; subst. Satiableness; Satiate, seišit, adj. verzadigd;

Satiate verb. seišieit, verzadigen; Satiation = verzadiging; Satiety,

sətaiəti, volheid, verzadigdheid.

Satin, satin, subst. satijn; adj. satijnen; Satin verb. satineeren;

Satin-paper = satijnpapier; Satin-spar = atlasspaat; Satinwood =

satijnhout; Satinet, satinet, satinet; Satiny = gelijk satijn.

Satire, sataiə, satire, scherpe opmerking; Satiric(al), sətirik(’l),

satirisch, hekelend; subst. Satiricalness; Satirist = hekelschrijver;

Satirize, satiraiz, hekelen.

Satisfaction, satisfakš’n, voldoening, betaling, genoegen, overtuiging:

In satisfaction of = ter betaling van; It gives me satisfaction to hear

= doet me genoegen; Satisfactoriness, subst. v. Satisfactory,

satisfaktəri, voldoende, geruststellend, bevredigend, Satisfiable,

satisfaiəb’l, die te voldoen is; Satisfier; Satisfy, satisfai, voldoen,

tevreden stellen, geruststellen, verzekeren, overtuigen: To satisfy

one’s curiosity (hunger); These conditions the statesman must satisfy

to command public confidence = aan deze voorwaarden moet een staatsman

voldoen; To satisfy the requirements = aan de eischen voldoen; I am

satisfied that it was duly explained to you = ik ben overtuigd.

Satrap, seitrap, satrap, satraap; Satrapy = satraapschap, provincie.

Saturable, satjurəb’l, verzadigbaar; Saturant, satjur’nt, verzadigend;

Saturate, satjureit, verzadigen, overal doortrekken; adj. satjurit,

verzadigd; Saturated steam = verzadigde stoom; subst. Saturation.

Saturday, satədi, Zaterdag.

Saturn, satən, Saturnus; Saturnalia, satəneiljə, Saturnusfeest, dolle

pret of vroolijkheid; Saturnalian = dol, los, losbandig; Saturnian,

sətɐ̂nj’n, van Saturnus, gouden, gelukkig: Saturnian age; Saturnine,

satənain, zwaarmoedig, somber.

Satyr, satə, satyr, boschgod; Satyric, sətirik, van satyrs; -ical,

sətirək’l.

Sauce, sôs, subst. saus, onbeschaamdheid, brutaalheid: Sauce verb.

sausen, kruiden, brutaal aanspreken, “zijn vet” geven: Don’t give me

sauce = wees niet brutaal tegen mij; Hunger is the best sauce = honger

is de beste kok; Sauce-boat = sauskom; Sauce-box = brutaaltje;

Sauce-pan = lang gesteelde stoof- of braadpan; Sauce-tureen = sauskom;

Sauciness, subst. v. Saucy, sôsi, onbeschaamd, brutaal.

Saucer, sôsə, schoteltje: Saucer-eyed = met kalfsoogen.

Saucisse, Fr. uitspr., kruitworst (om een mijn te doen ontbranden).

Sauerkraut, sauəkraut, zuurkool.

Saul, sôl; Saunders, sândəz.

Saunter, sôntə, sântə, rondzwerven, drentelen, slenteren; ook subst.;

Saunterer = treuzelaar, drentelaar.

Saurian, sôriən, subst. hagedis; adj. hagedis...

Sausage, sosidž, saucijs, worst: Sausage-roll = saucijzenbroodje;

Bologna sausage = saucisse de B.

Sauterne, Fr. uitspr., soort van witte Bordeaux.

Savable, seivəb’l, te redden; subst. Savableness.

Savage, savidž, woest, wild, barbaarsch, razend; subst. wilde, barbaar;

subst. Savageness = Savagery = woestheid; Savagism, savədžizm,

barbaarsche toestand.

Savanna(h), səvanə, savanne, boomlooze grasvlakte (in N.-Amerika).

Save, seiv, verb. behouden, bewaren, redden, (be)sparen, beveiligen, op

tijd bereiken; prep. behalve, uitgezonderd: To save appearances = den

schijn redden; To save one’s bacon = ergens goed afkomen; Save the mark

= ’t is God geklaagd, God betere ’t; You can save a mile by taking this

road = eene mijl uitwinnen; A penny saved is a penny gained = een

stuiver bespaard is een stuiver gewonnen; In great haste to save the

post = om de post te halen; God save the Queen = God behoede de

koningin; To save the tide = gebruik maken van de beste gelegenheid;

Save me from myself = behoed mij voor mijzelf; What shall I do to be

saved? = om zalig te worden; Save errors = vergissingen voorbehouden;

The last save one = de voorlaatste; Save-all = profijtertje; bijzeil;

schraper. Zie Saving.

Saveloy, savlôi, cervelaatworst.

Savin(e), savin, zevenboom.

Saving, seiviŋ, subst. redden, sparen, uitzondering, voorbehoud; adj.

reddend, spaarzaam, etc.; prep. behoudens, met alle respect voor:

Saving is having and saving is no sin = wie wat spaart heeft wat;

Saving your honour = met alle respect voor UEd.; Saving your presence =

met uw welnemen; Saving-sleeve = morsmouw; Savings = spaarpenningen;

(Post-Office) savings-bank = (post)spaarbank; Savings-bank book =

spaarbankboekje; Savingness = zuinigheid.

Saviour, seivjə, redder: The Saviour = de Heiland.

Savory, seivəri, boonenkruid.

Savour, seivə, subst. geur, smaak, reuk (fig.); Savour verb. een

bijzonderen geur of smaak hebben, rieken naar (fig.): It savours of

ginger = smaakt naar; Savouriness = smakelijkheid, geurigheid;

Savourless; Savourous = Savoury = smakelijk, geurig.

Savoy, səvôi, Savoye; savoyekool; Savoyard, səvôiəd, savôi-âd,

Savoiaard.

Saw, sô, imperf. van to see.

Saw, sô, subst. zaag; gezegde, spreuk; Saw verb. zagen: Circular saw =

circuleerzaag; Cross-cut saw = zaag met 2 handvatten voor twee

personen; Wise saws; Saw-blade = zaagblad; Saw-bones = spotnaam voor

een chirurg; Sawdust = zaagmeel, zaagsel: These books are as sawdust in

the mouth = door en door saai en droog; Sawfish = zaagvisch; Saw-horse

= bok; Saw-leaved = met getande bladen; Sawmill = zaagmolen; Sawpit =

zaagkuil; Saw-set (Saw-wrest) = tandzetter (werktuig); Sawyer = zager;

heen en weer drijvende boom op de Mississippi.

Sawder, sôdə, sodə: Soft sawder = vleierij: They put me off with soft

sawder = scheepten me af met mooie praatjes, stuurden me met een

kluitje in ’t riet.

Sawney, sôni, subst. spotnaam voor een Schot (= Sandy), slimmerd.

Saxe-Coburg-Gotha, saks-koubɐ̂g-goutə; Saxe-Weimar, saks-waimə.

Saxifrage, saksifridž, steenbreek (plant).

Saxon, saks’n, subst. en adj. (Angel)sakser; (Angel)saksisch(e taal);

Saxony = Saksen: Upper, Lower Saxony = Opper-, Neder-Saksen; Saxon-blue

= Saksisch blauw.

Saxophone, saksəfoun, saxophone.

Say, sei, subst. meening, woord, bewering, rede; Say verb. zeggen,

vertellen, opzeggen, aanvoeren, onderstellen, beslissen: It is my say

now = nu is het woord aan mij; To give a person a say in the matter =

mee laten spreken; To have a say in the matter; Let him have (say) his

say = laat hem uitspreken; I’ll have my say out with you = ik zal jou

eens zeggen waar het op staat; I say waiter = Aannemen! I say, my boy =

zeg er eens, jongen; Can it be that our literature is poorer than that

of say Germany? = laat ons zeggen Duitschland; Say that he would go =

aangenomen dat; You don’t say so = och kom! Though I say so who

shouldn’t = al zeg ik het zelf; That is more than you can say = dat

gelief jij te zeggen (maar...); On pag. 25 it says = lezen wij; As it

says in the Bible = zooals te lezen staat in; He said his lessons,

prayers = zeide zijne lessen, gebeden op; To say mass = de mis lezen;

Say the word = sla toe; He has not much to say for himself = is niet

erg spraakzaam, kan zich niet verdedigen; Do you mean to say that you

would say me nay? = woudt ge zeggen, dat ge mij woudt weigeren? Say me

the poem that you made = zeg eens voor me op; You have not anything to

say about it at all = er niets in (over) te zeggen; I have nothing to

say against him = niets op hem te zeggen; I have something to say in it

= er in te zeggen; Say out what you think = spreek vrij uit; He said it

to my face = hij zei het mij in mijn gezicht; I have nothing to say to

him = wil niets van hem weten; What do you say to that = wat dunkt u

daarvan? Saying = gezegde, uitdrukking, spreuk, spreekwoord: Say

nothing (= To say nothing) of her beauty = om nog niet eens te spreken

van; That is say a good deal (much) = dat is veel gezegd; The say is,

that ... = men zegt, dat; As the say is = zooals men dat noemt (zegt),

“zal ik maar eens zeggen”; There is no say what he will do = men kan

onmogelijk zeggen; That goes without say = spreekt van zelf; So said so

done; When all is said and done = bij slot van rekening.

Scab, skab, roofje, schurft; onderkruiper; Scabbed, skabd, skabid,

schurftig, laag, vuil: One scabbed sheep is enough to spoil (will mar)

a flock; Scabbedness = Scabbiness = schurftigheid; Scabby = schurftig.

Scabbard, skabəd, subst. scheede; Scabbard verb. in de scheede doen.

Scabies, skeibiîz, schurft; Scabious, skeibiəs, schurftig; subst.

scabiosa; Scabrous, skeibrəs, ruw, oneffen; subst. Scabrousness.

Scad, skad, hors of hars (soort makreel).

Scaevola, sevələ.

Scaffold, skaf’ld, subst. schavot; steiger, stellage; Scaffold verb.

van steiger of stellage voorzien; Scaffolding = steigerwerk,

steigerhout; Scaffolding-pole = steigerpaal; Scaffolding-trestle =

schraag.

Scagliola, skaljoulə, scagliola.

Scalable, skeiləb’l, beklimbaar (met ladders).

Scalariform, skəlêriföm, laddervormig.

Scalawag, skaləwag = Scallawag.

Scald, skôld, subst. brandwonde; hoofdzeer; oud Noorsch dichter; Scald

verb. met heete of kokende vloeistof branden, afkoken, opkoken; Scaldic

= skaldisch; It is scalding hot = gloeiend of brandend heet.

Scale, skeil, subst. schaal, Weegschaal (dierenriem), schub, opperhuid

(van slangen, enz.), dun laagje, schilfer, schaal (fig.)

graadverdeeling, toonladder, maatstaf; Scale verb. afschilferen, van de

schubben (ketelsteen) ontdoen; aanzetten (v. ketelsteen), wegen; met

stormladders beklimmen, opklauteren: Sliding scale = veranderlijke

maatstaf; By a scale of = op de schaal van, etc.; Scale of wages =

loontabel; On a large, small scale = op groote, kleine schaal; Pair of

scales = weegschaal; The scales have fallen from my eyes = de schellen,

etc.; Be sure to practise your scales = toonladders in te studeeren;

That will turn the scale = zal de schaal doen overhellen; This paint

will not scale = schilfert niet af; The tusks of the elephant scaled I

don’t know what = wogen ik weet niet hoeveel; Scale-armour = geschubd

harnas; Scaled = geschubd; Scaleless = zonder schubben; Scaler =

afschrabber. Zie Scaling.

Scalene, skəlîn, ongelijkzijdig: Scalene triangle = ongelijkzijdige

driehoek.

Scaliness, skeilinəs, schubbigheid.

Scaling, skeiliŋ; Scaling-ladder = stormladder, brandladder.

Scall, skôl, subst. schurft, hoofdzeer; Scall-headed, Scall-pated = met

een zeer hoofd; Scalled = schurftig; armoedig.

Scallawag, skaləwag, slecht gevoed, achterlijk dier; deugniet,

schooier.

Scallion, skalj’n, sjalot.

Scallop, skaləp, skoləp, subst. kamschelp, schelp (voor pasteitjes, in

de heraldiek of als pelgrimsteeken), schulp; Scallop verb. uitschulpen;

Scallops = in schelpen opgediende gerechten; Scalloped = uitgeschulpt,

gebakken met broodkruimels, melk, etc. (van oesters).

Scalp, skalp, subst. schedel, schedelhuid, hoofdhuid (met het haar),

pruik; Scalp verb. scalpeeren; Scalp-lock = haarbosje op de kruin van

het hoofd; Scalping-knife = scalpeermes.

Scalpel, skalp’l, ontleedmes.

Scaly, skeili, geschubd, schubvormig; schabbig, schunnig.

Scamp, skamp, subst. schelm, deugniet.

Scamp, skamp, knoeien, slordig afwerken: We do not scamp our work at

the Savoy = we loopen er aan het S.-theater niet luchtig overheen;

Scamper = knoeier.

Scamper, skampə, subst. overhaaste vlucht; Scamper verb. rennen,

overijld vluchten: They scampered across country = vluchtten over heg

en steg.

Scan, skan, (zich laten) scandeeren; nauwkeurig onderzoeken,

doorgronden.

Scandal, skand’l, subst. schandaal, schande, smaad, laster; Scandal

verb. belasteren: It is (They are) a scandal to; What a scandal! = wat

een schandaal! She caused, raised a scandal in the village = zij gaf

aanstoot of ergernis; He lies under a scandal = hij wordt belasterd; He

is a scandal-monger = lasteraar; That turns biography into

scandal-mongering = eene “chronique scandaleuse”; Scandalize = ergernis

geven, te schande maken, lasteren, kruiselings toppen (van ra’s,) als

teeken van rouw: To be scandalized at = zich ergeren over; Scandalous =

schandelijk, lasterlijk; subst. Scandalousness; Scandalum magnatum,

skandəlɐmmagneit’m, oude rechtsterm voor de beleediging van personen

van aanzien.

Scandent, skand’nt, klimmend (plantk.).

Scandinavia, skandineivja, Scandinavië; Scandinavian, subst. en adj.

Scandinavisch(e taal), Scandinaviër.

Scansion, skanš’n, het scandeeren.

Scansores, skansôrîz, klimvogels; Scansorial, subst. klimvogel; adj.

klimmend.

Scant, skant, adj. karig, schraal; Scant verb. bekrimpen, beperken, met

mondjesmaat toemeten, schralen (van den wind): Scant of breath =

kortademig; You do scant justice to = gij laat niet genoeg recht

wedervaren aan; Scantness, Scantiness, subst. v. Scanty = schaarsch,

bekrompen, onvoldoende, gebrekkig: Their scanty fare = schrale en on.

voldoende kost; Scanty of words = weinig spraakzaam.

Scantling, skantliŋ voorbeeld, model, patroon, kleine hoeveelheid,

verbindingsstuk.

Scape, skeip, subst. schacht, steel; luim, inval, gemeene streek.

Scape, skeip, (alléén in samenst.): Scape-gallows = galgebrok;

Scapegoat = zondebok; He is a scapegrace = deugniet.

Scaphander, skəfandə, reddingsvest.

Scaphoid, skafôid, schuitvormig: Scaphoid bone.

Scapula, skapjulə, schouderblad; Scapular, subst. scapulier,

schouderdoek, lang afhangend, van witte zijde, met welks uiteinden de

priester de monstrans of pyxis vasthoudt; adj. tot den schouder of tot

het schouderblad behoorende; Scapulars = rugveeren van een vogel.

Scar, skâ, subst. litteeken, schram, (schand)vlek; papegaaivisch;

naakte rots, klip, steilte; Scar verb. met litteekens bedekken, een

litteeken of wond vormen.

Scarab, skarab, tor, scarabee, Egyptische amulet in torrenvorm;

Scarabaeus, skarəbîəs, mestkever.

Scaramouch, skarəmoutš, hansworst, bluffer, lafaard.

Scarborough, skâbərə, skâbrə.

Scarce, skêəs, schaarsch, zeldzaam: To be scarce of money = slecht bij

kas; Make yourself scarce, before I make you scarcer = ga heen, vóór ik

je er uitgooi; Scarcely, nauwelijks: Scarcely had he done it when I

collared him = nauwelijks; Scarcely anybody, anything = bijna niemand,

niets; Scarcely ever = bijna nooit; Scarceness = Scarcity, skêəsiti =

schaarschte, gebrek.

Scare, skêə, subst. plotselinge schrik, paniek; Scare verb.

verschrikken: I am not born in the woods to be scared by an owl = ik

ben niet voor een klein geruchtje vervaard; Scarecrow = schrikbeeld,

vogelverschrikker: A scarecrow of a child.

Scarf, skâf, subst. sjaal, sjerp, lange das, onderscheidingsteeken der

hooge geestelijken, lassching; Scarf verb. losjes gooien over,

blinddoeken; lasschen (van hout); Scarf-pin = doekspeld; Scarf-skin =

opperhuid.

Scarification, skêrifikeiš’n, het koppen zetten, insnijding;

Scarificator, skêrifikeitə = Scarifier, skêrifaiə, koppenzetter,

koplancet; soort egge: I have relieved my indignant soul with a

scarifier = lucht gegeven in eene scherpe kritiek; Scarify, skêrifai,

oppervlakkige insnijding maken, koppen zetten; omwerken van den

bovengrond, kwellen, verontrusten.

Scarlatina, skâlətînə, scharlakenkoorts.

Scarlet, skâlət, subst. scharlakenkleur, scharlaken kleed; adj.

scharlaken: They went to Paris and painted the town a vivid scarlet =

en hebben daar de blommetjes eens flink buiten gezet; Scarlet-bean

(Scarlet-runner) = pronker (plant); Scarlet-fever = scharlakenkoorts;

“Huzarenkoorts”.

Scarp, skâp, subst. talud, (schouder)sjerp; Scarp verb. afschuinen.

Scarus, skêrəs, papegaaivisch.

Scary, skêri, vreesverwekkend, beangst, schuw.

Scathe, skeidh, subst. nadeel, letsel; Scathe verb. benadeelen,

kwetsen; Scathing = scherp, kwetsend.

Scatter, skatə, uitstrooien, verspreiden, uiteendrijven, vernietigen:

Scatter-brain = een windbuil; She gives him but a scatter-brained

attention = verdeelde aandacht; Scattering votes = verbrokkelde

stemmen.

Scavenge, skav’nž, straatreinigen; Scavenger = straatreiniger:

Scavengering (Scavengerism = Scavengery) = straatreinigingsdienst.

Scenario, šinâriou, tekstboekje met uitvoerige aanwijzingen voor de

opvoering.

Scene, sîn, tooneel, tafereel, vertooning, decoratie(s), coulisse,

scène (standje): To appear on the scene; The scene lies (is laid) in

the 17th century = het stuk speelt in; Don’t get up (make) a scene =

maak geen drukte, scène; Behind the scenes = achter de schermen (ook

fig.); To peep behind the scenes (letterl. en fig.); Side scene =

coulisse; Scene-painter = decoratieschilder; Scene-shifter = machinist

(theater); Scenery = tooneel, natuurtafereel, tooneeldecoraties,

landschap.

Scenic, sînik, senik, dramatisch, theatraal, schilderachtig: Scenic

America = A. in beeld; Scenic railway = miniatuurbaan langs een

nagebootst schilderachtig landschap; Scenical = dramatisch,

conventioneel; Scenographic, sînəgrafik, in perspectief; Scenography,

sinogrəfi, perspectief.

Scent, sent, subst. geur, reuk, reukzin, snipper(jacht), lucht, spoor;

Scent verb. ruiken, (door)geuren; van geur vervullen: You are on the

right (wrong) scent = op het goede (verkeerde) spoor; To get scent of =

in den neus krijgen; To throw off the scent = van het spoor brengen; A

scent of rose-leaves filled the room; Scent-bottle = reukfleschje,

flacon; Scent-box = eau-de-reinedoosje; Scent-fountain =

spuitreukfleschje; Scentless = reukeloos; zonder ‘lucht’ (jachtterm).

Sceptic, skeptik, twijfelaar; adj. = Sceptical = twijfelzuchtig;

Scepticism, skeptisizm, twijfel, ongeloof; Scepticize = aan alles

twijfelen.

Sceptre, septə, subst. staf, scepter; Sceptred = den scepter voerend,

vorstelijk.

Schaffhousen, šafhauzn, Schaffhausen.

Schah; Zie Shah.

Schedule, šedjul, sedjul, subst. ceel of cedel, lijst, inventaris,

(spoorweg)dienst (Amer.); Schedule verb. op eene lijst plaatsen: To

file (give in) one’s schedule = failleeren.

Scheldt (The), dhəskelt (of šelt), de Schelde.

Schema, skîmə = Scheme; adj. Schematic; Schematist = plannenmaker,

intrigant; Schematize = in systeem brengen, ontwerpen.

Scheme, skîm, subst. schema, plan, voornemen; Scheme verb. plannen

maken, ontwerpen, beramen, intrigeeren: To contrive (form, lay) a

scheme = een plan ontwerpen; Schemer = plannenmaker, intrigant.

Schiedam, skîdam, Schiedam(mer jenever).

Schism, sizm, scheuring, verdeeldheid; Schismatic, sizmatik, subst.

schismaticus; adj. schismatisch; adj. Schismatical; subst.

Schismaticalness.

Scholar, skolə, subst. leerling, geleerde: He is a good classical

scholar = goed classicus; Scholarlike = Scholarly = wetenschappelijk:

This is a scholarly production = wetenschappelijk werk; Scholarship =

geleerdheid, studiebeurs; Scholastic, skəlastik, subst. scholasticus;

adj. scholastisch, geleerd, pedant: Scholastic agency = plaatsingbureau

voor onderwijzers; Scholasticism = scholastiek; Scholiast, skouliast,

schrijver v. commentaren (op classieken); Scholium, skouliəm,

commentaar.

School, skûl, subst. school, schoollokaal, onderwijs, leer,

examenlokaal (aan de hoogeschool); School verb. leeren, oefenen,

dresseeren, in scholen rondzwemmen, beknorren, vermanen: Advanced

school = voor meer uitgebreid L. O. of M. O.; Artisan school =

ambachtsschool; Cadet school; Charity school = armenschool; Commercial

school = handelsschool; Cookery school; Elementary (Primary) school =

school voor lager onderwijs; Grammar school = Latijnsche school,

gymnasium; Industrial school = ambachtsschool; soort tuchtschool;

Infant school = bewaarschool; Mercantile and Trade school = handels-,

en vakschool; Normal school; Professional school = vakschool;

Reformatory school = tuchtschool; State school; Technical school =

vakschool; School of acting = tooneelschool; School of application

(Mil.) = applicatieschool; School of art = kunstacademie; To attend a

(go to) school = schoolgaan; To keep school; To leave school; He put me

to school = heeft mij op school gedaan; He will tell no tales out of

school = uit de school klappen; When school is over (= is dismissed) =

als de school uit is; Schooled in adversity; School-agency = bureau

voor plaatsing v. onderwijzers; School-bag = schooltasch; School-board

= schoolraad, gekozen (van 1870–1903) door de ratepayers van een

district om toezicht te houden op de toepassing van de Elementary

Education Acts van 1870–72; School-book = schoolboek; Schoolboy =

schooljongen; School-committee = stedelijke schoolcommissie;

School-dame = schooljuffrouw; School-district; School-divinity =

schoolsche godgeleerdheid; School-doctor = schoolarts; Schoolfellow =

schoolkameraad; Schoolgirl; School-hour: Out of school-hours = buiten

schooltijd; School-house = schoolgebouw; School-ma’am, Schoolmarm =

schoolmamsel (Amer.); School-man = scholasticus; Schoolmaster;

Schoolmate = schoolkameraad; Schoolmistress = hoofd of onderwijzeres

van eene school; School-room = lokaal; School-ship =

school(tucht)schip; School-teacher; School-time.

Schooner, skûnə, schoener (schip); bierglas (Amer.).

Schottis(c)h(e), šotiš, šotîš, soort v. polka.

Schuyler, skailə.

Sciagraph, saiəgraf, doorsnede v. een gebouw.

Sciatica, saiatikə, heupjicht = Sciatic pains.

Science, saiəns, wetenschap, natuurkunde, kennis, kunde: Applied

science = toegepaste wetenschap; Christian Science = een godsdienstige

leer waarbij vooral nadruk gelegd wordt op het beheerschen van de stof

door den geest; Natural science = natuurwetenschap; Pure science =

theoret., tegenover Applied; Since science-teaching was introduced into

the board-schools = de natuurwetenschappen; Scientific, saiəntifik,

wetenschappelijk; Scientist, saiəntist, geleerde, natuurphilosoof.

Scilicet, sailiset, siliset, namelijk, te weten.

Scilly Islands (The), dhəs(a)iliail’ndz.

Scimitar, Scimiter, simitə, Oostersche kromme sabel.

Scintilla, sintilə, vonkje, greintje, schijntje: There is not a

scintilla of evidence for it = geen zweem van bewijs; Scintillant,

fonkelend; Scintillate, sintileit, fonkelen; subst. Scintillation.

Scion, saiən, ent, spruit (ook fig.).

Scioptic, saioptik, scioptisch; Sciopticon, saioptikon, sciopticon;

Scioptics, saioptiks, het brengen of vertoonen van lichtbeelden op een

scherm.

Scissors: A pair of scissorss = eene schaar; Scissorss and paste = werk

bestaande uit aan elkaar geplakte uitknipsels; Scissorss-grinder =

scharenslijper.

Scissure, sižə, sišə, scheur, spleet.

Sciurine, saiur(a)in, saijûr(a)in, eekhoorn(achtig).

Sclav(e), sklâv, enz. Zie Slav.

Scobs, skobž, vijlsel.

Scoff, skof, subst. schimp, (voorwerp van) bespotting; Scoff verb.

beschimpen, bespotten: He has scoffed at my trade = bespot; Scoffer.

Scold, skould, subst. helleveeg, feeks; Scold verb. uitschelden,

kijven, een uitbrander geven; Scolder; Scolding: He got a severe scold

= kreeg een ernstigen uitbrander; A scold fellow = kijvend, twistziek.

Scollop, skoləp, Zie Scallop.

Scolopendra, skoləpendrə, duizendpoot.

Scomber, skombə, makreel.

Sconce, skons, subst. dievenlantaarn, armblaker (aan den muur b.v.),

kaarshouder; bolwerk, schans, helm, hoofd, schedel, verstand, boete

(aan de hoogeschool), stuk drijfijs; Sconce verb. Zie Ensconce.

Scone, skûn.

Scone, skoun, subst. een plat tarwe- of gerstekoekje (Schotl.).

Scoop, skûp, subst, schep, schop, emmer (van eene moddermachine),

hoosvat; kaasboor, spatel, uitholling, groote winst; Scoop verb.

uithoozen, uitscheppen, uithollen, delven, de loef afsteken, bij elkaar

schrapen (met up); Scoop-bonnet = schuithoed; Scoop-net = sleepnet,

baggernet; Scoop-wheel = scheprad met emmers.

Engelsch woordenboek. Eerste deel: Engelsch-Nederlandsch (met uitgeschreven verkortingen) · 第 111 / 152 段