Rip, rip, subst. scheur, teenen vischmand, bedrieger, deugniet,

waardeloos iets, knol, snoepreisje; Rip verb. openrijten, lostornen,

losscheuren (up), onthullen, uitstooten: A six months’ rip to America =

uitstapje; Don’t rip up old sores (half-scarred wounds) = rijt geen

oude wonden open; Ripper = tornmesje; iets uitstekends: She is a ripper

= eene aardige, kranige meid; Jack the Ripper = een berucht

vrouwenmoordenaar; A ripping little girl = flinke, bovenste beste,

kranige meid.

Riparian, raipêriən, aan een oever gelegen of wonende; ook subst.

Ripe, raip, rijp, ontwikkeld, dringend: Ripe wants = dringende

behoeften; He is ripe for the madhouse = rijp voor; Ripen = rijp worden

of maken; subst. Ripeness.

Ripon, rip’n.

Ripost(e), ripoust, tegenstoot, vlug en vinnig antwoord.

Ripple, rip’l, subst. gekabbel, golving; groote kam om vlas te repelen;

Ripple verb. rimpelen, kabbelen; repelen: Chestnut hair with a ripple

in it; It excited ripples of interest = teekenen v. belangstelling; The

rippling of the waves = het kabbelen der golven; Ripple-marks =

indrukken van de wijkende golven op het strand; The beach was

Ripple-marked = het strand had overal de indrukken der golven.

Riprap, riprap, steenstorting (als fundament); ook verb.

Rise, raiz, subst. opstand, opkomst, opslag, verhooging, rijzing,

verheffing, bron, het opkomen, toeneming, verbetering, bevordering;

Rise verb. opstijgen, opstaan, opkomen, opzwellen, voortkomen, wassen,

toenemen: The rise of the Dutch Republic = de opkomst der Nederl.

republiek; That gave rise to many cordial greetings = gaf aanleiding

tot; The Rhine takes its rise in Switzerland = ontspringt in; I took

(got) a rise out of him = ik ben hem te slim af geweest, heb hem

belachelijk gemaakt; The water is on the rise = aan het opkomen; Each

epithet rose above the other = elk volgend epitheton was steeds mooier;

The House rose at three in the morning = de zitting werd gesloten; The

company rose from table = stond van tafel op; The whole nation rose in

arms = vatte de wapenen op; The wind soon rose to a storm = verhief

zich; The colour rose to her cheeks = steeg haar naar de wangen; He

rose to the occasion, emergency = was tegen de moeilijkheid opgewassen;

He would not rise to my scheme = hij wou mijn plan niet begrijpen, er

niets van weten; He rose to the suggestion = hij begreep den wenk; The

words Plenty, Abundance and Exuberance rise upon each other in

expressing the idea of fulness = het begrip overvloed wordt telkens

sterker uitgedrukt door; Riser: I am not an early riser = niet

matineus; Rising, subst. opstaan, opstand, opgang, gezwel; adj.

opgaande, opkomend, toenemend, aanzwellend: The rising of Lazarus = de

opwekking van L.; The rising generation = het opkomend geslacht; They

adore (worship) the rising (risen) sun = zij aanbidden de opgaande zon.

Risibility, rizibiliti, subst. v. Risible, rizib’l, belachelijk,

lachwekkend; tot lachen geneigd.

Risk, risk, subst. gevaar, risico; Risk verb. wagen, in de waagschaal

stellen: He did it at the risk of his life = met gevaar van eigen

leven; I won’t run the (a) risk = wil mij daaraan niet blootstellen;

You are subject to the risks = moet de risico dragen; Risker; Risky =

gevaarlijk, gewaagd: A risky experiment = gewaagde proefneming.

Risorial, raisôriəl: Risorial muscle = lachspier.

Rite, rait, godsdienstige plechtigheid, ritus; Ritual, ritjuəl, subst.

rituaal, liturgisch boek met formulieren; adj. ritueel: Is thy meat

ritually prepared? = koscher; Ritualism = ritus; Ritualist =

voorstander van de richting der High Church; kenner der kerkgebruiken;

adj. Ritualistic.

Rivage, rividž, oever, kust.

Rival, raiv’l, subst. mededinger, medeminnaar; adj. mededingend,

concurreerend; Rival verb. mededingen, wedijveren: He was my rival for

that place = mededinger; Rivalry = Rivalship = medeminnaarschap,

wedijver.

Rive, raiv, scheuren, opensplijten: The tree was riven (riv’n) by

(with) lightning = door den bliksem gespleten; River.

River, rivə, rivier, stroom: We sailed down, up the river = de rivier

af, op; In (On) the river = op de rivier; The Rivers = Delta van den

Niger, het Niger-coast Protectorate; River-basin = stroomgebied;

River-bed, River-channel = bedding eener rivier; River-craft =

riviervaartuigen; River-driver = vlotter (Amer.); River-god =

stroomgod; River-hog = Z. Amer. waterzwijn; River-head = bron;

River-horse = nijlpaard; River-side = oever.

Rivers, rivəz.

Rivet, rivət, subst. klinknagel; Rivet verb. vastklinken, strak richten

op (to, on), diep inprenten: It remains riveted in my mind for ever =

staat in mijne ziel gegrift; He was riveted to that post = hij zat er

vast aan (kon er nooit eens uit); The Eiffel Tower is the work of the

riveter = het werk van den vastklinker, den klinkhamer.

Riviera, rivjêrə.

Rivose, raivous, rivous, gerimpeld.

Rivulet, rivjulet, beek, riviertje.

Rixdollar, riksdolə, rijksdaalder (ƒ 1,50 tot ƒ 2,50).

Roach, routš, (blank-)voorn: As sound as a roach = zoo gezond als een

visch.

Road, roud, weg, reis, reede: To be in the road(s) = op de reede

liggen; I am off my road = verdwaald; He was on the road to Vienna = op

reis naar; There is no royal road to learning = de weg naar de

wetenschap is vol moeilijkheden; I have lost my road = ben verdwaald;

To put a person on the right road to = den weg wijzen naar; He has

taken to the road = struikroover geworden; Road-agent = tolgaarder;

roover (Am.); Road-bed = grondlaag v. weg of spoor; Road-book = gids

voor steden, wegen en afstanden; Road-hog = onbesuisd fietsrijder;

Roadman = Road-mender = wegwerker; Road-metal = steenen voor

macadamwegen; He was sitting by (on) the roadside = zat aan den weg;

Roadstead = reede; Roadster = rijpaard, koetsier v. diligence, schip

(op de reede), soort fiets; Roadway = straatweg, bereden gedeelte van

een brug.

Roam, roum, rondzwerven, omzwerven: I roamed the streets of the city

aimlessly = zwierf doelloos door; Roamer.

Roan, roun, subst. roode schimmel; roode kleur; adj. rood- of

ijzergrauw.

Roar, rö, subst. gebrul, geloei, gehuil, geschater, gebulder; Roar

verb. brullen, loeien, huilen, bulderen, schateren, bruisen, donderen:

To keep the company in a roar = aan het schateren; He set the company

in (on) a roar = deed schateren van lachen; The whole company set up a

roar = begon te brullen van lachen; Roarer = bruisende golf, luid

aanslaande hond, aamborstig paard; He has a roaring business (trade) =

eene woest-drukke zaak.

Roast, roust, subst. gebraad; adj. gebraden; Roast verb. braden,

branden; voor het lapje houden, ongenadig plagen: He rules the roast

(roost) = hij is de baas, beheerscht alles; Roast beef, goose, etc.;

Roaster; Roasting-jack = toestel waarin het spit draait.

Rob, rob, rooven, bestelen, plunderen: He robbed me of my gold watch =

ontstal mij; Robber = roover, dief; Robbery = rooverij, diefstal.

Rob, rob, gelei, conserf.

Robe, roub, subst. toga, tabberd, staatsiemantel; Robe verb. kleeden,

in een toga of tabberd kleeden: Gentlemen of the long robe = advocaten

of getabberden; Master, Mistress of the robe = titel van een

hofbeambte, of hofdame met de zorg voor de garderobe belast; They

follow the robe as a profession = zijn bij de magistratuur; Robes of

office = ambtsgewaad; In robe and crown the king appeared; I have seen

him in his robes in the House of Lords = in zijn pairsmantel gezien.

Robert, robət, Robert; ook: kellner, “Jan”; Robertson, robəts’n;

Robinson, robins’n.

Robin, robin, Robert; roodborstje; Robin-Good-fellow = goedige

kabouter; Robin-redbreast = roodborstje; Round robin = petitie met de

handteek. in een cirkel, zoodat men niet weet wie het eerst geteekend

heeft: That beats the round robin = dat is wat al te erg, al te

brutaal.

Roborant, robər’nt, subst. en adj. versterkend (middel).

Roburite, robjurait, roburiet.

Robust, rəbɐst, krachtig, sterk, gespierd; subst. Robustness.

Roc, rok, fabelachtige vogel in Arabische sprookjes: Roc’s egg = iets

fabelachtigs.

Rocambole, rok’mboul, slangelook.

Rochdale, rotšdeil; Rochester, rotšəstə.

Rochet, rotšət, linnen toog; korte pairsmantel; voorn.

Rock, rok, subst. rots, gesteente, klip, soort bonbon, schommel,

spinnewiel; Rock verb. wiege(le)n, schommelen, wankelen: To be on the

rocks (fig.) = in (geld)verlegenheid zijn; To run against a rock = zich

aan gevaar blootstellen; Rock-alum = aluinsteen; Rockaway = een

bepaalde Amer. wagen; Rock-bound = door rotsen omsloten; Rock-cork =

bergkurk; Rock-crystal = bergkristal; Rock-oil = steenolie, petroleum;

Rock-pigeon = klipduif; Rock-ruby = robijn-roode granaat; Rock-salt =

klipzout: Rock-snake = tijgerpython; Rock-soap = bergzeep; Rock-staff =

blaasbalgstok; Rock-wood = houtasbest; Rock-work = rotswerk; Rocker =

wieg, hobbelpaard, onderstel v. een wieg; Rockery = rotswerk (in

tuinen, etc.); Rockiness = rotsachtigheid; Rocking-chair =

schommelstoel; Rocking-horse = hobbelpaard; Rocking-stone =

schommelsteen; Rocky = rotsachtig, hard als een rots.

Rockefeller, rokfelə.

Rocket, rokət, vuurpijl; Rocket verb. als een pijl opvliegen: To let

off a rocket = oplaten; To rocket about (on a horse) = rijden, wippen.

Rockies = Rocky Mountains (Amer.).

Rococo, rəkoukou, Rococostijl (17e eeuw).

Rod, rod, roede (ook maat = 5,029 M.), stok, staf, stang, rotting,

scepter, takje: I have a rod in pickle for you = ik heb voor u wat in

het vat; Black Rod = koninkl. boodschapper en ceremoniemeester in het

Hoogerhuis (altijd een gepension. admiraal of generaal); de staf

waaraan hij zijn naam ontleent; Rod-fishing = hengelen.

Rode, roud, imperf. van to ride.

Rodent, roud’nt, knaagdier: He is a political rodent = oude rot (fig.).

Roderic(k), rodərik; Roderigo, rod(ə)rîgou.

Ro(d)ger, rodžə, Rutger; schepers naam voor een ram; stier: We hoisted

the Jolly Roger = wij heschen de kapervlag (de vlag draagt “Crossbones

and skull” = een schedel met gekruiste doodsbeenderen).

Rodney, rodni; Rodolph(us), roudolf (rədolfəs).

Rodomont, rodəmont, subst. grootspreker, bluffer; adj, blufferig,

snoevend; Rodomontade, rodəmonteid, subst. snoeverij, geschetter;

Rodomont verb. bluffen, schetteren.

Rody, rodi.

Roe, rou, ree, hinde; kuit: Soft roe = hom; Hard roe = kuit; Roebuck =

reebok.

Rogation, rəgeiš’n, litanie: Rogation days (Rogation tide) = de drie

dagen vóór Hemelvaartsdag, vóór het feest van den H. Marcus; Rogation

week = Hemelvaartsweek.

Roger, rodžə, Zie Rodger.

Rogue, roug, schurk, schalk(je), snaak, grappenmaker, verstooten en

daardoor woest geworden olifant: He is a rogue in grain = aartsschurk;

Rogue’s march = marsch gespeeld als een soldaat weggejaagd wordt;

Roguery = schurkenstreek, snakerij; Roguish = schalksch, schelmachtig;

subst. Rogueness.

Roil, rôil, troebel maken, sarren, plagen.

Roister, rôistə, snoeven, rumoer (pret) maken; Roister(er) = snoever,

rumoer(pret)maker.

Roland, roul’nd, Roland: To give a Roland for an Oliver = met gelijke

munt betalen (fig.).

Roll, roul, subst. het rollen, slingeren (slingering), rol,

(presentie)lijst, register, rond broodje, roffel; Roll verb. rollen,

wentelen, draaien, slingeren, roffelen, rommelen: To call the roll =

appèl houden; To put on the roll = op de rol plaatsen; To strike off

the roll = van de rol afvoeren; Master of the Rolls = eerste archivaris

v. de Chancery Division of the High Court of Justice; Office of the

Rolls = archief; Rolls of Court, Rolls of Parliament = officieele

perkamentrollen van het hof of parlement, archieven; The ship rolled

and pitched = slingerde en stampte; He rolls himself in luxury (wealth)

= baadt zich in weelde; He is like three persons rolled into one = tot

één persoon vereenigd; To roll into a ball = op een kluwen winden; To

set the ball rolling = een zaakje aan ’t rollen brengen; Roll-call =

appèl; Roller = rolstok, rol, zware golf, lange en breede zwachtel,

rolletje; Roller-blind = rolgordijn; Roller-skates = rolschaatsen;

Rolling = het rollen, golven, etc.: Rolling-fire = pelotonsvuur;

Rolling-mill = pletmolen, Rolling-plant = Rolling-stock; Rolling-press

= rolpers, mangel; Rolling-stock = rollend materiaal (van een spoor); A

rolling stone gathers no moss = op een rollende steen zet zich geen mos

aan.

Rollick, rolik, zich op nonchalante, losse en vroolijke manier bewegen,

overmoedig zijn: The wood was jubilant with rollicking children = van

de dartelende kinderen; We had some rollicking fun yesterday = dolle

pret.

Roly-poly, roulipouli, kort en dik; Roly-poly-pudding = opgerold

pasteideeg met confituren; He has a roly-poly growlery of style = hij

heeft zoo’n gezwollen brommerigen stijl.

Romaic, rəmeiik, nieuw Grieksch(e taal).

Romal, rəmôl, zijden of haren stof, hoofddoek; rəmal, uit leer of

paardehaar gevlochten zweep (Amer.).

Roman, roum’n, subst. Romein; adj. Romeinsch, Roomsch, met romein of

gewone drukletter: Roman candle = Romeinsche kaars (soort van

vuurwerk); Roman Catholic, subst. en adj. Roomsch-Katholiek(e); Roman

law; Romanism = Roomsche leer; Romanist = Roomsch-Katholieke; Romanize

= latiniseeren, Roomsch maken of worden.

Romance, rəmâns, subst. romance, geschiedkundig verhaal, verdichting,

het romantische, romantiek, Romaansche taal; adj. Romaansch; Romance

verb. romantische of overdreven verhalen vertellen, overdrijven,

liegen; Romancer = Romancist = schrijver van romances of verdichte

verhalen, opsnijder.

Romanese, roumənîz, Rumeensch(e taal).

Romanesque, roumənesk, romanesk.

Romantic, rəmantik, romantisch, fantastisch, schilderachtig, tot de

Romant. school behoorend; ook subst.: These great romantics;

Romanticism = romantiek; Romanticist = iemand, die tot de romantische

school behoort: He is neither a realist, nor a romanticist;

Romanticness = het romantische.

Romany, roməni, Zigeuner, taal der Z.

Rome, roum, Rome.

Romeo, roumiou; Romford, rɐmfəd.

Romic, roumik, phonetisch spelstelsel van H. Sweet.

Romilly, romili; Romney, romni.

Romp, romp, subst. wild meisje, wild spel; Romp verb. stoeien, dol

spelen; Rompish = wild, uitgelaten; subst. Rompishness.

Romulus, romjulɐs.

Ronde, rond, rondschrift (boekdr.).

Rondeau, rondou, rondou, rondeau; soort muziekstuk.

Rood, rûd, kruis, kruisbeeld, roede, stok, ¼ acre (± 10,117 Are); 5,029

M.; Rood-loft = kruisgalerij (in eene kerk).

Roody, rûdi, geil, weelderig.

Roof, rûf, subst. dak, gewelf, verhemelte (= Roof of the mouth); Roof

verb. met een dak bedekken, onder dak brengen: Roof of Heaven; To be

content with having a roof over one’s head; Roof-tile = dakpan;

Roof-tree = vorstbalk; Roofer = daklegger; Roofing-felt = asphaltvilt;

Roofless = dakloos; Rooflet = dakje; Roofy = met een dak.

Rook, ruk, subst. roek; bedrieger; kasteel (schaakspel); Rook verb.

bedriegen (in het spel vooral); Rooker = bedrieger; Rookery = bosch met

veel roekennesten, de gezamenl. roeken, broedplaats van zeevogels of

robben; dievenhol(-kwartier), bordeel.

Room, rûm, subst. ruimte, plaats, kamer, vertrek, gelegenheid,

aanleiding, donkerblauwe verfstof; Room verb. kamers bewonen: He gave

(left) room = hij ging heen, maakte ruim baan voor een ander; Make room

there = ruimte daar! uit den weg! My room will be preferred to my

company = ze hebben liever dat ik ga dan blijf; I want your room = ik

wensch, dat gij heengaat; There is no room for suspicion = aanleiding

tot verdenking; He was appointed in (the) room of his brother = werd in

zijn broers plaats benoemd; Cloak-room, Zie Cloak; Living-room,

Sitting-room = woonkamer; Room-mate = contubernaal; Roominess = ruimte:

Turin is unrivalled in the matter of roominess = er is geene ruimer

gebouwde stad dan T.; Roomy = ruim.

Roop, rûp, subst. roep, kreet, heeschheid; Roopy = heesch, schor.

Roost, rûst, subst. rek of stok, troep vogels bij elkander op een stok;

Roost verb. slapen, op stok zitten: The hens are at roost = op stok;

His curse (chickens) came home to roost = hij kreeg zijne trekken

thuis; I am going to roost = ga op stok; The barge lies at roost in a

boat-house = is opgelegd in; To retire to roost = op stok gaan; Rooster

= haan (Amer.).

Root, rût, subst. wortel, stam, grondtoon (van eene snaar), oorsprong,

bron; Root verb. doen wortelen, wortel schieten; wroeten, omwroeten,

ontwortelen: Extract the root out of 125 = trek den wortel uit; To go

to the root of the matter = tot den grond der zaak doordringen; That

lies at the root of it = ligt er aan ten grondslag; To take (To strike)

root = wortel schieten; Dutch roots = Hollandsche bloembollen; Root and

branch = met wortel en tak; The sow has rooted (out) all the plants =

omgewroet; Why do you not root it out? = roeit ge het niet uit? He

stood rooted to the spot = als aan den grond genageld; Root-bound =

ingeworteld, onbewegelijk; Root-crop = knollenoogst; Root-leaf =

wortelblad; Rooted: A rooted hatred of injustice = ingewortelde haat;

Rooter = plant die wortel schiet; uitroeier; radicaal; Rootless;

Rootlet = worteltje; Rooty = wortelrijk.

Rope, roup, subst. touw, rist; Rope verb. draderig zijn, tot draden

uitrekken, met een touw trekken, vastmaken, inhouden (van een paard bij

een wedstrijd): He gave me the ropes = liet me vrij spel; I have not

got rope enough = ben niet vrij genoeg, kan mij niet voldoende bewegen;

He knows (has learned) the ropes = weet er alles van; He performed on

the slack, tight rope = danste op het slappe, strakke koord; I hope you

will put me up to all the ropes = mij geheel op de hoogte zult brengen;

A rope of onions = rist uien; A rope of sand = zwakke band; To rope in

= met een touw omspannen, inpalmen (ook van personen), binnenhalen: To

rope in a remark with quotes = tusschen aanhalingsteekens zetten;

Rope-dancer = koorddanser; Rope-ladder = touwladder; Rope-maker =

touwslager: To play the rope-maker = achteruitloopen; Rope-railway =

kabelspoor; Rope-walk = lijnbaan; Rope-yarn = kabelgaren; Ropery =

lijnbaan; Ropiness, subst. v. Ropy = touwachtig, draderig, kleverig,

lijmerig.

Roquelaure, roukəlö, rokəlö, korte mantel.

Rorqual, rökwəl, vinvisch.

Rosa, rouzə; Rosabel, rozəbel.

Rosace, rouzeis, rozet; Rosaceous, rəzeišəs, roosachtig.

Rosalia, rəzeiliə; Rosalind, rozəlind; Rosaline, rozəl(a)in; Rosamond,

rozəm’nd.

Rosary, rouzəri, rozenkrans; guirlande, rozenperk of rozentuin: To tell

over the rosary = den rozenkrans bidden.

Roscid, rosid, met dauw bedekt.

Roscoe, roskou; Roscommon, roskom’n.

Rose, rouz, subst. roos, rozet, rozenkleur, sproeier; adj. rooskleurig:

No rose without a thorn; Once he was very near the rose = bijna

geestelijke; They drank wine under the rose in their rooms =

stilletjes; I told him so under the rose = onder de roos; Without the

rose = onverholen; Members of the White Rose = van eene vereeniging ter

herinnering aan de terechtstelling van Karel I; She blushed rose all

over; Rose-bud = rozeknop; Rose-bug (Rose-chafer) = gouden tor;

Rose-bush = rozestruik; Rose-cheeked = met blozende wangen; Rose-cold

(Rose-fever) = zware catarrhe met asthmatische verschijnselen;

Rose-colour = rozenkleur; Rose-diamond = rozetsteen; Rose-drop = bonbon

(met rozengeur), oorknopje, roode neus; Rose-faced = met rozig gelaat;

Rose-hued = met rozentint; Rose-knot = rozet; Rose-leaf = rozeblad:

They live in an age of rose-leaves and velvet = zij hebben een leventje

op een bordje; Rose-mallow = stokroos; Rosemary, rouzməri, rosmarijn;

Rose-pink = rose(kleurig); Rose-rash = roseola, huiduitslag; roos;

Rose-water = rozenwater: Revolutions cannot be made with rose-water =

die het doel wil, moet de middelen willen; Rose-window =

rozet(venster); Rose-wood = rozenhout; Rosery = rozenperk.

Rose, rouz, imperf. van to rise.

Roseate, rouzi-it, vol rozen, rooskleurig, bloeiend.

Roseola, rəzîələ, huiduitslag, roos.

Rosebery, rouzbə’ri.

Rosetta, rəzetə: Rosetta stone, steen met hieroglyphen, enz., in

Rosetta gevonden; Rosetta wood = O.-I. oranjekleurig hout.

Rosette, rəzet, rozet.

Rosicrucian, rouzikrûš’n, subst. lid v. een geheim genootschap in de

17de eeuw; adj. tot dit genootschap behoorende; Rosicrucianism = leer,

enz. van dit genootschap.

Rosin, rozin, hars: To give rosin = afranselen; Rosiny = harsig.

Rosland, rosland, veengrond, heide.

Rostellum, rostel’m, snaveltje (plantk.).

Roster, rostə, rooster, naamlijst.

Rostral, rostr’l, tot snavel of rostrum behoorende; Rostrate(d),

rostrit(id), gesnaveld; Rostriform = snavelvormig; Rostrum, rostr’m,

snavel (ook van een schip), spreekgestoelte, tribune, platform.

Rosy, rouzi, rooskleurig, bloeiend, roos...

Rot, rot, subst. verrotting, aardappelziekte, schurft, geklets, onzin;

Rot verb. verrotten, bederven: It’s all rot = allemaal onzin,

bedriegerij; It’s awful (dry, tommy) rot = verschrikkelijk geklets,

onzin; They drink rot-gut = bocht; Rotten = verrot, stinkend, wrak,

aangestoken, gemeen, beroerd; Rotten-ripe = beursch; subst. Rottenness;

Rotter = kletser, onnut wezen.

Rota, routə, ranglijst, rooster, hoogste pauselijk hof van appèl.

Rotary, routəri, draaiend, rondgaand: The rotary motion of our earth

round its axis = omdraaiende beweging; Rotary pump = centrifugaalpomp;

Rotate, routeit, om een middelpunt wentelen, draaien; adj. routit,

wielvormig; Rotation, rəteiš’n, omdraaiing, omwenteling, geregelde

opvolging: By (in) rotation = bij afwisseling, beurt om beurt; Rotation

of crops = wisselbouw; Rotative = ronddraaiend; Rotator, omdraaier,

draaispier; Rotatory = omdraaiend, beurtelings: Rotatory motion =

draaiende beweging.

Rote, rout, routine, sleur, gewoonte: By rote = van buiten, in den

sleur; Rote of business = routine.

Rotten-Row, rot’nrou, naam v. een rijweg (voor ruiters) in Hydepark.

Rotund, rətɐnd, rond, bolvormig, plechtig, zwaar; subst. Rotundity =

Rotundness.

Rotunda, rətɐndə, rotonde.

Rouble, rûb’l, zilveren roebel (= ƒ 1,88).

Rouen, rûən, Rouaan.

Rouge, rûž, subst. rood blanketsel; Rouge verb. (zich) blanketten: If

you do not rouge you won’t tell in a ball, handsome though you may be =

als ge u niet blanket, maakt ge geen indruk op een bal; Rouge et noir =

hazardspel; Rouge-pot.

Rough, rɐf, subst. ruwe klant; ruwe schets, grof pleisterwerk; Rough

adj. ruw, ruig, hard, wrang, woest, kras; verb. ruw maken, ruw

schetsen, op scherp zetten, dresseeren: The London roughs = het

gepeupel van Londen; In the rough = onafgewerkt, ruwweg; To be rough on

= hard zijn jegens, zwaar drukken op; Rough-and-ready = ruw doch flink;

Rough-and-tumble = ruw en druk: It is a rough-and-tumble farce = het is

een woeste, dolle klucht; We have been Roughing it = wij hebben het

hard te verantwoorden gehad, hebben ons er doorheen moeten slaan; The

weather was rough, but our yacht roughed it out = maar ons jacht hield

het goed uit; Rough-cast, subst. ruwe schets, beraping; adj. ruw

gevormd, grof; Rough verb. ruw schetsen, berapen; Rough-draft,

Rough-draught, ruwe schets; Rough-draw, in het ruwe schetsen; Rough-dry

= laten drogen zonder mangelen; Rough-hew = in het ruwe houwen,

ontwerpen, schetsen; Rough-hewn = ruw, ongepolijst (ook fig.);

Rough-rider = pikeur; wachtmeester-instructeur (Amer.), stout ruiter;

Rough-shod = op scherp gezet: He rides rough-shod = hij rijdt maar toe,

stoort zich aan niets, gaat zijn gang maar; Rough-wrought = grof

bewerkt; Roughen = ruw maken of worden; Roughish = ietwat ruw;

Roughness = zuurheid.

Rouleau, rûlou, rolletje, bundel fascinen; Roulette, rûlet, roulette,

wiel met punten om stippellijnen te maken: hazardspel.

Roumania, rûmeinjə, Roemenië; Roumanian, subst. en adj. (bewoner) van

Roemenië.

Engelsch woordenboek. Eerste deel: Engelsch-Nederlandsch (met uitgeschreven verkortingen) · 第 108 / 152 段