Revelation; adj. Revelational.
Revenge, rivenž, subst. wraak(zucht), revanche; Revenge verb. wreken,
weerwraak nemen: In revenge of former insults = uit wraak over; I did
it out of revenge = uit wraak; To give an adversary his revenge =
“revanche” geven; He glutted his revenge = wreekte zich vreeselijk; To
take one’s revenge on; I will be revenged on you = ik wil mij op u
wreken; Revengeful = wraakgierig; subst. Revengefulness; Revenger =
wreker.
Revenue, revənjû, inkomsten, tollen: The Public Revenue(s) = de
inkomsten van den staat; Revenue-cutter = recherchevaartuig (tegen den
smokkelhandel); Revenue-officer = ambtenaar der douane.
Reverberant, rivɐ̂bərənt, weergalmend, terugkaatsend; Reverberate,
rivɐ̂bəreit, terugkaatsen, weergalmen; Reverberation = terugkaatsing,
weergalming; oven; adj. Reverberative = Reverberatory, subst. reverbeer
(strijk-, puddel-)oven = Reverberatory furnace.
Revere, rivîə, eerbiedigen, hoogachten; Reverence, revərens, subst.
eerbied, hoogachting, eerwaarde; Reverence verb. vereeren, eerbiedig
groeten: Your Reverence = Uw Eerwaarde; Saving your reverence = met
allen eerbied, met alle respect; Reverencer; Reverend, revərend,
eerwaardig, eerwaarde (voor geestelijken): The Very Reverend Dean of W.
= de hoogeerwaarde deken van W.; The Right Reverend Bishop of London =
zijne hoogwaardigheid; The Most Reverend Archbishop of Canterbury =
zijne doorluchtige hoogwaardigheid; Reverent, revərent, eerbiedig,
nederig, onderdanig; He laid the book down Reverentially (revərenšəli)
= hij legde het boek eerbiedig neer; Reverer = vereerder.
Reverie, revəri, revərî, mijmering, droomerij.
Revers, rivîə, revers.
Reversal, rivɐ̂s’l, herroeping, vernietiging, omlegging.
Reverse, rivɐ̂s, omgekeerd, tegengesteld; subst. keerzijde, achterkant,
omverwerping, omkeer, tegenspoed, nederlaag, tegenovergestelde; Reverse
verb. omkeeren, omleggen, omschakelen, de richting wijzigen,
onderstboven keeren, omverwerpen: That is the reverse of the medal = de
keerzijde; He said the reverse of what he intended = het omgekeerde;
The chairman reversed the order of the day = veranderde, keerde om de
orde der werkzaamheden; He held his pipe reversed = hij had de pijp met
de opening naar beneden in den mond; Reverser = stroomwisselaar;
Reversible = omkeerbaar, herroepelijk, wat aan beide kanten gedragen
kan worden: Reversible Coat; Reversion, rivɐ̂š’n, atavisme, het weder
toevallen (van een erfgoed) aan een persoon na den dood van den
tegenwoordigen bezitter: He has an estate in reversion of £ 300 a-year;
Reversionary, rivɐ̂šənəri: He had a reversionary right to the crown =
het recht op de kroon kon op hem terugvallen; Reversioner = iemand die
eene reversion heeft; Revert, rivɐ̂t, omkeeren, terugkomen, terugkeeren
tot den schenker of diens erfgenamen: That will revert to you = dat zal
u later ten deel vallen; He reverted to the subject again and again =
kwam telkens weer terug; The conversation reverted to our plan = kwam
weer op; Revertible = teruggaand, terugkeerend; Revertive = omkeerend,
wisselend.
Revest, rîvest, weder bekleeden, weder instellen, terugkeeren tot den
vorigen eigenaar.
Revet, rivet, bekleeden; Revetment = bemanteling (vestingb.).
Review, rivjû, subst. overzicht, revisie (ook jur.), recensie,
aankondiging, tijdschrift met opstellen en recencies, revue, inspectie;
Review verb. terugzien op, herzien, recenseeren, inspecteeren: The
Review of Reviews is a well-known monthly = de “revue der revues”;
Works reviewed in this number = in dit nummer besproken; The queen
reviewed the fleet off Spithead = hield eene vlootschouw bij; Reviewer
= recensent.
Revile, rivail, smaden, beschimpen; subst. Revilement; Reviler; He said
it revilingly = smadelijk.
Revisal, rivaiz’l, revisie; Revise, rivaiz, subst. herziening, revisie;
Revise verb. herzien, verbeteren, revideeren; Reviser = corrector;
Revising barrister = revisor der kiezerslijsten; Revision, riviž’n,
herziening, revisie; adj. Revisional = Revisionary.
Revisit, rîvizit, nogmaals bezoeken.
Revival, rivaiv’l, herleving, weder opleving, weder opvoering, herstel;
godsdienstige opwekking of herleving = Revivalism; Revivalist =
voorstander van (bijeenkomsten tot) opwekking van godsdienstig leven;
Revive, rivaiv, herleven, nieuw leven herkrijgen, weer opleven
(opvoeren), opwekken, vernieuwen, weer moed imboezemen: Old differences
should not be revived = men moet geen oude koeien uit de sloot halen;
Let me revive your memory a little = wat opfrisschen; Reviver = soort
vlekkenwater, borrel; Revivify, rîvivifai, opnieuw bezielen; Revivor,
rivaivə, hervatting van een rechtsgeding.
Revocability, revəkəbiliti, rivoukəbiliti, herroepbaarheid; adj.
Revocable, revəkəb’l, rivoukəb’l, subst. Revocableness; Revocation,
revəkeiš’n, herroeping; Revoke, rivouk, subst. renonceeren; Revoke
verb. herroepen, intrekken, vernietigen, renonceeren (bij het kaarten):
The judgment cannot be revoked = is onherroepelijk.
Revolt, rivoult, rivolt, subst. opstand, oproer; Revolt verb. in
opstand komen, walgen van: The labourers were in revolt = maakten
oproer; In vain did he try revolt = beproefde hij het met oproer; The
meal revolted him = stond hem tegen; Revolter = oproermaker,
oproerling, afvallige; A revolting deed = stuitende; A revolting smell
= walgelijke.
Revolution, revəl(j)ûš’n, omwenteling, omloop, revolutie: The rotation
of the earth on its axis, and its revolution round the sun = en haar
loop om de zon; Revolutionary, subst. revolutionair; adj.
omwentelingsgezind: Revolutionary ideas = revolutionaire denkbeelden;
Revolutionist = omwentelingsgezinde; Revolutionize = eene omwenteling
veroorzaken, een geheelen omkeer brengen in: Darwin’s works have
revolutionized all our old-world systems = al onze ouderwetsche
stelsels omvergegooid.
Revolve, rivolv, omdraaien, omwentelen, voortrollen, overleggen,
overdenken: There he stood, revolving many memories = terwijl hij vele
herinneringen bepeinsde; To revolve in one’s mind = overpeinzen;
Revolver = revolver; Revolving: Revolving light = draaiend licht van
een vuurtoren; Revolving winds = dwarrelwinden.
Revulsion, rivɐlš’n, plotselinge en geweldige ommekeer; afleiding
(eener ziekte); Revulsive, adj. afdrijvend; subst. afdrijving,
afdrijvend middel.
Reward, riwöd, subst. belooning, vergoeding, jagersrecht; Reward verb.
beloonen, vergelden: Give it him as a reward = ter belooning; Rewarder;
Rewardless = zonder belooning.
Rewrite, rîrait, opnieuw schrijven: Sixth edition, entirely rewritten =
geheel nieuw bewerkte uitgaaf.
Reynard, rein’d, ren’d; Reynold, ren’ld, Reinout; Reynolds, ren’ldz.
Rhadamant(h)ine, radəmant(h)in, streng rechtvaardig, afdoende, zonder
beroep.
Rhaetian, rîšən: Rhaetian Alps.
Rhapsodic(al), rapsodik(’l), rhapsodisch, zonder samenhang; Rhapsodist
= rhapsode (rondtrekk. Grieksch volkszanger), reciteerder van verzen;
Rhapsodize = rhapsodieën opzeggen, zingen of voordragen; Rhapsody,
rapsədi, rhapsodie.
Rhea, rîə, Rhea; Amerik. struis.
Rheims, rîmz.
Rhenish, reniš, subst. Rijnwijn = Rhenish wine; Rhenish Prussia.
Rhetia, rîšiə, Rhetië.
Rhetoric, retərik, declamatie, welsprekendheid; Rhetorical, rətorik’l,
oratorisch: Rhetorical art; Rhetorician, retəriš’n, redekunstenaar,
declamator.
Rheum, rûm, abnormale afscheiding van de slijmvliezen, tranen, slijm;
Rheumy eyes = druipoogen.
Rheumatic, rumatik, rheumatisch, jichtig: Rheumatics = rheumatiek;
Rheumatism, rûmətizm, rheumatisme.
Rhine, rain, Rijn: The Lower, Middle, Upper Rhine.
Rhino, rainou, “duiten”, “moppen”: To sport the rhino = over de brug
komen (fig.).
Rhinoceros, rainosəros, neushoorndier.
Rhinoscope, rainəskoup, neusspiegel; Rhinoscopy, rainoskəpi, onderzoek
van den neus.
Rhode Island, roud-ail’nd; Rhodes, roudz, Rhodes (eiland); Rhodesia,
roudîziə; Rhodian, roudj’n, subst. en adj. (bewoner) van Rhodes.
Rhododendron, roudədendron, Rhododendron.
Rhomb, rom(b), ruit; Rhombic = ruitvormig.
Rhomboid, rombôid, scheefhoekig parallelogram; Rhomboidal, rombôid’l,
ruitvormig.
Rhone, roun, Rhône.
Rhubarb, rûbâb, rabarber.
Rhumb, rɐm(b), kompas, windstreek; Rhumb-card = windroos; Rhumb line =
lijn welke alle meridianen onder denzelfden hoek snijdt.
Rhyme, raim, subst. rijm, poëzie, metrum; Rhyme verb. (be)rijmen,
harmonieeren: The plan has neither rhyme nor reason = is hoogst
ongerijmd en roekeloos; He answered without rhyme or reason = zijn
antwoord had slot noch val; Male, female rhyme = mannelijk (staand),
vrouwelijk (slepend) rijm; Rhymeless = rijmloos; Rhymer, Rhymester =
rijmelaar, verzensmid.
Rhythm, rithm, ridhm, klankmaat, rhythmus; Rhythmic(al) = rhythmisch,
welluidend; periodiek (v. ziekten).
Rial, rîəl, Spaansche reaal.
Rialto, rialtou.
Riancy, raiənsi, vroolijkheid; Riant = vroolijk.
Rib, rib, subst. rib, inhout (van een schip), hoofdnerf (van een blad),
vrouw (1 Mos. II. 21); Rib verb. met ribben omsluiten, van ribben
voorzien; Rib-roast = afranselen; Rib-roaster = ribbestoot; Ribbed =
geribd; Ribbing = geribd verwulf.
Ribald, ribəld, subst. en adj. liederlijk (mensch); Ribaldry =
liederlijke en vuile taal, ontucht.
Rib(b)and, rib’n(d) = Ribbon: He took up the ribalds (ribbons) of the
conversation, and kept them in his own hand = hij nam de leiding van
het gesprek en behield die.
Ribbon, rib’n, lint, band(je): Blue Ribbon, Zie Blue; To handle the
ribbons = zelf mennen; To tear (in)to ribbons = in flarden scheuren;
Ribbon-grass = rietachtig kanariegras; Ribbonism = beginselen der
Ribbon Society = een geheim Iersch genootschap (van Ribbonmen),
opgericht in 1808, die een groen bandje als insigne dragen.
Ribston pippin, ribst’npipin, een fijne soort appel.
Rice, rais, rijst: The Duke and Duchess left for their honeymoon amid a
complete shower of rice and throwing of the slipper = te midden van een
ware bui van rijst en het nawerpen van de pantoffel; Rice-bird =
rijstvogeltje; Rice-flour; Rice-milk = rijstepap; Rice-paper;
Rice-plantation = rijstveld; Rice-pudding = rijsttaart; Rice-starch;
Rice-table = ind. rijsttafel; Rice-weevil = rijstworm.
Rich, ritš, rijk, kostelijk, voortreffelijk, overvloedig, vruchtbaar,
sterk, voedzaam, zoet, saprijk, klankrijk, gepeperd: The Rich = de
rijken; The New Rich = parvenus; Such food is too rich for me = mij te
machtig; She has a rich voice = heerlijke, klankrijke; He is rich
beyond the dreams of avarice = rijker dan een vrek het zich durft
droomen; Rich in silver = rijk aan zilver; Riches = rijkdom(men),
pracht; Richness = rijkheid, overvloed(igheid), voedzaamheid, volheid.
Richard, ritšəd, Richard; Richardson, ritšəds’n; Richmond, ritšm’nd.
Rick, rik, subst. hooimijt, hoop koren; Rick verb. ophoopen, tot een
mijt vormen.
Ricketiness, rikətinəs, subst. v. Rickety.
Rickets, rikəts, Engelsche ziekte.
Rickety, rikəti, aan de Engelsche ziekte lijdend, zwak in de
gewrichten, wankel, waggelend: Rickety stairs = wrak.
Rickshaw, rikšô, tweewielig karretje door een man getrokken (Indië,
China, Japan) = Jinricksha.
Ricochet, rikəšet, rikəšei, rikəšet, subst. terugstuiting, opstuit,
afkaatsing; ricochetschot; Ricochet verb. ricochet schieten,
terugstuiten, even aanraken.
Rid, rid, adj. bevrijd; Rid verb. bevrijden, afhelpen, reinigen,
zuiveren: He could not get rid of his toothache = van zijne kiespijn
niet afkomen; He rid me of my pain = hielp mij van de pijn af; To rid
of caterpillars, from moss; Riddance, rid’ns, bevrijding, verlossing:
He made a clear riddance = hij zette alles aan kant; He is gone, and
it’s a good riddance = wij zijn gelukkig van hem af; A gentle riddance
= daar zijn we netjes afgekomen.
Ridden, rid’n, part. perf. van to ride.
Riddle, rid’l, subst. raadsel; groote zeef; Riddle verb. oplossen, in
raadsels spreken, in de war brengen, ziften, besnoeien, met kogels
doorboren: To propose, to solve a riddle = opgeven, raden; The fence
was riddled with bullets = doorboord van geweerkogels; Don’t riddle
your plans before they are ripe = breng niet in de war; Riddler =
raadselachtig spreker.
Ride, raid, subst. rit, toertje, rijweg; Ride verb. rijden, voor anker
rijden: To give a ride = laten rijden (ook kinderen op den rug); To go
long bicycle rides = fietstochten maken; The young ladies have gone for
a ride = zijn uit toeren; To have a ride = To take a ride = een ritje
doen; To have donkey rides = ezeltje rijden; It’s a two hours’ ride =
twee uur sporens; Within a few minutes’ railroad ride = binnen een paar
minuten sporens; To ride a bicycle, a horse; She can’t ride an ounce
under sixteen stone = zij weegt bepaald geen ons minder dan 224 Eng.
ponden; The ship rides easy, hard = het schip rijdt gemakkelijk, zwaar
op zijn anker; The ship was riding at anchor = het schip reed op zijn
anker; To ride in a railway-carriage (in a coach) = rijden in; He
attempted to ride off under cover of a mistake = hij trachtte zich
schoon te wasschen door te beweren, dat het een vergissing was; The
steamer will ride out the storm = de stoomboot zal den storm wel
afrijden (voor anker); I rode outside an omnibus = boven op; He rode
roughshod over me = tiranniseerde mij; He rides well to hounds = hij
blijft (bij de vossenjacht) steeds achter en zoo dicht mogelijk bij de
honden; He rode to cover = reed ter jacht (Zie Cover); Rider = rijder,
ruiter, pikeur, temmer; bijblad, toegevoegde clausule: I have been a
rider in cabs, on omnibuses = heb gereden in; To add, To put, To move
as a rider = als clausule toevoegen, voorstellen; The rider was an old
gentleman = passagier; He selected the hardest rider from my book = het
moeilijkste vraagstuk; Riderless.
Ridge, ridž, subst. hoogte, rug of keten, nok, vorst (van het dak);
Ridge verb. in voren ploegen: The sea was ridging roughly eastward, and
almost overwhelmed the vessel = de golven vormden hooge kammen van west
naar oost; Ridge-pole, Ridge-piece, Ridge-plate = nokstuk (timmerwerk
aan den nok); Ridge-tile = vorstpan; Ridgy = zich in ruggen of hoogten
verheffend.
Ridicule, ridikjûl, subst. belachelijkheid, hoon, spot; Ridicule verb.
belachelijk maken, bespotten: To cover (treat) with, To turn into
ridicule = belachelijk maken; He is a past master of killing ridicule =
volleerd in vernietigenden (bijtenden) spot; His proposal was ridiculed
by the whole meeting = werd bespot; Ridiculer; Ridiculous, ridikjuləs,
belachelijk, bespottelijk; subst. Ridiculousness.
Riding, raidiŋ, rij - -; subst. rijden, rijweg; eene der drie
afdeelingen van Yorkshire: They were playing the game of “spy for
ridings” = ze speelden “vangertje”, waarbij de gevangen jongen den
vanger op zijn rug moet laten rijden; Riding-academy = Riding-school;
Riding-breeches; Riding-crock, (-crop, -rod, -whip) = karwats;
Riding-habit = rijkleed voor dames; Riding-hall = rijschool;
Riding-lights = ankerlichten; Riding-master = pikeur, stalmeester;
Riding-rimes (rhymes) = rijmen in twee-regelige versjes; Riding-school
= rijschool; Little Red-Riding-Hood = Roodkapje.
Ridotto, ridotou, bal masqué.
Rife, raif, overvloedig, algemeen heerschend, vol van (with): Bribery
was rife = omkooperij kwam veel voor; subst. Rifeness.
Riffler, riflə, raspvijl.
Riffraff, rifraf, gepeupel, uitvaagsel; uitschot.
Rifle, raif’l, subst. geweer met getrokken loop; Rifle verb. wegvoeren,
rooven, leegplunderen, een getrokken loop maken (Rifles = fuseliers,
jagers); Rifle-barrel = getrokken loop; Rifle-barrelled = met getrokken
loop; Rifle-brigade, Rifle-corps; Rifleman = jager, scherpschutter;
Rifle-pit = kuil voor scherpschutters; Rifle-range = schietbaan;
Rifle-shot = geweerschot: He lived within rifle-shot of my retreat = op
geweerschotsafstand; Rifler = roover, plunderaar.
Rift, rift, subst. kloof, spleet, scheur, gebrek, misverstand,
oneenigheid; Rift verb. scheuren, splijten, kerven.
Rig, rig, subst. tuigage, want, opschik, voertuig, vischgerei, grap,
streek; Rig verb. optuigen (ook fig.), uitdossen; voor den mal houden:
I am up to your rigs = ik weet wat je in ’t schild voert; I never
thought of running such a rig = dat me zoo iets gebeuren zou; To run
the rig upon = voor den mal houden; He gets a new rig-out = een nieuw
pak; He was rigged out in a pair of new trousers = uitgedost in; He
rigged the market = hij beheerschte de markt (Am.); Rigger =
scheepstuiger; riemschijf; speculant; Rigging = tuigage, want: Running,
Standing rigging = loopend, staand want; Riggish = verpierewaaid.
Riga, raigə, rîgə.
Right, rait, subst. recht, aanspraak, rechterhand, rechterkant,
rechterzijde (in eene wetgevende vergadering); stuk land, aandeel in
fabriek of mijn (Amer.); adj. en adv. recht, billijk, rechtvaardig,
juist, rechter of rechts(ch); Right verb. recht zetten, oprichten,
recht laten wedervaren, zich oprichten: The Right = Rechterzijde
(Parl.); Mr. Right is not yet come = de rechte Jozef is nog niet
verschenen; Bill (Declaration) of Rights = het Eng. charter van 1689;
It would not come right = het wou niet goed komen; We shall soon put
(set) this to rights = dat spoedig in orde brengen; I’ll send him to
the right-about very soon = hem gauw wegzenden, rechtsomkeert doen
maken; To have a (no) right to = recht (geen recht) hebben op; He did
not hear, know the rights of it = hoorde, wist er het fijne niet van;
They killed a right and left of rabbits = schoten konijnen rechts en
links neer; Good shooting does not guarantee rights and lefts at
partridges = is nog geen waarborg voor eene goede patrijzenjacht; By
rights = eigenlijk; You are in the right = hebt gelijk; She had a
fortune in her own right = zij had zelf fortuin; A duchess in her own
right = eene hertogin die zelf de rechten heeft, aan dien rang
verbonden (behalve een zetel in The House of Lords); He was standing on
the right = hij stond aan den rechterkant; To the right = naar rechts;
He was strictly within his rights = in zijn recht; Right about face
(turn) = rechtsomkeert; All right, my boy = in orde, baasje; You are
right = hebt gelijk; That is right, set him right = goed zoo, help hem
op weg; It is not right for you to say so = het past u niet; I am on
the right side of fifty = nog geen vijftig; On the right side of five
guilders = over de; On the right side of fortune = schatrijk; To put
right = in orde brengen, verbeteren; We’ll soon set it right = het gauw
in orde brengen; Right across = dwars over; Right away = terstond
(Amer.); A right down Londoner = oprechte, echte; Right down to the
bottom = loodrecht naar de diepte; Right opposite = vlak hier
tegenover; To tell right out = zonder omwegen; To read right through =
in één stuk door; Right to the point = recht op het doel af; I am right
glad that I went right up to the top of the building = erg blij, ...
heelemaal naar; I must be righted, or I will right myself = er zal mij
recht geschieden, of ik zal mij zelven recht verschaffen; Things will
right themselves = zullen wel van zelf in orde komen; To right the helm
= het roer midscheeps leggen; To right a pole = een paal rechtop
zetten; Right angle = rechte hoek; Right-angled = met rechte(n)
hoek(en); Right-hand = rechtsch; subst. rechterhand, ook fig. =
Right-hand man = rechter nevenman; Right-handed = rechtsch, handig;
Right-hearted = rechtschapen; Right-honourable = titel voor al de pairs
in Engeland, voor de zoons en dochters van Dukes en Marquesses, en de
dochters en oudste zoons van Earls, voor leden van den Privy Council,
den Speaker van het House of Commons, den Lord Chancellor, de Lord
Chief Justices, en den Lord Chief Baron; voor de Lord-mayors van
London, Dublin en York, en voor den Lord-Provost van Edinburgh, zoolang
zij in functie zijn; Right-lined = rechtlijnig; Right-minded(ness) =
rechtgeaard(heid); Righteous, raitšəs, rechtvaardig, rechtschapen,
heilig, billijk; Righteousness = rechtschapenheid, reinheid des harten,
volkomen gehoorzaamheid aan Christus; Righter: Women’s Righter =
kampioen voor vrouwenrechten; Rightful = rechtvaardig, rechtmatig: He
is the rightful heir = de rechtmatige erfgenaam; subst. Rightfulness;
Rightly = terecht, precies: You rightly refused to accompany him = hebt
terecht geweigerd.
Rigid, ridžid, (ge)streng, stijf, onbuigzaam, hard: Rigid dirigible =
bestuurbare ballon van het stijve stelsel; Rigid examinations =
strenge; subst. Rigididity = Rigidness.
Riglet, riglət, lijstje; filet.
Rigmarole, rigməroul, subst. onzin, gewauwel; verhaal door één
begonnen, en achtereenvolgens door de anderen van het gezelschap
voortgezet; adj. dwaas, onzinnig, vervelend.
Rigorism, rigərizm, (ge)strengheid, stiptheid; Rigorist, subst. iemand
van strenge beginselen; adj. streng, stipt; Rigorous, rigərəs,
(ge)streng; straf, stipt, onbuigzaam, hard; subst. Rigorousness;
Rigour, rigə, strengheid, hardheid, nauwkeurigheid.
Rig Veda, rigveidə, het eerste der 4 Veda’s.
Rile, rail, “het land” opjagen.
Rill, ril, subst. beekje; Rill verb. vlieten; Rillet = klein beekje.
Rily, raili, uit zijn humeur, boos.
Rim, rim, subst. rand, invatsel, garnituur (v. een bril, b.v.); Rim
verb. van een rand, etc. voorzien: Her eyes were rimmed round with
weeping = zij had randen om de oogen van.
Rime, raim, subst. rijm, rijp (zie Rhyme); Rime verb. tot rijp doen
bevriezen; Rime-frosted = berijpt.
Rimose, raimous, raimous, vol barsten en spleten; subst. Rimosity,
raimositi; Rimous, raiməs = Rimose.
Rimple, rimp’l, subst. rimpel; Rimple verb. rimpelen.
Rimy, raimi, berijpt, koud en nevelig.
Rind, raind, subst. schors, huid, schil; Rind verb. schillen: Cheese
rind, Pork rinds; Rindless.
Rinderpest, rindəpest, longziekte (vee).
Ring, riŋ, subst. ring, kring, circus, renperk, krijt, kliek; klank,
stel harmonische klokken; Ring verb. omringen, van een ring voorzien,
een kring van schors van een boom snijden; klinken, luiden, doen
klinken of weergalmen: The Ring = onafgebroken keten van rijtuigen in
Hydepark; kringvormig opgesteld publiek bij een bokspartij, bokspartij;
There is a ring in his voice which gains your sympathy = eigenaardige
toon of klank; There’s a ring = er wordt gebeld; To blow rings =
kringetjes (rook) blazen; To be trained to the ring = voor het circus
opgeleid; Swinging-rings = ringen (gymn.); He rang the changes on her
praise = prees haar op alle manieren; The bells rang out the old year
and rang in the new = luidden het oude jaar uit en het nieuwe in; I
rang up the chemist = belde op (per telefoon); The curtain was rung up
for the second act = de bel voor het tweede bedrijf luidde; To ring up
a (forgotten) letter = in herinnering brengen; The house rang with
merriment = vroolijkheid weerklonk door het huis; Ring-bolt = ringbout;
Ring-dove = ringduif; Ring-dropper = kwartjesvinder; Ring-finger =
ringvinger; Ring-formed = ringvormig; Ring-leader = belhamel; Ring-mail
= maliënkolder; Ring-master = pikeur (van een circus); Ring-streaked =
met ringen gestreept; Ring-tailed = met kringen op den staart;
Ring-worm = soort duizendpoot, dauwworm (Med.); Ringer = klokkenluider;
Ringing, subst. het luiden, gelui; adj. klinkend, welluidend: It is
still ringing in my ears = het tuit me nog in de ooren; Ringlet =
ringetje, krulletje.
Rink, riŋk, subst. ijsbaan, baan voor kunstrijders, lokaal voor het
rijden op rolschaatsen; Rink verb. rijden in een Rink: Skating-rink.
Rinse, rins, spoelen, omwasschen (away, off, out); Rinsing-tub.
Riot, raiət, subst. oproer, muiterij, drinkgelag, burengerucht; Riot
verb. oproer maken, muiten, zwelgen, rumoerig zijn, snel slaan (pols):
The Riot Act was read = de oproerige menigte werd gesommeerd (met
verwijzing naar de Riot Act van 1714) uiteen te gaan; To kick up a riot
= herrie schoppen; To run riot (Zie Run); Rioter = zwelger,
oproermaker; Riotous, raiətɐs, oproerig, ongebonden; subst. Riotousness
= Riotry.