cursus, omdraaiing, sport, salvo, schot, patroon, rondelied; adj. rond,
vloeiend, vol, ronduit, openhartig, eerlijk, flink, snel; Round verb.
rond maken, afronden, rondgaan, rondreizen, ronddraaien, zich keeren
tegen, schimpen op (on); prep. en adv. rondom, overal: Thirty-six
rounds (of ammunition) = patronen; A round of applause = algemeene
toejuiching; A round of beef = runderschijf; A round of cartridges =
één patroon voor iederen soldaat; I have made my round of visits =
mijne bezoeken; Shall we have a round? = zullen we eens vechten; Let us
play one more round = nog één rondje; He is a round peg in a round hole
= de rechte man op de rechte plaats; I assure you that I shall bring
you round = dat ik u weer zal opknappen of beter maken; It is not easy
to bring him round = te bepraten, over te halen; Christmas has come
round again = het is weer kerstmis geworden; He came round to my room =
kwam mij op mijne kamer opzoeken; He came round = hij draaide bij; You
won’t get round me = mij niet beetnemen, bepraten; He lives round the
corner = dicht bij; He gave the money round the corner = met tegenzin;
(All) round my hat = katterig; als subst. onzin; They have sent the hat
round = zijn met den hoed rondgegaan, hebben geld opgehaald; It is a
hundred guilders in round numbers = het is in een rond getal een
honderd gulden; To walk at a round rate = vlug doorstappen; To ride at
a round trot = in vluggen draf; He is an honest man all round = in alle
opzichten; The engine rounded a curve in the road = kwam om een bocht
in den weg; To round off a story = een verhaal besluiten; The ship was
rounded to = werd bijgedraaid; Roundabout, subst. draaimolen, omweg,
soort leuningstoel (jasje, manteltje); adj. wijdloopig, omslachtig,
veelomvattend, niet openhartig: I sent him to the roundabout = ik
stuurde hem weg; Roundabout the town = om de stad heen; Roundabout way
= omweg; Round-backed = met ronden rug; Round-dance = rondedans;
Round-games = gezelschapsspelen; Roundhand = rondschrift; Round-head,
subst. Puritein in Cromwell’s Tijd; adj. van de partij der Puriteinen;
Round-house = achterkajuit, hut, retirade, locomotiefloods; Round-ridge
= ronde voren maken bij het ploegen; Round-robin; Zie Robin;
Round-shouldered = rond in de schouders of rug; Roundsman = beambte die
politie- en nachtwachtposten controleert (Amer.); Round-turn = één slag
v. een touw om een paal, etc.; Round-up = ’t bijeendrijven van het vee;
Rounded = gerond van vokalen; Rounders = een soort kaatsspel; Rounding,
subst. het ronden; adj. ongeveer rond; Roundness = openhartigheid,
volheid van klank, rondheid.
Roundel, raund’l, klein schild; Roundelay, raundəlei, ouderw. dichtstuk
(8 + 5 regels), rondedans.
Roup, rûp, kippen-huidziekte; raup, rûp, publieke verkooping; Roup
verb. veilen.
Rouse, rauz, opwekken, doen ontwaken, opjagen, aansporen: He was roused
to anger = boos gemaakt; Rousing = opwekkend, aansporend, bezielend,
geweldig, ontzettend: A rousing lie.
Roust, raust, opschudden, hard werken, opwekken, in opstand brengen;
Roust-about = losse arbeider of matroos op eene rivierstoomboot;
leeglooper (Amer.).
Rout, raut, subst. volkomen nederlaag, algemeene vlucht, oproer,
rumoer, twist, gedrang, wanordelijke troep; avondreceptie; Rout verb.
in verwarring op de vlucht drijven, omwoelen, wroeten, vernielen (met
out): The rout = het schuim, gepeupel, janhagel; To put to (the) rout =
op de vlucht slaan; Boys were routing in the streets = waren aan het
stoeien; I routed out an edition of Tennyson among his books =
schommelde op; The ferret routed out the conies = joeg naar buiten,
verdreef (uit hun hol); I routed it up from my memory = ik bracht het
mij na eenige inspanning te binnen; Rout-seats and chairs = zitbanken
(tegen den muur) en stoelen voor een rout; He is a Router-out of
antiquities = snort allerlei oudheden op.
Route, rût, weg; Routine, rutîn, gewoonte, sleur: Routine-business =
sleurwerk; Routinist, rutînist, sleurganger.
Routledge, rautlədž.
Rove, rouv, (om)zwerven; in dwarsrijen ploegen (Amer.), scheren van
touw of wol door een blok, uitpluizen; Rover = roover, zwerver,
wispelturig en ontrouw persoon: Her sweetheart has proved a rover = is
gebleken een vlinder (ontrouw) te zijn; They were shooting at rovers =
zij schoten in het wild; Rover of the seas = zeeschuimer.
Roving-shot = schot in ’t wild.
Rove, rouv, imperf. en part. perf. v. to reeve.
Row, rou, subst. rij, reeks, gelid, roeitochtje; Row verb. roeien: In a
row = in de rij, in ’t gelid; We had a splendid row = heerlijk
roeitochtje gedaan; I guess you can hoe your own row = uw eigen zaakje
wel opknappen, je eigen straat schoonvegen (Am.); He had a hard row to
hoe = had het hard te verantwoorden (Am.); To put (set) in a row = op
een rij; He can row his own boat, paddle his own canoe = zijn zaakje
alleen wel opknappen; They row in the same boat = zij zijn in hetzelfde
schuitje; Rowboat = roeischuitje, roeibootje; Rowlock, roulok, rɐlək,
keep of gat waarin de riem rust, roeimik, roeipen, roeiklamp; Rower =
roeier; Rowing-club; Rowing-match = roeiwedstrijd.
Row, rau, standje, ruzie, twist; Row verb. ruzie, lawaai maken,
schelden: To get into a row with = standjes krijgen met; Hold your row
= houd je mond; Don’t kick up a row = maak geen schandaal; What’s the
row = wat is er aan de hand?
Rowan, rauən, gewone lijsterbes = Rowan-tree.
Rowdy, raudi, subst. ruwe, woeste kerel; “duiten”; adj. ruw, ploertig,
oproerig = Rowdyish; Rowdyism = herrie, baldadig optreden.
Rowel, rauəl, subst. wieltje of rad van een spoor, seton (platte ring
van een toom); Rowel verb. wieltje of seton zetten in; Rowel-head = de
as van een spoorwieltje.
Rowena, rouînə.
Rowen, rauən, stoppelveld, nagras (Amer.).
Rowland, roul’nd; Rowley, rauli; Roxburgh, roksbərə, roksbɐ̂g.
Royal, rôiəl, subst. tak van een gewei, papierformaat (19 × 24 voor
schrijf-, en 20 × 25 inches voor drukpapier), kleine mortier,
bovenbramzeil (The Royals = vroeger het eerste regiment infanterie;
thans Royal Scots); adj. koninklijk, edel: Royal Academy = Koninklijke
(kunst)academie; The Royal Assent is, under the Constitution, still
essential to the validity of an Act of Parliament = de koninklijke
goedkeuring; Royal bounty = fonds ter ondersteuning van de betrekkingen
van gesneuvelde officieren; Royal grants = jaargeld aan de leden der
koninklijke familie; Royal Society = Eng. Academie van Wetenschappen;
Royalism = koningschap, koningsgezindheid; Royalist, subst. en adj.
koningsgezind(e); Royalty, subst. koningschap, majesteit, koninklijke
bezitting of rechten; tantième, aandeel: We don’t often see royalty =
de leden der kon. fam.; The author gets a royalty of twopence on the
shilling = krijgt ⅙ van den verkoopprijs; Royalty rents = vergoeding
voor het gebruik van den bovengrond (bij mijnwerkers).
Royster(er). Zie Roister.
Rub, rɐb, subst. het wrijven, wrijving, hinderpaal, sarcasme, schimp;
Rub verb. wrijven: There’s the rub = daar zit ’m de knoop; I rubbed my
eyes at that = ik wreef me de oogen uit van verbazing; To rub elbows
(shoulders) with = gemeenzaam omgaan met (fig.); They began to rub
noses = op vriendschappelijken voet te komen; They rubbed their way
along the streets = baanden zich een weg; To rub (up) the wrong way =
plagen, ergeren; The horse was being rubbed down = werd geroskamd; The
piece of sugar was rubbed down = werd al kleiner door het wrijven: I
rubbed the dirt off him = wreef het vuil van hem af; He rubbed it out =
hij veegde het uit; Shall I rub up your memory? = eens opfrisschen; The
chairs and tables were Rubbed up = gewreven; Rubstone = slijpsteen;
Rub-a-dub = getrommel; Rubber = wie of wat wrijft of schuurt,
slijpsteen, het beslissende spel, gummi, gummiband-(schoen); A rubber
of whist = drie spellen, waarvan 2 gewonnen en 1 verloren, of 2 na
elkander gewonnen spellen; If you play at bowls, you must look out for
rubbers = wie kaatst, moet den bal verwachten; Rubber-stamp =
caoutchouc stempel.
Rubbish, rɐbiš, puin, uitschot, nonsens, klets: Rubbish shot here =
plaats voor puin, enz.: Rubbishy = pruilerig.
Rubble, rɐb’l, stukken ruwe steen; Rubble-cart; Rubble-stone = bovenste
losse deelen van eene steenmassa; Rubble-work = metselwerk met ruwen,
onregelmatigen steen; adj. Rubbly.
Rubeola, rûbîələ, mazelen.
Rubicon, rûbik’n, Rubicon: To cross the Rubicon = een beslissenden stap
doen.
Rubicund, rûbik’nd, rood(achtig); subst. Rubicundity, rûbikɐnditi;
Rubific = roodmakend.
Rubigo, rubaigou, meeldauw, roest.
Rubric, rûbrik, subst. rubriek, kerkelijk voorschrift, adj. rood
gemerkt; Rubrical = liturgisch, ritueel: Rubricate = met rood merken;
subst. Rubrication.
Ruby, rûbi, subst. robijn, karbonkel, formaat van drukletter; roode
puist of vlek; adj. robijnkeurig = Rubied.
Ruche, rûš. Ruching, rûšiŋ, ruche.
Ruck, rɐk, subst. rimpel, vouw, hoop, troep, groote massa; Ruck verb.
rimpelen; ergeren, geërgerd zijn: Out of the ruck = ongewoon.
Ruction, rɐkš’n, oploop, vechterij, krakeel.
Rudder, rɐdə, roer; Rudder-post = roersteven.
Ruddiness, rɐdinəs, subst. v. Ruddy.
Ruddle, rɐd’l, subst. roodaarde; Ruddle verb. met roodaarde merken
(zooals b.v. schapen): Faces ruddled with rouge and pearl-powder.
Ruddy, rɐdi, adj. blozend, met frissche kleur, rood, ros(sig); subst.
goudstuk; Ruddy-faced.
Rude, rûd, ruw, ongeletterd, onbeschaafd, stormachtig, grof, woest,
sterk: Don’t be rude = wees niet lomp, onbeschoft: It was a rude
awakening = een onaangenaam ontwaken; Rudeness = lompheid, ruwheid.
Rudesheimer, rûdzhaimə, soort v. Rijnwijn.
Rudiment, rûdim’nt, subst. rudiment, beginsel (gewoonlijk meerv.): The
rudiments of grammar; Rudimental, rûdiment’l, Rudimentary, rûdimentəri,
eerste, aanvangs...; niet geheel ontwikkeld: Rudimentary organs =
rudimentaire organen.
Rudolph, rûdolf; Rudyard, rɐdjâd.
Rue, rû, subst. wijnruit; Rue verb. betreuren, treuren om, beklagen,
berouwen: You will rue the day, my boy = de dag zal je rouwen: To rue a
bargain = een koop ongedaan maken; Rue-bargain = rouwkoop; Rueful =
droevig, treurig; subst. Ruefulness.
Ruff, rɐf, subst. groote, geplooide kraag, cachepot, oud kaartspel, het
aftroeven, kemphaan, duivensoort; Ruff verb. aftroeven: Ruffed grouse =
gekraagd hazelhoen.
Ruffian, rɐfj’n, subst. ruwe klant, roover, moordenaar; adj. woest,
gemeen; Ruffianism; adj. Ruffianlike, Ruffianly.
Ruffle, rɐf’l, subst. geplooide rand aan mouw of kraag, jabot: onrust,
beroering, opwinding; Ruffle verb. frommelen, plooien, rimpelen, in de
war brengen, verstoren, tieren, onstuimig worden, bluffen, zich airs
geven: To ruffle a person’s feathers = iemand boos maken; His temper
was ruffled = hij was uit zijn humeur; To ruffle it = geuren; Ruffler =
bluffer, schetteraar: He was a ruffler of the camp = hij was een
schreeuwer (vechtersbaas) van het kamp.
Rufous, rûfəs, bruin- of geelrood.
Rufus, rûfəs.
Rug, rɐg, reisdeken, haardkleedje, dek.
Rugged, rɐgid, ongelijk, ruw, onbeholpen, norsch; subst. Ruggedness.
Rugose, rûgous, rugous, gerimpeld; subst. Rugosity.
Ruin, rûin, subst. ondergang, vernietiging, verderf, ruïne; Ruin verb.
in het verderf storten, bederven, te gronde gaan (Ruins =
overblijfselen, ruïne): To be the ruin of a person, To bring him to
ruin = iemand te gronde richten; To fall into ruins = tot puin
vervallen; On the brink of ruin = op den rand des ondergangs; To go to
wreck and ruin = te gronde gaan; He has ruined me = mij ongelukkig
gemaakt; He ruined his eyes with reading = bedierf; Ruination =
verderf, ondergang; Ruiner; Ruinous = bouwvallig, verderfelijk,
nadeelig, enorm (van prijzen); subst. Ruinousness.
Rule, rûl, subst. regel, bestuur, regeering, gids, levensregel,
regelmaat, reglement, orde, duimstok, liniaal; Rule verb. regeeren,
besturen, bedwingen, linieeren, leiden, richten, raden, de oppermacht
hebben: As a rule = in den regel; That is the rule now = dat is nu de
regel; The rule of three = de regel van drieën; That’s a rule-of-three
sum of the simplest kind = dat spreekt als een boek; This street is in
the rules of the prison = in deze straat mogen de gegijzelden tegen
borgstelling nog komen en wonen = They are prisoners on rule; That is
an exception to the rule = op den regel; To become the rule; I know it
by rule of thumb = uit de practijk: To lay down a rule = vaststellen;
To make it a rule = tot regel stellen; He rules with a rod of iron =
heerscht met ijzeren vuist; Ruler = regeerder, bestuurder, liniaal;
Ruling = heerschend; subst. rechterl. beslissing: Rule-price =
marktprijs.
Rum, rɐm, rum; Rum-blossom (Rum-bud) = roode neus; Rum-shrub = soort
punch; Rummy = met een rumsmaak.
Rum, rɐm, vreemd, raar: A rum fellow = zonderlinge, origineele kerel;
Rummy = raar.
Rumble, rɐmb’l, subst. kattenbak (van een rijtuig); gerommel; Rumble
verb. rommelen, bulderen; Rumbler = rammelkast.
Rumelia, rumîljə, Roemelië.
Ruminant, rûmin’nt, herkauwend, nadenkend; subst. herkauwer; Ruminate =
herkauwen, bepeinzen, overdenken; subst. Rumination; Ruminative =
nadenkend, goed doordacht; Ruminator = overdenker, peinzer.
Rummage, rɐmidž, doorsnuffelen, doorzoeken: He rummaged among my
papers; Rummage-sale = opruiming, lappendag.
Rummer, rɐmə, roemer, groote beker.
Rumour, rûmə, subst. gerucht, faam; Rumour verb. vertellen,
rondstrooien, ruchtbaar maken: There is a rumour abroad (Rumour has it)
that the king will come = het gerucht loopt; It is rumoured = het heet;
It was rumoured abroad = het gerucht werd verspreid; rumourer =
verspreider van geruchten.
Rump, rɐmp, stuitbeen, stuitje, kruis, staartstuk; Rump-parliament =
romp parlement (1648); Rump-steak = lendenstuk.
Rumple, rɐmp’l, subst. vouw, kreukel; Rumple verb. kreukelen, vouwen.
Rumpus, rɐmpəs, rumoer, spektakel.
Run, rɐn, subst. loop, geloop, toeloop, verloop, aanloop, stormloop,
uitstapje, vrije toegang, aard, slag, oppositie, vooroordeel, groote
navraag, onafgebroken reeks opvoeringen, weideplaats, afgelegde
afstand, beek, punt (bij het cricket) etc.; adj. gesmokkeld, gesmolten
(Run-butter); Run verb. loopen, snellen, hardloopen, vluchten, varen,
voortdrijven, circuleeren, in trek (mode) zijn, gelden, geldig zijn,
vloeien, stroomen, tranen, etteren, smokkelen, verloopen, etc.: By the
run = plotseling; In the long run = op den duur; With a run =
plotseling, overhaast; There is a violent run against it = groote
oppositie; There is a run on the bank = de bank wordt bestormd door
aanvragen tot terugbetaling; There is rather a run on wax dolls =
vrijwat vraag naar; She had a great run in America = veel toeloop,
succes; The piece had a great run = had een kolossaal succes; The play
had a run of fifty nights = werd 50 maal achtereen opgevoerd; He has
had the full run of himself = is geheel uitgeraasd; I had a good run
for my money = heb een mooie kans gehad bij de wedrennen; heb hard
moeten loopen om mijn geld te krijgen; The smugglers are to have a run
to-night = zullen van avond de goederen zien binnen te smokkelen; I had
a run of (ill) luck = ’t liep me alles mee (tegen); The general run of
legs was crooked = de menschen hadden haast allen kromme beenen; The
general run of mankind = het meerendeel der menschen; A pound a week
and the run of his teeth = en de kost voor ’t eten; This place is not
one of their runs = deze plaats is niet eene van die, welke zij
bereizen of bezoeken; He that runs may read = de oppervlakkigste lezer
kan dit begrijpen; The story runs = het verhaal gaat; We run this
building as a holiday-home = exploiteeren; I will run the chance for
your sake = zal het wagen; I have run this coach from my 18th year =
gereden; He had to run the ga(u)ntlet of London society = moest zich
aan de critiek der Londensche samenleving blootstellen; The most
difficult part was to run the goods = de goederen binnen te smokkelen;
Let run the rope = laat schieten; The company will run an extra train
on Monday = zal laten loopen; To run aground = aan den grond loopen,
vastraken; To run close(ly), To run hard = nabijkomen, op de hielen
zitten; He was run hard = erg geplaagd, lastig gevallen; You run that
expression very hard = maakt misbruik, wel wat veel gebruik van; I will
run you home for a pound = om een pond met je loopen wie ’t eerst thuis
is; Our commodities are running low = raken op; To run mad = dol
worden; His power of sarcasm was allowed to run riot = hij liet den
vrijen teugel aan; We ran short of ammunition = onze ammunitie raakte
op; To run about = rondloopen, dwalen; To run after = naloopen;
Run-after = gezocht; They ran at their enemies = vielen aan; Many mills
ran away in the sudden squalls = vele molens liepen door de vang; The
horses ran away = gingen op den loop; He ran on before = liep vooruit;
He runs before his master = overtreft; The ship was run down by the
steamer = werd in den grond geloopen; The ship ran down the coast =
voer langs de kust; The dog ran the hare down = haalde in en pakte;
Run-down = afgeloopen, uitgeput; They ran for their lives = zochten hun
heil in de vlucht, liepen zoo hard zij konden; They ran from one
extreme to the other = sloegen van het eene uiterste in het andere
over; The thief was run in = werd ingerekend; Heroism runs in their
blood = zit hun in ’t bloed; These things run in families; He ran into
me = liep (reed) mij tegen het lijf; He ran into debt = hij maakte
schulden; The steamer was run into by an ironclad = werd aangevaren; He
was running on badly = sloeg erg door; The conversation ran on the
topics of the day = liep over; My mind kept running on that subject =
ik kon niet van mij afzetten; He has run out his estate = heeft zijne
bezittingen verkwist; I am (have) run out of money = ik ben platzak =
My money is (has) run out; Our provisions ran out = raakten op; Now you
can run out easily = gemakkelijk uitspelen (bilj.); The poor fellow was
run over by the express = werd overreden; He ran over all accounts =
ging na; He tried to run round the agreement = te ontduiken; He wanted
to run me through the body = mij te doorstèken; He ran through 10,000
pounds = hij lapte er door; My knowledge does not run to that = gaat
zoo ver niet; It does not run to footmen with me = zoo ver heb ik het
niet gebracht, dat ik er lakeien op na kan houden; The piece was run to
its 100th representation = beleefde; The bill ran up till it amounted
to 50 pounds = liep op; We shall run up an editorial office for you =
een redacteursvertrek voor u gereedmaken, laten zetten; The price of
the bread was run up = steeg; To run up against = aanloopen, aanrijden
tegen; It ran upon this wise = luidde aldus; Run-away, rɐnəwei, subst.
vluchteling; adj. wegloopend: A run-away horse = dat op hol is; That
was a run-away knock = dat was een “deurtjebel”; A run-away match =
schaking; A run-as-you-please contest = een wedloop waarbij de
deelnemers mogen loopen zooals ze willen; Runway = stroombedding, pad,
baan, spoor van een dier; Runner = looper, bode, hardlooper,
blokkadebreker, smokkelaar, detective, bespieder (van paarden bij
wedrennen), bovenste molensteen, onderhout (of kiel) van eene slede;
agent voor landverhuizers, handelsagent (Amer.); Runner-up = tweede
prijs winnaar; Running: He is in the running for that post = heeft
kans; He was out of the running when compared with his opponent = zijn
tegenstander knikkerde hem royaal van de baan; Death put him out of the
running = belette hem verder mee te doen; Five times running = vijfmaal
achtereen; Running account = rekening courant; Running fight = gevecht
bij een terugtocht; Running fire = aanhoudend kanon- of geweervuur;
Running hand = loopend schrift; Running-gear = wielen, assen, etc. van
een voertuig; Running-knot = schuifknoop; Running power = ’t recht om
treinen te laten loopen op de lijnen van eene andere maatschappij;
Running rigging = loopend want; Running-round = fijt (Amer.); Running
title = loopende-, hoofdtitel.
Runagate, rɐnəgeit, afvallige, vluchteling.
Rundle, rɐnd’l, sport.
Rune, rûn, runenpoezie.
Rung, rɐŋ, imperf. en p. perf. van to ring.
Rung, rɐŋ, sport, planken vloer (schip): On the lowest rung of the
ladder (fig.).
Runic, rûnik: Runic letters; Runic knot = runenknoop.
Runlet, rɐnlət, klein stroompje (ook: Runnel); vaatje (18 à 18½ gallons
= ± 81,784 L.).
Runnet, rɐnet. Zie Rennet.
Runnymede, rɐnimîd, weide op den zuidelijken oever van de Theems, waar
John Lackland (1215) de Magna Charta verleende: He had to go to
Runnymede = hij moest zoete broodjes bakken.
Runt, rɐnt, dwergdier, dwerg, duivensoort.
Rupee, rupî, O.-I. munt, vroeger = ƒ 1,20, thans ± ƒ 0,70; He was
shaking the rupee tree = hij verdiende geld als water.
Rupert, rûpət, Rubrecht: (Prince) Rupert’s drop = glastranen.
Rupture, rɐptšə, subst. breuk, scheuring; Rupture verb. barsten,
breken, een breuk krijgen.
Rural, rûr’l, landelijk, boersch: Rural dean = deken, die het toezicht
heeft op the clergy and laity van een district; Ruralize = op het land
wonen, een landelijk aanzien geven; Ruralness = landelijkheid; A
ruridecanal (rûridekn’l) meeting = vergadering of bijeenkomst van rural
deans.
Ruse, rûz, krijgslist, kunstgreep, streek.
Rush, rɐš, stormloop, geraas, aanloop, aandrang, levendige vraag,
groote drukte, energie; Rush verb. stormloopen, zich storten op,
bestormen, voort(door)drijven; voortsnellen, naar binnen stuiven: A
rush to the doors = een bestorming van; To rush a bill through
Parliament = met spoed behandelen en aannemen; The sailors rushed the
boats = bestormden de booten; To rush a fortress (= To carry it with a
rush) = door een snellen en onverwachten aanval nemen; He gave us no
time for reflection, in fact, rushed us = overrompelde ons feitelijk
(met zijne vraag); To be rushed = het erg druk hebben; He rushed in
upon me all at once = viel me ineens op ’t lijf; Rush-answers =
antwoorden aan abonné’s van een blad per telefoon (Amer.); Rush-seat =
onbesproken plaats (Amer.); Rush-time = drukke uren in de City; Rusher
= doorzetter, aanpakker.
Rush, rɐš, bies; lor: I don’t care a rush = geef er geen lor om, het
kan me niets schelen; Rush-bottomed (= Rushseated) = met matten
zitting; Rush-candle = kaarsje van biezenmerg in talk gedompeld;
Rush-light = licht van een Rush-candle; zwak en flikkerend licht;
Rush-mat = biezen mat; Rushiness, subst. v. Rushy = vol biezen.
Rusk, rɐsk, licht gebak, gestampte beschuit, Rusk verb. stampen v.
beschuit (Amer.).
Ruskin, rɐskin; Russell, rɐs’l.
Russet, rɐsət, roodbruin, uit roodbruine en grove stof vervaardigd,
boersch; subst. roodbruine stof, soort winterappel; Russety =
roodbruin.
Russia, rɐšə, Rusland: Russia leather = juchtleder; Russian, subst. en
adj. Rus(sische taal), Russisch; Russophile, rɐsəf(a)il, Russenvriend;
ook adj.; Russophobia, rɐsəfoubjə, Russenvrees, Russenhaat; The
Russo-Turkish war.
Rust, rɐst, subst. roest, schimmel; Rust verb. roesten, schimmelen,
roestig maken: To gather rust = roesten, schimmelen, ontaarden;
Rust-eaten = door en door verroest; Rustful = roestig; Rustiness,
subst. v. Rusty = roestig, beschimmeld, verschoten, afgedragen, stram,
krassend, knorrig, saai: I am a little rusty in my French = mijn Fr. is
niet veel meer; He is getting rusty = gaat achteruit, wordt
vergeetachtig; To turn rusty = boos, saai worden.
Rustic, rɐstik, subst. landbewoner, boer, lomperd; adj. landelijk,
eenvoudig, ongekunsteld, primitief, onhandig, lomp: Rustic beauty =
landelijke schoone; Rustic tobacco = boerentabak; Rustic work = rustiek
bewerkte meubelen en prieelen; Rusticalness = boerschheid, lompheid;
Rusticate, rɐstikeit, op het land wonen, verboeren; voor een tijd
wegzenden (van de hoogeschool): A rusticated student; The dean
rusticated the whole party = de deken sjeesde het heele troepje; subst.
Rustication; Rusticity rɐstisiti, landelijkheid, eenvoud, lompheid,
boerschheid.
Rustle, rɐs’l, subst. geruisch. geritsel; Rustle verb. ritselen,
ruischen; aanpakken (Amer.); Rustler = doorzettend man, veedief
(Amer.).
Rut, rɐt, subst. bronsttijd; wagenspoor, groef, goot, voor; Rut verb.
met voren of groeven doorsnijden; bronsten, dekken: In the rut(ting)
season = bronsttijd; Ruttish = bronstig, geil; Rutty = met groeven
doorsneden.
Rutabaga, rûtəbeigə, Zweedsche koolraap.
Ruth, rûth.
Ruth, rûth, kommer, ellende, mededoogen; Ruthful = ellendig,
meedoogend; Ruthless = onbarmhartig, wreed; subst. Ruthlessness.
Rutherford, rɐdhəfəd; Ruthven, rɐthv’n, riv’n.
Ruyter (De), dəraitə; Ryswick, rizwik.
Rye, rai, rogge, whisky uit r. gestookt; Rye-bread = roggebrood;
Rye-grass = Engelsch raaigras; Rye-straw = roggestroo.
Ryot, raiət, Hindoesche boer, pachter.
S.