Resail, rîseil, terugzeilen.

Resale, rîseil, weder-verkoop, tweedehandsverkoop.

Rescind, risind, herroepen, afschaffen, vernietigen; adj. Rescindable;

Rescission, risiš’n, herroeping, vernietiging; Rescissory = opheffings

...

Rescript, rîskript, keizerlijke beslissing over eene rechtszaak,

pauselijk antwoord of beslissing, besluit, edict.

Rescue, reskjû, subst. bevrijding, verlossing, redding, hulp,

gewelddadige bevrijding; Rescue verb. bevrijden, verlossen, te hulp

komen, redden: To come to the rescue in time = te hulp komen; He was

rescued from danger; Rescue-home = asyl voor gevallen meisjes; Rescuer.

Research, risɐ̂tš, subst. stipt en streng onderzoek; Research verb. ook

rîsɐ̂tš, nauwkeurig onderzoeken, naspeuren: I have made researches into

it = van alle zijden nauwkeurig onderzocht; Researcher.

Reseat, rîsît, opnieuw plaatsen, van nieuwe zitplaatsen voorzien.

Resect, risekt, uitsnijden (van beenderen); subst. Resection.

Reseda, risîdə, reseda.

Reseize, rîsîz, weder bemachtigen, weder in bezit nemen; subst.

Reseizure, rîsîžə.

Resell, rîsel, opnieuw verkoopen.

Resemblance, rizembl’ns, gelijkenis, overeenkomst; Resemble, rizemb’l,

gelijken: He resembled my father = geleek op.

Resend, rîsend, opnieuw zenden, doorzenden.

Resent, rizent, kwalijk nemen, zich beleedigd toonen over, als eene

beleediging opvatten: I resent such opinions = protesteer tegen zulke

meeningen; Resenter; Resentful = geraakt, gebelgd; Resentment = wrok,

toorn, verbolgenheid: He did not show the least resentment = scheen er

volstrekt niet gebelgd over.

Reservation, rezəveiš’n, voorbehoud, achterhoudendheid; gereserveerd

terrein (Amer.): Mental reservation = innerlijk voorbehoud.

Reserve, rizɐ̂v, subst. achterhouding, terughoudendheid, voorbehoud,

behoedzaamheid (in taal of daad), uitzondering, reserve, de oudere

lichtingen der soldaten; Reserve verb. achterhouden, bewaren,

voorbehouden: To accept a statement with some reserve = onder eenige

reserve; He kept it in reserve = hield dat achter, in voorraad; I dare

state this without reserve = zonder voorbehoud; The reserves were

called out = de reserve werd opgeroepen; I have reserved the best for

the last moment = heb bewaard; I reserve to myself the right of

refusing = behoud mij het recht voor; Reserved = gereserveerd,

teruggehouden, omzichtig, koel, op een afstand; Reserver = wie of wat

voorbehoudt; Reservist = soldaat van de reserve; Reservoir, rezəvwö,

bewaarplaats, regenbak: Balancing reservoir = watertoren.

Reset, rîset, opnieuw zetten; Resetter.

Reset, riset, een misdadiger herbergen, helen; Resetter = heler.

Resettle, rîset’l, opnieuw in orde brengen, weer vestigen of

installeeren, tot rust komen; subst. Resettlement.

Reship, rîšip, opnieuw inschepen, retour zenden, opnieuw uitvoeren;

subst. Reshipment.

Reside, rizaid, wonen, resideeren; Residence, rezidens, woning,

verblijf(plaats), officieel verblijf, residentie: He took up his

residence there = hij vestigde zich; Board and residence = kost en

inwoning; Residency, rezid’nsi, residentschap; officieel verblijf van

den Resident (Brit. Ind.); Resident, rezid’nt, subst. bewoner,

(minister)-resident; adj. woonachtig, inwonend: Resident doctor, pupil,

teacher; Residentship = ambt van een resident; Residential, rezidenš’l,

met betrekking tot een verblijf of bewoner; Resider = bewoner,

verblijfhouder.

Residual, rizidju-əl, overgebleven: Residual product = netto opbrengst;

Residuary (rizidjuəri) devisee = de persoon aan wien al het onroerend

goed komt na aftrek van legaten; Residuary legatee = aan wien al het

roerend goed komt onder dezelfde voorwaarden (feitelijk krijgen beiden

alles, waarover niet bepaald anders is beschikt); Residue, rezidjû,

overschot, rest; Residuum, rizidju-əm, bezinksel, overblijfsel, schuim

der maatschappij.

Resign, rizain, afstaan, zich onderwerpen aan, bedanken, neerleggen,

ontslag nemen: He was appointed, but resigned = werd benoemd, maar

bedankte; I would not resign my grief = zou niet willen missen; He

suffered much, but was resignd = maar droeg het gelaten; He resigned

himself up to the decrees of Providence = onderwierp zich aan;

Resignation, rezigneiš’n, onderwerping, gelatenheid, overgave (aan Gods

wil), ontslag: To hand in, To offer, To tender one’s resignation =

indienen, aanbieden; Resignee, rizainî, rezainî, rizainî, wien iets

afgestaan wordt; Resigner = die afstand doet; Resignment = afstand,

berusting, onderwerping.

Resign, rîsain, opnieuw teekenen.

Resilient, risilj’nt, terugspringend.

Resin, rezin, hars; Resin verb. met hars bestrijken; Resiniferous =

hars voortbrengend; Resino, rezinou, (in samenst.) Resino-electric =

negatief electrisch; Resino-electricity = negatieve electriciteit;

Resinous, rezinɐs, harsachtig; Resiny, rezini, harsachtig, hars.

Resist, rizist, weerstaan, (zich) verzetten: He resisted all such

attempts successfully = bood met succes weerstand aan; Resistance =

tegenstand; weerstand (natuurk.): To offer, To meet with resistance =

weerstand bieden, ondervinden; resistant = wie of wat weerstand biedt;

ook adj.; Resister; Resistibility, subst. v. Resistible =

weerstaanbaar; Resistibleness = weerstand, weerstandsvermogen;

Resistive = vermogen weerstand te bieden; Resistless = onweerstaanbaar;

subst. Resistlessness.

Resoluble, rezəl(j)ub’l, oplos- of smeltbaar; subst. Resolubleness.

Resolute, rezəl(j)ût, vast besloten, beraden, onverschrokken; subst.

Resoluteness; Resolution, rezəl(j)ûš’n, oplossing, besluit,

vastbeslotenheid, resolutie: Resolution of an equation = oplossing van

eene vergelijking; Resolution of forces (of motion) = ontbinding van

krachten; The resolution of the plot = ontknooping van de intrigue; He

took a firm resolution and stuck to it = nam een vast besluit en bleef

erbij; Resolutive, rezəl(j)ûtiv, oplossend.

Resolvability, rizolvəbiliti, oplosbaarheid; adj. Resolvable; Resolve,

rizolv, subst. vast besluit, beslissing of resolutie; Resolve verb.

oplossen, ontbinden, verklaren, besluiten, oplossen van dissonanten

(muz.), wegsmelten: I approve your resolve = keur uw besluit goed; I am

resolved = ik ben besloten; The House resolved itself into a committee

= ging in comité-generaal; Ice resolves into water = ijs verandert in

water; I cannot resolve on anything = tot niets besluiten; I am

resolved on accompanying you = ben besloten; The king has the right to

resolve on peace and war = oorlog te verklaren en vrede te sluiten;

Resolvent, subst. en adj. oplossend (middel); Resolver = wie besluit,

wat oplost.

Resonance, Resonancy, rezən’ns(i), weerklank; Resonant = weerklinkend.

Resort, rizöt, subst. samenloop, vereenigingsplaats, druk bezoek,

hulpmiddel, redmiddel; Resort verb. zich begeven naar, zijne toevlucht

nemen tot: His usual place of resort was the inn = zijn gewone gang was

naar de herberg; We must trust to our swords in the last resort = als

laatste toevlucht; Do not go to places where drunkards and gamblers

resort to = plaatsen, die door dronkaards en dobbelaars bezocht worden;

Resorter = geregeld bezoeker.

Resound, rizaund, weerklinken, weergalmen: The sound resounded through

the house like thunder; The smithies resounded with hammering =

weerklonken van de hamerslagen.

Resound, rîsaund, opnieuw (doen) klinken.

Resource, risös, hulpbron, hulp(middel), redmiddel, vindingrijkheid:

Resources = (geld)middelen, gaven, talenten: He was thrown on his own

resources = moest zichzelf maar zien te redden; Resourceful =

vindingrijk; subst. Resourcefulness: He has a Resourcefulness of mind

which is quite astonishing = hij heeft een vindingrijkheid die

verbazend is.

Respect, rispekt, subst. eerbied, achting, verhouding of betrekking,

opzicht; Respect verb. betrekking hebben op, acht slaan op,

eerbiedigen: In respect of that question = met betrekking tot; In

(with) respect to = met betrekking tot; He is a clever fellow in every

respect = in ieder opzicht = In all respects; Respects = beleefde

groeten of komplimenten: Pay (Present) my respects to your lady = mijne

beleefde groeten aan mevrouw; God does not respect persons = God kent

geen aanzien des persoons; Respectability = achtenswaardigheid,

aanzien; subst. persoon van aanzien: Starving respectability =

fatsoenlijke armoede (armen); He is a man of respectability = van

aanzien; Respectable = eerbiedwaardig, achtbaar, fatsoenlijk, eerzaam,

middelmatig, tamelijk: His father was a respectable tradesman = een

geacht koopman; subst. Respectableness; Respecter: He is a respecter of

persons = hij ziet zijne lui aan, is niet onpartijdig; Respectful =

eerbiedig, hoogachtend; subst. Respectfulness; Respecting = met

betrekking tot, aangaande; Respective: We went our respective ways =

ieder zijn eigen weg; These persons were condemned to costs

respectively = werden respectievelijk (ieder voor zich) in de kosten

veroordeeld.

Respirability, resp(a)irəbiliti, inadembaarheid; adj. Respirable,

respirəb’l, rispairəb’l, Respiration, respireiš’n, ademhaling;

Respirator = respirateur; Respiratory, respirətəri, rispairətəri,

ademhalings...: Respiratory organs = ademhalingsorganen; Respire,

rispaiə, ademhalen.

Respite, respit, subst. schorsing, uitstel, respijt, geduld; Respite

verb. uitstellen, schorsen, verdagen: Days of respite = respijtdagen.

Resplendence, risplend’ns, luister, glans; Resplendent = glans- of

luisterrijk.

Respond, rispond, subst. reponsorie, beurtzang tusschen geestelijke en

koor (of gemeente) in een deel der Litany en Communion Service der

Angl. Kerk; Respond verb. antwoorden, beantwoorden, vergoeden, voldoen:

He responded to my summons = gaf gehoor aan; Respondent, subst.

antwoorder, gedaagde; adj. (be)antwoordende, overeenkomstig: Respondent

to our wishes = overeenkomstig; Respondentia, respondenšiə, leening op

de lading van een schip, respondentia; Response, rispons, antwoord: I

doubt response = ik weet niet welk antwoord zal komen; The clerk read

the responses = las de antwoorden (kerkdienst); In response to a

summons = ingevolge; Responsibility, risponsibiliti,

verantwoordelijkheid; adj. Responsible; subst. Responsibilityness;

Responsion, risponš’n, antwoord: Responsions = eerste examen voor den

B.A. graad (Oxford) = Little Go (Cambr.); Responsive = (be)antwoordend,

overeenkomstig: Responsive to your kind words = in overeenstemming met

(in antwoord op); Responsory, risponsəri, antwoordend; subst.

responsorium.

Rest, rest, subst. rust, kalmte, slaap, doodslaap, bok (bij het

biljarten of schieten), steun, pauze, rust (muz.), rest, overschot, de

overigen, appeltje voor den dorst (fig.); Rest verb. rusten, slapen,

steunen, leunen, berusten op (on), tot rust brengen, laten uitrusten,

laten leunen: A shoeblack’s rest = bankje, kastje; He is at rest now =

de (eeuwige) rust ingegaan; I hope I have set your heart at rest on

that point = u hieromtrent gerustgesteld heb; With lance in rest = met

gevelde lans; We retired to rest at eleven = begaven ons ter ruste;

These are glorious times, Christmas among the rest = onder andere

Kerstfeest; There were men of all kinds, men of genius among the rest =

en ook mannen van genie; For the rest = overigens; The train rested at

a great station = hield eenigen tijd stil; She rested back in her

carriage = leunde achterover; Many members of the family rest in this

churchyard = liggen begraven; He rested on his arms = leunde op; Your

eye will rest with pleasure on that scene = zal met welgevallen rusten;

The decision rests with you = is aan u; The victory will rest with us =

zal onzer zijn; Why do you not rest yourself, take rest? = waarom neemt

ge geen rust; I am rested now = uitgerust; Rest assured = houd u

verzekerd; To rest contented = tevreden zijn; These thoughts rest me

when weary, and comfort me in trouble = schenken mij rust; You rest me

= je aanwezigheid is een weldadige rust voor me; God rest his soul! =

zijn ziel ruste in God; God rest you merry gentlemen = uwe zielen

rusten in God; Rest-capital = reserve; Rest-cure = rustkuur; Restful =

kalm, rustig; subst. Restfulness; Resting-place = rustplaats, graf;

Rest(ing)-stick = schilderstok; Restless = rusteloos, slapeloos,

onstuimig, woelig; subst. Restlessness.

Restitution, restitjûš’n, teruggave, schadeloosstelling: To make

restitution; adj. Restitutive.

Restive, restiv, koppig, weerspannig; subst. Restiveness.

Restorable, ristôrəb’l, herstelbaar; subst. Restorableness;

Restoration, restəreiš’n, herstel(ling), verlevendiging, restauratie:

The Restoration = het herstel van het koningschap (met Karel II) in

1660; Restorative, ristôrətiv, subst. en adj. herstellend, versterkend,

genezend (middel); Restorator = restaurateur; Restore, ristö,

herstellen, genezen, vernieuwen: You will soon be restored = beter

zijn; Everything was restored to him = hem teruggegeven; He was

restored to favour = in de gunst hersteld; To restore to life = in ’t

leven terugroepen; Restored to the throne = op den troon hersteld;

Restorer.

Restore, rîstö, opnieuw opslaan (in het pakhuis).

Restrain, ristrein, bedwingen, beteugelen, inhouden, beperken: He was

restrained from doing it = hem werd belet; I could not restrain myself

from asking that question = mij niet weerhouden; All my remarks are

restrained to these = beperkt tot, bepalen zich tot; Restrainable =

beteugelbaar, beperkbaar; Restrainedly = in beperkten zin; Restrainer =

wie of wat beteugelt of bedwingt; Restraint = dwang, beperking,

verkorting, hechtenis: You are under no restraint any longer = weer

geheel vrij; It is a great restraint upon us = het legt ons grooten

dwang op; To keep under restraint = in hechtenis houden; He put a

restraint upon my liberty = hij besnoeide mijne vrijheid; He put all

kinds of restraints on us = hij beperkte ons op alle manieren.

Restrict, ristrikt, beperken, bepalen; Restriction, ristrikš’n,

beperking, voorbehoud; Restrictive = beperkend, bepalend: subst.

Restrictiveness.

Restringent, ristrinž’nt, subst. en adj. stoppend (middel).

Result, rizɐlt, subst. gevolg, uitslag, slotsom; Result verb. volgen

uit; uitloopen op: The long results of time = al wat de tijd heeft

opgeleverd; Can any good result from it? = hieruit voorkomen; Let us

see what it will result in = wat er van komt; Result-fee = belooning

voor vorderingen (school); Resultant, subst. resultante

(werktuigkunde); adj. als resultaat: The resultant impression is one of

contrast rather than of harmony = de totaalindruk; Resultless.

Resume, riziûm, hervatten, weder opnemen, weer aanknoopen: To resume

business = weer openen; To resume a discourse = weer opvatten; Old

friendships were resumed = werden hernieuwd.

Résumé, reižumei, kort overzicht.

Resummon, rîsɐm’n, opnieuw dagvaarden; subst. Resummons.

Resumption, rizɐmš’n, hervatting.

Resupine, rîsiupain, achterover, op den rug, nalatig.

Resurrection, rezərekš’n, opstanding, verrijzenis; lijkenroof: Christ’s

resurrection from the dead; Resurrection-man = lijkendief;

Resurrection-pie = pastei van overgeschoten vleesch; Resurrectionist =

Resurrection-man.

Resurvey, rîsɐ̂vei, rîsəvei, hernieuwd onderzoek, nieuwe meting.

Resurvey, rîsəvei, opnieuw onderzoeken, opnieuw meten.

Resuscitate, risɐsiteit, opwekken, doen herleven, hernieuwen; subst.

Resuscitation; adj. Resuscitative; Resuscitator = wie of wat opwekt of

doet herleven.

Ret, ret, roten (v. vlas); Rettery, Rettory = plaats om vlas te roten.

Retail, rîteil, riteil, subst. verkoop of handel in het klein; adj.

détail...: Cigars wholesale and retail = in ’t groot en klein; To sell

by retail; Sold retail everywhere; He is a Retail dealer =

kleinhandelaar; Retail trade = kleinhandel; Retailment.

Retail, riteil, in het klein verkoopen, uit de tweede hand verkoopen,

bij stukjes en brokjes mededeelen, aan velen vertellen: He retailed to

us accurate accounts of the dishes, the dresses and the scandal at

yesterday’s dinner = gaf ons een omstandig verslag van; To retail

nonsense = onzin verkoopen; Retailer = slijter, kleinhandelaar.

Retain, ritein, in bezit houden, behouden, onthouden, in dienst nemen,

bespreken: The men are especially retained for this purpose = voor dit

doel gehouden; Retainer = bediende, vazal, volgeling, honorarium

waardoor men zich van de hulp van een barrister verzekert (gewoonl. 10

guineas) = Retaining-fee; I have a retainer from that periodical in my

pocket = honorarium (als uitnoodiging om iets te schrijven).

Retake, rîteik, opnieuw nemen of vangen.

Retaliate, ritaljeit, vergelden (upon); subst. Retaliation;

Retaliative, Retaliatory = vergeldend, wraaklustig.

Retard, ritâd, subst. vertraging; Retard verb. vertragen, tegenhouden,

uitstellen; Retardation = vertraging, uitstel; adj. Retardative;

Retarder = wie of wat vertraagt.

Retch, retš, kokhalzen.

Retell, rîtel, opnieuw vertellen.

Retention, ritenš’n, terughouding, vermogen om te onthouden,

achterhouding; Retentive = terughoudend, bewarend: He has a retentive

memory = een sterk geheugen; The house was still retentive of its

former state = had iets behouden van zijn vroegeren toestand; subst.

Retentiveness.

Reticence, Reticency, retisens(i), stilzwijgendheid, verzwijging; adj.

Reticent.

Reticular, ritikjulə, netvormig, ingewikkeld; Reticulated = netvormig;

Reticulation = netwerk; Reticule, retikjûl, dameswerktaschje;

Reticulum, ritikjul’m, tweede maag der herkauwers; Retiform =

netvormig; Retina, retinə, netvlies; adj. Retinal; Retinitis,

retinaitis, ontsteking van het netvlies.

Retinue, retinjû, gevolg, stoet.

Retiracy, ritairəsi, afzondering, voldoend vermogen (Amer.); Retiral,

ritair’l, terugtocht, ontslag; inlossing van een wissel; Retire,

ritaiə, (zich) terugtrekken, verwijderen, naar bed gaan, heengaan,

aftreden, uit de zaken gaan, intrekken: To retire from the army

(service) = den dienst verlaten; To retire from business = zich uit de

zaken terugtrekken; To retire from the examination = zich terugtrekken;

To retire from practice = de praktijk neerleggen; I retire to my

bedroom = ik ga naar mijne slaapkamer; They did not know where to

retire to = waarheen te gaan; Retired = teruggetrokken, afgezonderd,

oud, gepensionneerd, rentenierend: A retired baker, Indian Judge,

postman; To go on the retired list = gepensionneerd worden; On retired

pay = op nonactiviteitstractement; Retirement = eenzaamheid,

afzondering, verwijdering, uittreding, pensionneering; Retiring =

(zich) terugtrekkend, bedeesd, bescheiden: He is retiring rather than

shy = meer teruggetrokken dan bedeesd; Retiring allowance = pensioen.

Retorsion, ritöš’n: Retorsions = represaillemaatregelen.

Retort, ritöt, subst. scherp, vinnig antwoord; retort; Retort verb.

terugwerpen, een scherp antwoord geven: I retorted upon him = ik raakte

hem weer, weerlegde hem.

Retouch, rîtɐtš, subst. het retoucheeren; Retouch verb. retoucheeren;

weer aanroeren: Don’t retouch on the subject; Retoucher; Retouchment.

Retrace, ritreis, weer naspeuren, opnieuw nagaan, weer óvertrekken (van

eene schets, etc.): We retraced the events of our lives = gingen weer

na; Let us retrace our steps to the wood = teruggaan naar.

Retract, ritrakt, terugtrekken, intrekken, herroepen: I retract the

insult = trek de beleediging in; Retractability = intrekbaarheid; adj.

Retractable; Retractation = herroeping, intrekking; Retractile =

intrekbaar; Retraction = intrekking, herroeping; Retractor = herroeper,

spier voor de terugtrekkende beweging.

Retreat, ritrît, subst. terugtocht, stil verblijf, afzondering,

wijkplaats; Retreat verb. terugtrekken, wijken, afzien van: To effect

(make) a retreat = zich terugtrekken; To make good one’s retreat =

terug trekken, zich een terugtocht verzekeren; The enemies sounded,

beat a retreat = gaven (op hoorn of trom) het signaal tot den

terugtocht; A pleasant retreat among the valleys = een heerlijk stil

plekje; In retreat = uit dienst.

Retrench, ritrenš, besnoeien, verkorten, bezuinigen, beperken,

verschansen; Retrenchment = afsnijding, besnoeiing, inkrimping,

verkorting, verschansing.

Retributer, ritribjutə, vergelder, vergoeder; Retribution, retribjûš’n,

vergelding, belooning, vergoeding; adj. Retributive, Retributory.

Retrievable, ritrîvəb’l, herstelbaar; subst. Retrievableness;

Retrieval, ritrîv’l, herstel; Retrieve, ritrîv, herstellen,

terugvinden, weer goed maken, apporteeren: She afterwards retrieved her

shortcomings = maakte weer goed; Retriever = jachthond (die geschoten

wild apporteert).

Retroact, ritrəakt, retrəakt, terugwerken; Retroaction = terugwerking;

adj. Retroactive.

Retrocede, rîtrəsîd, teruggaan, wijken; subst. Retrocession,

rîtrəseš’n.

Retrogradation, rîtrəgrədeiš’n, achteruitgang, ontaarding; Retrograde,

rîtrəgreid, retrəgreid, adj. (zich) achterwaarts bewegend,

achteruitgaand, ontaardend; Retrograde verb. achteruitgaan, ontaarden;

Retrogression, rîtrəgreš’n, achteruitgang, ontaarding; adj.

Retrogressive.

Retrorse, ritrös, achterwaarts gebogen.

Retrospect, rîtrəspekt, retrəspekt, terugblik; Retrospection =

terugblik; Retrospective: Retrospective law = wet met terugwerkende

kracht; Retrospective view = terugblik, teruggewende blik; He is a

retrospicient (rîtrəspiš’nt) man = een man, die met voorliefde den blik

achterwaarts richt.

Return, ritɐ̂n, subst. terugkomst, terugkeer, omloop, teruggave,

belooning, beantwoording, verkiezing, officieel rapport, winst,

opbrengst, voordeel, retourkaartje; Return verb. terugkomen,

terugkeeren, terugzenden, nogmaals vóórkomen, terugbetalen, kwijten,

antwoorden, officieel rapporteeren, verkiezen: A return of hospitality

= contra-beleefdheid; The return of spring = de terugkeer der lente; By

return mail (post) = per keerende post; In return for this = ter

vergoeding hiervan; In return of services rendered = ter vergelding

van; On return = in commissie; To make a false return of one’s income

to the tax-gatherers = onjuiste opgave doen; To meet with a base return

= ondankbaar behandeld worden; To obtain a fair return upon capital =

behoorlijke rente maken; Returns = omzet, tegenwaarde, ontvangsten; The

government returns = de officieele statistieken; I wished him many

happy returns of the day = dat hij het nog dikwijls mocht beleven;

Small profits and quick returns = kleine winst bij vluggen omzet; He

has not returned evil with (for) evil = geen kwaad met kwaad vergolden;

A great liberal majority was returned = werd verkozen; My partner did

not return my suit = heeft niet aan mijn invite (kaartspel) gevolg

gegeven; To return thanks = bedanken; To return a visit = een visite

terugbrengen; Return-cargo = retourvracht; Return-check = sortie

(theat.); Return-day = dag, waarop een beschuldigde wordt voorgebracht

om de uitspraak te hooren; Return-match = revanchepartij; Return-ticket

= retourbiljet; Returnable = wat hersteld of teruggegeven kan worden:

Returnable goods; Returning officer = voorzittend ambtenaar bij eene

Parlementsverkiezing.

Reunion, ri-jûnj’n, hereeniging, reunie; Reunite, rîjunait, hereenigen,

verzoenen.

Revaccinate, rîvaksineit, herenten; subst. Revaccination.

Revalenta, revəlentə, revalenta, linzenmeel.

Reveal, rivîl, openbaren, bekend maken; Revealable = wat geopenbaard

kan worden; subst. Revealableness; Revealer.

Revel, rev’l, subst. luidruchtige pret of partij; Revel verb. pret

maken, luidruchtig feest vieren, brassen: Master of the revels = een

soort van “Prins Carnaval” bij de oude feesten op Kerstmis; Reveller =

zwierbol, pretmaker; Revelry = luidruchtige feestvreugde, brasserij.

Engelsch woordenboek. Eerste deel: Engelsch-Nederlandsch (met uitgeschreven verkortingen) · 第 106 / 152 段