Relief, rilîf, verlichting, verzachting, onderstand, bevrijding,

ontzet, aflossing, hulp, bijstand, relief: Indoor relief = opneming in

het Workhouse, of het Ziekenhuis daaraan verbonden; Outdoor relief =

ondersteuning aan huiszittende armen; Parish relief = onderstand der

burgerlijke gemeente; To apply for relief = om onderstand vragen; To

bring into relief = doen uitkomen; I came to his relief in the right

nick of time = ik kwam hem net op tijd te hulp; To give relief =

onderstand verleenen; Relief-work = werkverschaffing; Relieve, rilîv,

verlichten, lucht geven aan, opbeuren, steunen, onderstand geven,

aflossen, ontzetten, doen uitkomen, afzetten: The soldiers were

relieved guard = afgelost; The monotony of the work was not relieved by

anything = werd door niets afgewisseld; The brazen sky was not relieved

by a single cloud = geen wolkje stond aan den strak blauwen hemel; He

was relieved of his office = ontheven van, ontslagen uit: To relieve

oneself = zijn behoefte doen; Relieving officer = gemeentelijke

armverzorger; de oude, de pipa.

Relievo, rilîvou, “relief”.

Relight, rîlait, opnieuw aansteken of ontvlammen.

Religion, rilidž’n, godsdienst (vorm of plechtigheid), eerbied,

piëteit: No religion was attached to the property = aan dien eigendom

was men niet door een gevoel v. piëteit gehecht; To experience, to get

religion = zich bekeeren, vroom worden (Amer.); To make (a) religion of

doing a thing = er een gewetenszaak van maken; Religionary =

godsdienstig, godsdienst...; Religionism = kwezelarij; Religionist =

kwezelaar; Religiosity, rilidžiositi, kwezelarij; Religious, rilidžəs,

godsdienstig, godvruchtig, nauwgezet, streng; subst. ordebroeder,

monnik, non: He was a religious, almost a priest = ordebroeder; The

many priests and religious = ordebroeders; My sister is almost a

religious = religieuse; A religious house = klooster; All your property

will be Religiously respected = zullen streng geëerbiedigd worden;

subst. Religiousness = godsdienstigheid.

Relinquish, riliŋkwiš, verlaten, opgeven, laten varen: I have

relinquished that claim = heb afgezien van; Relinquisher = die opgeeft,

laat varen of afziet van iets; Relinquishment = afstand.

Reliquary, relikwəri, reliquiënkastje; Relique, rilîk, relik = Relic.

Relish, reliš, subst. smaak, pikante bijsmaak; Relish verb. graag eten,

smaak vinden in, smakelijk maken, goed smaken: To eat with relish = met

smaak; That gave a relish to my desires = verhoogde, prikkelde; He has

no relish for poetry, for a joke = hij heeft geen zin voor; Have you

relished your dinner? = heeft het je gesmaakt? I did not relish the

coffee = de koffie smaakte me niet; I do not relish such jokes = zulke

aardigheden mag ik niet; The remark relishes of wit = heeft iets

geestigs; Relishable = smakelijk.

Relive, rîliv, herleven, weer opleven.

Reluctance, Reluctancy, rilɐkt’ns(i), weerzin, tegenzin; Reluctant =

weerbarstig, onwillig: I am reluctant to (have a reluctance to) such

measures = ik heb een tegenzin in; He was very reluctant to go = ging

ongaarne.

Relume, ril(j)ûm, opnieuw ontsteken, verlichten.

Rely, rilai, rekenen of zich verlaten op, berusten op, gronden: That

man is not to be relied on = kan men niet op aan; We rely on the will =

gronden onzen eisch op.

Remain, rimein, (over)blijven, overschieten, verblijven; subst. Remains

= stoffelijk overschot, nagelaten letterkundige producten, ruïne: It

remains to me to do so = mij rest nog; That remains to be seen = dat

staat te bezien; Remainder = overblijfsel, restant, saldo, onverkochte

exemplaren: He left her a good round sum to be hers for life, with

remainder to her children = die na haar dood aan de kinderen kwam.

Re-make, rîmeik, opnieuw maken.

Remand, rimând, subst. terugzending; Remand verb. terugzenden: Under

remand (Jur.): i.e. een beschuldigde is Under remand, zoo lang zijn

zaak niet is beslist. Hij kan dan zijn, òf in preventieve hechtenis, òf

op vrije voeten, mits on bail, i.e. na borgstelling; He remanded his

son home = liet... thuis komen; He was remanded till the 20th = tot den

20en in preventieve hechtenis teruggezonden; Remanded on bail = na

borgstelling, voorloopig vrij gelaten.

Remanet, remənet, restant, uitgestelde zaak.

Remark, rimâk, subst. opmerking, aanmerking; Remark verb. opmerken,

aanmerken: To pass remarks on = aanmerkingen maken op; He did not

remark on that = hij had geene aan- of opmerkingen; Remarkable =

merkwaardig; subst. Remarkableness.

Remasticate, rîmastikzeit, herkauwen; subst. Remastication.

Remediable, rimîdjəb’l, herstelbaar; subst. Remediableness; Remedial,

rimîdj’l, heelend; Remediless, remədiles, rəmediles, ongeneeslijk,

onherstelbaar; Remedy, remədi, subst. geneesmiddel, hulpmiddel,

rechtsmiddel, vrije namiddag; Remedy verb. genezen, verhelpen: There is

no remedy for it, It is beyond (past) remedy = er is niets aan te doen;

It cannot be remedied = het kan niet verholpen worden.

Remember, rimembə, zich herinneren, te binnen komen, onthouden,

gedenken, groeten: Well remembered = goed dat gij er om denkt; Remember

the Sabbath = gedenk den Sabbatdag; I do not remember having seen him

before = ik herinner me niet; Remember me kindly to your friend = doe

mijne vriendelijke groeten aan; He has “remembered me” very handsomely

= goed bedacht (in zijn testament); I should be glad to be remembered =

doe alstublieft mijn groeten; Remembrance, rimembr’ns, herinnering,

geheugen, heugenis, aandenken: Do it in remembrance of him = doe het te

zijner gedachtenis; Within my remembrance = zoolang mij heugt; I cannot

call it to remembrance = ik kan het mij niet herinneren: Give my kind

remembrances to = groet van mij; Remembrancer = The City Remembrancer =

vertegenwoordiger van de City in het Parlement; Your letter was a kind

remembrancer = uw brief heeft er mij vriendelijk aan herinnerd.

Remind, rimaind, te binnen brengen, herinneren: There, that reminds me

= wacht eens, daar schiet me te binnen; Remind me of it = help het mij

onthouden; Reminder: A gentle reminder = een vriendelijke aanmaning,

wenk; A little reminder note = briefje om te herinneren aan; Remindful

of = gedachtig aan.

Remington, remiŋt’n.

Reminiscence, reminis’ns, herinnering: Reminiscences of Carlyle =

herinneringen aan C.; Reminiscent = herinnerend: To be reminiscent of =

zich herinneren; herinneren aan.

Remise, rimaiz, terugzenden, terugschenken; subst. rimîz, rimaiz,

afstand; huurrijtuig: To remise a claim = afstand doen van.

Remiss, rimis, zorgeloos, onachtzaam, nalatig, lui: He was a very

remiss correspondent; subst. Remissness.

Remission, rimiš’n, remissie, vermindering, verslapping, afneming,

afstand, vergiffenis: At last there was a remission of the hot weather

= eindelijk werd het wat minder heet; adj. Remissive (of) = nalatig.

Remit, rimit, terugzenden, overmaken, remitteeren, verslappen,

verminderen, vergeven, kwijtschelden, afstand doen; Remitting fever =

afgaande koorts: The King remitted the sentence of death; His fine was

remitted to half the amount = werd tot op de helft teruggebracht;

Remittance = het overmaken (van geld, etc.), het overgemaakte geld,

remise; Remittee, ontvanger van de remise; Remittent = beurtelings op-

en afgaande in kracht: Remittent fever; Remitter = remittent.

Remnant, remn’nt, overblijfsel, laatste stuk: Special remnant day =

lappendag.

Remodel, rîmod’l, opnieuw bewerken: The work was entirely remodelled =

het werk is geheel omgewerkt.

Remonstrance, rimonstr’ns, vertoog, verzet, protest; Remonstrant,

subst. remonstrant; adj. vertoogend, vermanend; Remonstrate,

rimonstreit, protesteeren, zich verzetten, excepties opwerpen,

onderhouden: I frequently remonstrated with him on his behaviour = heb

hem herhaaldelijk onderhouden; subst. Remonstration.

Remora, remərə, de groote zuigervisch.

Remorse, rimös, berouw, wroeging; Remorseful = berouwhebbend,

medelijdend; subst. Remorsefulness; Remorseless = meedoogenloos, wreed,

onbarmhartig: subst. Remorselessness.

Remote, rimout, afgelegen, verwijderd, lang geleden, vreemd aan,

afgezonderd, gering: He made a remote allusion to this = hij zinspeelde

er heel in de verte op; Remote antiquity = grijze oudheid; Remote

kinsman = verre bloedverwant; Remote resemblance = flauwe gelijkenis.

Remould, rîmould, opnieuw vormen.

Remount, rîmaunt, remonte (ook: versch) paard; Remount verb. opnieuw

bestijgen, remonteeren, teruggaan: The Army Remount Commission =

remonte commissie; We were getting remounts for the cavalry =

remontepaarden.

Removability, rimûvəbiliti, afzetbaarheid; Removable, rimûvəb’l,

afzetbaar; ook subst.; Removal, rimûv’l, verplaatsing, verhuizing,

afzetting, verwijdering; Remove, rimûv, subst. verwijdering, trap,

graad, klasse, bevordering; Remove verb. verwijderen, wegzenden,

verplaatsen, verhuizen, afdanken, dooden: The boy gained his remove to

the form above = ging over; The boy missed his remove, was not removed

= ging niet over, bleef zitten; He is my cousin to the second remove =

neef in den tweeden graad (A cousin four times removed = in den vierden

graad); Elections at two removes = getrapte verkiezingen; These

buildings will be removed = zullen worden afgebroken; I think we shall

remove the first of July = zullen verhuizen (overgaan); Removed =

verwijderd, afgelegen, dood; Remover: Furniture remover = verhuizer.

Remunerable, rimjûnərəb’l, wat beloond kan worden; subst.

Remunerability; Remunerate, rimjûnəreit, beloonen, vergoeden; subst.

Remuneration; Remunerative = beloonend, vergoedend = Remuneratory.

Renaissance, rineis’ns, renaissance.

Renal, rîn’l, nier...

Renard, renəd, Reintje de Vos.

Renascence, Renascency, rinas’ns(i), renaissance, wedergeboorte,

herleving; adj. Renascent.

Rencounter, renkauntə, subst. ontmoeting, botsing, treffen, gevecht,

duel; Rencounter verb. onverwachts ontmoeten, botsen, handgemeen

worden.

Rend, rend, vaneenscheuren, verscheuren: To rend in two, to pieces; It

has rent my heart in twain = het heeft mijn hart vaneengescheurd.

Render, rendə, teruggeven, overgeven, weergeven, overzetten of

vertalen, bewijzen, maken, berapen; subst. afgifte, beraping (van een

muur), overgave, verklaring: To render account = rekenschap afleggen;

To render assistance = hulp verleenen; To render homage = hulde

bewijzen; To render judgment = vonnis vellen; He wouldn’t render reason

= geene reden geven; Would you render me a service? = een dienst

bewijzen; To render thanks = dank betuigen; This rendered him unfit for

work = maakte hem ongeschikt; The fortress was rendered up to the

prince = werd overgegeven; Renderer.

Rendezvous, rendəvû of Fr. uitspr. subst. plaats van bijeenkomst;

Rendezvous verb. verzamelen, samenkomen; Rendezvous-flag =

verzamelplaatsvlag.

Rendition, rəndiš’n, overgave, uitlevering; vertaling, weergeving.

Renegade, renəgeid, afvallige, deserteur.

Renew, rinjû; hernieuwen, hervatten, nieuwe kracht geven, opnieuw

beginnen, herhalen; Renewable = hernieuwbaar; Renewal = verniewing,

herleving; Renewer.

Renfrew, renfrû, als persoonsn. renfrû.

Reniform, rîniföm, reniföm, niervormig.

Rennet, renət, (kaas)stremsel; renetappel.

Renounce, rinauns, subst. renonce (in het kaartspel); Renounce verb.

verwerpen, zich verklaren tegen, laten varen, afzien van, renonceeren

(in ’t kaartspel): I renounce you and your party = wil niets gemeen

hebben met; subst Renouncement; Renouncer.

Renovate, renəveit, vernieuwen, herstellen; Renovater of Renovator;

subst. Renovation, renəveiš’n.

Renown, rinaun, subst. vermaardheid, roem; Renown verb. beroemd of

vermaard maken; Renowned = vermaard, beroemd.

Rent, rent, subst. scheur, scheuring, scheiding; Rent verb. imperf. en

p.p. van to rend.

Rent, rent, subst. rente, huur (Rents = inkomsten); Rent verb. huren,

in huur hebben, verhuren: Rent-charge = erfpacht; Rent-day = betaaldag

(van huur of rente); Rent-free = kosteloos; Rent-roll = opgaaf of lijst

der pachtinkomsten, bruto pachtopbrengst; Rental: The house commanded a

good rental = deed eene hooge huur; Rental right = erfpacht; Renter =

huurder, pachter, verhuurder, verpachter.

Rente, Fr. uitspr. rente, staatsschuld(bewijs).

Renter, rentə, fijn mazen. haast onzichtbaar stoppen of aaneennaaien;

subst. Renterer. Zie Rent.

Renumerate, rinjûməreit, optellen, opsommen.

Renunciation, rinɐnšieiš’n, verzaking, afstand; adj. Renunciative.

Reopen, rîoup’n, opnieuw openen of opengaan: The schools reopen = de

scholen beginnen weer; To reopen a wound (sore) = een oude wonde

openrijten (fig.).

Reorganization, rîögən(a)izeiš’n, reorganisatie; Reorganize, rîögənaiz,

opnieuw organiseeren of inrichten.

Rep(p), subst. rips; adj. geribd: Rep note-paper = geribd postpapier.

Repair, ripêə, subst. herstel(ling); verblijfplaats, schuilhoek; Repair

verb. herstellen, vernieuwen, vergoeden, terugkomen op, zich begeven:

Beyond repair = niet meer te herstellen; In (good) repair = goed

onderhouden; In bad repair, out of repair, under repair = slecht

onderhouden, in verval, in reparatie; To undergo repair; Everything was

soon repaired to its former state = in vroegeren toestand

teruggebracht, hersteld; He repaired to the subject again and again =

kwam telkens terug op; I repaired to him for information = wendde mij

tot hem; I do not know where to repair to = waar ik zal heen gaan, waar

mij te bergen; adj. Repairable; Repairer (rijwiel)hersteller.

Repand, ripand, geschulpt (v. bladen).

Reparable, repərəb’l, herstelbaar; Reparation, repəreiš’n, herstelling,

genoegdoening, schadeloosstelling: He made reparation for his offensive

words = maakte weder goed; Reparative = herstellend, etc.

Repartee, repətî, gevat antwoord: Quick in repartee = slagvaardig.

Repass, rîpâs, opnieuw voorbij- of overgaan.

Repast, ripâst, maaltijd, voedsel.

Repatriate, ripatrieit, ripeitrieit, repatrieeren; subst. Repatriation.

Repay, ripei, terugbetalen, nogmaals betalen, vergoeden, kwijten: To

repay oneself = zich schadeloos stellen; adj. Repayable; subst.

Repayment.

Repeal, ripîl, subst. intrekking, herroeping, afschaffing; Repeal verb.

intrekken, herroepen, afschaffen; Repealable = herroepelijk; subst.

Repealableness; Repealer = voorstander v. de Repeal of the Union = de

unie van Engeland met Ierland (1843).

Repeat, ripît, subst. herhalingsteeken (muz.), nabestelling; Repeat

verb. herhalen, opzeggen, oververtellen, repeteeren: Let me repeat to

you = opzeggen, reciteeren; I had to repeat him three times before he

answered = moest het hem herinneren; Repeat-order = nabestelling; I

have warned him repeatedly = herhaaldelijk; Repeater = herhaler,

opzegger, repeteerende breuk (= Repeating-decimal), repetitiehorloge (=

Repeating-watch), repeteergeweer of pistool, iemand, die zijn stem

tweemaal tracht uit te brengen (Amer.).

Repel, ripel, terugdrijven, afslaan, afstooten, weerstaan, afweren: I

repel such terms = kom op tegen; Repellence = afstootende kracht; adj.

Repellent: Intoxicating drinks are repellent to me = staan mij tegen;

Repeller.

Repent, ripent, spijt of berouw gevoelen (hebben), boete doen: I repent

of it = het berouwt me; She repented her of her choice = had berouw

van; Repentance = berouw: Stool of repentance = zondaarsbankje;

Repentant = berouwhebbend, boetvaardig.

Repeople, rîpîp’l, opnieuw bevolken.

Repercussion, rîpəkɐš’n, terugkaatsing; adj. Repercussive, rîpəkɐsiv.

Repertoire, repətwâ, répertoire.

Repertory, repətəri, repertorium, bewaarplaats, lijst, register: A

repertory of useful science = een schat van nuttige kennis.

Repetend, repətend, repətend, repetent.

Repetition, repitiš’n, herhaling, voordracht; adj. Repetitious,

Repetitive.

Repine, ripain, morren, ontevreden zijn, kniezen, klagen: What is the

use of repining at God’s will? = wat geeft het of gij mort tegen Gods

wil.

Replace, ripleis, weer op de vorige plaats brengen, vervangen,

opvolgen: I must replace the borrowed sum next week = het geleende

teruggeven; He has replaced his opponent in the people’s esteem = zijn

tegenstander uit de gunst van het volk gedrongen; By what phrase can

this word be replaced? = kan men dit woord vervangen; subst.

Replacement.

Replait, rîpleit, rîplît, opnieuw vouwen, dubbel vouwen.

Replant, rîplânt, opnieuw planten, verplanten; subst. Replantation.

Replenish, ripleniš, weder aanvullen, bijvoegen: He couldn’t replenish

his small fire = kon niet aanvullen; subst. Replenishment.

Replete, riplît, vol: Replete with filth and misery = vol vuil en

ellende; Repletion = overlading, volheid.

Repleviable, ripleviəb’l, losbaar, herkrijgbaar; Replevin =

(bevelschrift tot) opheffing van beslag; Replevy, riplevi, weer in het

bezit krijgen, lossen.

Replica, replikə, copie v. een kunstwerk (door den maker zelf),

herhaling (muz.): A replica of his father = evenbeeld; In Maggie we

have Dot in replica.

Replicate, replikit, subst. herhaling (muz.); Replication = antwoord,

repliek, herhaling.

Reply, riplai, subst. antwoord, repliek; Reply verb. antwoorden,

repliceeren, hernemen: He made a poor reply = gaf een ongelukkig

antwoord; The barrister replied on this case = repliceerde met

betrekking tot deze zaak; Why did you not reply to his accusation? =

antwoorddet gij niet op, weerlegdet gij niet; Reply-(post)card =

dubbele briefkaart.

Repolish, rîpoliš, opnieuw polijsten of beschaven.

Report, ripöt, subst. rapport, gerucht, faam, bericht, vonnis, verslag,

knal, gebulder; Report verb. berichten, verslag doen, rapporteeren,

vertellen: To draw up a report = samenstellen; I am your friend in

(through) good and evil report = wat de wereld ook van u zegge; The

report of the guns was heard far off = in de verte hoorde men het

kanongebulder; He was reported missing, but he soon reported himself =

als vermist opgegeven, doch meldde zich; It is reportd = het gerucht

gaat; To report against = ongunstig rapporteeren over; The committee

reported upon the bill = bracht rapport uit over; School report;

Reporter = verslaggever, rapporteur: He is a parliamentary reporter =

stenograaf bij de Tweede (Eerste) Kamer; Reporters’ gallery = tribune

voor de pers.

Repose, ripouz, subst. rust, kalmte, slaap, gemoedsrust, stilte; Repose

verb. uitrusten, slapen, berusten, zich verlaten of vertrouwen op: To

take repose = rust nemen; To repose confidence in a person = vertrouwen

stellen; Reposeful = kalm: Every page is rich in quiet, Reposeful

beauty = ademt kalme, stille schoonheid.

Repository, ripozitəri, bewaarplaats, pakhuis, magazijn.

Repossess, rîpəzes, weder in het bezit stellen (nemen): He was

repossessed of his property = werd weer in het bezit zijner goederen

gesteld; subst. Repossession.

Reprehend, reprihend, berispen; Reprehensible = berispelijk; subst.

Reprehensibleness; Reprehension, reprihenš’n, berisping, blaam; adj.

Reprehensive, Reprehensory.

Represent, reprizent, voorstellen, spelen voor, vertegenwoordigen,

afbeelden: Represented by counsel = door een advocaat bijgestaan; adj.

Representable; Representation = voorstelling, rolvervulling,

uiteenzetting, vertegenwoordiging; Representative, subst. voorsteller,

plaatsvervanger, gevolmachtigde, vertegenwoordiger; adj. voorstellend,

vertegenwoordigend, typisch: This work is representative of the spirit

of our age = drukt den geest uit; subst. Representativeness;

Representer; Representment.

Represent, rîprizent, opnieuw aanbieden; Representation = vernieuwd

aanbod.

Repress, ripres, onderdrukken, bedwingen, in toom houden; Repressible =

bedwingbaar; Repression = bedwinging, beteugeling; Repressive =

bedwingend, beteugelend.

Reprieve, riprîv, subst. uitstel, bevrijding; Reprieve verb.

opschorten, uitstellen, bevrijden.

Reprimand, reprimand, subst. strenge berisping, hard verwijt; Reprimand

verb. reprimand, streng berispen, openbaar bestraffen.

Reprint, rîprint, herdruk; afdruk, nadruk (Amer.).

Reprint, riprint, herdrukken, een afdruk maken; nadrukken.

Reprisal, ripraiz’l, subst. herneming, represaille, vergelding,

weerwraak: Letters of reprisal = kaperbrieven; That is a just reprisal

against them = rechtmatige represaille op; To make reprisals (on);

Reprise, ripraiz, subst. hernomen schip; refrein: Reprises =

jaarlijksche aftrek (bijv. erfpacht) van de inkomsten uit landerijen.

Reproach, riproutš, subst. verwijt, berisping, blaam, schande, oneer;

Reproach verb. verwijten, berispen, afkeuren, beschuldigen: That boy is

the reproach of the family, brings (draws) reproach on (upon) the

family = strekt zijne familie tot oneer; He incurred several reproaches

= haalde zich allerlei verwijtingen op den hals; Reproaches =

beurtgezang tijdens de kruisaanbidding in de R.K. kerk op Goeden

Vrijdag; I reproached myself for forgetting it = nam mezelf kwalijk;

What did he reproach you with? = wat heeft hij u ten laste gelegd;

Reproachful = schandelijk, verwijtend: His was a reproachful conduct =

was schandalig; subst. Reproachfulness.

Reprobate, reprəbit, subst. verworpeling; adj. goddeloos, verdoemd;

Reprobate verb. reprəbeit, verwerpen, afkeuren, verdoemen; Reprobation,

reprəbeiš’n, verwerping, verdoeming: The tenet of reprobation = het

leerstuk der verwerping of verdoeming.

Reproduce, rîprədjûs, opnieuw voortbrengen, copieeren, weergeven;

Reproducer; Reproduction = copie, nieuwe voortbrenging, etc.;

Reproductive, Reproductory = voortbrengend, copieerend.

Reproof, riprûf, berisping = Reproval, riprûv’l; Reprove, riprûv,

berispen, een standje maken; Reprover.

Reprune, rîprûn, opnieuw snoeien (vruchtboomen).

Reptant, rept’nt, kruipend.

Reptile, rept(a)il, subst. kruipend dier, verachtelijke kruiper; adj.

kruipend, verachtelijk; Reptilia, reptiljə, kruipende dieren;

Reptilian, subst. en adj. kruipend (dier).

Republic, ripɐblik, republiek, gemeenebest: Republic of letters = rijk

der letteren en geletterden; Republican, subst. en adj.

republikein(sch); Republicanism = republikeinsche gezindheid;

Republicanize = in eene republiek veranderen.

Republication, rîpɐblikeiš’n, herdruk, nieuwe uitgave; Republish,

rîpɐbliš, opnieuw uitgeven, herdrukken.

Repudiate, ripjûdieit, verwerpen, verstooten, loochenen, ontkennen;

Repudiation = verwerping, etc; Repudiator.

Repugnance, ripɐgn’ns, afkeerigheid, weerzin, tegenspraak; adj.

Repugnant.

Repulse, ripɐls, subst. terugdrijving, afwijzing, weigering,

teleurstelling; Repulse verb. terugdrijven, terugslaan, afslaan: He got

(met with) no second repulse = hij werd niet voor de tweede maal

afgescheept; Repulser; Repulsion = terugdrijving, afstooting, afschuw;

Repulsive = terugstootend, afschuwwekkend.

Repurchase, rîpɐ̂tšis, subst. terugkoop; Repurchase verb. weder- of

terugkoopen.

Reputable, repjutəb’l, te goeder naam bekend, eervol, geacht; subst.

Reputableness; Reputation, repjuteiš’n, goede naam, aanzien, achting;

Reputatively, repjutətivli, volgens zijn naam, volgens gerucht; Repute,

ripjût, subst. goede naam, roem; Repute verb. achten, houden voor: He

is a man of (good) repute = van goeden naam; He is held (stands) in

high, in bad repute = hij heeft een goeden, slechten naam; He is well

reputed = hij staat goed bekend, heeft een eervollen naam; Reputedly =

naar verluidt, vermeend.

Request, rikwest, subst. verzoek, vraag, request; Request verb.

verzoeken, een request richten: At your request = op uw verzoek; At the

request of; In great request = veel gevraagd = Much in request; To

accede to, To comply with, To grant a request = aan een verzoek

voldoen, een verzoek inwilligen; To make, To prefer a request = een

verzoek doen; Requester.

Requiem, rîkwiem, rekwiem, requiem, zielmis (= Requiem-mass).

Require, rikwaiə, eischen, vorderen, verzoeken, vragen, noodig hebben,

vereischen: What do you require me to do? = verlangt ge dat ik doen

zal; Requirement = eisch, vereischte, geëischte; Requirer; Requisite,

rekwizit, subst. vereischte; adj. onontbeerlijk, noodig; subst.

Requisiteness; Requisition, rekwiziš’n, subst. vraag, eisch, verlangen,

schriftelijke oproeping, requireering; Requisition verb. eischen,

requireeren: To lay under (Put in) requisition = requireeren;

Requisitions of food = opeisching van levensmiddelen; The horses were

requisitioned for the Royal Artillery = werden gerequireerd;

Requisitionist.

Requital, rikwait’l, belooning, vergelding, wraak; Requite, rikwait,

beloonen, vergelden, wreken; Requiter.

Reredos, rîədos, altaarscherm, achterwand van het altaar (van steen,

hout, fluweel of borduursel); achterwand van een open vuurhaard.

Reremouse, rîəmaus, vleermuis.

Engelsch woordenboek. Eerste deel: Engelsch-Nederlandsch (met uitgeschreven verkortingen) · 第 105 / 152 段