Reduce, ridjûs, terugleiden, terugbrengen tot een vroegeren toestand,

verlagen, dégradeeren, ten onder brengen, verminderen, verkleinen,

reduceeren, intoomen, rangschikken: To reduce to ashes = tot asch

verbranden; His family was reduced to beggary (poverty) = tot den

bedelstaf gebracht; The account was reduced to half its amount = werd

tot op het halve bedrag teruggebracht; This startling order reduced us

all to powder = we stonden ‘paf’ van; To reduce to submission = tot

onderwerping brengen; The sergeant was reduced to the ranks = werd tot

soldaat gedegradeerd; In reduced circumstances = armoedige; A reduced

copy = verkleinde copie; A reduced family = verarmde; Reducer;

Reducible, ridjûsib’l: To be reducible to = herleidbaar tot; Reduction,

ridɐkš’n, reductie, terugbrenging, overwinning, onderwerping,

vermindering, rabat, verkleining, herleiding: Reduction of fractions to

a common denominator = gelijknamig maken van breuken; Reductive =

verminderend, reduceerend; ook subst.

Redundance, Redundancy, ridɐnd’ns(i), overtolligheid, overdaad; This

word is redundant = overtollig, te veel.

Reduplicate, ridjûplikit, herhaald; subst. verdubbeling; Reduplicate

verb. ridjûplikeit, verdubbelen, herhalen; subst. Reduplication; adj.

Reduplicative.

Ree, rî, reis, Portugeesche of Braziliaansche muntéénheid. Zie Reis.

Re-echo, rî-ekou, weergalmen, weerklinken.

Reed, rîd, riet, herdersfluit, tongetje, mondstuk, weverskam; Reed-bird

= rijstvogeltje (Amer.); Reed-fence = rietscherm; Reed-grass = riet;

Reedy = vol riet, rieten, rietachtig; brouwend.

Reef, rîf, subst. rif; reef; Reef verb. reven; Reef-earing = steekbout

(scheepst.); Reefer = een soort jekker = Reefing-jacket; Reefy = vol

riffen.

Reek, rîk, subst. damp, rook; Reek verb. dampen, rooken: The

battle-field was reeking with blood; The floor reeked with recent

scrubbing; Reeky = vuil, zwart, rookerig.

Reel, rîl, subst. haspel, klos; waggelende gang, Schotsche dans; Reel

verb. op een haspel of klos winden, draaien; waggelen, dansen: He knows

it off the reel = op zijn duimpje; I am for settling matters off the

reel = ik maak de zaken graag zonder talmen en gezeur in orde; His head

reels = zijn hoofd draait met hem in het rond; He reeled from the

pothouse = kwam waggelend uit; To reel off a story = aframmelen.

Re-elect, rî-ilekt, nogmaals kiezen, herkiezen; Re-election =

herkiezing; Re-eligibility, subst. v. Re-eligible, ri-elədžib’l,

herkiesbaar.

Re-embark, rî-əmbâk, (zich) opnieuw inschepen; subst. Re-embarkation.

Re-embody, rî-əmbodi, nogmaals belichamen of inlijven.

Re-emerge, rî-imɐ̂dž, weder bovenkomen; subst. Re-emergence.

Re-enact, rî-ənakt, nogmaals bepalen of voorschrijven of opvoeren;

subst. Re-enaction = Re-enactment.

Re-enforce, rî-ənfös. Zie Reinforce.

Re-enter, rî-entə, opnieuw binnentreden; subst. Re-entrance; Re-entrant

= inspringend.

Re-establish, rîəstabliš, opnieuw vestigen, herstellen; subst.

Re-establishment.

Reeve, rîv, subst. baljuw; kemphaan (het wijfje); Reeve verb. inscheren

(scheepst.).

Re-examination, rîəgzamineiš’n, subst. v. Re-examine, rîəgzamin,

nogmaals ondervragen.

Re-exchange, rîəkstšeinž, omwisseling, herwissel; ook verb.

Re-export, rîekspöt, wederuitvoer = Re-exportation.

Re-export, rîəkspöt, weder uitvoeren.

Refection, rifekš’n, verversching, kleine maaltijd; Refective, lavend;

subst. lafenis.

Refectory, rifektəri, eetzaal, refectorium (in kloosters); lokaal voor

ververschingen.

Refer, rifɐ̂, verwijzen, terugvoeren, in handen stellen (voor

consideratie en afdoening), nasporen, toewijzen, een beroep doen op,

zich wenden tot, betrekking hebben op, raadplegen: The matter was

referred to his decision = hem ter beslissing voorgelegd; I refer to

the very words you spoke = ik beroep mij op (verwijs naar); He referred

to a passage unknown to me = had het oog op; Referable, refərəb’l,

verwijsbaar, betrekkelijk, toe te schrijven; Referee, refərî,

scheidsrechter, deskundige; Referee verb. toezien op; Reference,

refərens, verwijzing, betrekking, beslissing, iemand tot wien, of iets

waartoe men zich om inlichtingen kan wenden: In reference to what you

said just now = met betrekking tot; For references apply to editor =

men wende zich tot den redacteur om inlichtingen; This adverb has no

reference to the principal verb = slaat niet op; To look up references

= plaatsen waarnaar verwezen wordt opzoeken; References required with

application = reflectanten gelieven hunne referentiën op te geven; Many

books (works) of reference are at the reader’s disposal = vele

encyclopedieën, woordenboeken, enz.; Referential, refərenš’l,

betrekking hebbende op; Referrible = Referable: That is referable to

what he asserted = kan in verband worden gebracht.

Refine, rifain, zuiveren, louteren, raffineeren, beschaven: Refined

manners, language, morals = beschaafde manieren en taal, verfijnde

zeden; Refined sugar = geraffineerde; Refinement = zuivering,

loutering, beschaving, vorming, gemaaktheid, spitsvondigheid; Refiner =

beschaver, zuiveraar, raffinadeur; haarkloover, uitpluizer; Refinery =

Refining-works = raffinaderij.

Refit, rîfit, subst. het herstellen of kalfaten; Refit verb.

herstellen, opnieuw uitrusten, kalfaten; subst. Refitment.

Reflect, riflekt, terugkaatsen, terugwerpen, weerspiegelen,

weerkaatsen; overdenken, overpeinzen, zich ongunstig uitlaten over,

hatelijke opmerkingen maken (on); een ongunstig licht werpen op: He

wanted me to reflect on his proposal = na te denken over; That reflects

on the memory of my deceased friend = dat werpt een smet op;

Reflection, riflekš’n, terugkaatsing, weerspiegeling, overdenking,

berisping, verwijt, kritiek: Do not say so, lest it seem a reflection

on your benefactor = het mocht eens een verwijt aan uw weldoener

schijnen; Reflective = terugkaatsend, overwegend; Reflector =

reflector.

Reflex, rîfleks, subst. weerkaatst beeld of licht, reflexbeweging;

Reflexibility = weerkaatsbaarheid; adj. Reflexible; Reflexive =

wederkeerend, weerkaatsbaar, terugslaand (op iets verledens): Reflexive

verb.

Reflourish, rîflɐriš, opnieuw bloeien.

Reflow, riflou, terugvloeien, ebben.

Refluence, Refluency, refluens(i), terugvloeiing; adj. Refluent;

Reflux, rîflɐks = ebbe: Flux and reflow = vloed en ebbe.

Reform, riföm, subst. verbetering, hervorming; Reform verb. hervormen,

(zich) verbeteren: I reformed him of his negligence = heb hem

afgeleerd; Reform Act (Reform Bill) = wet tot betere regeling van het

Engelsche kiesrecht (van 1832; uitgebreid in 1867 en 1884/85);

Reform-school = tuchtschool (Amer.); Reformation, refəmeiš’n,

hervorming, verbetering: House of reformation; Reformative =

hervormend, verbeterend; Reformatory, subst. verbeteringsgesticht (=

Reform school); adj. verbeterend; The Reformed Church = Hervormde Kerk;

Reformer = hervormer; Reformist = hervormingsgezinde.

Refortification, rîfötifikeiš’n, subst. v. Refortify, rîfötifai,

opnieuw versterken.

Refract, rifrakt, breken (van stralen): Refracted rays = gebroken

lichtstralen; Refraction = straalbreking: Angle of refraction =

brekingshoek; Refractive = brekend (van stralen), brekings - -;

Refractor = refractor; Refractoriness, subst. v. Refractory =

weerspannig, weerbarstig; moeilijk smeltbaar: Refractory to cholera =

immuun tegen.

Refrain, rifrein, subst. refrein.

Refrain, rifrein, (zich) weerhouden of inhouden, bedwingen, nalaten: He

refrained from saying this = onthield zich; He could not refrain from

weeping = kon niet inhouden.

Refrangibility, rifranžibiliti, subst. v. Refrangible, rifranžib’l,

breekbaar; subst. Refrangibleness.

Refresh, rifreš, verfrisschen, ververschen, opwekken, verkwikken,

proviand innemen: Refreshing news = opwekkend nieuws, prettige tijding;

Refresher = opfrissching; extra honorarium aan een barrister ter

bespoediging van eene zaak die lang duurt; Refreshment = verversching,

opwekking: To take refreshment; Refreshment-bar = “bar”;

Refreshment-room = restauratiezaal; Refreshment-Sunday = vierde Zondag

in de vasten.

Refrigerant, rifridžər’nt, verkoelend of afkoelend (middel);

Refrigerate = afkoelen, koel houden: Refrigerating-chamber = koelkamer,

ijskast; Refrigeration = afkoeling, ijsbereiding; Refrigerator =

koelkan, koelvat, koelkamer = Refrigeratory; adj. verkoelend.

Refuge, refjûdž, schuilplaats, toevlucht, asyl, hulp- of redmiddel,

uitvlucht, vluchtheuvel: He was obliged to take refuge with his enemies

= eene schuilplaats te zoeken bij; He took refuge to the wood = nam de

wijk; A loud cry was raised for the fire-escapes, but these refuges had

been removed = deze hulpmiddelen had men verwijderd; The cities of

refuge = de zes vrijsteden (Jos. XX); House of refuge = asyl voor

dakloozen; Refugee, refjudžî, vluchteling, uitgewekene.

Refulgence, rifɐldž’ns; glans, schittering; adj. Refulgent.

Refund, rifɐnd, terugbetalen, vergoeden; subst. Refundment.

Refurbish, rîfɐ̂biš, opnieuw bruineeren, polijsten.

Refusal, rifjûz’l, weigering, keus, optie: If this gentleman leaves,

you can have the refusal of his room = kunt u zijn kamer krijgen zoo u

verkiest; My proposal met with a flat refusal = werd kortweg

afgeslagen; Refuse, rifjûz, weigeren, afslaan: The horse refused the

hedge = wou niet over de heg springen; He refused himself all the

comforts of life for the sake of his children = ontzegde zich alle

levensgenot.

Refuse, refjûs, refjûz, subst. afval, uitschot; adj. waardeloos: Refuse

consumer = verbrandingsoven; Refuse iron = oud ijzer; Refuse milk =

afgeroomde; Refuse parts = afval.

Refutable, rifjûtəb’l, refjutəb’l, weerlegbaar; Refutation,

refjuteiš’n, weerlegging; Refutatory, rifjûtətəri, weerleggend; Refute,

rifjût, weerleggen; Refuter.

Regain, rigein, herwinnen, weder bereiken: We couldn’t regain home in

time = op tijd thuis zijn.

Regal, rîg’l, koninklijk.

Regale, rigeil, onthalen (op = with), vergasten, zich te goed doen;

subst. feestmaal, lekkernij; Regalement = verversching, onthaal.

Regalia, rigeiljə, teekenen der koninklijke waardigheid,

onderscheidingsteekenen der vrijmetselaars; privileges aan de Eng.

Staatskerk verleend; (merk)sigaar: I am in regalia = in groot tenu,

piekfijn.

Regality, rigaliti, koninklijke waardigheid.

Regan, rîgən.

Regard, rigâd, subst. blik, aandacht, overweging, achting, eerbied,

opzicht, betrekking; Regard verb. waarnemen, letten op, aanschouwen,

beschouwen, achten, hoogschatten, geven om, aangaan: In regard of; In,

With regard to = in of met betrekking tot; I am, with kindest regards,

yours faithfully = na vriendelijke groeten; Give my best (kindest)

regards to = groet hartelijk van me; We still had a regard for him =

hadden nog genegenheid voor hem; Having no regard to the surrounding

dangers = niets gevende om; We must leave that out of regard altogether

= heelemaal buiten beschouwing laten; Will you pay him my regards? =

hem mijne complimenten doen; To send one’s kind regards to = laten

groeten; As regards the labour-question, it demands an early solution =

wat de arbeidskwestie aangaat; Regardant = omziende (herald.);

Regarder; Regardful = oplettend, eerbiedig: He is regardful of his

interests = houdt goed in het oog; Regarding = betreffende, met

betrekking tot; Regardless of his duties = onverschillig voor.

Regather, rîgadhə, opnieuw verzamelen.

Regatta, rigatə, roei-, zeilwedstrijd.

Regelation, rîdžəleiš’n, aaneenvriezing van twee stukken ijs.

Regency, rîdž’nsi, regentschap.

Regeneracy, ridženərəsi, wedergeboorte, herleving; Regenerate,

ridženərit, wedergeboren; Regenerate verb. (ridženəreit), opnieuw

voortbrengen, nieuw vormen, wedergeboren worden; Regeneration,

rîdženəreiš’n, herleving; wedergeboorte: Baptismal regeneration =

wedergeboorte door den doop; Regenerative = vernieuwend, herlevend =

Regeneratory; Re-genesis, ridženisis = vernieuwing, nieuwe wording.

Regent, rîdž’nt, subst. regent, bestuurder; adj. regeerend: Prince

Regent; Queen Regent = Koningin-Regentes; Regentship = regentschap.

Reggy, redži.

Regicidal, redžisaid’l, tot een regicide behoorende; Regicide,

redžisaid, koningsmoord(enaar).

Regimen, redžim’n, regeering; dieet, leefregel: I am under a regimen =

ik leef op dieet.

Regiment, redžiment, regiment; Regimental, redžiment’l, regiments...:

The regimental band = de regimentsmuziek; Regimentals = uniform.

Regina, ridžainə, Regina; Reginald, redžin’ld.

Region, rîdž’n, streek, gewest: I feel a pain in the region of the

stomach = maagstreek.

Register, redžistə, subst. register, protocol, meetbrief, jaarboek

(Registers), kiezerslijst, verslag, gedenkschrift, sleutel of schuif

(van kachelpijp); Register verb. registreeren, inschrijven, op de

kiezerslijst plaatsen, aanteekenen: Hotel register = vreemdelingenboek;

The parish register = de registers van den burgelijken stand;

Register-office = registratiekantoor, bureau van den burgerl. stand,

verhuurkantoor voor dienstboden; Register-thermometer =

zelfregistreerende thermometer; Register-ton = ruimtemaat voor schepen

(= 2,8316 M.3); His name was entered in the register = werd

ingeschreven op de lijst; To make register = registeren (boekdruk.); I

wish to have this letter registered = te laten aanteekenen; I had my

luggage registered = liet mijne bagage inschrijven; To register a vow =

zichzelf plechtig beloven; Registered bonds = obligaties op naam;

Registered holders = houders van obligatiën op naam; Registrar,

redžistrâ, redžistrə, bewaarder der registers, ambtenaar van den

burgerlijken stand: Register-General = hoofdambtenaar bij de registers

van den burgerlijken stand; Register’s Statistics, Returns =

bevolkingsstatistieken; Registration, redžistreiš’n = inschrijving van

geboorte, sterfgevallen, kiezers (= Registration of voters):

Registration-fee = kosten van inschrijving; Registration-list =

kiezerslijst; Registration-office = bureau van den burgerl. stand;

verhuurkantoor; Registry, redžistri, inschrijving, registratie-bureau.

Regius, rîdžiəs, koninklijk: Regius professor = bekleeder van een der

leerstoelen, door Hendrik VIII aan de Engelsche hoogescholen gesticht.

Reglet, reglət, zetlijn; plat lijstje.

Regnal, regn’l, regeerings...: Regnal years = regeeringsjaren;

Regnancy, regn’nsi, regeering, heerschappij; Regnant = regeerend.

Regorge, rîgödž, weer uitbraken.

Regrant, rîgrânt, subst. hernieuwde vergunning; Regrant verb. opnieuw

verleenen.

Regress, rigres, teruggaan; subst. rîgres = Regression = teruggang,

terugkeer; Regressive = teruggaand.

Regret, rigret, subst. spijt, berouw: Regret verb. treuren om,

bejammeren: To feel regret at; I regret your having done this = het

spijt mij; It is to be regretted = het is te betreuren; Regretful = vol

spijt of berouw; Regrettable = betreurenswaardig.

Regular, regjulə, regelmatig, geregeld, normaal, stipt, periodiek,

echt, flink, tot eene kloosterorde behoorende; subst. ordebroeder,

vaste klant, stamgast (Regulars = Regular troops = de geregelde

troepen): He is a regular fool = hij is een echte gek; I am as regular

as clockwork = een man van de klok; Regularity, regjulariti,

regelmatigheid, gelijkmatigheid, methode: Regulate, regjuleit, regelen,

ordenen; Regulation, regjuleiš’n, subst. regeling, schikking,

voorschrift, statuut, reglement; adj. overeenkomstig het bevel of

reglement: Regulation chargers = dienstpaarden; Regulation boot (dress,

sword) = model - - -; A regulation joke = vaste ui of aardigheid; The

regulation of the Rhine = normaliseering; Regulative = regelend;

Regulator = regelaar, gangkruk (locomot.), regulateurklok, regulateur;

Regulatory = Regulative.

Regulus, regjulɐs, Regulus (een vaste ster in het beeld “Leeuw”);

goudhaantje.

Regurgitate, rigɐ̂džiteit, terug (laten) stroomen; subst. Regurgitation.

Rehabilitate, rîhəbiliteit, herstellen (in vroegere rechten of

positie), rehabiliteeren; subst. Rehabilitation.

Rehear, rîhîə, nogmaals hooren of onderzoeken; Rehearing = tweede

onderzoek, revisie.

Rehearsal, rihɐ̂s’l, herhaling, repetitie (van tooneelstukken, etc.),

verhaal: The rehearsal of his experiences made us shudder = het verhaal

van zijne ervaringen; Rehearse, rihɐ̂s, repeteeren, opzeggen;

Rehearsalr.

Reid, rîd; Reigate, raigit.

Reign, rein, subst. regeering, macht, overwicht, invloed; Reign verb.

heerschen, regeeren: It happened in the reign of Queen Victoria = onder

de regeering van: The king reigns, his ministers govern = de koning

regeert, zijne ministers besturen; A reigning disease = eene algemeen

heerschende ziekte.

Reillume, rîil(j)ûm, Reilluminate, rîil(j)ûmineit, Reillumine,

rîil(j)ûmin, opnieuw verlichten; Reillumination.

Reim, rîm, riem (Zuid-Afrika).

Reimbark, rîimbâk, (zich) weer inschepen.

Reimbody, rîimbodi, opnieuw inlijven.

Reimburse, rîimbɐ̂s, terug betalen, dekken, schadeloos stellen: He was

reimbursed for the costs of his trial = de proceskosten werden hem

vergoed; Reimbursing yourself for your charges = na aftrek der door u

gemaakte kosten; subst. Reimbursement = rembours, etc.; Reimburser.

Reimport, rîimpöt, opnieuw invoeren; subst. Reimportation.

Reims, rîmz.

Rein, rein, subst. teugel, bestuur; Rein verb. besturen, beteugelen,

zich laten besturen: To draw rein = inhouden, stilhouden; He gave the

reins to his folly = liet den vrijen loop; To give a loose rein to =

den vrijen loop laten aan; To hold the rein(s) of (the) government; He

holds a tight rein over the boys = hij houdt streng in toom, hij rijdt

ze op de stang; He lets the rein loose at times = laat nu en dan

glippen; I wish you would take the reins = dat gij de teugels

aanvaarddet, het bestuur in handen naamt; He reined in the horses = hij

hield de paarden in, bracht ze tot staan.

Reindeer, reindîə, rendier.

Reinforce, rîinfös, versterken; subst. versterking: Reinforcement =

versterking.

Reins, reinz, nieren, lendenen.

Reinstal, rîinstôl, weder installeeren; subst. Reinstal(l)ment.

Reinstate, rîinsteit, in vroegere positie herstellen: He was reinstated

in his office = werd in zijn ambt hersteld; subst. Reinstatement.

Reinsurance, rîinšûr’ns, herverzekering; Reinsure, rîinsšûə,

herverzekeren; Reinsurancer.

Reintegrate, rîintigreit, hernieuwen, herstellen; subst. Reintegration.

Reinvest, rîinvest, opnieuw bekleeden met (aanstellen); subst.

Reinvestment.

Reinvigorate, rîinvigəreit, opnieuw bezielen (sterken).

Reis, rei-is, rîz, reis, reis (koperen munteenheid in Portugal en

Brazilië).

Reis, rais, reis, titel van hooge Oostersche ambtenaren,

scheepskapitein: Reis effendi = vroegere titel van den Turkschen

Groot-Vizier.

Reissue, rîišû, subst. nieuwe uitgave of uitgifte; Reissue verb.

opnieuw uitgeven of in omloop brengen.

Reiterate, riitəreit, telkens herhalen; subst. Reiteration,

riitəreiš’n; adj. Reiterative.

Reject, ridžekt, verwerpen, van zich af gooien, afwijzen, uitschieten,

uitspuwen; subst. Rejects = uitschot; My suit was rejected = mijn

aanzoek werd verworpen, van de hand gewezen; Rejectable = verwerpelijk;

Rejecter; Rejection = verwerping, afwijzing; Rejective = verwerpend.

Rejoice, ridžôis, (zich) verheugen, verblijden: I rejoice at your

having come = ik ben blij dat ge gekomen zijt; Rejoicer; Rejoicing =

vreugdebetoon, feestelijkheid: Great rejoicings on the occasion of the

Queen’s accession.

Rejoin, ridžoin, weder vereenigen, antwoorden, hernemen; Rejoinder =

antwoord, bescheid, dupliek.

Rejoint, rîdžôint, weder samenvoegen, opnieuw voegen (van metselwerk).

Rejuvenate, ridžûvəneit, Rejuvenescence, Rejuvenescency,

ridžûvənes’ns(i), verjonging; Rejuvenescent = verjongend,

verjongings...; Rejuvenize, ridžûvənaiz, verjongen.

Rekindle, rîkind’l, opnieuw aansteken of aanwakkeren.

Reland, rîland, nogmaals landen of ontschepen.

Relapse, rilaps, subst. wederinstorting (ziekte), het weder vervallen

(tot vroegere verkeerdheden, enz.), weer dalen (van prijzen); Relapse

verb. weder instorten, weder vervallen (tot slechtheid of zonde);

Relapser; Relapsing fever = terugkeerende koorts.

Relate, rileit, verhalen; toeschrijven of terugbrengen tot, betrekking

hebben op; Related = verwant, in zekere betrekking staande tot; Relater

= verhaler; Relation, rileiš’n, verhaal: betrekking, verhouding,

verwantschap, bloedverwant, overeenkomst: “Are not those Comptons

relations of yours?” “Connections,” said John, “by marriage”; They bear

no relation to each other = hebben geene overeenkomst met elkander,

staan tot elkaar in geenerlei betrekking of verhouding; Relationship =

bloedverwantschap; Relative, relətiv, subst. bloedverwant; betrekking

hebbend woord, betrekkelijk voornaamwoord; adj. betrekkelijk: That is

not relative to what he said = heeft niets te maken met; The bomb did

relatively little damage = betrekkelijk; The number of good books is

relatively insignificant = naar verhouding; subst. Relativeness;

Relativity, relətiviti = betrekkelijkheid, verwantschap, verhouding:

The relativity of all human knowledge = de betrekkelijkheid.

Relax, rilaks, verslappen, verzachten, minder streng of stipt doen

zijn; laxeeren, ontspannen: Now she would be cruel, then relax into

tenderness again = werd ze weer erg teeder en gevoelig; Relaxant =

laxeermiddel; Relaxation = verlichting, ontspanning, verslapping;

Relaxative, laxeerend, verzachtend.

Relay, rilei, nieuwe paarden, honden, manschappen om af te lossen;

poststation; Relay dogs, Relay horse: We got a relay of horses every

two hours.

Relay, rîlei, opnieuw leggen of plaatsen.

Release, rilîs, subst. bevrijding, vrijlating, verlossing, afstand;

Release verb. ontslaan, vrijlaten (from = uit), afstaan: Deed of

release = acte van afstand; Releasee, rilîsî, iemand, ten wiens behoeve

men afstand doet; Releasement = bevrijding, etc.; Releaser = Releasor.

Relegate, religeit, verbannen, sjeezen (v. studenten), verwijderen,

verwijzen: This remark might have been relegated to a footnote = ware

beter op hare plaats geweest onder aan de bladzijde in eene noot; The

student was relegated to his former pleasures = werd gesjeesd en kon

zijne vroegere genoegens weer opvatten; subst. Relegation.

Relent, rilent, toegeven, minder hardvochtig of streng worden, zich

laten vermurwen; Relenting = toegevend; Relentless = meedoogenloos;

subst. Relentlessness.

Relet, rîlet, opnieuw verhuren.

Relevance, Relevancy, reləv’ns(i), betrekking, toepasselijkheid; His

answer bore no relevance to my question, was not relevant to my

question = was niet toepasselijk (sloeg niet) op mijne vraag; This

question is not relevant = ongepast, heeft niets met de zaak te maken.

Reliability, rilaiəbiliti, vertrouwbaarheid: Reliability trial =

vertrouwbaarheidsrit; Reliable, rilaiəb’l, be- of vertrouwbaar; subst.

Reliableness; Reliance, rilaiəns, vertrouwen: To have reliance (up)on,

in = vertrouwen hebben op, in; You cannot place any reliance on him =

in hem geen vertrouwen stellen, niet op hem rekenen; adj. Reliant.

Relic, relik, reliquie, overblijfsel, aandenken: Relics = (stoffelijk)

overschot; Relics of the past; Relict, relikt, weduwe, weduwnaar.

Engelsch woordenboek. Eerste deel: Engelsch-Nederlandsch (met uitgeschreven verkortingen) · 第 104 / 152 段