terugstuiten, weerklinken, weergalmen: Many a heart is caught in (on)
the rebound = wanneer het nog bloedt na versmaad te zijn door een
ander.
Rebuff, ribɐf, subst. terugstoot, weigering, afwijzing; Rebuff verb.
terugdrijven, afwijzen: To meet with a rebuff.
Rebuild, rîbild, weder opbouwen.
Rebukable, ribjûkəb’l, wat berisping verdient; Rebuke, ribjûk, subst.
berisping, standje; Rebuke verb. berispen, laken: He caught a rebuke =
hij kreeg een standje; Rebukeful = berispend, bitter; Rebuker.
Rebullition, rîbuliš’n, opborreling, opkoking.
Rebury, rîberi, opnieuw begraven.
Rebus, rîbəs, rebus, devies (op een schild), waarbij de naam door eene
teekenfiguur of een beeld wordt voorgesteld.
Rebut, ribɐt, terugslaan of -stooten, afweren, van repliek dienen,
weerleggen; Rebuttal = weerlegging; Rebutter = antwoord van den
beschuldigde na dat van den aanklager.
Recalcitrance (Recalcitrancy) rikalsitr’ns(i): Carlyle’s style excites
recalcitrance in novices = wekt tegenspraak bij oningewijden;
Recalcitrant, rikalsitr’nt, weerspannig, tegenstrevend; subst.
weerspannige; Recalcitrate = zich verzetten, tegenstreven; subst.
Recalcitration.
Recall, rikôl, subst. herroeping, terugroeping (het signaal daarvoor);
Recall verb. herroepen, opzeggen, terugroepen, zich herinneren: That is
past recall = onherroepelijk; These two officers are under recall and
on their journey back = deze twee ambtenaren zijn teruggeroepen; To
present one’s letters of recall = brieven van rappèl (van een gezant);
I can’t recall it to mind = me niet herinneren.
Recant, rikant, herroepen; Recantation = herroeping: He made a
recantation = hij herriep zijne bewering, trok ze in; Recanter.
Recapitulate, rîkəpitjuleit, in het kort herhalen; subst.
Recapitulation; adj. Recapitulative, Recapitulatory: Recapitulation
exercises = oefeningen ter herhaling.
Recaption, rikapš’n, terugname (van een wederrechtelijk onthouden
bezit); Recaptor = hernemer, die het buit gemaakte terugneemt;
Recapture, subst. herovering, heroverde prijs; Recapture verb.
heroveren, terugnemen.
Recast, rikâst, opnieuw gieten of vormen, opnieuw bewerken, nogmaals
berekenen; ook subst.: Sixth edition, recast and augmented = opnieuw
bewerkte en vermeerderde uitgaaf.
Recede, risîd, teruggaan, terugloopen, zich terugtrekken, wijken: He
receded into the background = hij trad op den achtergrond; Receder.
Recede, rîsîd, rîsîd, weder afstaan aan den vroegeren bezitter.
Receipt, risît, subst. ontvangst, het ontvangene, voorschrift, recept,
kwitantie, reçu; Receipt verb. eene kwitantie geven, voor voldaan
teekenen: A receipt for catching birds by putting salt on their tails =
een middel om vogels te vangen; He is in the receipt of a good income =
hij heeft een goed inkomen; On receipt of your favour of the 4th. inst.
= na ontvangst van uw geëerde van 4 dezer; He acknowledged the receipt
of my letter = berichtte de ontvangst; To give a receipt = kwitantie
geven; Book of receipts and expenditures = van inkomsten en uitgaven;
Receipt-stamp = kwitantiezegel.
Receive, risîv, ontvangen, toelaten, aannemen, erkennen, vinden, helen:
It was generally received that he was in fault = men erkende algemeen;
He was received into our club = werd opgenomen; To sit to receive on
certain days = ‘jour’ houden; To receive or visit a pupil = lessen aan
huis of buitenshuis geven; Received of Mr. N. = ontvangen van den Heer
N. (op kwitanties); Received payment = ontvangen, betaald; Custom long
received = oud gebruik; Receiver = ontvanger (ook instrument), heler,
recipient, klok (luchtpomp): The receiver makes the thief = zonder
heler geen steler; Receiver (in bankruptcy) = curator, bewindvoerder;
Receiving: Receiving-office = kantoor voor het aannemen van pakketten,
etc.; Receiving-ship = wachtschip (waarop de nieuwe matrozen blijven
tot ze voor den dienst worden aangewezen).
Recency, rîs’nsi, frischheid, nieuwheid; Recent, rîs’nt, nieuw, versch,
frisch, pas geleden (gebeurd): Recent English = het E. van onzen tijd;
subst. Recentness.
Recension, risenš’n, critische tekstuitgaaf, herziene en verbeterde
uitgaaf: The work exists in two different recensions = in twee
verschillende critische uitgaven.
Receptacle, riseptək’l, vergaarbak, ontvanger, koker, vruchtbodem, vat.
Receptibility, riseptibiliti, ontvangbaarheid, ontvankelijkheid.
Reception, risepšn, ontvangst, receptie: They prepared a cordial
reception for him = een hartelijke ontvangst; Receptive: His receptive
faculties are very great = zijn opnemingsvermogen; Receptivity =
receptiviteit, opnemingsgave; Receptor = ontvanger.
Recess, rises, opschorting of vacantie, vrij kwartier; afgelegen
verblijf, schuilhoek, nis, alcoof: The Easter recess will not last more
than two weeks = het Paaschreces; The inner recesses of the heart = de
diepste schuilhoeken; The passage led to an inner recess = een
verborgen hoek; Recession = verwijdering, terugtrekking, het afstand
doen; Recessional = slot...; subst. gezang bij het uitgaan der kerk.
Rechabite, rekəbait, Rechabiet (Jez. XXXV, 5); geheelonthouder.
Recharge, rîtšâdž, opnieuw aanvallen of laden, eene tegenaanklacht
indienen.
Recharter, rîtšâtə, opnieuw bevrachten.
Recheat, ritšît, subst. hoorngeschal om de honden terug te roepen als
ze het spoor kwijt zijn; Recheat verb, een recheat doen weerklinken.
Recheck, rîtšek: The luggage (account) had to be rechecked first =
moest eerst opnieuw gecontroleerd worden.
Recherché, Fr. uitspr. uitgezocht, fijn, keurig.
Recidivism, risidivizm, recidive; Recidivist = recidivist.
Recipe, resipi, recept.
Recipient, risipj’nt, subst. ontvanger; adj. ontvangend.
Reciprocal, risiprək’l, wederzijdsch, wederkeerig, afwisselend; ook
subst. Reciprocality, risiprəkaliti = Reciprocalness = wederkeerigheid;
Reciprocate, risiprəkeit, wederkeerig geven of aandoen, teruggeven,
vergoeden: We have Reciprocated kindnesses = wij hebben eenige
beleefdheden gewisseld; subst. Reciprocation; Reciprocity =
wederkeerigheid, reciprociteit.
Recital, risait’l, voordracht, optelling, verhaal, solo, reciet: The
recital of his story drew tears from the audience = het verhaal van
zijne geschiedenis; Recitation = opzeggen, declamatie, voordracht;
mondeling examen (Amer.); Recitative, resitətîv, recitatief (muz.);
Recite, risait, opzeggen, voordragen: He recited Tennyson’s May-queen;
Reciter = declamator.
Reck, rek, geven om, schelen: I do not reck = het kan me niet schelen;
Little does he reck what are the consequences = om de gevolgen
bekommert hij zich geen zier; Reckless = roekeloos, zorgeloos: I am
reckless of his words = zijne woorden laten me volkomen koud; subst.
Recklessness.
Reckon, rek’n, rekenen, onderstellen, houden voor, optellen (up),
tellen, afrekenen: That cannot reckon as an English word = kan niet
beschouwd worden; He was reckoned among your friends = geteld onder;
The English reckon by pounds, shillings and pence = rekenen met, bij;
Reckoning from what you say = te oordeelen naar; May I reckon on you? =
op u rekenen; These things are too small to be reckoned up = te
onbeduidend om opgeteld te worden; I cannot reckon it up = ik kan het
me niet begrijpen; Modern thought is not reckoned with by him = hij
houdt geene rekening met; He appeared to have reckoned without his host
= hij bleek buiten den waard gerekend te hebben; Reckoner = rekenaar:
He is a ready reckoner = vlug in het rekenen; Reckoning = berekening,
rekening, schatting, gissing, bestek (scheepsterm): Even (short)
reckonings make lasting (long) friends = effen rekening onderhoudt de
vriendschap; You are out in your reckoning = gij zijt in uwe rekening
mis, vergist u = You have lost your reckoning; To leave out of the
reckoning = buiten rekening laten; Reckoning-book = boek van ontvangst
en uitgaaf, journaal.
Reclaim, rikleim, terugroepen, op het rechte pad brengen (fig.),
verbeteren, ontginnen, in cultuur brengen van droog gemaakt land;
ontginnen; africhten, temmen: They reclaimed against such measures =
kwamen in verzet tegen; He was reclaimed from his sinful ways by his
friend = hij werd op het goede pad teruggebracht; adj. Reclaimable;
Reclamation, rekləmeiš’n, eisch, verwering, protest, verbetering;
ontginning: Scrooge’s reclamation was brought about by the three
spirits = S.’s verbetering.
Reclination, reklineiš’n, subst. v. Recline, riklain, achterover
leunen, overhellen, rusten, steunen; Reclining: Reclining-board =
leun-plank (orthop.); Reclining-chair = verstelbare leuningstoel.
Reclose, rîklouz, opnieuw sluiten.
Recluse, riklûs, subst. kluizenaar; adj. eenzaam, afgezonderd;
Recluseness = afzondering, eenzaamheid = Reclusion, riklûž’n;
Reclusive, riklûsiv, eenzaam, teruggetrokken.
Recognition, rekəgniš’n, herkenning; erkenning, betuiging: In
recognition of his many services = ter erkenning van; Recognitory =
(h)erkennend; Recognizable, rekəgnaizeb’l, rikognizəb’l, rekəgnaizəb’l,
herkenbaar; Recognizance, riko(g)niz’ns, erkenning, teeken, insigne,
schriftelijke verplichting tot het betalen van een schuld, tot zich
ordelijk gedragen, etc.: They had to enter into their own recognizances
to keep the peace = zij moesten een schriftelijke verklaring afleggen
(zich persoonlijk borgstellen), de orde niet weer te verstoren;
Recognize, rekəgnaiz, herkennen, erkennen; Recognizee, riko(g)nizî,
degene ten wiens behoeve voor de rechtbank dergelijke schriftelijke
verbintenis wordt gegeven; Recognizor, riko(g)nizə, riko(g)nizö,
afgever van dergelijke verbintenis.
Recoil, rikôil, subst. terugslag, wijking, terugsprong; Recoil verb.
terugdeinzen, terugspringen, terugkomen, stooten: Their attacks will
recoil on them = op henzelf weer neerkomen.
Recoin, rîkôin, opnieuw munten; subst. Recoinage.
Recollect, rîkəlekt, opnieuw verzamelen: To recollect oneself = zich
beheerschen, tot nadenken komen.
Recollect, rekəlekt, zich herinneren: I can’t recollect having ever
seen him before = kan me niet herinneren; Recollection = herinnering,
zelf beheersching: You have grown out of all recollection = je bent zoo
gegroeid, dat men je niet meer herkent; adj. Recollective.
Recolonize, rîkolənaiz, opnieuw koloniseeren.
Recombination, rîkombineiš’n, subst. v. Recombine, rîk’mbain, (zich)
opnieuw verbinden of samenvoegen.
Recommence, rîkəmens, opnieuw beginnen; subst. Recommencement.
Recommend, rekəmend, aanbevelen, aanprijzen, aanraden: The jury
recommended him to mercy; To recommend itself = zich aanbevelen; adj.
Recommendable = aanbevelenswaardig; subst. Recommendableness;
Recommendation: Letter of recommendation; Recommendatory =
aanbevelings....: Recommendatory letter; Recommender.
Recommit, rîkəmit, opnieuw opdragen (overleveren), weder naar dezelfde
commissie terugzenden: To recommit to prison = weer arresteeren; subst.
Recommitment = Recommittal.
Recommunicate, rîkəmjûnikeit, opnieuw mededeelen.
Recompense, rek’mpens, subst. belooning, vergoeding; Recompense verb.
beloonen, vergelden, schadeloos stellen; Recompenser.
Recompile, rîk’mpail, opnieuw verzamelen of samenstellen; subst.
Recompilement.
Recompose, rîk’mpouz, opnieuw samenstellen, weder geruststellen, weder
in orde brengen; subst. Recomposition.
Reconcilable, rek’nsailəb’l, verzoenbaar, vereenigbaar, bestaanbaar;
Reconcile, rek’nsail, verzoenen, overeen- of tot harmonie brengen: To
reconcile oneself to, To be (become) reconciled to = zich verzoenen
met, zich schikken in; He felt more reconciled to his work = kreeg meer
op met; How can you reconcile it to your conscience? = het met je
geweten overeenbrengen; They were reconciled to each other and to their
fate = zij verzoenden zich met elkander en met hun lot; Reconcilement =
Reconciliation; Reconciliatory, rek’nsiliətəri, verzoenend.
Recondensation, rîkondənseiš’n, subst. v. Recondense, rîk’ndens,
opnieuw verdichten.
Recondite, rek’ndait, rikondit, geheimzinnig, verborgen; afgetrokken,
diepzinnig.
Reconduct, rîk’ndɐkt, terugleiden.
Reconfirm, rîk’nfɐ̂m, opnieuw bevestigen.
Reconnaissance, rəkonəs’ns, verkenning: Reconnaissance duty =
verkenningsdienst = Reconnoissance.
Reconnoitre, rekənôitə, verkennen, opnemen: Reconnoitring party.
Reconquer, rîkoŋkə, opnieuw veroveren, herwinnen; Reconquest,
rikoŋkwəst, herovering.
Reconsecrate, rîkonsikreit, opnieuw wijden; subst. Reconsecration.
Reconsider, rîk’nsidə, opnieuw in overweging nemen; Reconsideration.
Reconsignment, rîk’nsainm’nt, terugzending, hernieuwde zending.
Reconstitute, rîkonstitjût, opnieuw samenstellen; subst.
Reconstitution.
Reconstruct, rîk’nstrɐkt, opnieuw samenstellen of bouwen; subst.
Reconstruction; adj. Reconstructive.
Reconvene, rîk’nvîn, opnieuw bijeenkomen of roepen.
Reconversion, rîk’nvɐ̂š’n, wederbekeering; Reconvert = opnieuw bekeeren.
Reconvey, rîk’nvei, terugvoeren, overdragen op een vroegeren eigenaar;
subst. Reconveyance.
Record, rekəd, gedenkschrift, getuigschrift, getuigenis, verleden,
antecedenten, verhaal, register, officieel afschrift, rol of plaat voor
phonograaf of gramophoon; kortste tijd, die geregistreerd is (sport):
Court of Record = hof waar uitspraken in archief worden bewaard;
Records = publieke documenten, protocollen, verslag van de hoofdzaken
in een geding: Keeper of the records = archivaris, griffier; That is
the most famous name (up)on record = in de geschiedenis vermeld; It is
on indisputable record = het staat onomstootelijk vast; To bear record
of = getuigen van; This skater has beaten (broken, cut) the record =
heeft den besten tijd gemaakt, dus: het oude record geslagen; He has a
clean record = een zuiver geweten; I will make a record of it = zal er
een register of eene lijst van aanleggen; He wrote his record upon his
generation (Amer.) = hij was in zijn tijd een man van beteekenis;
Record-office = rijksarchief.
Record, riköd, aanteekenen, registreeren, opteekenen, vermelden, als
historisch feit overleveren, zingen (van vogels): All the glorious
names, recorded in history = in de geschiedenis opgeteekend; Recorder =
archivaris, syndicus (de hoogste, door de regeering benoemde rechter in
een Borough); registratie-apparaat (telegr.); soort fluit; Recordship;
Recording-telegraph = druktelegraaf.
Recount, rikaunt, omstandig verhalen; rîkaunt, op nieuw tellen.
Recoup, rikûp, vergoeden, schadeloosstellen, een verlies herstellen: He
recouped his energies in the Giant Mountains = herkreeg; I will recoup
all losses you may incur by it = vergoeden; I lost more than this book
is likely to recoup me for = waarschijnlijk zal opbrengen; I never
attempted to recoup myself for the money spent so unnecessarily = mij
schadeloos te stellen voor; subst. Recoupment.
Recourse, rikös, toevlucht, schadeloosstelling: I had recourse to him =
nam mijne toevlucht tot hem.
Recover, rikɐvə, (doen) herleven, herstellen, te boven komen,
herwinnen, herkrijgen, terugvinden, vergoeden, inhalen, bevrijden,
redden: To recover one’s breath = weer op adem komen; To recover
consciousness = bijkomen; He wanted to recover damages =
schadevergoeding te krijgen; He could only recover second-class
expenses = had slechts aanspraak op vergoeding van etc.; To recover
shipwrecked goods = bergen; He couldn’t recover health = zijne
gezondheid niet terugkrijgen; He recovered his legs = hij kwam weer op
de been; He recovered his nerve = herkreeg zijne zelfbeheersching; He
recovered his property = kreeg terug; He recovered himself = herstelde
zich; He was recovered from the hands of his enemies = hij werd gered
of bevrijd; Recoverability, subst. v. Recoverable = herkrijgbaar;
subst. Recoverableness; Recovery = herstel, herkrijging: The patient is
past recovery = hopeloos.
Recover, rîkɐvə, opnieuw bedekken.
Recreance, Recreancy, rekriəns(i), lafhartigheid, laagheid,
afvalligheid; Recreant, rekriənt, laf, laaghartig, valsch; afvallig;
ook subst.
Recreate, rekrieit, zich ontspannen, vermaken, verlustigen; Recreation,
rekrieiš’n, ontspanning, afleiding; Recreative = opwekkend,
ontspannend, versterkend.
Recreate, rîkrieit, opnieuw scheppen; Recreation, rîkrieiš’n,
herschepping.
Recrement, rekriment, uitwerpsel, slakken; adj. Recrementitious.
Recriminate, rikrimineit, eene tegenbeschuldiging inbrengen;
Recrimination = tegenbeschuldiging; Recriminative, Recriminatory = een
tegenbeschuldiging bevattend; Recriminator = tegenbeschuldiger.
Recross, rîkros, nogmaals oversteken.
Recrudesce, rîkrudes, weer zeer worden, verergeren, weer uitbreken,
weer opleven; subst. Recrudescence; adj. Recrudescent.
Recruit, rikrût, subst. rekruut, nieuweling; aanvulling; Recruit verb.
recruteeren, versterken, herstellen, met nieuwe kracht bezielen, weer
op krachten komen: Will you recruit the fire? = wat bij het vuur doen;
To recruit the inner man = den inwendigen mensch versterken; He
recruited his strength (flesh) on the Riviera = herwon zijne krachten;
We must recruit him and set him on his legs again = hem versterken; A
recruiting officer (sergeant) = werfofficier; Recruiting-money =
handgeld; Recruiting-office = werfbureau; Recruiting-sergeant;
Recruitment = recruteering, herstel, versterking.
Rectal, rektəl: Rectal douche = lavement.
Rectangle, rektaŋg’l, rechthoek; Rectangled, Rectangular, rektaŋgjulə,
rechthoekig; Rectangularity = rechthoekigheid.
Rectifiable, rektifaiəb’l, wat verbeterd kan worden; Rectification =
verbetering, rectificatie; Rectifier; Rectify, rektifai, herstellen,
verbeteren; overhalen (door distillatie).
Rectilineal, rektilinj’l, rechtlijnig = Rectilinear.
Rectitude, rektitjûd, oprechtheid, eerlijkheid, juistheid: Unctious
rectitude = huichelachtigheid.
Rector, rektə, bestuurder, rector, Anglikaansch geestelijke, die al de
tithes (vroeger de great tithes, those in corn) van de Living ontvangt,
doch geen dienst behoeft te doen; Rectorate, rektərit, rectoraat;
rektəial, rəktôriəl, rectoraal, rector - -; Rectorship = betrekking of
ambt van een rector; Rectory = pastorie, ambt van een rector.
Rectrix, rektriks, staartveer; mv. Rectrices, rektraisîz.
Rectum, rekt’m, endeldarm.
Recumb, rikɐmb, leunen, rusten; Recumbence, Recumbency = rust, leunende
of liggende houding; Recumbent = leunend, rustend, lui.
Recuperate, rikjûpəreit, herstellen: She recuperated her health =
herkreeg; Recuperation = herstel, herkrijging; Recuperative =
herstellings - -: Recuperative power.
Recur, rikɐ̂, terugkeeren tot, terugkomen op, invallen, zijn toevlucht
nemen tot: He recurred to it again and again = kwam er telkens op
terug; It does not recur to me = valt me niet in; It recurred to my
(mind) memory = schoot mij weer te binnen; Recurrence, Recurrency,
rikɐr’ns(i), terugkeer, toevlucht: The word is of frequent recurrence
in this book = komt herhaaldelijk voor; Recurrent, rikɐr’nt, telkens
voorkomend; Recurring (rikɐ̂riŋ) decimal = repeteerende breuk.
Recurvation, rîkɐ̂veiš’n, subst. v. Recurve, rikɐ̂v, achterwaarts buigen
of gebogen.
Recusance, Recusancy, rekjuz’ns(i), rikjûz’ns(i), hardnekkige weigering
(van den godsdiensteed, van de geestelijke suprematie des konings);
Recusant, rekjuz’nt, rikjûz’nt, weigerend; subst. weigeraar.
Recusation, rekjuzeiš’n, weigering, verwerping of wraking (van een
rechter).
Red, red, rood; subst. rood, roode, roode wijn; (Reds = roodhuiden);
Bright red = helder-rood; Deep red = donkerrood; He is red on it = hij
is er op verzot; To go red in the face = blozen; Red-backed shrike =
grauwe klauwier; Red-book = staatsalmanak, adelsboek; Redbreast =
roodborstje; Red cabbage; Redcap = goudvink; Red-chalk = rood krijt;
Red-coat = soldaat; Redcock crowing = brandstichting, den rooden haan
laten kraaien (Schotl.); Red-cross banner = banier met het roode kruis
v. St. George; Red-cross societies; Red currant = roode (aal)bes; Red
deer = edelhert; Red grouse = sneeuwhoen; Red-gum = huiduitslag (bij
kinderen); roest (in koren); Red-hand(ed) = op heeter daad: He was
caught red-handed = op heeter daad betrapt; red-herring = bokking;
Red-hot = gloeiend heet; Red-lattice = roode jalouzieën van kroegen en
bordeelen: Red-lattice phrases = gemeene taal; Red lead = roode menie;
Red-letter day = gelukkige dag (omdat de heiligendagen rood gemerkt
waren in de almanakken); All red-line = route geheel over Engelsch
gebied; Redpoll = roodharig rund zonder horens; Red ribbon = ordelint
van de Bathorde; brandy; Red Sea = Roode zee; Red-shanks = tureluur;
Bergschot; Red-short = roodbreukig (v. ijzer); Redskin = Roodhuid,
Indiaan; Redstart = roodstaartje; Red-tape = rood lint voor het binden
van akten; adj. bureaucratisch; Red-tapism = bureaucratie; Red-tapist =
bureaucraat; Redwing = koperwiek; Redwood = roodhout; Redden = rood
worden, blozen; Reddish = roodachtig; Reddle = rood krijt.
Redact, ridakt, redigeeren; Redaction = het redigeeren of geredigeerde.
Redan, ridan, schans met uit- en inspringende hoeken; trap (Archit.).
Redeem, ridîm, terugkoopen, verlossen, loskoopen, vervullen (van woord
of belofte), boeten voor, goedmaken, benuttigen, verlossen: He has
redeemed his wicked deeds = goedgemaakt; To redeem a promise =
vervullen; Jesus has redeemed mankind = Jezus heeft het menschdom
verlost; Redeemable = (af)losbaar; subst. Redeemableness; Redeemer =
Verlosser; The one redeeming feature = de eenige goede trek.
Redeliver, rîdilivə, weder afleveren, nogmaals bevrijden, rapporteeren;
subst. Redeliverance = Redelivery.
Redemand, rîdimând, terugvorderen.
Redemption, ridemš’n, loskooping, verlossing, vrijkooping, lossing:
Power of redemption = recht tot terugkoop; Past redemption = reddeloos
verloren; Redemptionist = Redemptorist, lid van de orde van den
Heiligen Verlosser; Redemptive = verlossend; Redemptorist,
redemptorist, ligurist; Redemptory price (sum) = losgeld, losprijs.
Redingote, rediŋgout, jas.
Redintegrate, ridintəgreit, verb. vernieuwen, weer volkomen maken; adj.
vernieuwd; Redintegration = vernieuwing.
Redirect, rîdirekt, opzenden (van brieven door ze van een nieuw adres
te voorzien).
Redistribute, ridistribjût, opnieuw uitdeelen; subst. Redistribution;
adj. Redistributive, Redistributory.
Redivivus, ridivaivɐs, herleefd.
Redolence, Redolency, redəlens(i), geur, welriekendheid; adj. Redolent,
redəlent: The air in the room was redolent of attar of roses = was
bezwangerd met.
Redouble, ridɐb’l, verdubbelen.
Redou(b)t, ridaut, reduit (vestingbouw).
Redoubtable, ridautəb’l, geducht, gevreesd = Redoubted.
Redound, ridaund, weer neerkomen, terugvallen, strekken: No small
profit redounds from this business to you = vloeit voort; All this
redounds on you = valt op u terug; That will redound to the credit and
advantage of our cause = strekken tot.
Redowa, redəwa, Boheemsche dans; muziek daarbij.
Redraft, rîdrâft, subst. tweede afschrift of afdruk; herwissel; Redraft
verb. opnieuw opstellen (ontwerpen, teekenen).
Redraw, rîdrô, opnieuw (een wissel)trekken.
Redress, ridres, subst. herstel (van grieven, b.v.), vergoeding;
Redress verb. verhelpen, herstellen, vergoeden: To obtain redress;
Redressable = wat verholpen kan worden; Redressment = herstel.