klimmen, springen, stoeien; zwendelen: They had some high old ramps =
gingen er ouderwetsch van door; Only asses ramp nowadays, save in
heraldry = slechts van ezels gebruikt men ramp, etc.; Rampage, rampidž,
subst. opgewondenheid, wildheid; Rampage verb. rondspringen (als een
gek): The cows seemed to be on the rampage = schenen dol te zijn; He
has been on the rampage = is er leelijk “van door” geweest; The dog was
rampaging through the apartment; Rampageous, rampeidžəs, woest,
luidruchtig, schreeuwerig; Rampancy, ramp’nsi, woekeren, toeneming,
uitgelatenheid, buitensporigheid; Rampant, ramp’nt, overvloedig,
weelderig woekerend, teugelloos, op de achterpooten staande: A lion
rampant = klimmende leeuw; Bribery was rampant in the former century =
was algemeen; Rampant-gardant = klimmend en den toeschouwer aanziende;
Rampant-passant = loopend met den rechter voorpoot omhoog;
Rampant-regardant = staande en achterwaarts ziende; Rampant-sejant =
zittend met de voorpooten omhoog, opzittend (heraldische termen).
Rampart, rampət, rampât, subst. wal; Rampart verb. omwallen.
Rampion, rampiən, akkerklokje.
Rampoor, rampûə; Ramsay, ramzi.
Ramshackle, ramšak’l, losjes, bouwvallig, slecht onderhouden: The
four-wheeler was the most ramshackly of vehicles = was het
“rapperigste” van alle rijtuigen.
Ramulose, ramjulous, Ramulous, ramjulɐs, met veel kleine takjes.
Ran, ran, imperf. van to run.
Rana, rânə, vorst (Brit. Ind.).
Ranch, rân(t)š, veehouderij, boerderij (Amer.), ook Cattle-ranch;
Rancher = Ranchero, ran(t)šêrou, koeherder, opzichter; Rancheria,
ran(t)šərîə, veldhut voor een Ranchero, dorp, kolonie; Rancho =
veldhut, boerderij voor vee- of paardenteelt.
Rancid, ransid, ranzig, zuur; Rancidity, ransiditi = Rancidness =
ranzigheid, etc.
Rancorous, raŋkərɐs, kwaadaardig, venijnig, haatdragend; subst.
Rancorousness; Rancour, raŋkə, wrok, bittere vijandschap, ingevreten
haat: To bear rancour = wrok koesteren.
Rand, rand: The Rand = het goudmijndistrict ten westen van Johannesburg
(Z. Afr.).
Randal, rand’l.
Randan, rand’n, boot met 3 roeiers, waarvan alléén de middelste 2
riemen hanteert; herrie, brasserij: On the randan = aan ’t zuipen; They
were rowing (in) randan = zij roeiden met hun drieën met vier riemen.
Random, rand’m, subst. toeval, goed geluk; adj. zonder berekening, in
het wild, zonder methode: At random = in het wild, zonder doel; A
random shot = schot in het wild; To talk at random = onzin uitkramen.
Randy, randi, rumoerig, wanordelijk; subst. helleveeg, wildebras.
Ranee, rânî, vorstin (Brit. Ind.).
Ranelagh, ranəlâ.
Rang, raŋ, imperf. van to ring.
Range, reinž, subst. rij, klasse, zwerftochtje, ruimte, bereik, keten,
macht, keukenfornuis, afstand van een schot, schietterrein, omvang;
Range verb. in eene rij plaatsen, ordenen, rangeeren, zwerven, zeilen
langs, reiken, rangschikken: To fire at close range = op zeer korten
afstand; He is a dead shot at short range = op korten afstand mist hij
nooit; Out of range = buiten schot; Within range = op geweer- of
kanonschotsafstand; A long range fire on a position = kanonnade op
grooten afstand; A wide range of students = een breede kring; To get
(find) the range = den afstand vinden; The revenue-cutter ranged the
coast = voer langs de kust; The talk ranged over many subjects = liep
over; He ranged over the whole subject = doorliep vluchtig; Their guns
range further than ours = dragen; Ranger = rondzwerver, houtvester,
speurhond, roover; Rangership.
Rangoon, raŋgûn.
Rani = Ranee.
Ranine, reinin, kikkerachtig.
Rank, raŋk, subst. rij, gelid, standplaats, rang, graad, stand, klasse;
Rank verb. tot klassen brengen, opstellen, in het gelid plaatsen,
ordenen: The rank and file = alle gewone soldaten; de groote hoop; The
rank and file cleared the grounds at 8 = het volk verliet het park om 8
uur; The cabman was on his rank = de koetsier was op zijne standplaats;
To close the ranks = de gelederen sluiten; To be promoted, rise, spring
from the ranks = van soldaat of onderofficier tot officier bevorderd
worden; To be reduced to the ranks = gedégradeerd worden; He takes rank
before (of) you = hij staat boven u in rang; You rank after me = volgt
in rang op; ranker = schikker; hij die uit de gelederen officier
geworden is, “troupier”.
Rank, raŋk, weelderig, geil, sterk, grof, vet, ranzig, stinkend,
bedorven, vuil, vies; echt, waar: A rank fraud = een echte bedriegerij;
Rank nonsense = echte onzin; The rankest South-Easter = de krachtigste
(een echte) Zuid-Oostenwind; subst. Rankness.
Rankle, raŋk’l, ontsteken of zweren (van eene wond); wrok hebben,
knagen: Is there anything rankling in your mind against me? = hebt gij
eenigen wrok tegen mij.
Rannee = Ranee.
Ransack, ransak, plunderen, nasnuffelen.
Ransom, rans’m, subst. losgeld, bevrijding, verlossing; Ransom verb.
verlossen, bevrijden, vrijkoopen: They were held to ransom by the
brigands = de roovers hielden hen, tot een bepaalde losprijs betaald
zou worden, als gijzelaars; Ransomer; Ransomless = zonder losgeld, etc.
Rant, rant, subst. hoogdravende bombastische taal; Rant verb. bombast
uitslaan, uitvaren: She was ranting and panting with fury = zij raasde
en tierde van woede; Ranter = schreeuwer, drukke prater; Ranters =
spotnaam v. de eerste Methodisten; Ranterism = leer der ranters =
Rantism.
Rantipole, rantipoul, subst. wilde meid of jongen; adj. wild, ruw;
Rantipole verb. als een gek vliegen; Ranty = wild, rumoerig, woest.
Ranunculus, rənɐŋkjulɐs, ranonkel.
Rap, rap, subst. tik, snelle en pijnlijke slag, knip, valsche
halfpenny, duit; Rap verb. slaan, knippen, hard tikken, kloppen,
vervoeren of buiten zichzelf brengen, uitstooten: I don’t care a single
rap = geef er geen lor om; There is not a rap to choose between them =
het is lood om oud ijzer; To deal a smart rap = een leelijken tik op de
vingers geven (fig.); It is not worth a rap = het is geen lor waard;
Without a rap = zonder een duit op zak; To rap a person’s fingers
(knuckles) = iemand op de vingers tikken (fig.); To rap out an oath =
vloeken; He rapped out his opinion = flapte uit; He rapped his teeth =
sloeg de tanden op elkaar; Rapper = deurklopper; geestenklopper =
Rappist = klopgeest.
Rapacious, rəpeišəs, roofzuchtig, hebzuchtig; subst. Rapaciousness =
Rapacity.
Rape, reip, subst. roof, berooving, verkrachting, onteering; gouw
(Sussex); koolraap; Rape verb. berooven, verkrachten: Rape of the
forest = overtreding der boschwetten; Rape-cake, Rape-oil; Rape-seed,
Rape-seed oil = raapkoek, raapzaad, raapolie.
Raphael, rafəel, Raphael; Rapho, rəfou.
Rapid, rapid, adj. snel (Rapids = stroomversnellingen); Rapid
consumption (decline) = vliegende tering; Rapid fire = snelvuur; Rapid
march = looppas; subst. Rapidity = Rapidness.
Rapier, reipjə, rapier; Rapier-fish = zwaardvisch.
Rapine, rapin, subst. plundering, roof; ook verb.
Rapparee, rapərî, roover (Ierl.), landlooper, deugniet.
Rappee, rəpî, sterke snuif, rappé.
Rappel, rəpel, rapəl, tromsignaal tot verzamelen.
Rapscallion, rapskalj’n, subst. en adj. schurk(achtig).
Rapt, rapt, verrukt, meegesleept: Rapt in his work = geheel opgaande
in. Zie Rap.
Raptores, raptôriz, roofvogels; Raptorial: Raptorial bird = roofvogel.
Rapture, raptšə, verrukking: In raptures = In a rapture of delight =
geheel verrukt; Rapturous = verrukt, hartstochtelijk.
Rare, rêə, zeldzaam, ongewoon, buitengewoon, onberispelijk, prachtig,
schaarsch; bijna rauw (Am.), ijl, poreus: The apples were plentiful and
rare = overvloedig en buitengewoon mooi; Rarebit = lekker hapje:
Rareripe, subst. vroege vrucht (vooral vroege perzik); adj. vroegrijp;
Rareness = Rarity, rêriti, rariti.
Raree-show, rêrišou, rarišou, kijkkast, rarekiek.
Rarefaction, rêrifakš’n, rarifakš’n, verdunning; Rarefy, rêrifai,
rarifai, ijl, dun maken of worden: They seem to breathe a more rarefied
atmosphere than we = een fijnere lucht.
Rascal, râsk’l, rask’l, subst. schurk, schelm, mager wild; adj.
verachtelijk, mager; Rascaldom, râsk’ld’m, het dievenpak; Rascality,
râskaliti, raskaliti, schurkachtigheid, schelmerij; Rascallion,
râskalj’n, raskalj’n, schurk.
Rase, reiz, schaven, schuren langs, uitkrabben, doorhalen, met den
grond gelijk maken, vernietigen.
Rash, raš, subst. huidroos.
Rash, raš, haastig, snel, overhaast, onbezonnen; subst. Rashness.
Rasher, rašə, sneetje, reepje: A rasher of bacon = dun sneetje spek.
Rasp, râsp, subst. rasp; Rasp verb. raspen, afschrapen, krassen,
pijnlijk treffen, afschampen (off): He made a rasping attack on the
House of Lords = vinnige aanval; Rasper = rasper, krabber, moeielijk te
nemen hek (jacht), driftkop, iets buitengewoons; Raspy = schor.
Raspberry, râzb’ri, razb’ri, framboos; Raspberry-bush =
frambozenstruik.
Rat, rat, rat; overlooper, onderkruiper (Rats! = onzin!) Rat verb.
ratten vangen; overloopen, onderkruipen: I smell a rat = ik ruik lont;
He was ratting for a place = trachtte door onderkruipen een baantje te
krijgen; He ratted to a duke = flikflooide; The instances of ratting
were not many = van onderkruiperij; Rat-catcher = rattenvanger;
Rat-snake = Indische, op ratten azende slang; Rat-tail (Rat’s-tail) =
rattestaart (paardenziekte); Rat’s-bane = rattenkruid; Rat-trap =
rattenval; Ratten = de gereedschappen wegnemen of vernielen om het
werken te beletten; posten; Ratter = rattenvanger, overlooper; Ratty =
waardeloos, gek.
Ratable, reitəb’l, schatbaar, waardeerbaar.
Ratafia, ratəfîə, rataf(f)ia, soort biscuit.
Ratan, rətan, riet, rotting.
Rataplan, ratəplan, rataplan; Rataplan verb. trommelen; Rat-a-tat,
ratətat, kloppen, kloppend geluid.
Ratch, ratš, slagrad v. een uurwerk, pal = Ratchet: Ratchet-wheel =
palrad.
Rate, reit, standaard, prijs, waarde, maatstaf, plaatselijke belasting,
tarief, vracht, snelheid, rang, graad, klasse van een oorlogschip; Rate
verb. schatten, bepalen; berispen, een standje maken: At a cheap (dear,
high) rate = voor weinig (veel) geld; The train rushed on at a furious
rate (At express rate) = met woedende vaart (met de vaart van een
sneltrein); At any rate = in elk geval, tot elken prijs; At the rate of
five per cent. = tegen 5 perc.; At the highest rate of exchange = tegen
den hoogsten koers; Rate of insurance (interest, wages) = premie,
rentestandaard, loonstandaard; You must not go on at this rate = op
deze manier; Rates = gemeentelasten; He is a first-rate fellow =
uitstekende kerel; Rated by time = ge- of berekend bij (naar) het uur;
He rated me for putting in a word = maakte mij een standje;
Rate-cutting = verlaging van tarieven; Rate-payer = belastingschuldige;
Rater: He is a first rater = First-rate fellow; The vessel is a second
rater = schip 2e klasse.
Rath, rath, Oud-Iersche versterkte woning.
Rather, râdhə, eer(der), liever, vooral, in hoogere mate dan, vrij,
tamelijk: It is rather cold to-day = vrij koud; Rather less = iets
minder; That is rather too much of a good thing = dat is wel een beetje
veel van het goede; I had (I would, I’d) rather = ik wou liever; I had
rather not = ik wou liever niet; Cold, isn’t it? Rather! = koud, he!
dat zou ik denken; You think it nice? (I do) rather! = vindt ge dit
lekker? òf ik.
Ratification, ratifikeiš’n, bekrachtiging; Ratify, ratifai,
bekrachtigen, goedkeuren.
Rating, reitiŋ, standje; schatting, rang: Persons of £20 rating = die
£20 belasting betalen.
Ratio, reišiou, verhouding, reden.
Ratiocinate, rašiosineit, gevolgtrekkingen maken; Ratiocination =
gevolgtrekking; Ratiocinative = logisch.
Ration, reiš’n, subst. rantsoen, portie; Ration verb. rantsoen geven,
in rantsoenen verdeelen (out): On full rations = op heel rantsoen.
Rational, rašən’l, met rede begaafd: Man is a rational and moral being
= de mensch is een redelijk, zedelijk wezen; Rational dress. Zie
Bloomers = Rationals; Rationale, rašəneilî, opgaaf van redenen,
beredeneerde opgaaf, rekenschap; Rationalism = godsdienst der rede,
rationalisme; Rationalist = aanhanger van het rationalisme;
Rationalistic = rationalistisch; Rationality = redelijkheid, gave der
rede; Rationalize = rationalistisch denken; verstandelijk verklaren;
subst. Rationalness.
Ratisbon, ratisbon.
Ratlin(e)s, ratlinz, weeflijnen (scheepst.).
Rattan, rətan, ratən, bamboes, Spaansch riet, wandelstok.
Ratteen, rətîn, ratijn (soort v. wollen stof); Rattinet, ratinet, dun
en fijn ratijn.
Rattle, rat’l, subst. geratel, ratel, gereutel, rammelaar, gekakel,
ijdel gesnap, babbelkous; Rattle verb. ratelen, rammelen, rochelen,
reutelen, aframmelen; verlegen maken, verschrikken (Amer.); beknorren:
The death-rattle = het rochelen of reutelen van een stervende; She
rattled away for ten minutes = zij babbelde tien minuten achter elkaar
door; He is a rattle-brain = malloot; Rattle-brained, Rattle-headed,
Rattle-pated = onbezonnen, dwaas; Rattle-snake = ratelslang (Amer.);
Rattlewort = klapperzaad; Rattling = opgewekt, uitstekend; subst.
rammeling: To give a person a rattling = een rammeling geven; A
rattling good light, portrait; He was in a rattling vein = zat op zijn
praatstoel.
Raucous, rôkəs, ruw, schor.
Ravage, ravidž, subst. roof, plundering, verwoesting; Ravage verb.
rooven, plunderen, verwoesten: Ravage of time = tand des tijds;
Ravager.
Rave, reiv, ijlen, raaskallen, gek zijn, dol (verliefd) zijn op; Raver.
Ravel, rav’l, verwarren, inwikkelen: To ravel out = uitrafelen,
ontwarren: My trousers were ravelled out at the heels = waren
uitgerafeld; Ravel(ment) = verwikkeling.
Ravelin, ravlin, ravelijn (vestingbouw).
Raven, reiv’n, subst. raaf; ongeluksprofeet; adj. raafkleurig, zwart:
Don’t be a raven = zie het niet zoo donker in; Raven locks.
Raven, rav’n, verslinden, rooven; Ravening = roofzucht; roofzuchtig;
Ravenous = roofgierig, verslindend, vraatzuchtig; subst. Ravenousness.
Ravine, rəvîn, ravijn, bergkloof.
Ravish, raviš, ontrooven, verkrachten; verrukken: He was ravished with
joy = verrukt, uitgelaten; Ravisher; Ravishing, verrukkelijk;
Ravishment = roof, verkrachting, verrukking.
Raw, rô, subst. rauwe, zeere of pijnlijke plek; adj. rauw, ruw, guur,
open, ontstoken, onervaren, onrijp, ongeoefend, niet afgereden,
natuurlijk, ongelooid, ongesponnen, onverdund of onvermengd: Raw
recruits = nog niet afgeëxerceerde recruten; Raw spirit = klare
jenever; She is raw and awkward = onbedreven en onhandig; To touch a
person (up)on the raw (upon the raw spot) = iemand in zijn zeer tasten;
Raw-boned = mager, beenig; Raw-head: The raw-head and bloody bones = de
bullebak met bebloeden kop en bloederige beenderen; Rawhide =
ongelooide koehuid; grove rijzweep; subst. Rawness.
Ray, rei, subst. straal, licht; rog; Ray verb. stralen schieten,
schitteren: Rayed animals = straaldieren; Rayless = duister, somber.
Raya(h), râjâ, niet-Mahomedaan in Turkije.
Rayleigh, reili; Raymond, reim’nd..
Raze, reiz, slechten, raseeren: The enemy’s fortress was razed to the
ground = met den grond gelijk gemaakt.
Razor, reizə, scheermes; Razor verb. scheren, wegsnijden, vernauwen
(down); Razor-back = vinvisch; zwijn of paard met spitsen rug;
Razor-bill = alk; Razor-strap, Razor-strop = aanzetleder, scheerriem.
Razure, reižə, doorhaling, uitschrapping.
Razzia, ratsiə, râziə, rooftocht, overval, razzia.
Razzle-dazzle, raz’ldaz’l, duizelig (dronken) maken, beetnemen; subst.
dronkenschap, herrie, zwendel.
Reabsorb, rîəbsöb, weder opslorpen; subst. Reabsorption, rîəbsöpš’n.
Reaccess, riaksəs, rîəkses, nieuwe toegang, terugkeer.
Reach, rîtš, subst. bereik, draagkracht, uitgestrektheid, bekwaamheid,
rak; Reach verb. uitsteken, uitstrekken, aanreiken, overreiken,
verkrijgen, bereiken: Reach of a river = rak; It was beyond my (not
within my, out of my) reach = niet in mijn bereik, buiten mijn bereik
(macht); He is out of reach of the police = hij is buiten bereik der
politie; The king is a man of deep reach = een knappe kop; Reach of
thought = scherpzinnigheid; He reached his jacket = kreeg, greep; This
writer reaches his public = pakt, boeit; What should an author do to
reach his readers? = te boeien; They could not reach at the ceiling =
raken, met de handen komen aan; He reached forth both his arms = stak
uit; He reached out with his long arms = stak uit; News has reached
here that = er is hier bericht gekomen; Reach-me-down-clothes =
gemaakte manskleeding, meest broeken.
Re-act, rî-akt, nogmaals doen of opvoeren; React, riakt, reageeren op,
terugwerken; Reaction = terugwerking, reactie; Reactionary, subst.
reactionair; adj. terug- of tegenwerkend; Reactive = reageerend,
gevoelig voor (to), reactionair; subst. Reactivity.
Read, rîd; Imp. en P.P. red, lezen, aflezen, uitleggen, raden,
doorzien, studeeren, luiden: They could not read the clock = op de klok
zien; To read futurity = in de toekomst lezen; To read music = van ’t
blad spelen of zingen; Read me that riddle = los me dat raadsel op; To
read between the lines = tusschen de regels lezen; To read for an
examination = studeeren voor; He read himself in = hield zijn
intreerede; Can you read this off hand = dit zoo voor de vuist lezen?
This may be read off both ways = gelezen worden op twee manieren; To
read over the proofsheets = nalezen; He read out the 68th psalm = las
hardop voor; To read to a person = iemand voorlezen; To read to
oneself; I must read up for it first = er mij eerst inwerken; The book
reads very well = laat zich goed lezen; The passage reads thus = de
passage luidt aldus; To be better-, best-, ill-read = meer, het meest,
weinig algemeen ontwikkeld; He is well-read in the classics = hij is
goed thuis; Readable = leesbaar, lezenswaard; subst. Readableness;
Reader = lezer, voorlezer, corrector, leesboek: The general reader = de
lezer in ’t algemeen, de gewone lezer; Where is my English reader?
Readership = lectoraat. Zie Reading.
Readiness, redinəs, gereedheid, bereidwilligheid, bereidvaardigheid,
stiptheid: Readiness of mind (Readiness of wit) = tegenwoordigheid van
geest; Readiness of speech = welbespraaktheid.
Reading, rîdiŋ subst. het lezen, voorlezing, belezenheid; discussie;
adj. belust op lezen of studeeren, ijverig: I have done a lot of
reading = hard gevost; The third reading of the bill will take place
next week = de derde lezing (artikelsgewijze behandeling van het
wetsontwerp); Balliol was not then a reading college = in het B.
College werd destijds niet hard gestudeerd; I am not a reading man = ik
houd niet van lezen; Reading-book = leesboek; Reading-desk (-stand) =
lezenaar; Reading-lamp; Reading-party = excursie, studiereisje;
Reading-room = leeszaal.
Reading, rediŋ.
Readjourn, rîədžɐ̂n, nogmaals verdagen; subst. Readjournment.
Readjust, rîədžɐst, opnieuw regelen en ordenen; subst. Readjustment.
Readmission, rîadmiš’n, wedertoelating; Readmission verb. Readmit;
subst. Readmittance.
Readopt, rîədopt, weder aannemen.
Readorn, rîədön, opnieuw versieren.
Ready, redi, adj. gereed, klaar, bereid, snel, vlug, gemakkelijk, kort,
geneigd, nabij, bij de hand, contant; Ready verb. klaar maken: Ready
all! = klaar om te wenden! Ready for sea = zeilklaar (zeetermen); They
made ready for the journey = zij maakten zich klaar voor de reis; Paid
in ready money = contant; Ready-made = vooraf gemaakt: Ready-made
clothing establishment = magazijn van confectie-artikelen; Ready-money
transactions = handel à contant; Ready payment = contante betaling;
Ready-reckoner = boek met tabellen om berekeningen gemakkelijk te
maken; Ready-wit = gevatheid: He is a ready-witted fellow = hij is een
gladde baas.
Reaffirm, rîəfɐ̂m, opnieuw bevestigen.
Reagent, rîeidž’nt, reageermiddel.
Reaggravation, rîagrəveiš’n, laatste vermaning (de Monitio peremptoria)
aan den schuldige vóór de kerkelijke censuur over hem werd
uitgesproken.
Real, rîəl, werkelijk, waar, echt, onvervalscht, voortreffelijk: Real
estate, zie Estate; Real money = klinkende munt; Real presence = de
werkelijke tegenwoordigheid van Christus bij het avondmaal; Realism =
realisme; Realist = realist; Realistic = realistisch; Reality, rialiti,
wezenlijkheid, werkelijkheid, feit: Realities of Irish life = het leven
in Ierland; Realization, subst. v. Realize = verwezenlijken, uitwerken,
bewerken, beseffen, werkelijk maken, realiseeren, betaald worden,
halen: To realize a joke = snappen; To realize a price = opbrengen;
Realness = Reality; Realty = vast goed, grondbezit.
Real, rîəl, reiəl, rial, reaal (Spaansche munt: ± 11 cent).
Reallege, rîəledž, opnieuw aanvoeren.
Realliance, rîəlaiəns, hernieuwd verbond.
Realm, relm, koninkrijk: Peer of the Realm = rijksgroote, lid van ’t
Hoogerhuis.
Ream, rîm, subst. riem = 20 boek = 480 vel (Printer’s ream = 516 vel);
Ream verb. verbreeden, rekken, uitboren; adj. echt, natuurlijk; Reamer
= boorwerktuig.
Reanimate, rianimeit, bezielen, doen herleven; subst. Reanimation.
Reannex, rîəneks, opnieuw aanhechten; subst. Reannexation.
Reap, rîp, maaien (van koren), inoogsten, verkrijgen, verdienen; Reaper
= oogster, maaier; Reaping-hook = sikkel; Reaping-machine =
maaimachine; Reaping-time = oogsttijd.
Reapparel, rîəpar’l, weer kleeden.
Reappear, rîəpîə, opnieuw verschijnen; subst. Reappearance.
Reapply, rîəplai, opnieuw aanwenden, zich op nieuw wenden (tot).
Reappoint, rîəpôint, opnieuw aanstellen; subst. Reappointment.
Rear, rîə, subst. achterhoede, achterkant, achtergrond; adj. achterste,
laatste: He was (in) at the rear, fell, moved to the the rear = was op
den achtergrond (in de achterhoede), bleef achter, ging naar den
achtergrond (de achterhoede); The sepoys brought up the rear = vormden
de achterhoede; Rear-admiral = schout-bij-nacht; Rear-guard =
achterhoede; Rear-line (Rear-rank) = achterste gelid; Rearward, subst.
achterhoede, laatste troep; adj. naar de achterhoede, naar achteren.
Rear, rîə, verb. grootbrengen, opkweeken, fokken, bouwen, oprichten,
steigeren: The horse reared and plunged = steigerde en sloeg achteruit.
Rearise, rîəraiz, weer opkomen.
Reascend, rîəsend, weder beklimmen; subst. Reascension.
Reason, rîz’n, subst. rede, vernuft, verstand, oordeel, recht,
gematigdheid, billijkheid, reden, evenredigheid; Reason verb.
redeneeren, overreden, bespreken: That’s the reason why I declined =
daarom; To regain one’s reason = weer bij zijn verstand komen; To talk
reason = zijn verstand gebruiken, verstandig praten; By reason of =
wegens, van wege; For that very reason = juist om die reden; In reason
= met mate; I will pay you any sum in (all) reason, which you may ask
of me = elke billijke som; It stands to reason that I cannot go there =
het spreekt vanzelf; He reasoned me into voting for that candidate =
heeft mij bepraat om; I could not reason him out of his folly = kon hem
zijne dwaasheid niet uit het hoofd praten; Reasonable = redelijk, voor
redeneering vatbaar, billijk, matig: I shall be back by a reasonable
hour = op behoorlijken tijd; Reasonable price; subst. Reasonableness;
Reasoner = redeneerder; Reasoning = redeneering; Reasonless.
Reassemble, rîəsemb’l, opnieuw verzamelen of bijeenkomen.
Reassert, rîəsɐ̂t, opnieuw bevestigen, zich weer doen gelden; subst.
Reassertion.
Reassign, rîəsain, weder toe- of aanwijzen.
Reassume, rîəsiûm, hervatten, hernemen; subst. Reassumption.
Reassurance, rîəšûrəns, subst. v. Reassure, rîəšûə, opnieuw verzekeren,
geruststellen; Reassuring news, tidings = geruststellende berichten.
Reattach, rîətatš, opnieuw verbinden; subst. Reattachment.
Réaumur, Fr. uitspr.
Reavow, rîəvau, opnieuw betuigen.
Reay, rei.
Rebaptism, rîbaptizm, wederdoop; Rebaptize, rîbəptaiz, herdoopen.
Rebate, ribeit, subst. rabat, korting, speciale (verlaagde)
vrachttarieven; soort v. harde zandsteen; Rebate verb. verminderen,
rabat geven of korten; Rebatement = vermindering, korting.
Rebec(k), rîbek, ouderwetsche driesnarige viool.
Rebel, reb’l, subst. oproerling; adj. oproerig.
Rebel, ribel, oproer maken, in opstand komen, muiten: They rebelled
against the lawful authority = kwamen in opstand tegen; Rebeller =
Rebel; Rebellion, ribelj’n, opstand, oproer: The Great Rebellion = de
Eng. revolutie van 1642–1660; de Amer. burgeroorlog van 1861–1865;
Rebellious = oproerig; subst. Rebelliousness.
Reboant, reboənt, weerklinkend.
Reboil, rîbôil, opnieuw koken.