Question, kwestj’n, subst. vraag, ondervraging, geschilpunt,

interpellatie, opgaaf, twijfel, rekenschap; Question verb. vragen,

ondervragen, betwijfelen: Question! = Ter zake! uitroep als een spreker

in het Parlement van het onderwerp afdwaalt; That is a (the) question =

de vraag; If it is a fair question = als ik vragen mag, als het niet te

onbescheiden is; The previous question = de prealabele kwestie; Beside

the question = er buiten; The point in question = het punt van

discussie; That is altogether out of the question = daar is heelemaal

geen sprake van; It is him without a question = hij is het

ongetwijfeld; It is a question of time; There is no question about it =

geen twijfel aan; To ask a question = eene vraag doen; He begged the

question = hij nam als bewezen aan, wat nog bewezen moest worden; The

question-begging use of certain terms = het zonder bewijs gebruiken van

zekere uitdrukkingen, als: “The will of the nation”; The House is

calling for the question = (het Lagerhuis) de vergadering verlangt

sluiting van het debat; His repentance was called in question = werd

betwijfeld; Questions will be invited at the close of the meeting =

gelegenheid om vragen te stellen zal worden gegeven; To pop the

question = ten huwelijk vragen; To put a leading question = een vraag

doen waarbij men tegelijk het antwoord in den mond geeft; To put a

person to question = in verhoor nemen (ook onder folteringen); He put a

question to the Home Minister = stelde een vraag aan den Min. v.

Binnenl. Zaken; To put the question = (voorstellen) de debatten (te)

sluiten en tot stemmen over te gaan; This question is settled = die

zaak is in orde, dit geschil is beslist; Remember you question with a

cruel man = dat gij te doen hebt; Question-time = tijd om vragen te

richten tot de regeering (House of Commons); Questionability =

twijfelachtigheid; Questionable = betwijfelbaar, twijfelachtig; subst.

Questionableness = betwijfelbaarheid; Questioner = vrager, onderzoeker;

Questionless = ongetwijfeld.

Questor, kwestə, Zie Quaestor.

Queue, kjû, staart, staartpruik: To form a queue = “queue” maken.

Quibble, kwib’l, subst. spitsvondigheid, woordspeling, uitvlucht,

voorwendsel: Quibble verb. ontwijken, uitvluchten zoeken, spitsvondig

zijn, woordspelingen maken; Quibbler.

Quick, kwik, subst. levend vleesch, levende haag; adj. vlug,

levend(ig), opwekkend, snel, haastig, gevoelig, hevig, sterk, fijn; To

cut (sting, touch) to the quick = tot in ’t levende vleesch snijden,

een pijnlijke snaar aanroeren, diep wonden (fig.); Quick ear = fijn

gehoor; Quick of ear = scherp van gehoor; Quick eye = scherpe blik;

Quick of scent = met fijnen neus; Quick of sight = scherp van gezicht;

The quick and the dead = de levenden en de dooden; Be quick about it =

gauw wat; He is quick at figures = hij is vlug in het rekenen, rekent

vlug; He is a quick-answered boy = gevat jongetje; Quick-beam = gewone

lijsterbes; Quick-eyed = scherp van gezicht; Quick-fence = levende

haag; Quick-grass = kweek; Quicklime = ongebluschte kalk; Quick-march =

versnelde pas; Quick-match = gezwinde lont; Quicksand(s) = drijfzand;

Quick-scented = met fijnen reuk; Quickset = uit levende planten

bestaande (Quickset hedge = levende haag); subst. levende plant (haag);

Quick-sighted = scherp van gezicht; Quicksilver = kwikzilver;

Quicksilvered = met kwikzilver bedekt; Quick-step = Quick-march;

Quick-tempered = opvliegend, prikkelbaar; At double quick-time = in den

looppas; Quick-witted = scherpzinnig, gevat; Quicken = levend worden,

zich snel bewegen, trekken, leven vertoonen (gevoelen), opwekken,

bezielen, aanvuren, versnellen, opscherpen; ook subst.: Look out for

the quicken = houd je klaar voor het snellere tempo; To pick up the

quick = dit tempo aannemen; Quickener = opwekker, opwekking, opwekkend

middel; Quickness = vlugheid, snelheid, scherpte van blik, etc.

Quid, kwid, herkauwd voedsel, tabakspruim, een pond (geldstuk).

Quidditative, kwiditətiv, het wezenlijke van iets uitmakend; Quiddity,

kwiditi, het wezenlijk deel van iets; woordspeling, spitsvondigheid.

Quiddle, kwid’l, den tijd vermorsen, beuzelen; Quiddler = beuzelaar.

Quidnunc, kwidnɐŋk, nieuwsgierig neuswijs persoon, politieke

tinnegieter.

Quiesce, kwaies, stom zijn of worden (v. letters); Quiescence,

Quiescency = rust; winterslaap; het stom zijn; Quiescent, subst. stomme

letter; adj. kalmeerend, rustig, stil, vredig, stom: Quiescent draught

(powder).

Quiet, kwaiit, subst. rust, kalmte, vrede; adj. rustig, stil, gerust,

niet opzichtig, zonder omslag, familiaar; Quiet verb. kalmeeren, doen

bedaren, met rust laten, rustig of kalm worden (down): Have a quiet

dinner at our house, with us = eet familiaar bij ons; A quiet dress =

stemmige japon; A quiet horse = mak; It’s the way with all these quiet

ones = zoo gaat het met (zoo zijn) die stille, bedeesde meisjes; A few

weeks’ quiet = rust; Let me be quiet = laat me met rust; He kept it

quiet = sprak er niet van; To restore quiet = de rust herstellen;

Quiet, Spartan! = koest! At quiet = rustig; On the (dead) quiet =

(heel) in stilte; Quieten, kwaiət’n, tot rust of bedaren brengen: He

tried vainly to quieten the naughty child; Quieter = wie of wat stilt;

A Quieting draught = kalmeerende drank; Quietism = quiëtisme,

berusting, stille onderwerping, (leer van den Jezuïet Molina (1588);

Quietist = aanhanger van Quietism; Quietness = Quietude = rust, vrede,

berusting; Quietus, kwaiîtəs, ontheffing, ontlasting; ontslag.

Quill, kwil, subst. schacht (van vleugels), pen, stekel (van een

stekelvarken), spoel; Quill verb. fijn plooien: He carries a good, a

clever quill = hij heeft eene welversneden pen; Quill-driver =

veelschrijver, pennelikker; Quill-pen; Quill-toothpick = veeren

tandenstokertje; Quilling = fijn plooisel (van kant, tule of lint).

Quilt, kwilt, subst. gewatteerde sprei of deken; Quilt verb.

doornaaien, opstoppen, watteeren, twee stukken stof op elkander stikken

met watteering daartusschen (together); omwòelen; afranselen: She felt

the daisy quilt creeping up higher and higher = zij voelde den dood

naderen; The pipe was quilted with string for its longer preservation =

de pijp was met touw omwoeld; Quilted calves = valsche kuiten;

Tennyson’s works in quilted cover = in gewatteerden band; He went to

the quiltings long ago = hij is lang geleden gestorven.

Quin, kwin.

Quina, kînə, kwainə, kina.

Quinary, kwainəri, uit vijven bestaande, door 5 deelbaar.

Quince, kwins, kwee(peer).

Quincentenary, kwinsentənəri, kwinsəntînəri, 500 jarig (jubileum).

Quincey, kwinsi.

Quincunx, kwinkɐŋks, figuur als deze: ⁙

Quindecagon, kwindekəgon, vijftienhoek.

Quindecemviri, kwindisemvirai, 15 priesters belast met de bewaking der

Sibyllijnsche boeken.

Quinine, kwinîn, kwinain; kwainain (Amer.) kinine.

Quinquagesima, kwinkwədžesimə, tijd v. 50 dagen: Quinquagesima Sunday =

Zondag vóór de vasten.

Quinquangular, kwinkwaŋgjulə, vijfhoekig.

Quinquennial, kwinkwenj’l, vijfjarig of -jaarlijksch.

Quinquina, kinkînə, kwinkwainə, kinkinə, kina.

Quinsy, kwinzi, keelontsteking.

Quint, kwint, quint (muziek en schermkunst).

Quintal, kwint’l, ± 45,359 KG. of 100 KG.

Quintan, kwint’n, om de vijf dagen.

Quintessence, kwintes’ns, kern of keur van iets, quintessence;

Quintessential, kwintəsenš’l, tot het fijnste behoorende.

Quintet(te), kwintet, quintet.

Quintillion, kwintilj’n, 1 + 30 nullen (Engl.); 1 + 18 nullen (Amer.).

Quintuple, kwintjup’l, adj. vijfvoudig; Quintuple verb. vijfvoudig

maken; Quintuplet = (motor)fiets voor 5 personen.

Quip, kwip, subst. fijne of scherpe zet, schimpschot, wonderlijke

inval, woordspeling, speeldingetje; Quip verb. schertsen, beschimpen.

Quire, kwaiə, boek papier.

Quirinal, kwirinəl.

Quirk, kwɐ̂k, krul, uitvlucht, wonderlijke inval, woordspeling, loopje

in muziek: His paltry quirks did not impose on any member = zijne

flauwe uitvluchten; adj. Quirky.

Quirt, kwɐ̂t, rijzweep; ook verb. (Amer.).

Quist, kwist, ringduif.

Quit, kwit, adj. quitte, vrij, ontslagen; Quit verb. verlaten,

verzaken, opgeven; overlaten; terugbetalen, loonen, afrekenen,

vergelden: To be quit for = er af komen met; I shall be quit with you =

het je inpeperen; To go (get) quit = vrij komen, vrijgesproken worden;

He got notice to quit = hem werd de dienst (de huur) opgezegd; To quit

business = uit de zaken gaan; To quit scores = afrekenen; They quitted

the siege = hieven op; To quit smoking = opgeven; Quits = quitte, kamp,

gelijk: We are quits = we zijn quitte; To cry quits = verklaren

“quitte” te zijn; He played double or quits = dubbel of quitte;

Quit-claim, subst. afstand (van een recht); ook verb.; Quit-rent =

pacht, die van andere verplichtingen vrijstelt.

Quitch(grass), kwitšgrâs, kweek(gras).

Quite, kwait, geheel: I am quite with you = ik ga geheel met u mee, ben

’t geheel eens; A quite young girl = een heel jong meisje (Vergel.

quite a young girl = precies een jong meisje); You are quite out = je

hebt het heelemaal mis; Quite so = precies; Persons whom she considered

not “quite” = niet van haar stand.

Quittance, kwit’ns, betaling.

Quiver, kwivə, subst. trilling; pijlkoker; Quiver verb. trillen, beven,

sidderen, ritselen: In a quiver = sidderend; Quivered = van een

pijlkoker voorzien, in een koker of scheede.

Quixote (Don), donkwiksət; Quixotic, kwiksotik, dwaas romantisch,

buitensporig; Quixotism, Quixotry = Don Quichotterie.

Quiz, kwiz, grappenmaker, spotvogel, vreemde snaak, mikpunt (van

spotternij), nieuwsgierig persoon, raadsel, monocle; Quiz verb. voor

den gek houden, foppen, schertsen, begluren; Quizzer = snaak, schalk;

Quizzical = grappig, snaaksch; Quizzing-glass = monocle.

Quod, kwod, verkort. van Quadrangle, nor, doos: I’ll have you in quod =

ik zal je in de “doos” zien te krijgen.

Quodlibet, kwodlibet, spitsvondigheid, woordspeling, potpourri;

Quodlibetarian, kwodlibetêriən, iemand die over alles graag disputeert.

Quoif, kôif, kapsel, hoofdtooi, kap.

Quoin, kôin, uitspringende hoek (archit.); hoeksteen, keg.

Quoint, k(w)ôint.

Quoit, kôit, kwôit, platte ring: Quoits = spel daarmede: Deck quoits =

ringwerpen op dek.

Quondam, kwond’m, vroeger, voormalig.

Quorum, kwôr’m, voldoend aantal leden om een besluit te nemen.

Quota, kwoutə, evenredig (aan)deel, contingent.

Quotable, kwoutəb’l, wat aangehaald kan worden; Quotation, kwəteiš’n,

aanhaling, citaat, (genoteerde) prijs: Wheat was not in the market at

any quotation = er was geen tarwe te krijgen; Quotation of prices =

prijsnoteering; Quotation-marks = aanhalingsteekens; Quote, kwout,

aanhalen, citeeren, noteeren (van prijzen); Quoter.

Quoth, kwouth, zeide of zegt (ik, hij of zij); Quotha, kwouthə, zoo!

Quotidian, kwətidj’n, subst. en adj. (wat) dagelijks(ch) (voorkomt).

Quotient, kwouš’nt, uitkomst (eener deeling).

Quotum, kwout’m, quotum, evenredig aandeel.

R.

R, ɐ̂; The three R’s = (R)eading, (W)riting and (A)rithmetic; R(iver);

R(ex = koning of Regina = koningin); R. A. = Royal Academy, Royal

Academician, Rear Admiral (schout-bij-nacht) of Royal Artillery;

Rad(ix) = Root; R(oyal) A(gricultural) S(ociety); R(oman) C(atholic);

R(ural) D(ean); R(oyal) E(xchange); Recd. = received; Recpt. = Receipt;

Ref(erence); Ref(ormed) Ch(urch); Reg(ular); Reg(ius) Prof(essor);

Reg(istrar of Regiment); Rel(igion of Religious); Rel(ative) Pron(oun);

Rem(ark); Rep(ort of Representative); Rep(ublic) of Repub(lican); Retd.

= Returned; Reth(oric); Rev(elation, Revenues, Reverend, Review);

R(oyal) H(orse) A(rtillery); R(oyal) H(orse) G(uards); R(hode)

I(sland); R(equiescat) I(n) P(ace) = hij (zij) ruste in vrede; Riv(er);

R(oyal) M(ail) S(teamer); R(oyal) N(avy); R(eceiving) O(ffice);

Rom(an); Rom(an) Cath(olic); R(ight) R(everend); R(oyal) S(ociety for

the) P(revention of) C(ruelty to) A(nimals) = Koninkl. Maatschappij tot

Bescherming van Dieren; Rt. Hon. = Right Honourable; R(eligious)

T(ract) S(ociety); Russ(ia); R(evised) V(ersion); R(ight) W(orshipful)

G(rand) M(aster) = Groot-Achtbare Meester; Ry. = Railway.

Rabate, rəbeit, de valk weer op de vuist doen nederdalen.

Rabbet, rabət, subst. sponning; Rabbet verb. eene sponning maken;

Rabbet-plane = sponningschaaf.

Rabbi, rab(a)i, Rabbin, rabin, rabbi, rabbijn; adj. Rabbinic(al),

rəbinik(’l), rabbijnsch; Rabbinist, rabinist, Talmudist.

Rabbit, rabit, konijn: Buck, Doe rabbit = mannetje, wijfje; Welsh

rabbit = geroosterde sneden brood overgoten met in bier geweekte kaas;

onvertrouwbaar paard (sport); Rabbit-hole; Rabbit-hutch = hok;

Rabbit-warren = konijnenberg = Rabbitry.

Rabble, rab’l, janhagel, grauw, warboel; ook adj.

Rabid, rabid, dol, krankzinnig.

Rabies, reibiîz, hondsdolheid.

Raca, râkə, onwaardig (Matth. V. 22).

Raccoon, rəkûn, gewone waschbeer (Am.).

Race, reis, subst. geslacht, ras, soort, pittigheid (wijn), loop,

snelle vaart, wedloop of wedren, loopbaan, wortel; Race verb. snel

loopen, wedrennen: I will race you home = ik wil om het hardst met u

loopen wie het eerst thuis is; Races = (paarden)wedrennen; The Derby or

Epsom races; Race-boat = hardzeiler, boot voor wedstrijden; Race-course

= renbaan; molenbeek; Race-ginger = gemberwortels; Race-ground =

renbaan; Race-horse = renpaard, harddraver; Race-track = renbaan; Racer

= renner, renpaard, rijwiel, hardzeiler.

Racemation, rasimeiš’n, trosvormigheid; Raceme, rəsîm, bloeiwijze in

trossen; Racemic, rəsemik, rəsîmik: Racemic acid = druivenzuur;

Racemose, rasimous, trosvormig.

Rachel, reitš’l.

Rachitic, rəkitik, adj. v. Rachitis, rəkaitis, Engelsche ziekte.

Racial, reiš’l, ras...

Raciness, reisinəs, subst. v. Racy.

Racing, reisiŋ: Racing crew = bemanning van een Racing-boat

(Racing-yacht).

Rack, rak, subst. pijnbank, rad, rek, statief, rooster, ruif, arak;

halsstuk van kalfs- of schapevleesch; drijvende wolken; zekere

paardepas (tusschen draf en stap); ondergang, vernieling; Rack verb.

pijnigen, op de pijnbank brengen, afpersen, ontwringen, overdrijven,

als damp of mist voortdrijven en verdwijnen, met vluggen gang loopen,

voorzichtig aftappen of afschenken (om van droesem te zuiveren): To go

to rack and ruin = geheel te gronde gaan; To live at rack and manger =

zorgeloos voortleven; To put to the rack = op de pijnbank brengen (ook

fig.); He racked his brain(s), his wits about it = brak er zich het

hoofd over; Racking-can = klaarkan (voor wijn); Racking headache =

brekende; Racking pace = vlugge telgang; Rack-punch = punch van arak;

Rack-rent = schandelijk hooge huur: The rack-rented labourers = de op

schandelijke huren zittende arbeiders; Racker = iemand, die zulk een

pacht vraagt of moet opbrengen.

Racket, rakət, subst. raket; spektakel, rumoer; sneeuwschoen; Racket

verb. pret maken, boemelen: That’s just our racket = dat is net wat

voor ons; To keep, kick up a racket = lawaai, herrie schoppen; He could

not stand the racket and came to grief = kon niet tegen dat losbandige

leven; That will not stand the racket = kan niet tegen hetgeen ervan

geëischt wordt; Rackets = raketspel; Racketing = rumoerige

vroolijkheid; Rackety = druk tierend, lawaaiig: The rackety-tack of the

wheels = het geraas.

Racoon = Raccoon.

Racy, reisi, sterk van geur of smaak, pittig, pikant: Racy of the soil

= kenmerkend voor, eigen aan.

Rad, rad, verk. v. Radical.

Raddle, rad’l, rood blanketsel; Raddle verb. schminken, met rood krijt

merken: Those jabbering mummers with their raddled faces = die

schetterende acteurs met hunne rood gegrimeerde gezichten.

Radial, reidj’l, straalvormig; Radiance, Radiancy, reidj’ns(i),

straling, schittering, glans; Radiant, reidj’nt, stralend, schitterend,

glansrijk; subst. uitstralingspunt, straal: She was radiant with

happiness = straalde van geluk; Radiate, reidjit, adj. straalvormig;

straal, straaldier; Radiate verb. reidjeit, uitstralen; Radiator,

reidjeitə, uitstralend lichaam, verwarmingstoestel, radiator.

Radical, radik’l, subst. wortel, stam(woord), stamletter, radicaal

(pol.); adj. oorspronkelijk, uiterst, radicaal, tot den stam

behoorende: Radical party = radicale partij; Radical quantity =

wortelgrootheid; Radical sign = wortelteeken; Radicalism = de

beginselen der radicale partij; Radicate, radikeit, vast inwortelen,

vast wortel doen schieten: Radicated abuses = ingewortelde misbruiken;

Radication = het diep wortel schieten, wortelvorming.

Radio, reidiou: Radio-active substances = uitstralend als bijv. radium;

subst. Radio-activity; Radiogram, reidiəgram = Radiograph, reidiəgrâf =

radiogram; Radiography, reidiogrəfi, radiographeeren; Radiometer,

reidiomətə, radiometer, graadboog, vleugelborstel.

Radish, radiš, radijs, tweeslachtige waterkers: Horse-radish = mierik.

Radius, reidiəs, buitenste been van den vóórarm, straal (van een

cirkel); Radium, reidiəm, radium.

Radix, reidiks, wortel, basis, grondgetal.

Raff, raf, subst. vuil, schuim, deugniet, gepeupel (= Riff-raff): A

crowd of shabby raffs = schunnige kerels; Raff-merchant = handelaar in

rommel; Raffish = schunnig, liederlijk.

Raffle, raf’l, subst. loterij, verloting; Raffle verb. verloten, loten

om: The doll was put up in (put up to) a raffle = werd verloot; You

enticed me into raffling for that article = op dat artikel te loten;

Raffler.

Raft, râft, subst. vlot; ophooping van drijfhout in rivieren, troep

(Amer.); Raft verb. vlotten, op een vlot varen of vervoeren: How shall

we get rid of this raft of people? = hoe raken wij dit zootje kwijt;

Raftsman = vlotter.

Rafter, râftə, dakspar, balk; Rafter verb. van sparren voorzien.

Rag, rag, lap, lomp, vod: All in rags = Worn (out) to rags = in

flarden; To boil meat to rags = geheel fijn koken; Rags and bones! =

vodden en bonken! Rag-baby = pop; bankbiljet; Rag-book = een linnen

prenteboek, dat gewasschen kan worden; Rag-bolt = bout met weerhaken;

Rag-fair = voddenmarkt; Ragpicker = voddenraper; Rag-shop; Rag-sorter;

Rag-tag-and-bobtail (crowd) = janhagel; Rag-time = gesyncopeerde maat:

Rag-time airs = negerliedjes; Rag-man = lompenkoopman; duivel;

Rag-stone = brokkelige steen; Rag-wheel = kamrad: Rag-wort =

kruiskruid; Ragged = ruig, gescheurd, in lompen: Ragged schools =

scholen voor havelooze kinderen; Raggedness = schabbigheid,

haveloosheid.

Rag, rag, groenen, baren, donderen, straatschenderij bedrijven.

Ragamuffin, ragəmɐfin, ragəmɐfin, subst. schooier; adj. in lompen,

berooid.

Rage, reidž, subst. woede, toorn, geweld, razernij, zucht, manie, vuur;

Rage verb. woeden, razen, toornen: He was in (got into) a rage = was

(werd) woedend; Rage for building = bouwwoede; Accordion sleeves are

all the rage now = waaier-(harmonica) mouwen zijn nu erg algemeen: He

is all the rage = hij is het voorwerp van algemeene geestdrift;

Rageful.

Raggee, ragî, Indische grassoort.

Raglan, ragl’n, soort overjas.

Ragout, rəgû, ragout.

Raid, reid, subst. vijandelijke inval, strooptocht, razzia, inval van

de politie; Raid verb. een inval doen, prijzen drukken: A drug store

was raided the other day, and the stock was found to consist wholly of

strong liquor = de politie drong onlangs plotseling een (zoogenaamde)

drogistzaak binnen; Raider.

Rail, reil, subst. slagboom, dwarsstaaf, leuning, spoorstaaf, trein;

wachtelkoning; Rail verb. met hekwerk omgeven, met het spoor verzenden

of reizen; schimpen, schelden, beleedigen: It is 40 minutes by rail =

per spoor; To drive off the rails = doen dérailleeren (ook fig.); To go

(get) off the rails = dérailleeren; All rails were high = alle

spoorwegactiën stonden hoog; I have railed it = ik ben met het spoor

gekomen; Railer = schimper; Rail-car = spoorrijtuig (Am.); Rail-fence =

houten hek; Rail-mill = fabriek van spoorstaven; Rail-road = spoorweg;

Rail-road flat = bovenhuis bestaande uit eene reeks in elkaar loopende

kamers.

Railway, reilwei, spoorweg, spoorbaan: Circular (Encircling), Double,

Single, Underground railway = ceintuurbaan, dubbel-, enkel spoor,

ondergrondsche spoorweg; Railway-accident = ongeluk; Railway-board =

directie; Railway-bridge; Railway-car (Amer.) = Railway-carriage =

wagon; Railway-guard = conducteur; Railway-guide = gids; Railway-pass =

vrijbiljet; Railway-share = spoorwegactie; Railway-signaller;

Railway-sleepers = dwarsliggers; Railway-ticket = kaartje;

Railway-traffic.

Raillery, reiləri, boert, scherts: He turned it into raillery = hij

maakte er een grapje van.

Raiment, reim’nt, gewaad, kleederen.

Rain, rein, subst. regen; Rain verb. regenen, laten regenen (Rains =

regentijd): It was pouring with rain = het goot; After rain comes

sunshine; A small rain lays great dust = men vangt meer vliegen met

honig dan met edik; As unconcerned as rain = doodleuk; Right as rain =

geheel klaar; lekker als een kip, kiplekker; Rain or shine = bij slecht

weer of mooi weer; It is raining cats and dogs = het valt met emmers

uit de lucht; Rainbow = regenboog; Rainbow-hued (Rainbow-tinted) = met

de tinten van den regenboog; Rain-cloud; Raincoat; Raindrop; Rainfall;

Rain-gauge = regenmeter; Rain-proof = Rain-tight = waterdicht, tegen

regen bestand; Rain-water = regenwater; Rainless; Rainy = regenachtig;

To save money (put by a penny) for a rainy day = een appeltje voor den

dorst bewaren.

Raise, reiz, verheffen, opheffen, optillen, tot aanzijn brengen,

opwekken (van dooden), verhoogen, rechtop zetten, bouwen, opbouwen,

heffen, opwerpen; subst. verhooging, opslag: To raise a blister = een

blaar trekken; To raise a blockade (a siege) = opbreken, opheffen; To

raise the carpets = opnemen; To raise a cry = aanheffen; To raise the

dead = doen opstaan; To raise a dust = stof opjagen (fig.); To raise

the eyes = opslaan; To raise a laugh at the expense of a person =

iemand belachelijk maken; To raise a loan = een leening uitschrijven; I

don’t know where to raise money = waar ik geld zal loskrijgen; The

purchase was raised = de hefboom werd in werking gebracht; To raise

questions = vragen (kwesties) opwerpen; To raise the wind = geld zien

los te krijgen; lawaai maken, opschudding veroorzaken; Raised letters =

letters in reliëf; Raised work = gedreven; Raiser = verbouwer, teler,

fokker; Raising-bee = gemeenschappelijk bouwen van een huis door bij

elkaar wonende farmers (Amer.).

Raisin, reiz’n, reizin, rozijn.

Raja(h), râdžə, reidžə, Indisch vorst; Rajaship; Rajpoot, Rajput,

râdžpût, afstammeling van de oude krijgmanskaste (Ind.).

Rake, reik, subst. hark, krabber; losbandig mensch; helling van steven,

mast of schoorsteen; Rake verb. harken, of bijeenschrapen, verzamelen,

ophoopen, zoeken, ophalen, naspeuren, “opsnorren”, vuren langs of in de

lengte van een schip, losbandig zijn, zuipen, overhellen, nauwkeurig

onderzoeken: He is as lean as a rake = zoo mager als een talhout; A

reformed rake makes the best husband; To rake a fire = inrakelen,

dekken; He took the glass and raked it = dronk het leeg; To rake up

things = oprakelen (fig.); Rakehell = adj. liederlijk, woest; subst.

lichtmis, woesteling; The rakings were put into the dustbin = het

opgeharkte; Rakish = liederlijk, losbandig; hellend; subst. Rakishness.

Rakshas(a), rakšas(ə), booze geest (Indië).

Rale, râl, gerochel.

Raleigh, rôli.

Rally, rali, subst. bijeenbrenging, hereeniging, signaal voor

verzamelen, hernieuwde aanval, herstel van orde of krachten of prijzen,

scherts, grove boert, relletje; Rally verb. hereenigen, samentrekken

(van verspreide of uiteengejaagde troepen), de krachten of orde

herstellen; plagen, schertsen met: She rallied her husband on his

credulity = plaagde hem met; Rallying: Rallying-point = punt van

verzameling; Rallying-signal.

Ralph, râf, ralf, reif; Ralston, rôlst’n.

Ram, ram, ram, rammei, ramschip; Ram verb. rammen, rammeien,

vaststampen, instampen: Hydraulic ram = waterram; Ram’s horn =

ammonshoorn (versteend weekd.); Ram-rod = laadstok; Rammer = heiblok,

straatblok, laadstok; Rammish = sterk ruikend, stinkend, geil = Rammy.

Ramad(h)an, ramədân, Ramazan, raməzân, ramadan, 9e maand van het

mahomedaansche jaar, de vastenmaand.

Ramayana, râmâjənâ, een Indisch epos.

Ramble, ramb’l, subst. wandeling, uitstapje, zwerftochtje; Ramble verb.

rondzwerven, uitstapjes doen, verward zijn, afdwalen, bazelen; Rambler;

Rambling = wijdloopig, stelselloos: A rambling village = onregelmatig

gebouwd.

Rameous, reimiəs, tak.

Ramie, rami, rameh.

Ramification, ramifikeiš’n, subst. v. Ramify, ramifai, (zich)

vertakken, takken of spruiten schieten.

Ramose, rəmous, reimous, vertakt.

Engelsch woordenboek. Eerste deel: Engelsch-Nederlandsch (met uitgeschreven verkortingen) · 第 101 / 152 段