Pratique, pratik, handelsverkeer, verlof aan een schip om binnen te

vallen na de quarantaine of na eene verklaring, dat het niet in

besmette havens is geweest: The vessel was admitted to pratique = de

quarantaine werd opgeheven.

Prattle, prat’l, subst. (kinder)gesnap; Prattle verb. snappen, kakelen;

Prattler.

Prawn, prôn, steurgarnaal.

Praxis, praksis, uitoefening, gebruik, (verzameling van) voorbeeld(en).

Praxiteles, praksitəlîz.

Pray, prei, verb. bidden, smeeken, aanroepen; interj. eilieve!: I pray

to God to bless you; Pray be quiet = wees als ’t u belieft rustig;

Prayer, prêə, gebed, smeekbede; preijə, bidder: The Book of Common

Prayer = de liturgie der Engelsche staatskerk; The Lord’s Prayer = het

“Onze Vader”; The child said its prayers, and Heaven heard them = het

kind zei zijne gebeden op, en de hemel verhoorde ze; Prayers =

godsdienstoefening (b.v. bijbellezen, etc.) in huis; Prayer-book =

gebedenboek; Prayer-meeting = bidstond; Prayerful = godsdienstig,

vroom; Prayerless = het gebed veronachtzamend, ongodsdienstig;

Praying-desk = bidstoel.

Preach, prîtš, prediken, eene leerrede houden: To Preach at = preeken

tegen; She preached down her daughter’s heart with her worldly maxims =

zij ontnam hare dochter alle idealen door hare wereldsche gezindheid;

To preach to deaf ears; They preached up those principles = prezen

luide aan; The Preacher = Prediker; Preachership = predikambt;

Preachment = preek (in verachtelijken zin): A preachment in a novel is

contraband in art = dat gepreek in een roman is uit den booze in de

kunst; Preachy tone = preekerig.

Preacquaintance, prîəkweint’ns, vroegere kennis(making); adj.

Preacquainted.

Pre-Adamic, prîadamik, vóór Adams tijd; Pre-Adamite, prîadəmait, subst.

bewoner der aarde vóór Adam; adj. vóór Adam bestaande = Pre-Adamitic,

prîadəmitik.

Preadmonish, prîadmoniš, vooraf vermanen; subst. Preadmonition.

Preamble, prîamb’l, voorrede, inleiding; Preamble verb. van eene

inleiding voorzien; adj. Preambulary.

Preappoint, prîəpôint, vooraf bepalen of aanstellen; subst.

Preappointment.

Preaudience, prîôdj’ns, rangorde (voorrang) bij de rechterlijke macht.

Prebend, preb’nd, prebende, bezoldiging v. een domheer; Prebendal,

pribend’l, prebənd’l, tot eene prebende behoorende; Prebendary,

preb’ndəri, dienstdoend domheer (tegenover Canon, titulair domheer);

Prebendaryship.

Precarious, prikêriəs, in hooge mate onzeker, van den wil van een ander

afhangend; opzegbaar; subst. Precariousness.

Precaution, prikôš’n, subst. voorzorg, voorbehoedmiddel; Precaution

verb. vooraf waarschuwen: To take Precautions; Precautionary = uit

voorzorg: Precautionary measures = voorzorgsmaatregelen; Precautious,

prikôšəs, omzichtig, behoedzaam.

Precede, prisîd, voorgaan, voorafgaan; Precedence, prisîd’ns, voorrang,

voortreffelijkheid: The French ambassador took (had) precedence of all

the court = had den voorrang boven allen aan het hof; Precedent,

prisîd’nt, voorafgaand; Precedent, president, antecedent: To be without

a precedent.

Precentor, prisentə, koorleider, voorzanger; Precentorship.

Precept, prîsept, voorschrift, bevel, grondregel, mandaat; Preceptor,

priseptə, onderwijzer, opvoeder: College of Preceptors = een

onderwijzersvereeniging, waaraan door den staat het recht van opleiding

en examineeren is toegekend; Preceptorship; Preceptory, priseptəri,

prîseptəri, subst. godsdiensthuis der tempeliers; seminarium; adj.

voorschriften bevattende.

Precession, priseš’n, precessie; adj. Precessional.

Precinct, prîsiŋkt, grens, gebied.

Precious, prešəs, kostbaar, dierbaar: A precious fellow = een mooie

vent (ironisch); Your precious things = je prullengoed; Precious

metals, stones = edele metalen, edelgesteenten; subst. Preciousness.

Precipice, presipis, afgrond, steilte, groot gevaar: He was rescued

from the precipice = van den afgrond gered; To walk on a precipice =

aan den rand des afgronds staan.

Precipitance, Precipitancy, prisipit’ns(i), overhaasting,

voorbarigheid; Precipitant, adj. overhaast, voorbarig, neerstortend;

subst. praecipitaat; Precipitate, prisipiteit, verb. neerstorten,

bezinken, aandrijven met groote haast of met geweld, blindelings

voorthollen, verhaasten (v. schreden of loop); subst. (prisipitit)

bezinksel, praecipitaat; adj. overhaast, overijld, onbezonnen,

nederstortend; Precipitation, presipiteiš’n, overhaasting, overijling,

praecipitaat of neerslag; Precipitator = overhaaster, overijler;

Precipitous, prisipitɐs, steil, overhaastig; subst. Precipitousness.

Precis, preisî, preisî, korte inhoud, excerpt: He was appointed as a

precis-writer in the Foreign Office = hij werd bij Buitenlandsche Zaken

als excerptenmaker aangesteld.

Precise, prisais, juist, nauwkeurig, overdreven correct, sekuur; subst.

Preciseness; Precisian, prisiž’n, Jantje sekuur, zemelknooper;

Precisianism = femelarij, vormelijkheid; Precision, prisiž’n,

nauwkeurigheid, stiptheid.

Preclude, priklûd, uitsluiten, beletten: This precludes ambiguity =

voorkomt; Space precludes us from quoting the passage = door gebrek aan

ruimte kunnen wij de passage niet aanhalen; Preclusion, priklûž’n,

ùitsluiting, voorkóming; Preclusive, priklûsiv, uitsluitend,

voorkómend.

Precocious, prikoušəs, vroegrijp, brutaal; subst. Precociousness =

Precocity, prikositi.

Precognition, prîkogniš’n, voorkennis; voor-onderzoek (Schotl.).

Preconceive, prîk’nsîv, vooraf opvatten of eene meening vormen:

Preconceived opinion = vooroordeel.

Preconcert, prîk’nsɐ̂t, vooraf overleggen of beramen; subst. Preconcert.

Precondemn, prîk’ndem, reeds vooraf (zonder onderzoek) veroordeelen;

subst. Precondemnation.

Preconization, prîkon(a)izeiš’n, benoeming tot een kerkelijk ambt;

Preconization verb. To preconize.

Precontract, prîk’ntrakt, vooraf overeenkomen, door een vooraf gemaakte

overeenkomst verbinden; subst. Precontract.

Precursor, prikɐ̂sə, voorlooper, voorteeken; Precursory = voorloopig,

inleidend, voorafgaand.

Predaceous, prideišəs, roof...

Predatory, predətəri, plunderend, roovend; roof...: Predatory raids =

strooptochten.

Predecease, prîdisîs, subst. vroegere dood; Predecease verb. vroeger

sterven: The doctors have frequently predeceased him = hem vaak

“doodgezegd”.

Predecessor, prîdisesə, predisesə, voorganger, voorouder.

Predestinarian, prîdestinêriən, subst. geloover in voorbeschikking;

adj. wat tot de voorbeschikking behoort; Predestinate = voorbeschikken,

vooraf bestemmen, vooraf bepalen; adj. pridestinit, voorbeschikt;

Predestination = voorbeschikking.

Predeterminable, prîditɐ̂minəb’l, vooraf bepaalbaar; Predeterminate,

prîditɐ̂minit, vooraf bepaald; Predetermination = vooraf gemaakte

bepaling; Predetermine = vooraf bepalen.

Predial, prîdj’l, behoorende tot (voortkomende uit) grondbezit: Predial

slave = lijfeigene.

Predicability, predikəbiliti, bevestigbaarheid; Predicable, predikəb’l,

subst. eigenschap-aanduidend woord; adj. wat gezegd of bevestigd kan

worden van iets.

Predicament, pridikəment, geval, toestand, kritiek geval, categorie,

klasse: To be in a pretty predicament = er leelijk aan toe zijn;

Predicamental, predikəment’l, categorisch, tot eene klasse behoorend.

Predicate, predikit, subst. gezegde, praedicaat; Predicate verb.

(predikeit) bevestigen; gronden of steunen op (Amer.); Predication =

bewering, bevestiging; Predicative = bevestigend = Predicatory.

Predict, pridikt, voorzeggen, voorspellen; Prediction = voorspelling,

profetie; Predictive = voorspellend; Predictor = voorspeller.

Predilection, prîdilekš’n, vooringenomenheid, voorliefde.

Predispose, prîdispouz, voorbereiden, neiging of geschiktheid hebben of

geven voor; Predisposition, prîdispəzišn, neiging tot, vatbaarheid

voor; voorbereiding.

Predominance, Predominancy, pridomin’ns(i), overhand, gezag,

heerschappij; Predominant = overheerschend; Predominate, pridomineit,

de overhand hebben, heerschen; subst. Predomination.

Predoom, prîdûm, vooraf veroordeelen of bestemmen.

Pre-elect, prî-ilekt, vooraf kiezen; subst. Pre-election.

Pre-eminence, prî-emin’ns, voorrang, meerdere voortreffelijkheid; adj.

Pre-eminent.

Pre-empt, prî-em(p)t, het (of door) vóórkoopsrecht verkrijgen (Amer.);

Pre-emption(-right), pri-em(p)š’n, recht van vóórkoop.

Preen, prîn, subst. gevorkte naald; Preen verb. met den bek (de veeren)

gladstrijken.

Pre-engage, prî-əngeidž, vooraf verbinden; subst. Pre-engagement.

Pre-establish, prî-əstabliš, vooraf vestigen of vaststellen; subst.

Pre-establishment.

Pre-examination, prî-əgzamineiš’n, voorafgaand onderzoek;

Pre-examination verb. Pre-examine, prî-əgzamin.

Pre-exist, prî-əgzist, vooraf bestaan; subst. Pre-existence; adj.

Pre-existent.

Preface, prefis, subst. voorrede, inleidend woord; Preface verb. van

eene voorrede voorzien, inleiden; Prefatory, prefətəri, inleidend,

voorafgaand.

Prefect, prîfekt, gouverneur, magistraat, prefect; Prefectship; The

prefectual system = het monitor-stelsel (in de school); Prefecture =

prefectuur.

Prefer, prifɐ̂, voordragen, aanhangig maken, aanbieden, verkiezen: To

prefer a bill = klacht indienen; To prefer a request = een verzoek

doen, voordragen; To prefer to (above, before) = verkiezen boven;

Preferred debts = preferente schulden; Preferred stock = pref.

aandeelen; Preferable, prefərəb’l, verkieslijk (before, to); subst.

Preferableness; Preference, prefərens, voorkeur: In preference to =

liever dan; Preference Bonds = prioriteitsobligaties; Preference Shares

= preferente aandeelen (wier houders een extra-dividend krijgen);

Preferment = voorrang, bevordering, hoogere betrekking (vooral

kerkelijke).

Prefix, prîfiks, voorvoegsel; Prefix, prifiks, voorplaatsen, aanhechten

aan het begin (to).

Preform, prîföm, vooraf vormen; subst. Preformation; adj. Preformative.

Pregnancy, pregn’nsi, zwangerschap; vruchtbaarheid, gewichtigheid: To

be far advanced in pregnancy; About the 7th month of her pregnancy; On

her 9th pregnancy; Pregnant = zwanger, vruchtbaar, vol beteekenis,

scherpzinnig, overtuigend, duidelijk: The times are pregnant with

important events = de tijden zijn zwanger van belangrijke

gebeurtenissen; It is pregnant = het is duidelijk.

Pregustation, prîgɐsteiš’n, voorproef, voorsmaak.

Prehensible, prihensib’l, grijpbaar; Prehensile, prihens(a)il,

grijpend, geschikt om mede te grijpen: Some animals have Prehensile

toes and tails = grijpteenen en grijpstaarten; Prehension, prihenš’n,

het pakken of grijpen.

Prehistoric(al), prîhistorik(’l), vóórhistorisch: A

prehistorically-minded person = zeer ouderwetsch mensch.

Prejudge, prîdžɐdž, vooraf oordeelen, zonder behoorlijk onderzoek

(ver)oordeelen: It was a prejudged case = het geval was al beslist of

uitgemaakt vóór onderzoek; subst. Prejudg(e)ment.

Prejudice, predžədis, subst. vooroordeel; nadeel, afbreuk, schade;

Prejudice verb. vóórinnemen, afbreuk doen, schaden: Last night’s events

had prejudiced me in his eyes = hadden mij bij hem kwaad gedaan; I am

not in the least prejudiced by what I heard about you = ik ben in het

minst niet geïnfluenceerd; Prejudicial, predžudiš’l, nadeelig,

schadelijk: To be prejudicial to = afbreuk doen aan.

Preknowledge, prînolədž, voorkennis.

Prelacy, preləsi, ambt van prelaat, alle prelaten, bisschoppelijke

regeering; Prelate, prelit, prelaat; Prelateship = prelaatschap;

Prelatic(al) = van een prelaat of prelaten; Prelatism = bisschoppelijke

kerkregeering; Prelatist = voorstander van bisschoppelijke

kerkregeering.

Prelect, prilekt, openbare redevoering of voorlezing houden; Prelection

= redevoering, voorlezing; Prelector = voorlezer, redenaar; lector.

Preliminary, priliminəri, inleidend, voorafgaand; Preliminary articles

= preliminairen = Preliminaries.

Prelude, preljûd, prîl(j)ûd, subst. voorspel, inleiding; Prelude verb.

(pril(j)ûd), inleiden, voorbereiden, een voorspel geven; Prelusive,

pril(j)ûsiv, inleidend, bij wijze van voorspel = Prelusory,

pril(j)ûsəri.

Premature, prîmətjuə, premətjuə, vroegrijp, ontijdig; subst.

Prematureness, Prematurity, prîmətjûriti, premətjûriti, vroegrijpheid,

voorbarigheid.

Premeditate, primediteit, bepeinzen, beramen, vooraf overleggen: The

murder was premeditated; subst. Premeditation.

Premier, premjə, prîmjə, eerste, voornaamste; subst. premier;

Premiership = waardigheid van eersten minister.

Premise, premis, premisse (ook Premiss gespeld); Premises, premisiz,

gebouw met alles wat er bij hoort, huis en erf.

Premise, primaiz, vooropstellen.

Premium, prîmj’m, belooning, prijs, premie, opgeld, agio, waarde boven

pari, hooge prijs: The Russian railway-shares are at a premium now =

staan nu boven pari; Pews in the centre aisle are at a premium = zijn

zeer gezocht.

Premonish, primoniš, vooraf waarschuwen; subst. Premonition,

prîməniš’n; Premonitive = Premonitory = vooraf waarschuwend.

Premunire; Zie Praemunire.

Prenatal, prîneit’l, vóór de geboorte.

Prentice, prentis, verk. van Apprentice; Prenticeship.

Preoccupancy, prîokjupənsi, (het recht op) vroegere inbezitneming;

Preoccupant; Preoccupation = vroegere inbezitneming; vooringenomenheid,

vooroordeel; Preoccupied = in gedachten verzonken; Preoccupy = vooraf

bezetten; geheel innemen, vóórinnemen.

Preordain, priödein, vooraf bepalen of beschikken; Preordination =

voorafgaande bepaling, vroeger besluit.

Prepaid, pripeid: Address prepaid to N.N. = men wende zich met franco

brieven tot N.N.

Preparation, prepəreiš’n, voorbereiding, voorbereidsel, huiswerk

(verkort: Prep.); Preparative, priparətiv, subst. en adj.

voorbereidend(e maatregel); Preparator; Preparatory, priparətəri,

voorbereidend, inleidend; Prepare, pripêə, voorbereiden, klaarmaken,

toebereiden: He prepared for his departure = maakte zich klaar voor; He

was almost prepared for anything = was haast op alles voorbereid; I am

not prepared to pretend that = dat durf ik niet beweren.

Prepay, prîpei, vooruitbetalen, frankeeren: Send a telegram and prepay

reply = met antwoord betaald; Prepayment = vooruitbetaling.

Prepense, pripens, voorbedacht, vooruit beraamd: Malice prepense.

Preponderance, pripondər’ns, overwicht, overmachtige invloed;

Preponderant = overwegend; Preponderate, pripondəreit, zwaarder wegen,

het overwicht hebben; subst. Preponderation.

Preposition, prepəziš’n, voorzetsel; Prepositional = als v. een

voorzetsel; Prepositive, pripozitiv, subst. en adj. voorop geplaatst

(woord); Prepositor, pripozitə, klassevoogd, monitor, prefekt.

Prepossess, prîpozes, vooraf in bezit nemen, voor zich innemen;

Prepossessing = innemend; Prepossession = vroeger bezit, vroegere

inbezitneming; voorafgevormde meening, vooringenomenheid; Prepossessor

= vroeger bezitter.

Preposterous, pripostərɐs, ongerijmd, belachelijk, dwaas, averechtsch;

subst. Preposterousness.

Prepotence, pripout’ns, Prepotency, pripout’nsi, groote macht,

overmacht; Prepotent = overmachtig, zeer sterk, invloedrijk.

Prepuce, prîpjûs, voorhuid.

Pre-Raphaelite, prî-rafəlait, kunstenaar (dichter, schilder), die de

voorgangers van Raphael tot voorbeeld neemt; adj. angstvallig getrouw

aan de natuur; Pre-Raphaelitism = de kunstrichting dezer mannen.

Prerogative, prirogətiv, voorrecht, privilege, prerogatief: Prerogative

court = oudtijds eene geestelijke rechtbank, ook tot onderzoek van

testamenten.

Presage, prîsidž, presidž, voorteeken, voorgevoel, voorkennis.

Presage, priseidž, voorspellen, een voorgevoel hebben van; subst.

Presagement.

Presbyopia, presbioupjə, vèrziendheid; Presbyopic, presbiopik,

vèrziend.

Presbyter, prezbitə, presbitə, ouderling, geestelijke van de

Presbyteriaansche kerk; Presbyterian, prezbitîriən, presbitîriən,

Presbyteriaansch, aanhanger v. Presbyterianism = stelsel v. kerkbestuur

door Presbyters; Presbytery = raad van ouderlingen, het

presbyterianisme.

Prescience, prîšiəns, vóórwetenschap, Prescient = voorafwetend.

Prescind, prisind, afsnijden; afzonderen.

Prescribe, priskraib, voorschrijven, geneeskundig behandelen (for),

ongeldig maken door verjaring, verjaren; Prescriber; Prescript,

prîskript, subst. voorschrift, bevel; adj. voorgeschreven;

Prescriptible = wat voorgeschreven mag worden; Prescription =

voorschrift, recept; recht door verjaring; Prescriptive = verjaard,

door lang gebruik verkregen: Prescriptive right.

Presence, prez’ns, tegenwoordigheid, gezelschap, nabijheid, uiterlijk,

spookverschijning, audientie: Presence of mind = tegenwoordigheid van

geest; In presence of a crisis = bij, tegenover; Real Presence = het

werkelijk aanwezig zijn van het vleesch en bloed van Christus bij het

avondmaal; Saving your presence = met allen eerbied voor u; de

aanwezige(n) uitgezonderd; Presence-chamber, Presence-room =

audientiezaal; Present, prez’nt, subst. tegenwoordige tijd; geschenk;

de onderwerpelijke zaak; adj. tegenwoordig, bestaand, gereed,

onmiddellijk, gunstig; Presents = (aanwezige) stukken of documenten: He

made me a present of it = hij gaf het mij ten geschenke = Gave it me as

a present; At present = op het oogenblik; For the present = voor het

oogenblik; Present tense; Presently = dadelijk.

Present, prizent, formeel voorstellen, aanbieden, ten geschenke geven,

vertoonen, voorleggen, presenteeren, aanleggen (v. een geweer), voor

een kerkambt voordragen, beschuldigen: He presented me with it = gaf

het mij ten geschenke; This noble subject ought to be presented

dramatically = in dramatischen vorm behandeld worden; Present arms =

presenteer ’t geweer; Presentable = presentabel: You do not look

presentable; Presentation = voorstelling, introductie, (recht van)

voordracht, (voor een kerkambt); vertooning: This is good material for

dramatic presentation = uitstekend geschikt voor eene dramat.

bewerking; The book contains much humour and vivid presentation = en

eene levendige wijze v. voorstelling; Presentation-copy =

present-exemplaar; Presentative, prizentətiv, het recht hebbend v.

voordracht; op aanschouwing berustend; Presentee, prez’ntî, die tot een

kerkambt of benefice wordt voorgedragen; Presenter; Presential,

prizenš’l, werkelijk aanwezig; Presentive, prizentiv: Presentive words

= begripsnamen; Presentment = voorstelling, gedrag, aanbieding, klacht.

Presentient, prisenšiənt, vooraf voelend of bemerkend; Presentiment,

prisentiment, voorgevoel.

Preservable, prizɐ̂vəb’l, wat bewaard of goed gehouden kan worden;

Preservation, prezəveiš’n, bewaring, onderhoud, inmaak; Preservative,

Preservatory, prizɐ̂vətiv, prizɐ̂vətəri, subst. en adj. bewarend of

goedhoudend (middel); Preserve, prizɐ̂v, subst. ingelegde vruchten,

gereserveerd vischwater of wildpark: Preservers = stofbril; Preserve

verb. redden, beschermen, handhaven, bewaren, goed houden, inmaken;

Preserver = bewaarder, beschermer, inmaker (van vruchten).

Preses, prîsîz, praeses, voorzitter (Schotl.).

Preside, prizaid, presideeren, het opzicht hebben, leiden: He presided

at the meeting = leidde (als voorzitter); He must not preside over us =

moet zich geen rechten over ons aanmatigen; Presidency, prezidensi,

presidentschap, (de waardigheid, het gebied, diensttijd v. een pres.);

voorzitterschap; President, prezident, voorzitter, president: President

elect = de verkozen, nog niet in functie zijnde president;

Presidential, prezidenš’l: The presidential address was loudly cheered

= de toespraak v. den president; Presidentship = presidentschap, zijn

tijd van dienst.

Presidial, prizidj’l, Presidiary, prizidjəri, garnizoens ...,

bezettings ...

Press, pres, subst. gedrang, menigte, druk, kast, linnen(pers),

drukpers, het gedrukte, couranten en tijdschriften, pressing (v.

zeelieden); Press verb. drukken, persen, (uit)knijpen, omhelzen,

pakken, dringen, inprenten, geweld uitoefenen, aandringen, krachtig

streven, pressen: Press of matters, work = hoop werk, dat “af” moet; I

am correcting the press = bezig de drukproeven na te zien; Just as we

are going to press = op het punt zijn, de copie naar den drukker te

zenden; I have written it out for the press = ik heb het voor den druk

gereed gemaakt; The book is in the press = wordt gedrukt; The ship was

under a press of sail = het schip had alle zeilen bij; We were very

hard pressed = zeer in ’t nauw gebracht; I am not going to press the

point = hierop nader aan te dringen; He presses into his service a

saying of Macaulay = tracht met geweld zijne meening te staven met een

beroep op; To press on = voortdringen; We pressed the boat on = lieten

de boot op het land loopen; The messengers were pressing onward =

renboden spoedden zich voort; Press-agency = agentschap voor de pers

(zooals Reuter’s Office); Press-bed = samenvouwbaar bed, slaapbank;

Press-buttons = drukknoppen (aan handschoenen, etc.); Press-copy =

afdruk met een copieerpers gemaakt; Press-gang = een troep zeelui met

opdracht om mannen door geweld of list tot dienstnemen op de vloot aan

te werven; Press-man = drukker, dagbladschrijver; geprest, of tot een

Press-gang behoorend zeeman: Press-money = handgeld; Press-work =

drukken v. de vellen op de pers; Presser = perser, drukker; Pressing =

dringend: Pressing necessity; Time is pressing; Pression = drukking,

persing; Pressure, prešə, druk(king); gedruktheid, onderdrukking;

moeilijkheid, dringendheid, kracht, drang: To put pressure upon a

person = pressie uitoefenen; He was leading a life at high pressure =

hij vergde veel van zijne krachten; These letters must be held over

owing to pressure on our space = wegens plaatsgebrek.

Prest, prest, gereed, klaar; Prest-money = handgeld.

Prestation, presteiš’n: Prestation-money = vroeger door Archdeacons

jaarlijks aan hunnen bisschop te betalen geld.

Prestidigitation, prestididžiteiš’n, goochelarij; Prestidigitator.

Prestige, prestidž, prestîž, invloed, gewicht.

Presto, prestou, snel: Hey presto = het “één, twee, drie: Passe” van

den goochelaar; Prestissimo = zeer snel.

Presumable, priziûməb’l, vermoedelijk; Presume, prižûm, vermoeden, voor

waar aannemen; wagen, durven, zich vermeten: To presume too far = te

ver gaan; Do not presume too much on my patience = verg niet te veel

van; Mr. Williams, I presume? = heb ik niet het genoegen meneer W. te

zien? Presuming = verwaand, aanmatigend, trotsch, vermetel;

Presumption, prizɐmš’n, vermoeden, waarschijnlijkheid; verwatenheid,

onbeschaamdheid; Presumptive, prizɐmtiv, vermoedelijk, waarschijnlijk:

Presumptive evidence = derivatief bewijs = Circumstantial of Indirect

evidence; Heir Presumptive = vermoedelijk troonopvolger; Presumptuous,

prizɐmtjuəs = aanmatigend, vermetel; subst. Presumptuousness.

Presuppose, prîsəpouz, vooronderstellen, voor waar aannemen;

Presupposition, prîsɐpəziš’n, vooronderstelling.

Presurmise, prisəmais, vooraf opgevat vermoeden, argwaan.

Engelsch woordenboek. Eerste deel: Engelsch-Nederlandsch (met uitgeschreven verkortingen) · 第 96 / 152 段