zeker kaartspel; Pope’s eye = de met vet omgeven klier in de dij van
ossen of schapen; Pope’s-head = lange bezem; Pope’s nose = stuit van
een gebraden vogel; Popedom = pausdom, pausschap; Popehood; Popery =
Roomsch-Kath. godsdienst (in ongunstigen zin): The No-Popery Plots = de
anti-R.-Katholieke samenzweringen.
Pope, poup, Pope; Popian = v. Pope.
Popinjay, popindžei, papegaai, specht, gaai (schietschijf in den vorm
van een papegaai), windbuil.
Popish, poupiš, pauselijk, paapsch.
Poplar, poplə, populier = Poplar-tree.
Poplin, poplin, popeline.
Poppet, popət, een der blokken waarop het schip ligt bij het van stapel
loopen; lieverd, popje, marionet.
Poppa = papa (Amer.).
Poppy, popi, papaver.
Poppycock, popikok: It’s all poppycock = allemaal onzin.
Populace, popjulis, volk, grauw; Popular, popjulə, bij het volk
geliefd, populair, gemakkelijk te begrijpen; Popularity, popjulariti,
populariteit; volksgunst; Popularization, subst. v. Popularize,
popjuləraiz, populair maken; Populate, popjuleit, bevolken,
voortplanten; Population = bevolking; Populous = dicht bevolkt, vol
menschen; subst. Populousness.
Porcate(d), pökit(id), evenwijdig geribd.
Porcelain, pöslin, subst. porselein; adj. porselein...: Porcelain-clay
= porseleinaarde; Porcelain-ware; Porcelainize = door hitte in eene
porseleinachtige stof veranderen; Porcel(l)anous, pösələnɐs,
pösəleinəs, pöselənɐs, porseleinachtig, porselein...
Porch, pötš, portiek, portico, portaal: The Porch = school der
Stoïcijnen.
Porcine, pös(a)in, tot de zwijnen behoorende.
Porcupine, pökjupain, stekelvarken: Porcupine quill.
Pore, pö, turen, staren, vlijtig studeeren (= To pore over, on, upon
one’s books), nauwkeurig onderzoeken.
Pore, pö, porie.
Porgy, pödži, soort v. zeebrasem (Am.).
Poriform, pôriföm, als eene porie.
Pork, pök, varkensvleesch; Pork-butcher; Porker = (gemest) varken;
Porkopolis = bijnaam voor Cincinnati en Chicago.
Pornographer, pönogrəfə, pornograaf; adj. Pornographic; Pornography =
pornographie.
Porose, pourous, poreus; subst. Porosity; Porous, pourəs, poreus;
subst. Poroseness.
Porphyritic(al), pöfiritik(’l), porfierachtig, porfier bevattend;
Porphyry, pöfiri, porfier.
Porpoise, pöpəs, bruinvisch: As fat as a porpoise = zoo vet als modder.
Porrect, porekt, uitgestrekt; ook verb.; subst. Porrection.
Porridge, poridž, havermeelpap.
Porringer, porinžə, kommetje, nap.
Port, pöt, haven; houding, voorkomen; portwijn; poort, ingang,
bakboord, geschutpoort; adj. aan bakboordzijde; Port verb. het roer
naar links overleggen: Free, Inner, Outport = vrijhaven, binnenhaven,
buitenhaven; The ship made (the) port = liep... binnen = put in at the
port; Port of departure, destination, distress, refuge (ook fig.);
Port-admiral = havencommandant; Port-bar = havenbank, boom om eene
haven of geschutpoort af te sluiten; Port-charges, Port-dues =
havengelden; Portcullis = hamei; Porthole = patrijspoort; Port-lanyard
(Port-rope) = touw om de deur der geschutpoort op te trekken; Portlast
= dolboord; Port-lid = deur eener geschutpoort; Port-side =
bakboordzijde; Port-town; Port-vein = poortader; Port-wine.
Portability, pötəbiliti, subst. v. Portable, pötəb’l, niet zwaar,
draagbaar; subst. Portableness; Portage, pötidž, het dragen, draagloon,
afbreking van eene waterverbinding (zoodat de goederen daarover moeten
worden gedragen).
Portal, pöt’l, deur, portaal, ingang, poortje.
Porte, pöt: The Sublime Porte = de Verheven Porte.
Portend, pötend, voorbeduiden, voorspellen; Portent, pötent, pötent,
(slecht) voorteeken; Portentous, pötentəs, onheilspellend, dreigend,
monsterachtig, ijselijk; subst. Portentousness.
Porter, pötə, portier, besteller, drager, kruier; porter (bier):
Porter’s lodge = portierswoning; Porterage, pötəridž, kruiersloon,
draagloon, bestelloon; Porteress = portierster.
Portfolio, pötfouljou, portefeuille: The portfolio for Foreign Affairs.
Portico, pötikou, overdekte zuilengang.
Portion, pöš’n, subst. gedeelte, portie, aandeel, erfdeel,
huwelijksgift; Portion verb. verdeelen, toebedeelen, begiftigen;
Portionist = een van de beursstudenten van Merton College (Oxf.);
clergyman die met anderen de inkomsten van een living deelt;
Portionless, zonder huwelijksgift.
Portland, pötlənd, schiereiland in Dorsetshire: Portland cement =
cement; Portland stone.
Portliness, pötlinəs, statigheid, deftigheid, gezetheid; adj. Portly.
Portmanteau, pötmantou, valies.
Porto, pötou, Oporto.
Portrait, pötrət, portret, schildering: Full-length portrait = portret
ten voeten uit; Half-length portrait = kniestuk, buste; I will have my
portrait taken = mijn portret laten maken; Portrait-painter =
portretschilder = Portraitist; Portraiture = portret, de kunst van
portretten maken, schildering.
Portray, pötrei, schilderen, portretteeren, beschrijven; Portrayal =
schildering, beschrijving; Portrayer = schrijver, beschrijver.
Portsmouth, pötsməth.
Portugal, pötjug’l, Portugal; Portug(u)ee = Portugees, Portugeesch;
Portuguese, pötjugîz, pötjugîs, pötjugîs, pötjugîz, subst. en adj.
Portugees(che taal), Portugeezen.
Pose, pouz, subst. pose, houding, stand; Pose verb. eene bepaalde
houding of een bestudeerd karakter (de allures) aannemen, poseeren,
verlegen maken, in de war brengen; Poser = moeielijke vraag, streng
examinator, “harde noot”: That’s a poser = dat is moeilijk te
verklaren.
Posit, pozit, vaststellen, als waar aannemen.
Position, pəziš’n, toestand, houding, gesteldheid, rang, stand,
betrekking, stelling: Of inferior social position = van minderen stand;
I am not in a position to pretend such a thing = ik ben niet in staat,
durf niet, zoo iets te beweren; You cannot make good this position =
die bewering niet bewijzen; He took up his position there = hij nam
daar positie, zijne positie in.
Positive, pozitiv, stellende trap, positief (in photographie); adj.
stellig, volstrekt, bepaald, werkelijk, dogmatisch, eigenzinnig,
koppig: I am quite positive = weet het zeker; I am positive in your
doing this = ik sta er op dat gij dit doet; He is not naturally
positive = het ligt niet in zijn aard, stijf op zijn stuk te blijven
staan; Positive degree = stellende trap; Positive electricity =
glas-electriciteit; Positive philosophy = positivisme, de wijsgeerige
richting, die het gebied van het weten bepaalt tot wat met de zinnen
kan worden waargenomen; Positive quantity = positief getal; subst.
Positiveness; Positivist = aanhanger van Positivism.
Posse, posi, mogelijkheid; menigte, hoop: A strong posse of police;
Posse Comitatus = de gewapende macht die een Sheriff kan oproepen.
Possess, pəzes, bezitten, bezetten, bemachtigen, zich overtuigen van,
beheerschen, vervullen: He acted like one (a man) possessed = als een
bezetene: He possesses himself = hij kan zich beheerschen; Great awe
possesses my soul = mijne ziel is vervuld van; Possess your soul in
patience = bezit in lijdzaamheid; Possession, pəzeš’n, bezit, eigendom,
bezitting: Possession is nine points of the law = zalig zijn de
bezitters; A writ of possession = een rechterlijk bevel van den Sheriff
om iemand in het bezit van een stuk grond te stellen; The man in
possession = Broker’s man (who is put in possession of the house till
the execution is paid out); To be in possession; To get possession of;
I gave him possession of (put him in possession of) his property =
stelde hem in het bezit van; He recovered possession of his goods = hij
herkreeg bezit van; He took possession of his own = hij nam wat het
zijne was; To take possession of a house = betrekken; Possessive case =
tweede naamval; Possessor = bezitter; adj. Possessory = bezittend,
betrekking hebbende op het bezit.
Posset, posət, warme melk, geronnen door bijvoeging van wijn, bier of
azijn, gekruid en zoet gemaakt; Posset verb. stremmen.
Possibility, posibiliti, mogelijkheid; Possible, posib’l, mogelijk: If
possible = zoo mogelijk; Possibly = mogelijk(erwijs): I cannot possibly
assist you = ik kan u onmogelijk helpen.
Possum, posəm, subst. opossum: To act (play) possum = zich dood houden,
ziek houden; To play possum with = bedriegen.
Post, poust, paal, stijl, post, ambt, plaats, militair station of post,
bode, brievenbesteller, postdienst, postkantoor, postpapier; Post verb.
aanplakken, op de kaak stellen, stationneeren, per post verzenden,
geheel op de hoogte brengen, boeken, snel of met postpaarden reizen;
adv. spoedig, snel: General Post = een gezelschapsspel; algemeene
promotie; The last post = laatste post; taptoe signaal (nu gewoonlijk
geblazen bij de begrafenis van een soldaat); To answer (reply) by
(return of, the first, the earliest) post = per (keerende) post; Lost
in the post = verloren geraakt; To ride post = als koerier rijden, snel
rijden; To send by post = per post; I was sent from post to pillar, and
from pillar to post = ze stuurden mij van ’t kastje naar den muur; He
is on the wrong side of the post = verkeert in een moeilijke positie;
You ought to have posted me about him = mij ’t noodige omtrent hem te
hebben meegedeeld; A notice was posted up in the market-place = eene
bekendmaking werd aangeplakt; He is well posted (up) in this branch of
learning = hij is goed op de hoogte; Her diary was posted up from her
fifteenth year = dagboek was bijgehouden; Post-box; Postboy =
postillon; Post-captain = rang tusschen commodore en captain (na 3 jaar
dienst); Post-card = briefkaart; Post-chaise, subst. postkar,
postwagen; Post-chaise verb. rijden met eene Post-chaise; Post-day =
dag, waarop de post aankomt of vertrekt; Post-free = franco;
Post-haste, subst. groote spoed; Post-horn = hoorn van den postillon;
Posthorse = postpaard; Posthouse = posthuis; Postman =
brievenbesteller; Postmark = postmerk; Postmaster = postmeester,
directeur van een postkantoor; Postmaster-general = directeur generaal
der posterijen (lid van het Cabinet); Post-office = postkantoor;
Post-office box; Post-office clerk = postambtenaar; Post-office
money-order = postwissel; Post-office savings-bank = postspaarbank;
Post-paid = franco, gefrankeerd; Post-stage = poststation (om te rusten
en van paarden te verwisselen); Post-time; Post-town = stad met een
postkantoor; Postage = port (van een brief): Additional postage =
strafport; Postage-stamp = postzegel; Postal = tot de posterijen
behoorende: Postal evolution = ontwikkeling van het postwezen; Postal
matters; Postal order = postbewijs = Postal note (Amer.); Poster =
renbode, postpaard, aanplakbiljet; Poste restante = poste restante (“to
be left till called for”); Posting: Posting-bill = aanplakbiljet;
Posting-hôtel, Posting-house = poststation, posthuis.
Post, poust (in samenst.), na, achter: Post-communion = het deel van
den dienst na het avondmaal; gebed na de mis; Postdate, poustdeit,
latere datum; Postdate verb. poustdeit = later dateeren; Postdiluvian =
subst. en adj. na den zondvloed levende; Post-entry = latere boeking,
latere aangifte; Post-fix = achtervoegsel; Post-fix verb. poustfiks;
Post-meridian, subst. en adj. namiddag; Post-mortem = na den dood: A
Post-mortem examination = lijkschouwing; Post-nuptial = na het huwelijk
gebeurende; Post-obit, poust-oubit, poust-obit, obligatie waarbij zich
de debiteur verplicht na den dood van een bepaald persoon eene grootere
som te betalen; Post-position = plaatsing na of achter iets anders;
Post-positive = na of achter geplaatst; Post-prandial = na den
maaltijd: A Post-prandial speech = rede aan het dessert gehouden;
Post-scenium = achtertooneel; Postscript = postscriptum.
Posterior, postîriə, later volgend: Posteriors = achterste; Posterity,
posteriti, nakomelingschap.
Postern, poustən, kleine deur, geheime ingang (ook: Postern-door;
Postern-gate), gewelfde doorgang onder de wallen eener vesting.
Posthumous, postjumɐs, na ’s vaders dood geboren, na den dood van een
schrijver uitgegeven: Posthumous papers, writings = nagelaten papieren,
geschriften.
Postil, postil, postille.
Postil(l)ion, poustilj’n, postiljon, voorrijder (op het linker paard).
Postpone, poustpoun, uitstellen, verdagen; subst. Postponement =
uitstel; Postponer.
Postulant, postjul’nt, vrager, sollicitant candidaat; Postulate,
postjulit, subst. postulaat; Postulate verb. (postjuleit) zonder bewijs
aannemen, verlangen, eischen; subst. Postulation.
Posture, postjə, houding, stand, toestand: In a posture of defence = in
verdedigende houding; Posture-maker, Posture-master = acrobaat.
Posy, pouzi, dichterlijk motto; bloem(tuiltje).
Pot, pot, pot, bloempot, kan die een quart inhoudt, formaat papier (31
× 37½ cM.), groote som (inzet); Pot verb. in potten zetten of planten,
inmaken of inleggen, parodieeren, (neer)schieten, zuipen: The pot calls
the kettle black = de pot verwijt den ketel dat hij zwart is; The iron
pot breaks all the cloam pipkins that float on the same water = met
groote heeren is het slecht kersen eten; Little pots are soon hot =
jongelui stuiven gauw op; To go to pot = op de flesch, te gronde gaan;
To keep the pot boiling = den boel (het gesprek) aan den gang houden;
To put the pot on = te veel vragen, overdrijven; To put on the pot =
hoog wedden; To pot a ball = stoppen (bilj.); We were potted at till we
were all hit = er werd op ons geschoten; He was potted out there = werd
daar geplaatst; Pot-bellied = met uitstekenden, ronden buik; Pot-boiler
= kunstwerk alléén om het geld gemaakt: Is it a novel with a purpose,
or only a pot-boiler? Pot-boilery portraits; Pot-boy = helper in eene
kroeg of een bierhuis; Pot-butter; Pot-companion = drinkgezel;
Pot-crane, Pot-hanger, Pot-hangle = pot- of schoorsteenhaak; Pot-hat =
hooge hoed; stijve vilthoed met ronden bol; Pot-herb = moesgroente;
Pot-hook = S-vormige haak om een pot of ketel aan te hangen; hanepoot
of “puthaak”: Pot-hooks and hangers; Pot-house = kroeg; Pot-hunter =
jager, die op alles schiet; broodjager, mededinger in een wedstrijd,
wien het alleen om de prijzen te doen is; Pot-hunting; Pot-ladle;
Pot-lid = potdeksel; To take Potluck = eten wat de pot schaft; Pot-man
= zuiplap; Pot-metal = legeering van koper en lood; soort v.
beschilderd glas; Pot-pourri = allegaartje, mengelmoes (ook fig.);
Pot-sherd = potscherf; Pot-shop = kroeg; Pot-shot = schot uit een
hinderlaag, welgemikt schot, schot van een Pot-hunter; Pot-valiant =
met jenevermoed bezield; Pot-waller (Potwolə) = Pot-walloper = iemand
die (tot 1832) op grond van een eigen kookgelegenheid en een verblijf
van 6 maanden in een kiesdistrict het stemrecht bezat; Potted meat =
geconserveerd vleesch; Potted plays = parodieën; Potter = pottenbakker:
Potter’s-clay = pottenbakkersaarde; Potter’s field = begraafplaats voor
armen, onbekenden, etc. (Matth. XXVII, 7); Potter’s-ore =
pottenbakkersverglaassel; Pottery = pottenbakkersgoed, pottenbakkerij.
Potable, poutəb’l, drinkbaar; subst. Potableness.
Potash, potaš, potasch = Potass(a), pətas(ə); Potassium, pətasiəm =
kalium; Whisky and potass = Whisky and soda.
Potation, pəteiš’n, drank, drinkgelag, het drinken.
Potato, pəteitou, aardappel: We ate the potatoes in the skin. Zie
Jacket; Baked, Boiled, Fried potatoes; Mighty small potatoes = niet
veel zaaks (bijzonders); Potato-disease (Potato-rot) = aardappelziekte;
Potato-trap = mond.
Pot(h)een, pot(h)în, (geheim gestookte) whisky (Ierl.).
Potence, pout’ns, krukvormig kruis (T); ook = Potency, pout’nsi, macht,
invloed; Potent, pout’nt, machtig, invloedrijk, sterk; Potentate,
pout’ntit, vorst, monarch; Potential, potentieel, mogelijk; subst.
potentiaal; subst. Potentiality.
Pother, podhə, subst. rumoer, verwarring; Pother verb. razen, rumoer
maken, plagen, hinderen.
Potion, pouš’n, drankje.
Potomac, pətoumək.
Potter, potə, zich met nietigheden ophouden of druk maken, strompelen,
zeuren, Úmhangen, treuzelen: He pottered about among various sciences =
liefhebberde zoo’n beetje in; They are potteringly European = bekrompen
Europeesch; The old potterer = de oude zeur of zanikkous.
Pottle, pot’l, maat van ± 2,272 L.; vruchtenmandje of bakje.
Pouch, pautš, zak, tasch, krop, balg, patroontasch, buidel (van het
buideldier); Pouch verb. in den zak steken (ook fig.), schenken.
Pouchong, pušoŋ, soort v. zwarte thee.
Poughkeepsie, poukîpsi; Poulett, pôlət.
Poulterer, poultərə, poelier.
Poultice, poultis, subst. pap; Poultice verb. pappen.
Poultry, poultri, pluimgedierte: Rearing of poultry = hoenderteelt;
Poultry-house = hoenderhok; Poultry-yard = hoenderhof.
Pounce, pauns, een fijn poeder, vroeger gebruikt in plaats van
vloeipapier; klauw (van roofvogels); Pounce verb. met radeerpoeder
bestrooien; aanvallen, neerschieten op: He is on the pounce = gereed om
aan te vallen; He fell pounce among them = pardoes; The policeman
pounced on a little innocent = greep een kleinen jongen, die niets
gedaan had; Pounce-box = strooier, reukdoosje.
Pound, paund, Engelsch pond (12 ounces Troy-weight = ± 373 gr., en 16
ounces Avoirdupois = ± 453,6 gr.); pond sterling; schuthok (voor vee);
Pound verb. in het schuthok zetten, slaan, stampen, tot poeder maken,
ploeteren, zwoegen, schieten (met zwaar geschut): The bankrupt paid two
shillings in the pound = betaalde 10%; The pounded earthen floor =
gestampte leemen; He pounded steadily at his great historical work =
werkte ijverig en geregeld aan; They kept pounding away = schoten maar
door; This pounding with the big guns at long range is not to my taste
= dat schieten met de kanonnen op grooten afstand; Pound-cake = een
soort gebak waarin de bestanddeelen pondsgewijs, of in gelijke deelen
voorkomen; Pound-foolish, Zie Penny; Pound-keeper = bewaker van den
schutstal; Poundage = belasting v. 1 sh. per £; schutten; staangeld;
Pounder = stamper; ... ponder: Ten pounder = tienponder, banknoot van
10 £.
Pour, pö, gieten, storten, stroomen, vloeien: It never rains but it
pours = een (on)geluk komt zelden alleen; He poured forth his heart to
me = stortte zijn hart voor mij uit; To pour in a volley = een salvo
geven; Shall I pour you out another glass? = zal ik u nog eens
inschenken?
Poussette, puset, subst. figuur v. d. country-dance, waarbij de 2 paren
elkaar kruiselings de hand geven en ronddraaien; Poussette verb. in
paren ronddraaien.
Pout, paut, subst. hoentje; meisje, liefje; het vooruitsteken der
lippen, het pruilen; Pout verb. de lippen vooruitsteken (om
gemelijkheid, landerigheid of verachting uit te drukken), pruilen,
uitsteken; Pouter = pruiler; kropduif.
Poverty, povəti, armoede, behoefte, gebrek, onvruchtbaarheid: To bring
a person to poverty, To reduce to poverty = tot armoede brengen.
Powder, paudə, subst. poeder, buskruit; Powder verb. tot poeder maken,
bestrooien of bepoederen, zouten, poeieren: To lie in powder = in
duigen liggen; You waste your powder and shot = verschiet vergeefs je
kruit; I am in good health and Powdering away at my novel = schrijf
hard aan mijn roman; Powder-box = poederdoos; kruitkist; Powder-cart =
caisson of kruitwagen; Powder-chest = kruitkist; springmijn;
Powder-flask = kruithoorn = Powder-horn; Powder-magazine = kruithuis;
Powder-mill = kruitfabriek; Powder-mine = kruitmijn; Powder-puff =
poederkwast; Powder-room = kruitkamer (in een schip); Powder-sugar;
Powdery = gelijkende op kruit of poeder (poeier), kruimelig, stoffig,
gepoederd.
Powell, pauəl, pouəl.
Power, pauə, macht, kracht, vermogen, geest, bekwaamheid, invloed,
gezag, mogendheid, menigte, hoop: Power of attorney = volmacht,
procuratie; It does not lie in my power = ik heb het niet in mijne
macht; Powers = gaven of vermogen: The powers that be = de gestelde
machten, de overheid; The Powers be thanked for it = dank zij den
Goden; Merciful Powers = goeie Goden! The Great European Powers =
Groote Europeesche mogendheden; Power-house (Power-station) = electr.
centrale; Power-loom = stoomweefgetouw; Power-press = stoomdrukpers;
Powerful = machtig, krachtig, vermogend; subst. Powerfulness;
Powerless(ness) = machteloos(heid).
Powwow, pauwau, subst. Indiaansche toovenaar, tooverformulier of
plechtigheden voor het genezen v. zieken, krijgsdans; rumoerige
politieke bijeenkomst (Amer.); Powwow verb. bezweren, beraadslagen,
woelige vergaderingen houden (Amer.).
Pox, poks, pokken: Chicken-pox = waterpokken; Smallpox = kinderpokken;
A pox on that fellow = de duivel hale dien vent!
Praam, prâm, praam.
Practicability, praktikəbiliti, subst. v. Practicable, praktikəb’l,
uitvoerbaar, doenlijk; subst. Practicableness; Practical, praktik’l,
practisch, werkdadig: A practical joke = handtastelijkheid, ruwe grap;
They are, practically, on a par = feitelijk staan ze gelijk.
Practice, praktis, practijk, uitoefening, gewoonte, gebruik: A doctor
in any (large) practice = met eenige (groote) praktijk; My private
practice; That is in practice, out of practice = in gebruik, in
onbruik; He had been out of practice for many years = hij had er jaren
lang niet aan gedaan; It was put (in), reduced to practice = in
practijk gebracht; Practice-butt = kogelvanger; Practice-ground =
schietbaan; Practice-target = schijf.
Practise, praktis, oefenen, zich oefenen, uitoefenen, in toepassing
brengen, een beroep of vak uitoefenen: If you wish to learn to play the
piano, you must practise every day = moet ge u alle dagen oefenen;
Young men practised at the glass to catch the curl of Byron’s lip =
oefenden zich voor den spiegel; The doctor does not practise in the
town = praktiseert niet in de stad; They practised on my good faith =
maakten misbruik van mijn vertrouwen, goedgeloovigheid; A practised
teacher = ervaren; Practising-ground = exercitieveld.
Practitioner, praktišənə, praktiseerend geneesheer, praktizijn.
Praed, preid.
Praemunire, prîmjunairî, premjunairî, overschrijding van het kerkelijk
recht: Statute of Praemunire = wet omtrent schending van ’s konings
prerogatief, rechtsingang daartegen, straf daarvoor; ook verb.
Praetor, prîtə, Romeinsch overheidspersoon; Praetorial, Praetorian,
pritôriəl, pritôriən, praetoriaansch, rechterlijk: Praetorian bands
(guards) = lijfgarde der Romeinsche keizers; Praetorium.
Pragmatic, pragmatik, pragmatisch, pragmatiek: Pragmatic sanction =
onherroepelijk vorstelijk besluit (vooral dat v. Karel VI, waarbij hij
de erfopvolging in zijne Staten regelde); Pragmatical = druk, ijverig,
bemoeiziek, peuterig; subst. Pragmaticalness.
Prague, preig.
Prairie, prêri, prairie: Prairie-chicken (Prairie-hen) = hazelhoen;
Prairie-dog = prairiehond; Prairie-oyster = gezouten en gepeperd ei met
spiritualiën of azijn geklutst; Prairie value = geringe waarde van
grond (als weiland alleen); Prairie-wolf.
Praise, preiz, subst. lof, lofspraak, dank; Praise verb. prijzen,
toejuichen, hoog verheffen: He got more praise than pudding = werd met
mooie woorden afgescheept; Be it said in his praise = het zij te zijner
eer gezegd; He sounded his friend’s praises = verkondigde den lof; I
praise you for it = ik prijs je er om; Don’t praise the day till it is
over; Praiseworthiness, subst. v. Praiseworthy = loffelijk, lofwaardig.
Prakrit, prâkrit, volksdialect v. h. Sanskrit.
Praline, prâlîn, praline.
Pram, pram, praam; ook verk. van Perambulator.
Prance, prâns, steigeren, met veel vertoon rijden, trotsch en statig
stappen.
Prandial, prandiəl, betrekking hebbend op den maaltijd.
Prank, praŋk, subst. grap of poets, scherts; Prank verb. veel vertoon
maken, optooien: Don’t play your pranks upon me = bak mij je poetsen
niet.
Prate, preit, wauwelen, babbelen, klappeien; ook subst.; Prater.