laugh = deed of hij lachte; He did it on (under) a pretence of
friendship = deed het onder (het valsche) voorwendsel van vriendschap;
Pretend, pritend, voorgeven, voorwenden, zich aanmatigen, (ten
onrechte) beweren; He pretends to be your friend = neemt den schijn
aan; Such people cannot pretend to honour = kunnen op eer geene
aanspraak maken; They make pretend that they have got a nice dinner =
zij verbeelden zich, dat ze een lekker dineetje hebben; Pretended =
voorgewend; Pretender = pretendent, huichelaar; Pretension = aanspraak,
voorwendsel, aanmatiging, pretensie: I wonder whether he can make good
his pretensions = het zal mij verwonderen of hij verkrijgt, waarop hij
beweert recht te hebben; Pretentious = pretentieus; subst.
Pretentiousness.
Preterhuman, prîtəhjûm’n, bovenmenschelijk.
Preter-imperfect, prîtərimpɐ̂fəkt, subst. en adj. onvoltooid verleden
(tijd).
Preterit(e), pretərit, prîtərit, voltooid verleden.
Pretermission, prîtəmiš’n, het voorbijgaan, uitlating; Pretermit,
prîtəmit, voorbijgaan, overslaan.
Preternatural, prîtənatjər’l, boven-, onnatuurlijk, abnormaal:
Preternatural calves = onmogelijk dikke kuiten; subst. Preternaturalism
= Preternaturalness.
Preterperfect, pritəpɐ̂fəkt, volt. verl. (tijd).
Pretext, prîtekst, voorwendsel: He did it under a pretext of kindness =
onder den schijn van.
Pretty, priti, lief, aardig, snoezig, mooi, tamelijk: You are a pretty
fellow (one) = een mooie vent! (iron.); That is a pretty kettle of fish
= dat’s ’n mooie boel; He is pretty much as tall as you = vrijwel even
lang; Pretty sure = vrij zeker; It was not pretty of her = niet lief
van haar; My mother had a number of pretty pretties: some china, some
household silver, a few books, etc. = een aantal keurige dingen; He is
a pretty-spoken fellow = hij is een aangenaam man om mee te praten.
Pretypify, prîtipifai. Zie Prefigure.
Pretzel, prets’l, krakeling.
Prevail, priveil, de overhand hebben, heerschen, van kracht zijn,
invloed hebben: The strong hand prevailed = het recht van den sterkste
gold; I could not prevail on him to beg pardon = kon hem er niet toe
krijgen; Such arguments do not prevail with me = hebben geen vat op
mij, laten mij koud; He prevailed himself of the opportunity = maakte
zich de gelegenheid ten nutte; Prevailing = heerschend; Prevalence,
Prevalency, prevəlens(i), overmacht, overwicht, het algemeen heerschen
of voorkomen; Prevalent, prevəlent, overwegend, heerschend, algem.
geldend; krachtig.
Prevaricate, privarikeit, uitvluchten zoeken, dubbelzinnig handelen;
verdraaien, schenden; Prevarication = uitvlucht, verzaking van wat
waar, plichtmatig en goed is; Prevaricator = uitvluchtenzoeker,
plichtverzaker, knoeier.
Prevenient, privînj’nt, voorafgaand, voorkomend, hinderlijk.
Prevent, privent, voorkÚmen, verhinderen, beletten, tegenhouden: He
would prevent me from going there = mij beletten; Preventable (of
Preventible) = wat voorkómen of belet kan worden; Preventative, subst.
voorbehoedmiddel; adj. belettend, voorkomend; Preventer = beletter,
verhinderaar; borgtouw, borghout; Prevention = verhindering: I did it
for the prevention of worse things = om erger te voorkomen; Preventive
= Preventative: Preventive detention = preventieve hechtenis;
Preventive service = gewapende kustdienst tegen de smokkelarij.
Previous, prîvjəs, voorafgaand: Mr. Chairman, before putting this
proposal to the vote, I beg to move the previous question = stel ik de
prealabele questie; subst. Previousness.
Previse, privaiz, vooruitzien, aankondigen; subst. Prevision, priviž’n.
Prey, prei, subst. prooi, buit, slachtoffer, Prey verb. rooven,
plunderen, azen op, knagen aan: Beast (Bird) of prey = roofdier
(roofvogel); He fell a prey to despondency = hij viel aan algeheele
wanhoop ten prooi; Tigers prey on living creatures = azen op; There is
something preying on your rest and health = dat u de rust rooft en uwe
gezondheid ondermijnt.
Priam(us), praiəm(ɐs), Priamus; Priapus, prai-eipəs.
Pribbles and Prabbles, prib’lzəndprab’lz, onzin.
Price, prais, prijs, waarde; verb. prijzen, den prijs vaststellen: We
settled on that price = zijn het over dien prijs eens geworden = Have
agreed on that price; A price was set on his head = er werd een prijs
op zijn hoofd gezet: Current price = courante (thans geldende) prijs;
Reduced price = verminderde; Set price = vaste; Starvation price =
buitengewoon lage; Price-current, Price-list = prijscourant,
prijslijst; Priceless = onschatbaar.
Prick, prik, subst. prik, punt, stip, rolletje, print, teeken, prikkel,
wroeging, ongerustheid; Prick verb. prikken, steken, opsteken,
aansporen, knagen (van wroeging, enz.), door een prikje aanwijzen, zich
opzichtig kleeden, snel rijden: Pricks and compunctions of conscience =
wroeging en knaging van het geweten; It is no use kicking against the
pricks = het helpt niet of men de verzenen al tegen de prikkels slaat;
To prick a hare = een haas in de sneeuw speuren; The chart was pricked
= de koers van het schip werd op de kaart aangegeven (door prikjes); To
prick (for) a Sheriff = een Sheriff benoemen, door een gaatje te
prikken achter zijn naam in de lijst der voorgedragen candidaten;
Vergelijk: The Sheriffs, when nominated annually, are said to be
pricked, this is called: Pricking for Sheriffs; He was pricking on at
full gallop = reed voort; Prick-madam = vetkruid; Prick-punch = drevel
of doorslag (van smeden); Pricker = priem; Prickle, subst. stekel;
verb. puncteeren; Prickle-back = stekelbaarsje; Prickliness, subst. v.
Prickly = stekelig, vol prikkels; Prickly-heat = warmtepuistjes (in de
Tropen); Prickly-pear = vijgdistel.
Pricket, prikət, hert in het 2e jaar = spieshert; aansteker; muurpeper.
Pride, praid, subst. trots, hoogmoed, fierheid, aanmatiging, luister;
Pride verb. trotsch zijn op, hoogschatten: Pride will (is sure to) have
a fall = hoogmoed komt vóór den val; To bring down a man’s pride =
iemand vernederen; That fellow is puffed up with family pride =
opgeblazen van familietrots; She takes a pride in her children = zij is
trotsch op hare kinderen; He prided himself on being = hij beroemde
(verhief) er zich op, dat hij was; Prideful = hoovaardig, trotsch;
subst. Pridefulness.
Prier, praiə, snuffelaar; spion. Zie Pry.
Priest, prîst, priester, geestelijke; Priest-ridden = onder de plak der
geestelijkheid; Priestcraft = priesterlist; Priestess = priesteres;
Priesthood = priesterschap, alle priesters; Priestlike, Priestly =
priesterlijk, als priester.
Prig, prig, subst. verwaand en aanmatigend persoon; “brave Hendrik”,
“braaf Lijsje”; dief; Prig verb. stelen, ontfutselen: They are a set of
starched-up prigs = een stelletje opgeprikte “kwibussen”; She prigged
his diamond shirt-pin = zij ontfutselde hem; Priggish = verwaand,
pedant; subst. Priggishness, Priggism.
Prill, pril, tongschar.
Prim, prim, adj. netjes, vormelijk, gemaakt; Prim verb. zich keurigjes
kleeden en tooien: popperig mooi maken: She was very proprietous, and
even fainted primly = en viel zelfs flauw in allen vorm; Primness =
stijfheid, affectatie.
Prima, prîmə, eerste, voornaamste; b.v.: Prima-buffa = eerste komieke
actrice; Prima-donna = eerste zangeres; To play prima vista = van ’t
blad.
Primacy, praiməsi, opperkerkvoogdschap.
Primage, praimidž, kaplaken (premie).
Primal, praim’l, eerste, voornaamste; Primary, praiməri, adj. eerste,
voornaamste, primair, elementair; subst. hoofdzaak: Primary colours =
primaire kleuren; Primary instruction, school = lager onderwijs, lagere
school.
Primate, praimit, opperkerkvoogd: Primate of England = aartsbisschop v.
York; Primate of all England = aartsb. v. Canterbury; Primateship.
Prime, praim, eerste, voornaamste, prima, vroeg bloeiend, uitstekend;
subst. begin, eerste stadium, dageraad, jeugd, lente, bloei, premie,
priemgetal; Prime verb. kruit op de pan doen, gereed maken om af te
schieten, klaarmaken, instrueeren, africhten (voor een examen, b.v.),
in de grondverf zetten, opkoken (v. water in den stoomketel), water
door stoom uit den ketel in den cylinder brengen: To sell at prime cost
= tegen inkoopsprijs; Prime meridian = eerste meridiaan; Prime minister
= minister-president; Prime mover = beweegkracht; Prime number =
ondeelbaar getal; He was still in his prime = in den bloei zijns
levens: Verg.: In the prime of life, not yet 50 years of age;
Primeness; The partisan judge primed the audience and the jury =
bewerkte het publiek en de jury; He primed his pistol = deed kruit op
de pan; The soldiers were primed for the battle with liquor = kregen
een stevigen borrel om hun moed te geven; Priming-iron, Priming-wire =
ruimnaald (Milit.).
Primer, primə, gebedenboek, boek voor beginners, inleiding, abc-boek;
soort van drukletter: A primer of English Literature = eerste inleiding
tot de E. letterkunde.
Primeval, praimîv’l, oorspronkelijk: Primeval Forest = oerwoud.
Primigenial, praimidžînj’l, eerst geschapen, oorspronkelijk.
Primitive, primitiv, subst. en adj. oorspronkelijk (woord), stamwoord;
subst. Primitiveness.
Primo, prîmou, eerste: Primo Basso (Zie Prima).
Primogenial, praimədžînj’l, oorspronkelijk, eerst geboren;
Primogeniture, praimədženitjə, eerstgeboorterecht.
Primordial, praimödj’l, oorspronkelijk, van het begin bestaande;
primitief; subst. begin.
Primrose, primrouz, sleutelbloem: Primrose-day = gedenkdag van Lord
Beaconsfields (B. Disraeli) dood, 19 April 1888, ingesteld door de
Primrose League = een conservatieve bond, gesticht door Lady Randolph
Churchill in 1881.
Primula, primjulə, gemeene sleutelbloem.
Prince, prins, subst. vorst, prins: Crown prince; Hereditary prince =
erfprins; Prince Charming = de Prins uit het sprookje; Prince Consort =
prins gemaal; Prince of Wales = Engelsche kroonprins; Prince Royal
(Prince Imperial) = kroonprins bij Latijn. naties; Prince’s feather =
kattestaart, Oostersche duizendknoop; Prince’s metal = spinsbek:
Princedom; Princelike = vorstelijk (= Princely); Princeliness;
Princess, prinses, prinses: Princess Royal = kroon prinses; titel der
oudste dochter van den Eng. koning; Princess dress, gown, robe.
Principal, prinsip’l, subst. hoofd, president, chef, bestuurder,
hoofdsom, hoofdpersoon, lastgever of bedrijver; adj. voornaamste,
eerste, hoogste, hoofd ...: Only principals will be dealt with = op
tusschenpersonen wordt geen regard geslagen; Principal and interest =
kapitaal en intrest; Principal Librarian of the British Museum =
hoofdbibliothecaris; Principality, prinsipaliti, vorstelijke
waardigheid, vorstendom; zevende orde van engelen; Principalness =
voorrang, hoofdzaak.
Principia, prinsipiə, beginselen.
Principle, prinsip’l, subst. beginsel, oorsprong, element, grondslag;
Principle verb. beginselen inboezemen of inprenten: He acted from a
noble principle = uit een edel beginsel; On principle = uit beginsel;
Act up to your principles = handel volgens uwe beginselen; To hold a
principle; He laid down the following principle = hij stelde dit
beginsel voorop.
Prink, priŋk, zich opsmukken; Prinker = fat.
Print, print, subst. indruk, teeken, merk, blad, prent; gravure,
geschrift; gedrukte katoenen stof: Print verb. drukken, indrukken,
stempelen, uitgeven: When will the book appear in print? = in druk
verschijnen; He has put it into print = heeft het laten drukken; The
first edition is out of print = is uitverkocht; One of the conservative
prints = conservatieve bladen; Keeper of the prints in the British
Museum = directeur van het prentenkabinet; Let me print it on your
minds = het ulieden op het gemoed drukken; Print-seller = handelaar in
prenten en gravures; Print-shop = winkel van een print-seller; Employed
at a print-works = katoendrukfabriek; Printer = boekdrukker; Printer’s
devil = drukkersloopjongen; Printer’s errors = drukfouten: Printer’s
reader = corrector; Printing = het (boek)drukken: Letterpress print =
boekdruk; Lithographic print = steendruk; Print-ink = drukinkt;
Print-machine = druk- of snelpers; Print-paper = drukpapier;
Print-press = drukpers; Print-type = drukletter.
Prior, praiə, eer, vroeger, voorafgaand (met to); subst. prior =
Claustral prior; Conventual prior = prior, die niet aan de jurisd. van
een abt is onderworpen; Priorate, praiərit, prioraat; Prioress =
priores; Priority, praioriti, voorrang: Creditor by priority =
preferente; Priorship = prioraat; Priory = klooster met een prior of
eene priores aan het hoofd.
Prise, praiz, hefboom; Prise verb. opheffen, openen, openbreken.
Prism, prizm, prisma; Prismatical, prizmatik’l, prismatisch.
Prison, priz’n, subst. gevangenis; Prison verb. gevangen zetten,
insluiten: To be (sit) in prison = gevangen zitten; To break (out of)
prison = uitbreken; To put (throw) into prison = gevangen zetten; To
take to prison = naar de gevangenis brengen; Prison-bars = tralies; ook
Prison-base of Prisoner’s-base = diefjesspel (een speler staat tusschen
twee bases of goals en tracht de anderen, die voorbijloopen te
“tikken”; Prison-van = dievenwagen; Prison-yard = binnenplaats van eene
gevangenis; Prisoner = gevangene: They were taken prisoner = gevangen
genomen; Prisonment = gevangenschap.
Pristine, pristin, eerst, oorspronkelijk, frisch.
Prithee, pridhî, eilieve!
Prittle-Prattle, prit’lprat’l, gewauwel.
Privacy, pr(a)ivisi, afzondering, eenzaamheid, eenzame plaats: Your
privacy will not be invaded = niemand zal u (in uwe afzondering) lastig
vallen.
Private, praivit, subst. gewoon soldaat; Privates = geslachtsdeelen;
adj. alléén, persoonlijk, ambteloos, niet-officiëel, vertrouwelijk: The
letter was headed “Private” = boven den brief stond “Vertrouwelijk”: In
private = in ’t geheim, in vertrouwen, onder vier oogen; The word
“Private” on this door means: “Verboden toegang”; A private affair =
een onderonsje; To sell by private bargain (treaty) = onderhands;
Private box = post“box”; Private confessor = eigen biechtvader; My
private debts amount to 3000 guilders = mijne persoonlijke schulden; A
private dinner = “en famille”; Private hotel = hotel garni; A private
person = ambteloos, niet officiëel, particulier persoon; Private parts
= Privates; Private theatricals = liefhebberijkomedie; Private venture
school = school voor eigen rekening; Privateness = afzondering,
geheimhouding; Privateer, pr(a)ivitîə, subst. kaper; Privateer verb.
ter kaap varen; Privateering = kaapvaart, kaperij; Privateersman =
kaapvaarder.
Privation, praiveišn, ontbering, behoefte, gebrek; ontzetting uit een
ambt, schorsing; wegneming; Privative, privətiv, subst. en adj.
ontkennend (zooals un in unhappy), beroovend.
Privet, privət, liguster of keelkruid.
Privilege, privilidž, subst. voorrecht, recht; Privilege verb.
vrijstellen, bevoorrechten, machtigen: Breach of privilege = schennis
van de rechten van een zedelijk lichaam, zooals het House of Commons;
Writ of Privilege = bevel tot vrijlating van bevoorrechte personen
(Afgevaardigden, etc.); Privileged = bevoorrecht.
Privy, privi, geheim, afgezonderd, heimelijk, ingewijd; subst. privaat;
belanghebbende: I am privy to all his plans = ingewijd in; Privy
Chamber = geheim kabinet; particulier vertrek van den koning; Privy
Council = Engelsche Raad van State; Privy Councillor = lid van dien
Raad van State; Privy parts = Privates; Privy purse = civiele lijst;
Privy Seal = geheimzegel: Lord Privy Seal = geheimzegelbewaarder;
Privity = geheime mededeeling, medeweten: With his privity and consent.
Prize, praiz, subst. prijs, buit, belooning, voordeel; adj. bekroond;
Prize verb. waardeeren, schatten, den prijs bepalen van: To draw a
prize in the lottery; He got (took, won) the first prize = heeft den
eersten prijs behaald; Prize of war; Prize-cat, Prize-ox = bekroonde;
Prize-court = hof dat uitspraak doet over den op zee behaalden buit;
Prize-essay = bekroonde verhandeling; Prize-fight = wedstrijd in het
boksen; Prize-fighter; Prize-fighting = het boksen; Prize-man =
prijswinnaar (vooral aan een universiteit); Prize-money = prijsgeld;
Prize-ring = worstelplaats.
Pro and con, prouəndkon, voor en tegen.
Proa, prouə, prauw (Ind. vaartuig).
Probabiliorism, probəbiljərizm, Roomsche leer dat een handeling
veroorloofd is als een waarschijnlijk motief daarvoor kan worden
opgegeven.
Probability, probəbiliti, waarschijnlijkheid; weervoorspelling (Amer.):
In all probability he will come = naar alle waarschijnlijkheid;
Probable, probəb’l, waarschijnlijk.
Probate, proubit, officieele erkenning van de rechtsgeldigheid van een
testament, het afschrift hiervan op perkament met het zegel van het
Probate Court; Probate Court = vroeger gerechtshof, waar de
rechtsgeldigheid van testamenten geconstateerd werd, waar door den
executor “the will was proved”; thans een afd. van de Probate, Divorce
and Admiralty Division of the High Court of Justice; Probate duties =
recht te betalen bij het aanvragen van; Probate of a will =
successierecht; Probation, prəbeiš’n, bewijsvoering, voorwaardelijke
vrijspraak, bewijs, onderzoek, proeftijd: To preach on probation = een
proefpreek houden (Amer.); Probational = Probationary = op proef,
proef...; Probationer, prəbeišənə, provisioneel aangestelde, novitius,
proponent (Schotl.); Probative = op proef, proef...; Probator,
prəbeitə, onderzoeker; Probatory = proef - -.
Probe, proub, subst. tentstaal of sonde, peilstift (Med.); Probe verb.
sondeeren, onderzoeken: They probed my knowledge to its utmost quick =
peilden mijne kennis; Probe-scissors = wondschaar.
Probity, probiti, beproefde eerlijkheid of rechtschapenheid,
oprechtheid.
Problem, probl’m, vraagstuk, lastig geval: He could not do that
problem, solve that problem = kon dat voorstel niet maken, dat
vraagstuk niet oplossen; Problematic(al), probləmatik(’l),
twijfelachtig, onzeker; Problematize, probl’mətaiz, vraagstukken
voorleggen.
Proboscidean, proubəsidiən, van snuitdieren (olifanten, etc.); ook
subst.; Proboscis, prəbosis, snuit (van olifanten, tapirs; ook de
zuigorganen der insecten), groote neus.
Procedure, prəsîdjə, handelwijze, manier v. doen, procedure.
Proceed, prəsîd, voortgaan, voortzetten, voortrukken, voortkomen uit,
ontstaan, overgaan tot procedeeren, een acad. graad verkrijgen: This
proceeds from sheer vanity = komt voort uit; He proceeded on his way,
journey = zette voort; Let us proceed to business = aan het werk gaan,
tot onze werkzaamheden overgaan; You proceed upon the wrong principle =
gaat te werk; Let us proceed with our business = laten wij voortgang
maken met; Proceeding = voortgang, handeling, gedragslijn, handelwijze;
Proceedings = maatregelen in eene rechtszaak genomen, verslagen van een
genootschap: Proceedings of the Geographical Society = Handelingen v.
het Aardrijkskundig Genootschap; He took legal proceedings = deed
gerechtelijke stappen; He wound up the proceedings of the meeting with
a speech = besloot de werkzaamheden der vergadering; Proceeds =
opbrengst: He lived on the proceeds of his estates = hij leefde van de
opbrengst (rente, huur) zijner (land)goederen.
Process, pro(u)səs, voortgang, loop, verloop, handelwijze, maatregel;
verlenging; chem. proces, dagvaarding: In process of time = in verloop
van tijd; To serve a process on = dagvaarden; Procession, prəseš’n,
processie: Funeral procession = begrafenisstoet; Processional, subst.
titel van een deel van het Rituaal met 14 artikels over processies;
adj. tot eene processie of een stoet behoorende; Processionary =
processie - -.
Procidence, pro(u)sidens, verzakking; Prociduous, prəsidjuəs,
verzakkend, verzakt.
Proclaim, prəkleim, afkondigen, openbaar maken, verspreiden,
proclameeren, in staat van beleg verklaren: The ban(n)s were proclaimed
= huwelijksafkondiging had plaats; The county was proclaimed = het
graafschap werd in staat van beleg verklaard krachtens de Peace
Preservation Acts (Ierl.); Proclamation, prokləmeiš’n, bekendmaking,
afkondiging: Proclamation of war; To issue a proclamation.
Proclivity, prəkliviti, neiging, overhelling; Proclivous, prəklaivəs,
overhellend, geneigd.
Proconsul, prokons’l, proconsul, stadhouder; adj. Proconsular;
Proconsulate, prəkonsiulit, proconsulschap = Proconsulship.
Procrastinate, prəkrastineit, uitstellen, verschuiven; Procrastination
= uitstel, traagheid; Procrastinator; adj. Procrastinatory.
Procreate, proukrieit, telen, voortbrengen; subst. Procreation;
Procreative = voortbrengend; Procreator = voortbrenger.
Procrustean, prokrɐstj’n: Procrustean bed = bed van Procrustes,
prokrɐstîz, bekende roover in Attica, die zijne slachtoffers verminkte
of uitrekte tot ze van pas waren voor zijne rustbank.
Proctor, proktə, een soort van universiteitsrechter en opziener die met
de bewaring van orde en tucht belast is, en uit de Fellows gekozen
wordt; procureur (in een geestelijk gerechtshof), afgevaardigde;
Proctorize = roepen voor den Proctor; Proctorship = waardigheid van Pr.
Procumbent, prəkɐmb’nt, liggend.
Procurable, prəkjûrəb’l, verkrijgbaar.
Procuracy, prokjurəsi, procureurschap, procuratie; Procuration,
prokjureiš’n, bezorging (van eens anders belangen of zaken), volmacht,
procuratie: Procuration-fee (Procuration-money) = makelaarsloon;
Procurations = geld door de E. geestelijken te betalen in plaats v. het
vroeger aan den bezoekenden bisschop of aartsdeken aangeboden maal;
Procurator = procureur, gevolmachtigde: Procuratorship; adj.
Procuratory.
Procure, prəkjûə, verschaffen, krijgen, bezorgen: I could procure an
order for you = zou u wel een toegangsbewijs kunnen bezorgen; I got it
through his procurement = bemiddeling, zorg; Procurer, prəkjûrə,
prokjurə, verschaffer, bezorger; koppelaar; Procuress = koppelaarster.
Prod, prod, subst. prikkel, gepunt werktuig, els, prik; Prod verb.
prikken, stooten, aanzetten (ook met up).
Prodigal, prodig’l, subst. doorbrenger, verkwister; adj. verkwistend,
overvloedig: The Prodigal Son = de Verloren Zoon; Prodigality,
prodigaliti, verkwisting, overvloed.
Prodigious, prədidžəs, kolossaal, ongehoord, verschrikkelijk; subst.
Prodigiousness; Prodigy, prodidži, wonder, wangedrocht, voorteeken:
Youthful prodigy = wonderkind.
Produce, pro(u)djûs, opbrengst, resultaat.
Produce, prədjûs, voortbrengen, veroorzaken, vertoonen, bijbrengen,
aanvoeren, overleggen, verlengen: I don’t know how many witnesses he
offered to produce = hij wel zeide er te kunnen bijhalen; His words did
not produce the least effect = hadden niet de minste uitwerking; He
produced his papers = haalde voor den dag; To produce a new play = voor
het voetlicht brengen; Producer = producent; Producibility, subst. v.
Producible = wat bijgebracht, aangehaald, vertoond kan worden: Many
proofs are producible for this assertion = kunnen worden bijgebracht;
subst. Producibleness.
Product, prodəkt, voortbrengsel, product, resultaat, gevolg;
Production, prədɐkš’n, overlegging, productie, vrucht, voortbrengsel,
verlenging; Productive = voortbrengend: This law has been productive of
much good = deze wet heeft veel goeds gewrocht; Productiveness =
Productivity = vruchtbaarheid, rentabiliteit.
Proem, prouəm, inleiding, voorrede; Proemial, prəîmiəl, inleidend.
Profanation, profəneiš’n, ontheiliging, ontwijding; Profane, prəfein,
adj. ontheiligend, profaan, goddeloos; Profane verb. ontheiligen,
profaneeren; subst. Profaneness; Profaner; Profanity, prəfaniti,
goddeloosheid, godslasterlijke taal, heiligschennis.
Profess, prəfes, openlijk verklaren of betuigen, erkennen, betuigen,
beweren: He is a professed misogynist = verstokt vrouwenhater; I don’t
profess to be a judge of literature = geef mij niet uit voor; He
professed himself an artist = gaf zich uit voor; Professed friendship =
beweerde; Professedly = onloochenbaar: Profession = erkentenis,
openlijke verklaring, belijdenis; beroep; kloostergelofte: By
profession = van beroep; The learned professions = geleerde beroepen;
Professional, subst. die een beroep uitoefent, die eene kunst niet als
amateur beoefent, kunstenares; adj. beroeps - -: A Professional
cricketer, skater = beroeps...; Professional gentleman (man) = jurist,
theoloog, dokter.