plombeeren: Plug of a pump = zuiger van eene pomp; Plug of tobacco =
prop tabak; She thinks that I am going to be plugged = neergeschoten
zal worden (Amer.); Plug-basin = fonteintje; Plug-hat = hooge “dop”.
Plum, plɐm, pruim, rozijn, 100.000 pond sterling, groot fortuin, beste
deel, goed zaakje; Plum-cake = rozijnentaart; Plum-loaf =
rozijnenbrood; Plum-pudding = rozijnenpudding; Plum-tree = pruimenboom.
Plumage, plûmidž, gevederte.
Plumb, plɐm, subst. schietlood; adj. loodrecht, degelijk, eerlijk; adv.
pardoes; Plumb verb. loodrecht zetten, polsen, peilen: Out of plumb =
uit het lood; She plumbed their depths of misery = peilde; Plumb-line =
schiet- of loodlijn; ook verb.; Plumb-rule = waterpas; Plumber, plɐmə,
loodwerker, loodgieter: All the crowned heads, bankers and plumbers of
Europe = en groote lui (Amer.) van Europa; Plumbery = artikelen van
loodwerk, loodgieterij, het loodgieten; Plumbic, plɐmbik, loodhoudend;
Plumbiferous, plɐmbifərɐs, lood opleverend; Plumbing, plɐmiŋ, het
werken in lood, looden pijpen.
Plumbago, plɐmbeigou, graphiet.
Plume, plûm, subst. veer, pluim, eereteeken, lauwer; Plume verb. de
veeren terecht of gelijk leggen, met veeren versieren, pochen, plukken,
plunderen: The swan plumed itself = streek zijne veeren glad; He plumed
himself on his liberality = liet zich voorstaan op; Plumeless; Plumelet
= pluimpje; Plumiped, plûmiped, subst. en adj. (vogel) met veeren aan
de pooten.
Plummet, plɐmət, dieplood, peillood.
Plummy, plɐmi, voortreffelijk.
Plumose, plumous, plûmous, vederachtig, gevederd; Plumosity, plumositi,
gevederdheid.
Plump, plɐmp, subst. klomp; adj. mollig, dik, grof; Plump verb. dik
worden, opzwellen, neerploffen, uitflappen (out), alles op één paard
zetten; stemmen op één candidaat (in plaats van op alle personen op wie
men stemmen mag) = To plump one’s vote = To plump for a candidate; adv.
plotseling, pardoes, zwaar, eenvoudig, botweg: Plump in the pocket =
met vollen buidel; To come plump upon = overvallen; Say it out plump =
vooruit! zeg op! Plumper = pruim tabak, valsche buste; stem aan slechts
één der candidaten, stemmer op slechts één der candidaten; brutale
leugen; Plumply = rond, botweg, platweg; Plumpness; Plumpy = dik,
mollig, glad.
Plumy, plûmi, gevederd.
Plunder, plɐndə, subst. plundering, buit, roof, bagage en huisraad van
een landverhuizer (Amer.), winst; Plunder verb, plunderen, rooven;
Plunderage = verduistering aan boord; Plunderer.
Plunge, plɐnž, subst. indompeling, doop (door onderdompeling),
achteruitslaan van een paard, hooge en roekelooze weddenschap of
speculatie, plotseling en opzienbarend bericht, afgrond, draaikolk,
klem (fig.); Plunge verb. (onder)dompelen, plonzen, springen, doopen,
achteruit slaan, steil afhellen, zwaar en roekeloos wedden, geld
uitgeven: To make the plunge = den beslissenden stap doen, op den
slechten weg geraken; To take a plunge = duiken, storten; The plunge of
the Pall Mall Gazette about Mr. Gladstone’s retirement = opzienbarend
bericht omtrent het aftreden van den minister G.; By plunges = bij
rukken; He plunged awfully = speelde, speculeerde hoog; To plunge after
a person = achterna springen; I have plunged a bit in trifles = heb wat
geld in kleinigheden gestoken; The ship plunged on her way = zette
stampend zijne reis voort; Plunged in thought = in gedachten verzonken;
Plunger = dolleman, dolle speculant of wedder; zuiger (v. perspomp);
Plungers = zware cavalerie; Plunging = van boven naar onderen gericht:
Plunging-fire.
Pluperfect, plûpɐ̂fəkt, plupɐ̂fəkt, voltooid verleden (tijd).
Plural, plûr’l, subst. en adj. meervoudig (woord); Pluralism =
meervoudigheid; het gelijktijdig bezitten van meer dan één living;
Pluralist = geestelijke, die te gelijkertijd meer dan één living heeft;
Plurality, pluraliti, getal van twee of meer, meerderheid; Pluralize =
meervoudig maken.
Plus, plɐs, plus(teeken) = +.
Plush, plɐš, pluche: Plush-velvet = zijden pluche; Plush-velveteen =
wollen pluche; Plushy.
Plutarch, plûtâk.
Pluto, plûtou, Pluto; Plutocracy, geldheerschappij(aristocratie); adj.
Plutocratic; Plutonian = Plutonic = tot Pluto of de onderwereld
behoorende, door vuur ontstaan: Plutonic theory, of Plutonism = de
theorie der Plutonists, die beweren, dat de gesteenten door de werking
van het vuur zijn ontstaan; Plutus, plûtəs.
Pluvial, plûvjəl, vochtig, regenachtig, regen - -; Pluviameter,
Pluviometer = regenmeter; Pluviose, plûvious, vijfde maand van het
republik. jaar (20 Jan.–19 Febr.); Pluvious, plûvjəs, vochtig,
regenachtig.
Ply, plai, subst. kronkel, vouw, plooi, neiging, zin, aanleg; Ply verb.
zich toeleggen op, ijverig doen of uitvoeren, zich bezighouden,
aandringen, gedurig lastig vallen, geregeld varen of zeilen, laveeren,
omzien naar: He took a ply from his tutor = plooide zich naar de
inzichten van; To ply the bottle = geducht aanspreken; The spider plied
its nimble legs = bewoog vlug, snel; To ply the oars = krachtig roeien;
She plied her task = zij werkte ijverig aan hare taak; To ply a trade =
uitoefenen; Many steamers ply between Holland and America = varen; They
plied him with drink = maakten hem dronken; They so plied him with
smiles and favours that he grew crazy with ecstasy = overlaadden hem;
To ply with questions = overstelpen met; Plyer.
Plymouth, pliməth: Plymouth Brethren = eene Calvinistische
broedergemeente, opgericht tusschen 1820–35 te Dublin en Plymouth;
Plymouthism.
Pneumatic(al), njumatik(’l), lucht-, gasachtig, met lucht gevuld, door
luchtdruk bewogen: Pneumatic dispatch = luchtdrukpost; Pneumatic pump =
luchtpomp; Pneumatic tyres = luchtbanden; Pneumatics = pneumatica.
Pneumonia, njumounjə, longontsteking; Pneumonic, njumonik, long - - -;
subst. middel voor de longen.
Poach, poutš, stroopen (ook fig.); door veel loopen modderig of
moerassig maken, (zijn, worden), gepelde eieren bakken in boter, of
breken in kokend water; Poacher = strooper; Poachy = drassig,
moerassig.
Po(a)chard, po(u)tšəd, poukəd, tafeleend.
Pock, pok, pok; Pock-mark, Pock-pit = pokteeken; Pock-marked,
Pock-pitted, Pock-fretten = van de pokken geschonden, pokdalig = Pocky.
Pocket, pokət, subst. zak, holte, diepte, maat voor hop, gember, wol,
enz.; Pocket verb. in den zak steken, gappen, stoppen, hinderen: I am
in pocket, out of pocket = ik win, verlies; I am out of pocket = heb
geen cent; Nothing but empty pockets lies between her and William = dat
zij en W. niets hebben staat alleen hun engagement in den weg; I am in
her pocket = bij haar in de gunst; I have Pa in my pocket = kan met Pa
doen wat ik wil; This would have placed Turkey in the pocket of the
Czar = in de macht gebracht hebben van; Put that in your pocket = steek
dat in je zak; He had spent the evening in her pocket = had alleen werk
van haar gemaakt; Hip-pocket, Pistol pocket = heupzak (achterzak) in
een pantalon; He pocketed the affront, insult, wrong = hij slikte de
beleediging, het onrecht; You pocketed my ball by a fluke = stopte;
Pocket-argument = zelfzuchtig argument; Pocket-book = zakboek(je);
Pocket-borough = kiesdistrict dat geheel in de macht is van één
grondbezitter; Pocket-copy (= Pocket-edition); Pocket-glass =
zakspiegeltje; Pocket-handkerchief = zakdoek; Pocket-hole = zakopening;
Pocket-knife = zakmes; Pocket-money = zakgeld.
Pockwood, pokwud, pokhout.
Poco, poukou, een weinig (muz.).
Pod, pod, subst. dop, schil, peul; school robben, walvisschen; Pod
verb. opzwellen, doppen, peulen vormen; Pod-net = fuik; Podded (fig.) =
gemakkelijk.
Podagra, podəgrə, pədagrə, het “pootje”, voeteuvel; adj. Podagral =
Podagric(al).
Podge, podž, modderige poel; Podge verb. roeren.
Podgy, podži, kort en gezet; dronken.
Podium, poudiəm, podium.
Podrida, pədrîdə, mengelmoes.
Podsnap, podsnap, type van stijve deftigheid; Podsnappery = peuterige,
stijve deftigheid.
Poe, pou.
Poem, pouim, gedicht: Minor poems = kleinere gedichten; Poesy, pouəsi,
dichtkunst; Poet = dichter: Minor poet = dichter van den tweeden of
derden rang; Poet Laureate = gekroonde of hofdichter (in Engeland);
Poetaster, pouətastə, pouətastə, rijmelaar; Poetess, pouətəs,
dichteres; Poetic(al), pouetik(’l), dichterlijk; Poetics = gedichten;
leer (theorie) der dichterlijke vormen (ook Poetic); Poetize, pouətaiz,
dichten, dichterlijk behandelen; Poetry = dichtkunst, poëzie,
gedichten.
Pogrom, pogrom, pogrom (Rusland).
Poh, pou, bah!
Poignancy, pôin’nsi, subst. v. Poignant, pôin’nt, scherp, bitter,
stekelig, pijnlijk.
Poind, pôind, schutten van vee; beslag leggen op (voor schuld).
Point, pôint, subst. punt, spits, stip, stift, naald, nestel, oog,
naaldkantwerk, doel, nadruk, gedachte, uitdrukking, eigenaardigheid,
trek, wissel; Point verb. punten, scherpen, wijzen, richten, aanleggen,
voegen, staan, pointeeren: What is the point = wat is de kwestie? That
is a great point for me = van groot belang; That is rather a nice point
with him = teer punt; He enumerated all the good points of his horse =
eigenschappen; Blue points = een klein soort oesters (Amer.); The
points of a speech = hoofdpunten; At the point of death (= On the point
of dying); This is a case in point = dit is zoo’n geval als waarvan we
thans spreken; In point of money = uit een oogpunt van; To rise to a
point of order = vragen of de spreker niet “buiten de orde” is; In
(from) a literary point of view = uit een letterkundig oogpunt; What
you say there is not to the point = ter zake dienende; To be armed at
all points = van top tot teen gewapend, op alles voorbereid; To come to
a point = staan (van jachthonden); Things had come to such a point that
further delay would have been disastrous = hadden zulk eene hoogte
bereikt; That’s what I call coming to the point = dat is nu eens op den
man af; It came to the point = het kwam er op aan; Things were growing
to a point = men kon het einde zien aankomen; We hate militarism to the
point that = zoozeer, dat; You didn’t gain your point, you missed it =
ge hebt uw doel niet bereikt, uw zin niet gekregen; He gave me points
in (at) billiards = gaf mij vóór; To lend point to = accentueeren,
sterk doen uitkomen; He always made (it) a point to stand (of standing)
high in his employer’s regard = hij stelde zich altijd ten doel; The
rain always makes a point of setting in when I wish to go out = heeft
het er altijd op gezet te beginnen; He has tried to prove it, but his
point is not absolutely made = maar is hierin niet volkomen geslaagd;
Don’t press the point = dring niet te zeer aan; We shall not pursue the
point = er niet verder op aandringen; I will not put too fine a point
upon it = er niet te veel van zeggen; That would be straining
(stretching) a point = daarmee zouden we een uitzondering maken, het
niet zoo nauw nemen; To point a moral = tot zedeles doen strekken; This
story points a moral against party disputes = bevat een les tegen; He
pointed at me = behandelde verachtelijk; The cannon was pointed at the
gate = was gericht op; To point out = aanwijzen, in ’t licht stellen;
The clock pointed to the hour, to seven = wees het uur aan, stond op
zeven; Point-blank = recht op het doel af, zonder omwegen, op den man
af, botweg: I told him so point-blank = ik heb het hem in zijn gezicht
gezegd; Pointsman = wisselwachter; Pointed = gepunt, scherp, geestig,
geestrijk: A pointed remark = fijne, scherpe opmerking; She only
answered when pointedly addressed = als het woord bepaaldelijk tot haar
gericht werd; Pointer = wijzer, staande hond, stift, graveerstift;
etsnaald; Pointless = stomp, dom, niet geschikt of ter zake.
Poise, pôiz, subst. gewicht, belang, evenwicht, houding; Poise verb.
wegen, overwegen, in evenwicht brengen of zijn: The elegant poise of
her head; The cloud hung at poise over the hill = hing zwevend; Poise
down = drukken, onderdrukken.
Poison, pôiz’n, subst. vergift; Poison verb. vergiftigen, besmetten:
Poisoned cup = giftbeker = Poison-cup; Poison-fang = gifttand;
Poisoner; Poisonous = vergiftig; subst. Poisonousness.
Poitiers, pôitîəz.
Poke, pouk, subst. zak, blaas, stoot, duw; Poke verb. duwen, stooten,
tasten, voelen, zoeken, onderzoeken, beuzelen (Amer.): That was a sly
poke at him = dat was een steek op hem; His life and character were
poked into = nauwkeurig onderzocht; He poked his head through the
window = stak; He can poke fun urbanely = op fijne wijze spotten of
schertsen met, over; He poked some very effective fun at continental
customs = spotte raak met....; Poke-bonnet = ouderwetsche tuithoed;
Poker = pook; boeman (Am.), pedèl v. den Vice-Chancellor (Oxf.),
slakkensteker (degen), bluffen (kaartspel): As stiff as a poke; To have
swallowed the poke = To have a poke up one’s back = zich stijf houden
(gedragen); Poke-drawing = brandschilderen; Poky = onnoozel, dom;
bekrompen, nauw, klein: A poky little place = bekrompen, klein; A poky
little staircase = zeer nauwe trap.
Polacca, pəlakə, driemaster (Middell. Z.).
Poland, poul’nd, Polen; Polander = Pool.
Polar, poulə, pool...: Polar bear = ijsbeer; Polar circles =
poolcirkels; Polar expedition; Polar sea; Polar star = poolster;
Polarity, pəlariti, polariteit; Polarizable, pouləraizəb’l,
polariseerbaar; Polarization = het polariseeren; Polarize =
polariseeren.
Polder, pouldə, polder.
Pole, poul, Pool.
Pole, poul, pool, paal, stang, dissel, stok, pols, uiterste punt; 5½
yard; Pole verb. staken zetten bij, voortboomen, beschoeien, inpompen;
Pole-ax(e), subst. hellebaard, enterbijl, slachtbijl; Pole-axe verb.
met eene bijl dooden; Pole-axe isolation will be necessary against the
rinderpest = afmaking van aangetast en verdacht vee; A lot of crippled
crocks, only fit to be pole-axed = een troep kreupele vilderspaarden,
alleen geschikt om gedood te worden; Pole-star = poolster.
Polecat, poulkat, bunzing.
Polemic, pəlemik, polemisch; polemicus: Polemics = polemiek.
Polenta, pəlentə, soort pap van maïs, aardappelmeel of gerstemeel.
Police, pəlîs, subst. politie; ook verb.: Mounted police = bereden
politie; A number of troops will be necessary to police the country =
orde en regel te brengen in; Police-commissioner = commissaris;
Police-constable = agent; Police-court = politierechtbank;
Police-inspector = inspecteur; Police-magistrate = politierechter;
Policeman = agent; Police-office = bureau (Police-station);
Police-officer = ambtenaar bij de politie.
Policy, polisi, staatkunde, staatsbeleid, overleg, omzichtigheid,
wijsheid; polis; park van een landgoed (Schotland): Honesty is the best
policy = eerlijk duurt het langst; Life policy =
levensverzekeringspolis.
Polish, pouliš, Poolsch.
Polish, poliš, subst. politoer, glans, verfijning, beschaving; Polish
verb. polijsten, poetsen, beschaven, gaan glimmen, zich laten
polijsten: He polished his eye-glasses = veegde af; To polish glass =
glas slijpen; May I polish off that job for you? = dat zaakje ...
opknappen; I polished him off in no time = zette hem gauw op z’n
plaats; Polished = gepolijst, beschaafd; Polishing: Polishing-cloths =
wrijflappen; Polishing-paste = poetspommade; Let us give it a polishing
= polijsten, politoeren, poetsen.
Polite, pəlait, beschaafd, beleefd; subst. Politeness.
Politic, politik, politiek, staatkundig, slim, sluw: The Body Politic =
burgerlijke staat; Political, pelitik’l, politiek, staatsrechtelijk,
staats - -, staatkundig: Political Economy = staathuishoudkunde;
Politician, politiš’n, staatsman, staatkundige, politicus; Politics,
politiks, staatkunde, politiek, slimheid: They were talking politics
the whole evening = zij hadden het den geheelen avond over staatkunde;
Polity, politi, regeerings(vorm), inrichting.
Polk, poulk, een polka dansen: They liked waltzing and polking; Polka,
poulkə, polkə, polka.
Poll, pol, Mietje; papegaai, lorretje = Poll-parrot.
Poll, poul, subst. hoofd, achterhoofd, persoon, register, lijst,
stemming, stembus, stembureau; benedeneind van eene bijl; Poll verb.
toppen, snoeien, knippen; stemmen, stemmen verkrijgen; registreeren,
slaan (sport): The poll is over = de stemming is afgeloopen; At six the
poll closed = sloot het stembureau; To go to the poll = gaan stemmen;
kandidaat zijn; He was at the head of the poll = hij had de meeste
stemmen; The ordinary or poll (ook pol uitgesproken) degree at
Cambridge = de gewone graad (Zie Pass) bij het B.A.; The jury was
polled = de leden der jury werden hoofdelijk ondervraagd omtrent hun
aandeel in de genomen beslissing (Amer.); Poll-cattle = ongehoornd vee;
Poll-tax = hoofdelijke omslag; Polling-booths = (verplaatsbare)
stembureaux; Polling-clerk = officieel stemopnemer; Polling-place
(Poll-station) = stembureau.
Pollard, poləd, geknotte of getopte boom (b.v. Pollard willow =
knotwilg); dier dat zijn gewei of horens kwijt is; grootkop (visch, Zie
Chub), zemelenmeel.
Pollen, pol’n, stuifmeel; Pollenize = bevruchten met stuifmeel;
Pollinary (Pollinose) = als met stuifmeel bedekt; Pollination =
bevruchting door insecten.
Polliwig, poliwig, donderpad, kikkervischje.
Pollute, pəljût, bezoedelen, besmetten, bevlekken, ontheiligen;
Polluted(ness); Polluter; Pollution, pəljûš’n, bezoedeling, besmetting,
bevlekking.
Pollux, poləks; Polly, poli, Mietje, Marie(tje).
Polo, poulou, soort balspel, te paard (of in ’t water) gespeeld.
Polonaise, po(u)ləneiz, soort v. japon; Polonaise.
Polony, pəlouni, worst van halfgaar-gekookt varkensvleesch.
Poltroon, poltrûn, subst. lafaard; adj. lafhartig, verachtelijk;
Poltroonery = lafheid; Poltroonish = laf.
Polyandrian, poliandriən, polyandrisch; subst. Polyandry, Polyandry.
Polyanthus, polianthəs, tuberoos.
Polygamist, poligəmist, voorstander der polygamie; adj. Polygamous;
Polygamy = polygamie.
Polyglot, poliglot, veeltalig; polyglotte, boek in vele talen; adj.
Polyglottous.
Polygon, poligon, veelhoek; Polygonal, Polygonous, pəligən’l,
pəligənɐs, veelhoekig; Polygonum, pəligənɐm, Polygony, pəligəni,
duizendknoop (grassoort).
Polygraph, poligraf, soort hectograaf; verzameling van verschillende
werken, veelschrijver; adj. Polygraphic(al), poligrafik(’l).
Polyhymnia, polihimniə; Polynesia, polinîšə, polinîžə, Polynesië;
Polynesian = van P.; Polynesiër.
Polyp(e), polip, poliep.
Polypod, polipod, duizendpoot; naaktvaren.
Polypus, polipɐs, poliep inktvisch.
Polysyllabic(al), polisilabik(’l), veellettergrepig; Polysyllable,
polisiləb’l, polisiləb’l, veellettergrepig woord.
Polysyndeton, polisindəton, polysyndeton.
Polytechnic, politeknik, polytechnisch; subst. = Polytechnic-school =
polytechnische school.
Polytheism, polithîizm, veelgodenleer; Polytheist = geloover in
veelgodenleer; adj. Polytheistic(al).
Pomace, pomis, pɐmis, pəmeis, droesem van geperste appelen; adj.
Pomaceous = appel...
Pomade, pəmeid, pəmâd, Pomatum, pəmeit’m, pommade; Pomade verb.
pommadeeren.
Pome, poum, appelvrucht; Pomegranate, pomgranit, pɐmgranit,
granaatappel.
Pomerania, poməreinjə, Pommeren: Pomeranian = Pommersch; Pommeriaan,
keeshond; Pomfret, pomfrət.
Pomiculture, poumikɐltšə, ooftboomkweekerij.
Pommel, pɐm’l, subst. degen- of zadelknop; Pommel verb. slaan, bont en
blauw slaan: They pommel(l)ed his back = sloegen op zijn rug; To pommel
to a jelly = tot moes slaan.
Pomologist, pəmolədžist, pomoloog; Pomology, pəmolədži de kunst v.
(leerboek over) vruchten en vruchtboomen kweeken; Pomona.
Pomp, pomp, praal, praalvertooning.
Pompeian, pompeiən, pompîən; Pompeii, pompeijî, pompîjai; Pompeius,
pompîjəs = Pompey, pompi, Pompeji; Pompejus.
Pompion, pɐmpj’n, pompoen.
Pompom, pompom, revolverkanon.
Pompon, pompən, pompon.
Pomposity, pompositi, praalzucht, vertoon, verwaandheid; gewichtigheid;
adj. Pompous, pompəs, subst. Pompousness; Pomposo, pompousou, statig en
waardig (muz.).
Pond, pond, vijver, poel.
Ponder, pondə, overwegen, overpeinzen: He pondered the past = hij
bepeinsde wat er gebeurd was; Ponderability = weegbaarheid; Ponderable
= weegbaar; Ponderosity = zwaarte, gewicht, gewichtigheid; Ponderous =
zwaar, gewichtig, saai; subst. Ponderousness.
Pondicherry, pondišeri.
Pone, poun, maïsbrood (Amer.).
Pongee, pöndžî, mindere soort v. Chineesche zijde.
Poniard, ponjəd, subst. dolk; Poniard verb. doorsteken.
Ponsonby, pons’nbi.
Pont, pont, veerschuit, veerpont.
Pontic, pontik: Pontic Sea = Zwarte Zee.
Pontifex, pontifeks (Mv. Pontifices, pontifisîz), Romeinsch priester;
bisschop, paus; Pontifex-maximus = eerste dezer priesters, de Paus;
Pontiff = hoogepriester, paus (= Supreme Pontifex); Pontifical,
pontifik’l, subst. het liturgische boek voor de bisschoppelijke
bedieningen; adj. hoogepriesterlijk, pauselijk: Pontifical States = de
kerkelijke staat; Pontificals = onderscheidingen gedragen door
bisschoppen en prelaten: In full pontificals = in pontificaal;
Pontificate, pontifikit, hoogepriesterlijke of pauselijke waardigheid.
Pont levis, pontləvis, pontlevis, ophaalbrug; het steigeren (van een
paard).
Ponton(n)ier, pontənîə, pontonnier; Pontoon, pontûn, ponton,
kiellichter (scheepst.); Pontoon-bridge = pontonbrug; Pontoon-train.
Pony, pouni, hit: 25 £; letterlijke vertaling v. een
(klassiek)schrijver; Pony verb. zulk een vertaling gebruiken: To put
down the pony = opdokken; Pony-engine = rangeerlocomotief.
Poodle, pûd’l, poedel.
Pooh, pû, interj. poepoe! onzin! To pooh-pooh = met verachting van zich
werpen: He pooh-poohed the possibility of ever doing such a thing.
Pool, pûl, subst. poel, inzet, pot (bij het spelen), potspel (biljart),
totalisator; Pool verb. samenleggen (van geld, etc.), zich verbinden
tot gezamenlijk doen van iets: The swimming pool and the wading pool =
zwembassin en “pierenbak”; Pool-counter = fiche; Pool-ticket =
totalisatorkaart; Pooler = stok om te roeren.
Poonghee, pûŋgî, Poongy, pûŋgi, Boeddhistisch priester.
Poop, pûp, subst. achterhut of -dek, campagne; vent; Poop verb. over
den achtersteven breken (van golven), van achteren aanvaren; Funny old
poop.
Poor, pûə, arm, behoeftig, uitgeput, vermagerd, zwak, vervelend,
treurig, onbeteekenend, nederig, stumperig: The poor and the rich =
armen en rijken; Poor Clares = orde van Franciscaner nonnen; You are
making a poor dinner = ge eet weinig; A poor excuse = een armzalig
excuus; In poor health = in slechte gezondheid; Poor Law = armenwet;
It’s a poor look-out = ’t ziet er miserabel voor ons uit; Poorhouse =
armenhuis; Poor-rate = armenbelasting; Poor-spirited = ellendig,
lafhartig; subst. Poor-spiritedness; I feel very poorly to-day = voel
me lang niet goed; How is the patient? Poorly indeed = hoe is het met
de(n) zieke? Erg minnetjes; subst. Poorness.
Pop, pop, subst. klap, flap, plof, mousseerende drank, pistool(tje);
interj. floep! poef! Pop verb. plotseling binnenkomen of voor den dag
komen, schieten, snel bewegen, duwen, paffen, knallen, poffen,
verpanden: Pop goes the weasel! = en weg was het! Pop, bang, fire! =
pief-paf-poef! The pop of bottles = floep; To go pop = op de flesch
gaan; He came in pop = plotseling; He was a regular attender at Sunday
Pops = Popular Concerts; To pop corn = maïs poffen tot de korrels er
uit vliegen; She popped her head out of the window = zij kwam in eens
met haar hoofd buiten het raam; He popped the question = hij vroeg om
hare hand; To pop into bed = springen; I could not think you would pop
in upon me at this hour = ik had er niet het minste idee op, dat gij nu
zoudt komen aanwaaien; Rusty firelocks were continually popped off =
verroeste snaphanen werden onophoudelijk afgeschoten; He popped a
wanting hand on the mutilated statue = hij lapte eene ontbrekende hand
aan; Pop-corn = maïs die geschikt is gepoft te worden; Pop-eyes =
uitpuilende oogen; Pop-gun = klein pistooltje; Pop-shop = pandjeshuis;
Pop-visit = onverwacht bezoek; Popper = mand van ijzerdraad om maïs te
poffen; poffer, pistool.