pistool): Pistol-bag = holster; Pistol-case = pistoolkistje.
Pistole, pistoul, pistoul, gouden munt (ƒ 9 à ƒ 12).
Piston, pist’n, klep, zuiger; zuignapje: Piston-rod = zuigerstang;
Piston-stroke = zuigerslag; Piston-valve = zuigerklep.
Pit, pit, subst. put, kuil, afgrond, diepte, parterre (schouwburg),
plaats voor hanengevechten; een kaartspel; Pit verb. uithollen, in eene
put plaatsen, aanzetten, ophitsen, met kuiltjes of pokken merken: The
pit = het graf; He flew the pit = hij gaf den strijd op; He hit the pit
of my stomach = raakte me in de maagholte; He has the power of pit and
gallows = kerker en dood; To pit against = stellen tegenover; He pitted
his brains against that difficult language = hij studeerde hard op die
taal; Pitted with the smallpox = van de pokken geschonden (ook:
Pock-pitted); Pitfall = val, strik, valluik; Pitman = putwerker;
Pit-pat = tik.... tak; Pit-saw = kraanzaag (voor twee man: de onderste
heet Pitman of Pit-sawyer, de bovenste top-sawyer); Pittite = volgeling
van Pitt, parterre-bezoeker = Pitster.
Pit-a-pat, pitəpat, subst. klopping, tiktak, getrippel; adv. tikketak;
Pit-a-pat verb. trippelen: And my heart went pit-a-pat = ging rikketik.
Pitch, pitš, subst. pik of pek; hoogte, toppunt, graad of trap; diepte,
helling; toestand; toonhoogte; worp, stalletje; Pitch verb. teeren,
pikken; bevestigen, zetten, opstellen, steken, regelen, werpen,
slingeren, met een hooivork gooien of aanreiken, ruw plaveien, stemmen,
den (grond)toon bepalen, kampeeren, (voorover) vallen, zich storten op,
neerkomen, stampen (v. een schip): One cannot touch pitch without being
defiled; As dark (black) as pitch = zoo donker als de nacht;
Pitch-and-toss = kop of leeuw; It rose to the highest pitch = het
bereikte het toppunt; Pitch of a roof = helling v. een dak; Pitch of a
room = de hoogte van vloer tot zolder; Pitch of a saw = helling van de
tanden van eene zaag; (All our rooms are well pitched = van behoorlijke
hoogte); A pitched battle = geregelde slag; A pitched street = eene met
granietblokken geplaveide straat; They pitched a camp near the town =
sloegen op; Pitch into him = sla er op; I could not pitch upon the
right word = kon niet vinden; The 17th was pitched upon = het werd op
den 17en vastgesteld; Mind the pitching = denk om de helling; The
pitching of the ship was something terrible = het schip stampte
verschrikkelijk; Pitch-farthing = het spelen met centen in een kuil;
Pitchfork = hooivork; Pitchfork verb. met een hooivork opgooien of
aanreiken: He was pitchforked into that office = kreeg dat ambt door
zijne vele kruiwagens; Pitch-pipe = stemfluitje; Pitchiness, subst. v.
Pitchy = pikachtig, pikzwart, duister, akelig.
Pitcher, pitšə, soort v. houweel; kruik of kan; iemand, die van een
stalletje verkoopt; straatkunstenaar: Pitchers have ears = kleine
potjes hebben ook ooren; So often goes the pitcher to the well, that it
comes home broken at last = de kruik gaat zoolang te water tot ze
breekt.
Piteous, pitjəs, ellendig, jammerlijk, treurig; medelijden hebbend met
(of); subst. Piteousness.
Pith, pith, pit, kern, merg, kracht, nadruk, het essentiëele; Pithiness
= pittigheid, kracht; Pithless = zonder pit (ook fig.), slap, zwak;
subst. Pithlessness; Pithy = pittig, krachtig.
Pitiable, pitiəb’l, jammerlijk; subst. Pitiableness.
Pitiful, pitiful, medelijdend; erbarmelijk, onbeduidend; subst.
Pitifulness; Pitiless = onbarmhartig; subst. Pitilessness.
Pittance, pit’ns, gave, kleine portie, schrale kost, beetje.
Pity, piti, subst. medelijden, jammer, ellende; Pity verb. medelijden
hebben; beklagen: It’s a great pity = het is (erg) jammer; Do it, for
pity’s sake = doe het om Gods wil; More is the pity = jammer genoeg,
wat nog erger is; Have (take) pity on him = wees hem genadig, heb
deernis met; I pity you, though you never complain of him = ik beklaag
u, ofschoon gij nooit over hem klaagt; He is to be pitied = is te
beklagen.
Pius, paiəs.
Pivot, pivət, spil, guide (= Pivot-man); Pivot verb. draaien; Pivotal
question = hoofdzaak.
Pix, piks = Pyx.
Pixy, piksi, fee, toovergodin.
Pizzle, piz’l, roede: Bull’s pizzle = bullepees.
Placability, plakəbiliti, pleikəbiliti, verzoenbaarheid,
vergevensgezindheid, toegevendheid; adj. Placable, plakəb’l, pleikəb’l.
Placard, pləkâd, plakəd, subst. plakkaat, aanplakbiljet; Placard verb.
biljetten aanplakken, bekend maken door plakkaten.
Place, pleis, subst. plaats, ruimte, inrichting, gebouw, verblijf,
stad, dorp, betrekking, rang, stand; Place verb. plaatsen, op intrest
zetten, (geld) beleggen (ook: to place out), schatten, de eerste,
tweede of derde plaats toekennen (bij wedrennen), aanstellen: In place
= op de juiste plaats; In the first place = ten eerste; In his place =
in zijn plaats; In place of = in plaats van; The right man in the right
place = de rechte man op de rechte plaats; To be out of place = buiten
betrekking; To be badly (entirely) out of place = totaal misplaatst; To
be all over the place = aan de orde van den dag zijn; I do not wish to
change my place = ik wensch geene andere betrekking; Shall we change
places = van plaats verwisselen; He filled his place to everybody’s
satisfaction = nam zijne betrekking waar; To give place to = vervangen
worden door; Censure began to give place to curiosity = begon te wijken
voor; He has long since gone to his place = is ten grave gedaald; To
know one’s place = weten waar men moet staan (ook fig.); To put in his
place = op zijn nummer zetten; To take place = plaats hebben; To take
places = plaatsen bespreken; Place-hunter = baantjesjager; Placeman =
iemand, die door zijne partij aan een baantje geholpen wordt;
Place-name = plaatsnaam.
Placenta, pləsentə, moederkoek; adj. Placental.
Placer, pleisə, plasə, goudbevattend terrein, goudmijn (ook fig.).
Placid, plasid, kalm, rustig, vreedzaam; subst. Placidity, pləsiditi =
Placidness.
Placket, plakət, split v. een vrouwenrok (= Placket-hole); rok, schort,
vrouw.
Plagiarism, pleidžiərizm, letterdieverij; Plagiarist, pleidžiərist,
letterdief; Plagiarize = letterdieverij plegen.
Plague, pleig, subst. pest, plaag, ramp, straf; Plague verb. met de
pest besmetten, met eenige ramp bezoeken; kwellen, plagen: (A) plague
on his sentiments = laat hij met zijne opinies naar den duivel loopen;
You little plague = kleine rakker! Plague-spot (Plague-token) =
pestbuil, schandvlek; Plaguy, pleigi, pest - -, besmettelijk,
vervelend, lastig, ondragelijk, veel, zeer.
Plaice, pleis, schol; platvisch.
Plaid, plad, pleid, subst. geruite wollen omslagdoek in Schotland;
reisdeken; adj. Schotsch.
Plain, plein, subst. vlakte, vlak, veld; adj. vlak, open, helder,
duidelijk, eenvoudig, niet schoon, leelijk; Plain verb. klagen,
beklagen; uitleggen: In plain clothes = in burgerkleeren; A plain face
= alledaagsch, niet mooi; In plain terms = ronduit; That’s the plain
truth = dat is de zuivere waarheid; Sausage and plain = worst met
gekookte aardappelen; He put it very plain = drukte zich zeer duidelijk
uit; Plain cooking = burgerpot; Plain-dealer = oprecht en eerlijk man;
Plain-dealing = oprechtheid, rondheid; Plain-song = koraalgezang;
Plain-speaking = openhartigheid, oprechtheid; Plain-spoken =
openhartig, rond; Plain-work = nuttige handwerken; Plainness =
vlakheid, etc.
Plaint, pleint, weeklacht, klaaglied; aanklacht; Plaintiff =
(aan)klager, eischer; Plaintive = jammerend, klagend, droevig; subst.
Plaintiveness.
Plaister, plâstə, pleistə; Zie Plaster.
Plait, pleit, subst. platte vouw, plooi; vlecht; bonbon, borstplaat;
Plait verb. vouwen, plooien, vlechten: She carefully removes my plaits
(= valsche vlechten of valsch haar) and gingerly applies the comb to
what is left on my head.
Plan, plan, subst. ontwerp, plan, schets, methode; Plan verb. een plan
maken, schetsen, ontwerpen, beoogen: Plan of campaign = krijgsplan; On
an entirely new plan = volgens eene geheel nieuwe methode; The plan
fell away (through) = viel in duigen; I have changed my plans = ik ben
van plan veranderd; They were always planning and plotting = aan het
plannen maken en samenzweren; Planless; Planner.
Planchet, planšət, muntplaatje.
Plane, plein, vlak, effen; subst. vlakte, vlak, oppervlak, basis,
sfeer, trap, gebied; schaaf; plataan (= Plane-tree); Plane verb.
effenen, schaven: Plane chart = kaart naar Mercators projectie; Plane
geometry = vlakke meetkunde; Plane sailing = zeilen op een
gelijkgradige kaart; eenvoudige zaak; Plane-table = planchet (in graden
verdeeld instrument voor het landmeten); Plane-tree = plataanboom;
Planer = schaver; schaaf.
Planet, planət, planeet; Planet-struck, Planet-stricken = door den
invloed van planeten getroffen, als verlamd; Planet-wheel = planeetrad;
Planetarium, planətêriəm, planetarium; Planetary = veroorzaakt door
planeten; planeet...; Planetoid, planətôid, asteroid.
Plangent, planž’nt, luid klotsend.
Planimetric(al), pleinimetrik(’l), planimetrik(’l), planimetrisch;
Planimetry, plənimətri, pleinimətri, vlakke meetkunde.
Planing, pleiniŋ: Planing bench = schaafbank; Planing-machine =
schaafmachine.
Planish, planiš, planeeren, glad schaven, polijsten, pletten;
Planisher.
Planisphere, planisfîə, planisfeer.
Plank, plaŋk, subst. plank; beginsel van een politiek programma; Plank
verb. met planken beleggen of bedekken; neerleggen (gooien) = To plank
down (Amer.); The pirates made their captives walk the plank = spoelden
hun gevangenen de voeten; A planked way = plankier.
Plano, pleinou: Plano-concave = planconcaaf; Plano-conical =
planconisch; Plano-convex = planconvex.
Plant, plânt, subst. plant, gewas; al het materiaal voor een bepaalden
arbeid; bedriegerij, zwendel; Plant verb. planten, vestigen,
neerzetten, zaaien: Railway plant = al het materiaal voor een spoorweg;
I am sure he has some plant on = dat hij iets in het schild voert;
Planting his right foot with some force on the ground = neerzettende;
To plant oneself four square = zich schrap zetten; Plant-cane =
suikerriet van het eerste jaar; Plant-marker = naambordje (bij plant.);
Planter; Planting-ground = (kunstmatige) oesterbank; Plantlet =
plantje.
Plantain, plantən, weegbree; pisang.
Plantation, planteiš’n, aanplanting, beplanting, plantage,
nederzetting.
Plantigrade, plantigreid, op de zolen loopend; zoolganger.
Plap, plap, kletteren (v. water).
Plaque, plâk, geëmailleerd of beschilderd bord van aardewerk of metaal;
ster van eene orde, schijf; Plaquette, pləket, plaquette.
Plash, plaš, subst. tak (in eene heg) met andere takken
dooreengevlochten; geklots, geplas, plas; Plash verb. dooreenvlechten
van takken; plassen, sprenkelen; Plashy, plaši, drassig; gespikkeld.
Plasma, plazmə, plasma; een soort van groen kwarts; Plasmatic(al) =
vorm of gedaante gevend; plasma-achtig.
Plaster, plâstə, subst. pleister(werk), gips, cement; pleister; Plaster
verb. bepleisteren, berapen, besmeren: Calcined plaster = Plaster of
Paris = gebrande gips; Plaster bust = buste van gips; Plaster image =
gipsen beeldje; Plaster image maker; Adhesive (Sticking) plaster =
hechtpleister; Blistering (Cantharides, Vesicating) plaster =
trekpleister; Court plaster (Isinglass plaster) = Engelsche pleister;
He was plastered all over = als bedekt met pleisters of pappen;
Plasterer = stucadoor.
Plastic, plastik, plastisch, beeldend, vormend, vormbaar: Plastic art =
de beeldende kunst; Plastic clay = pottebakkersaarde; Plasticity,
pləstisiti, plasticiteit, vormbaarheid.
Plastron, plastr’n, borstharnas, borst- of stootlap (voor schermers),
borststuk, borst in kleedingstuk; plastron.
Plat, plat, subst. lapje grond, plan, vlecht, vlechtstroo (= Platting);
Plat verb. een plattegrond maken van, vlechten; Platband = rabat
(bloembed), bovenstijl van venster of deur.
Platan, plat’n, Platane, platein, plataan.
Plate, pleit, subst. plaat, bord, metalen vaatwerk, gouden en zilveren
schotels of andere voorwerpen (als prijzen), tafelzilver, schaal, gang,
etc.; harnas; Plate verb. met zilver of goud bedekken, pantseren,
pletten; Plate-armour = pantserplaten; Plate-basket = afhaalmandje;
Plate-fleet = (de Spaansche) zilvervloot; Plate-glass = spiegelglas;
Plate-iron = plaatijzer; Plate-layer = legger van spoorstaven;
Plate-mark = keur; Plate-rack = rek voor borden en schotels;
Plate-warmer.
Plateau, plətou, hoogvlakte, tafelland.
Platen, plat’n, degel (boekdr.).
Platform, platföm, verhoogde vloer, tribune, terras, balkon (van tram),
perron, politiek programma of pol. redevoeringen; bedding van een stuk
geschut.
Platina, platinə, plətînə, Platinum, platinɐm, plətînəm, platina:
Platinum crucible; Platinum-wire; adj. Platinic; Platiniferous =
platina opleverend.
Platitude, platitjûd, platheid, onbeduidendheid, oppervlakkigheid: He
is endlessly prolix and platitudinous = en vol gemeenplaatsen.
Plato, pleitou, Plato; Platonic, plətonik, platonisch: Platonic love (=
Platonics); Platonic year = platonisch jaar (ongeveer 26,000 jaren);
Platonism = wijsbegeerte van P.; Platonist = volgeling van Plato.
Platoon, plətûn, peleton: In (By) platoons; Platoon firing.
Platter, platə, houten bord, groote platte schotel.
Plaudit, plôdit, toejuiching; Plauditory = toejuichend.
Plausibility, plôzibiliti, subst. v. Plausible, plôzib’l, plausibel,
aannemelijk, aangenaam voor oog of zinnen, mooi pratend, met gladde
tong; subst. Plausibleness.
Play, plei, subst. spel, vermaak, vrijheid van handeling, ruimte,
tooneelstuk, wijze van spelen; Play verb. spelen, in beweging zijn,
bespuiten, beschieten, etc.: It was as good as a play = onbetaalbaar;
Play of colours = kleurenspel; A play on (upon) words = woordspeling;
To leave off boys’ play = de kinderschoenen uittrekken; Let him have
fair play = geef hem een eerlijke kans, behandel hem zoo royaal
mogelijk; That is not fair play = niet eerlijk; To give full (free)
play = vrij spel laten; A child at play = spelend; His pen was in full
play = hij gebruikte zijne pen ter dege; The waterworks were in full
play = aan ’t springen; I am in play = aan stoot (bilj.); He called
into play all his influence = hij liet al zijn invloed gelden; You must
try to hold (keep) them in play = aan den gang te houden; To put into
play = in beweging brengen; You must play or pay = ge moet doorspelen
of alles verbeuren (“hangen of verzuipen”); To play fair, foul =
eerlijk, oneerlijk; You play me false = bedriegt mij; He plays fast and
loose with his money = hij gooit zijn geld weg; He plays fast and loose
= hij is grillig, wispelturig; To play boats (horses, school, soldiers)
= scheepjezeilen, paardje spelen, etc.; To play (at) cards (chess,
dice); To play the deuce (devil) with = beetnemen, erg te pakken nemen,
ondermijnen; To play a fish = laten uitspartelen; To play the fool
(with) = zich mal aanstellen (malle streken uithalen met); To play the
game = eerlijk of flink handelen; He plays a capital knife and fork =
kan geducht eten, eet kolossaal; To play a prominent part = een
hoofdrol spelen; He has played (the) truant = hij is stil uit school
(van zijn werk) weggebleven; They played first at blindman’s buff and
then at keeping house = ze speelden eerst blindemannetje en toen
huismoedertje; Two can play at this = dàt kan ik ook; We will not play
for money but for love = niet om geld, maar om de eer (voor ons
plezier); I only play for safety = op goed af (bilj.); To play into
each other’s hands = elkaar den bal toekaatsen (fig.); He played off
that trick on me = hij bakte mij die poets; To play off one against the
other = tegen elkaar uitspelen; He has many talents, but he plays them
off = loopt er mee te koop; To play on words = woordspelingen maken;
They played out their dinner = betaalden het diner met hun spelen;
Played out = op, verbruikt, uitgeput; The musicians must play up =
beginnen, opspelen; They did not play up to me = zij speelden niet in
mijn kaart; You play upon me = gij bedriegt mij; I played with his
follies as an angler plays the fish at the end of his line = ik speelde
met zijn dwaasheden, zooals de hengelaar den visch laat uitspartelen;
Play-acting = tooneelspelen; Play-actor = tooneelspeler; Playbill =
affiche, programma; Play-book = tekstboekje; Play-day = speeldag;
vacantiedag; Play-debt = speelschuld; Playfellow = speelmakker;
Playgoer = geregeld theaterbezoeker; Playground = speelplaats;
Playhouse = theater; Playmate = speelkameraad; Plaything = stuk
speelgoed; Playwright = schrijver van tooneelstukken = Play-writer;
Player = speler; Playful = speelsch, schalksch; subst. Playfulness.
Plea, plî, pleit, pleidooi, excuus, verweer, dringend verzoek: Court of
Common Pleas = vroeger gerechtshof, thans onder The Queen’s Bench
Division van het High Court of Justice; On (Under) the plea that =
onder voorwendsel; To urge the plea of necessity = op de
noodzakelijkheid wijzen.
Pleach, plîtš: Pleached walk = berceau.
Plead, plîd, pleiten, een pleidooi houden, zich verweren, bewijzen voor
of tegen bijbrengen, voorgeven, aanvoeren, verontschuldigen: To plead
for a person, To plead a person’s cause = iemands zaak bepleiten; He
pleaded ignorance, innocence, guilty = hij gaf voor dat hij er niets
van wist, dat hij onschuldig was, hij bekende; Pleadable = wat
aangevoerd kan worden; Pleader: Special pleader = sophistisch
verdediger; Special pleading = het aanvoeren van nieuw bewijsmateriaal
(in tegenstelling met het weerleggen van het door de tegenpartij
aangevoerde), draaierij; Pleadings = protocollen, processen-verbaal,
processtukken.
Pleasance, plez’ns, vermaak, vroolijkheid; lusthof; Pleasant, plez’nt,
aangenaam, prettig, vroolijk; subst. Pleasantness; Pleasantry,
plez’ntri, vroolijkheid, scherts, grapje.
Please, plîz, behagen, genot verschaffen, believen: He was pleased to
say so = het behaagde hem; Are you not yet pleased! = hebt ge nog niet
genoeg? He was pleased at hearing of my success = was verheugd te
hooren; Pleased with = ingenomen met; Please come in = Will you please
to walk in? = mag ik u verzoeken binnen te gaan; As you please = naar u
verkiest; As pleased as Punch = dolblij; If you please = alstublieft;
ook: met permissie, note bene; Please, don’t say so = zeg dàt nu niet;
Please acknowledge receipt = ontvangbewijs verzocht; Pleasing, subst.
het behagen of voldoen; adj. aangenaam, behaaglijk: Pleasing ways =
innemende manier van doen; subst. Pleasingness = innemendheid.
Pleasurable, pležərəb’l, aangenaam, subst. Pleasurableness; Pleasure,
pležə, subst. genoegen, vermaak, genot, wensch, wil, welbehagen, keus,
begeerte; Pleasure verb. zich vermaken: I am at your pleasure = ik hang
af van uw welbehagen; At pleasure = naar goedvinden; It is a pleasure
to me to do it = het is mij een genot; The pleasure is ours = het
genoegen is aan ons; To take pleasure in = behagen scheppen in; Use
your pleasure = doe wat gij niet laten kunt; I’ll wait his good
pleasure = wachten tot het hem behagen zal; Pleasure-boat =
pleizierboot; Pleasure-ground = park, uitspanningstuin; Pleasure-train
= pleiziertrein (Amer.); Pleasure-trip = pleiziertochtje; To go (out)
a-pleasuring = pret gaan maken.
Pleat, plît; Zie Plait.
Plebeian, plibîən, subst. plebejer; adj. plebejisch, plat, gemeen;
Plebeianism = ploertenmanieren of -gewoonten, platheid; Plebeii,
plibîai, plebejers.
Plebiscite, plebis(a)it, plebisît, plebisci(e)t; Plebs, plebz, plebs.
Pledge, pledž, subst. pand, onderpand, borgtocht, het drinken van
iemands gezondheid, liefdepand; Pledge verb. verpanden, als onderpand
geven, plechtig verbinden, iemands gezondheid drinken: He has redeemed
his pledge = zijn pand ingelost, zijne belofte gehouden of gestand
gedaan; To take the pledge = afschaffer worden; To hold in pledge = in
pand houden; To put in pledge = verpanden; He pledged me in return =
deed mij bescheid; I pledge my word on it = verpand er mijn woord
onder; They have pledged themselves too deeply to recant = zich te zeer
en te plechtig verbonden; I have pledged myself to you on behalf of my
brother = ben bij u borg gebleven; Pledgee, pledžî = pandnemer;
Pledger.
Pledget, pledžət, plok, plukselverband.
Pleiades, plîədîz, het zevengesternte.
Plenary, plînəri, plenəri, volkomen, geheel: Plenary absolution,
Plenary indulgence = volle absolutie, aflaat; Plenary meeting = plenum,
voltallige vergadering; Plenary power = volmacht.
Plenipotentiary, plenipətenšəri, plînipətenšəri, subst. en adj.
gevolmachtigd(e).
Plenitude, plenitjûd, volheid, volkomenheid.
Plenteous, plentjəs, overvloedig, in groot aantal; subst.
Plenteousness; Plentiful = overvloedig: Apples were plentiful and rare
this year = dit jaar gaf een overvloed van zeldzaam mooie appels;
subst. Plentifulness; Plenty, plenti, subst. overvloed; adj. en adv.
overvloedig: He has plenty of money = veel geld; You will be in plenty
of time (have plenty of time) = hebt meer dan tijd; Horn of plenty =
hoorn des overvloeds.
Pleonasm, plîənazm, pleonasme; Pleonastic = overtollig.
Plesiosaurus, plîziəsôrəs, fossiele zeehagedis.
Plethora, plethərə, volbloedigheid, overvloed; adj. Plethoric,
pləthorik, plethərik.
Pleura, plûrə, borstvlies; Pleural = borstvlies..; Pleurisy, plûrisi,
borstvliesontsteking, pleuris = Pleuritis, pluraitis.
Pliability, plaiəbiliti, subst. v. Pliable, plaiəb’l, buigzaam, lenig,
volgzaam; subst. Pliableness = Pliancy, plaiənsi; Pliant, plaiənt,
buigzaam, smijdig, gedwee.
Plicate(d), plaikit(id), gevouwen, geplooid; Plication = platte vouw.
Pliers, plaiəz, vouw- of buigtang.
Plight, plait, subst. belofte; toestand, geval; Plight verb. verpanden,
beloven: In good (a sorry) plight = er goed (slecht) aan toe; He
plighted his faith = gaf zijn eerewoord; They had plighted their troth
to each other = hadden elkander trouw beloofd.
Plimsoll, plimsol: Plimsoll’s mark = wettig voorgeschreven lastlijn.
Plinth, plinth, plint, onderste gedeelte van den zuilsokkel.
Pliny, plini, Plinius.
Plod, plod, zwoegen, ploeteren, hard blokken: To plod at one’s books =
vossen; Plodder.
Plop, plop, plonsen; interj. plomp, klets: To fall plop into the water.
Plot, plot, subst. samenzwering, complot, intrige of knoop; stuk
gronds, platte grond; Plot verb. samenzweren, plannen smeden;
ontwerpen, traceeren: A complicated plot = ingewikkelde intrige;
Secondary, Subplot; They laid (wove) a plot = zij smeedden eene
samenzwering; Grass plot = grasveld; To plot a line = een spoorlijn
traceeren; To plot against = een samenzwering smeden tegen; To plot
down (out) = ontwerpen; Plotter = plannenteekenaar, samenzweerder;
Plotting-scale = verkleinde schaal.
Plough, plau, subst. ploeg, holle schaaf; Plough verb, ploegen,
groeven: You must put your hand to the plough = de hand aan den ploeg
slaan; To plough a lonely furrow = alleen staan; To plough the sands =
nutteloos werk doen; To plough in = onderploegen; To plough up =
omploegen; He was ploughed = hij zakte voor het examen; Ploughboy =
ploeger, arbeider; kinkel; Plough-handle = staart; He had a
plough-handle-stoop in his shoulders = hij liep met krommen rug;
Ploughland = bouwland, geploegd land; Ploughman = ploeger, boer; Plough
Monday = Maandag na Driekoningen (6 Jan.); Plough-share = ploegijzer,
kouter; Plough-tail = ploegstaart; Ploughing-machine; Ploughing-match.
Plover, plɐvə, pluvier.
Pluck, plɐk, subst. ruk, trek, ingewand, moed, vuur, korf (bij examen);
Pluck verb. (kaal) plukken, rukken, afwijzen: He has no end of pluck =
hij heeft veel “durf”; He is a plucked one = heeft durf; The best
plucked man I ever saw = kranigste; I have a crow to pluck with you =
een appeltje met u te schillen; To pluck a pigeon = een suffer plukken
(bij ’t spel); To pluck up courage, spirit = moed vatten, bijeenrapen;
He was (got) plucked = hij is gezakt; Plucky; You are a plucky little
fellow = een dapper ventje.